Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BY9114

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
22-01-2013
Zaaknummer
10/750129-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan diefstal met geweld met dood tot gevolg. Beoordeling betrouwbaarheid verklaring getuige/medeverdachte. Motivering opzet op geweld. Oplegging van een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk en 240 uur werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/750129-11

Datum uitspraak: 22 januari 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsman mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10, 11, 12 en 17 december 2012. Het onderzoek is gesloten op 8 januari 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Spaans heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest;

- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, zoals vermeld op de aangehechte bijlage II, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 8 juni 2011 omstreeks 19:50 uur is op de [adres] te Rotterdam de heer [slachtoffer] neergeschoten. Hierbij heeft [slachtoffer] een buikwond aan de linkervoorzijde ter hoogte van zijn middenrif opgelopen. [slachtoffer] werd aangetroffen naast een Opel Corsa met kenteken [kenteken]. De schutter heeft uit de kofferbak van deze auto een tas gepakt, heeft deze tas in een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (hierna: “de VW Golf”) gezet en is op een passagiersplaats in deze VW Golf gestapt. Vervolgens is de VW Golf met hoge snelheid weggereden.

Op 8 juni 2011 omstreeks 20:45 uur is de VW Golf aangetroffen op de [adres] te Rotterdam. Bij onderzoek bleek de achterruit verbrijzeld en zijn (onder meer) twee patronen 7,65 mm, twee afgevuurde patroonhulzen 7,65 mm, een gebroken SIM-kaart van het nummer [nummer] en een waterflesje aangetroffen. Bij onderzoek trof men DNA-materiaal van de medeverdachte [medeverdachte 2] aan op het in het portiervak linksvoor aangetroffen halfvolle flesje Spa.

[slachtoffer] is herhaaldelijk geopereerd en op 14 juni 2011 overleden. Bij sectie werd het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen van fors doorgemaakt bloedverlies (hartfunctiestoornissen, algehele weefselschade) en algehele weefselschade door bloedvergiftiging, opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld.

Bewijsvraag

Mede naar aanleiding van het door de verdediging gevoerde bewijsverweer en de inhoud van het requisitoir van de officier van justitie is de belangrijkste bewijsvraag of de verdachte als medeplichtige aan deze diefstal met geweld kan worden aangemerkt.

Verklaring [medeverdachte 1]

Op het punt van de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal met geweld komt de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] op het volgende neer.

De verdachte was op de hoogte van de aanwezigheid en overdracht van heroïne door [getuige 1] en wilde hem rippen van vijftig kilo heroïne. Hij heeft de rippers getipt. De verdachte heeft samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tassen gekocht voor [getuige 1]. De verdachte had contact met de mensen die aanwezig waren bij de “rippartij”. [medeverdachte 1] heeft de verdachte en [medeverdachte 2] op 8 juni 2011 ontmoet. De verdachte zei toen dat de ripdeal die dag zou plaatsvinden, dat [medeverdachte 2] zich klaar moest maken en dat [getuige 1] een andere auto, een huurauto, zou hebben. Later op de middag gingen de verdachte en [medeverdachte 2] samen nog even weg in een door [medeverdachte 2] bestuurde Opel Corsa. De verdachte zou toen aan [medeverdachte 2] de plaats aanwijzen waar de ”rippartij” moest gaan gebeuren die avond. De verdachte heeft tegen [medeverdachte 2] gezegd dat het die avond rond 19:30 uur ging gebeuren. [medeverdachte 1] is met [persoon 1] rondjes gaan rijden in de buurt van de Hoofdweg. [medeverdachte 1] heeft gebeld met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] zei dat ze moesten “opkankeren” met die auto en vroeg wat ze daar deden. [medeverdachte 1] is gebeld door de verdachte en heeft aan [medeverdachte 2] doorgegeven dat “hij er is”. Eén of twee dagen na de schietpartij heeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] verteld dat er allemaal rommel in de tas zat. Het was “mix”.

Betrouwbaarheid verklaring [medeverdachte 1]

De verklaringen van [medeverdachte 1] met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte zijn duidelijk, consistent en gedetailleerd. Op belangrijke onderdelen vinden zij bevestiging in andere bewijsmiddelen.

1) De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij is gebeld door de verdachte en aan [medeverdachte 2] heeft doorgegeven dat “hij er is” wordt bevestigd door de historische gegevens van diverse telefoonnummers. De op de bijrijderstoel van de VW Golf aangetroffen gebroken SIM-kaart (nummer [nummer]) is van een nummer dat aan [medeverdachte 2] kan worden toegeschreven. Dit nummer maakt kort voor het schietincident, om 19:34 uur, gebruik van een zendmast op de Hoofdweg (waarvan de [adres] een zijstraat is). Het [nummer] nummer van de verdachte ontvangt op 8 juni 2011 om 19:44 uur een sms van [getuige 1] met de inhoud “hij is dr”. Het [nummer] nummer van [medeverdachte 2] werd op 8 juni 2011 om 19:44 uur gebeld door het [nummer] nummer van [medeverdachte 1] (gespreksduur 33 seconden) en om 19:46 uur gebeld door het [nummer] nummer van [medeverdachte 1] (gespreksduur 9 seconden). Laatstgenoemde nummers maken dan gebruik van zendmasten in de directe nabijheid van de [adres].

2) De verklaring van [medeverdachte 1] over het contact tussen de verdachte en [getuige 1] wordt - naast genoemde historische gegevens - bevestigd door de verdachte.

3) De verdachte bevestigt ook de aankoop van tassen voor [getuige 1] op de [adres]. Deze aankoop vindt voorts bevestiging in het aantreffen van een artikelkaartje in de Opel Corsa van [slachtoffer] (kenteken [kenteken]) van de tassenwinkel ‘[winkel]’ aan de [adres], in de verklaring van de eigenaar van die winkel over de verkoop van twee tassen op 7 juni 2011 en in de door hem aan de politie overhandigde bon.

4) De door [medeverdachte 1] aangewezen “tweede vluchtauto”, een Opel Corsa met kenteken [kenteken], is volgens de verklaring van [getuige 2] op 8 juni 2011 inderdaad uitgeleend aan [medeverdachte 2]. Volgens de Vialis-gegevens begeeft deze auto zich vóór en rond het tijdstip van het schietincident richting de [adres].

5) De verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] bij het schietincident aanwezig is geweest en chauffeur van de VW Golf was, wordt bevestigd door het op het spaflesje uit het bestuurdersportier van de VW Golf aangetroffen DNA-materiaal van [medeverdachte 2] en door de op de bijrijderstoel van de VW Golf aangetroffen gebroken SIM-kaart van een telefoonnummer ([nummer]) dat aan [medeverdachte 2] kan worden toegeschreven.

De verklaringen van [medeverdachte 1] met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte worden derhalve geloofwaardig en betrouwbaar geacht en gebruikt voor het bewijs.

Medeplichtigheid van de verdachte

De hiervoor onder 1) en 2) genoemde bevindingen onderbouwen de verklaring van [medeverdachte 1] en zijn redengevend voor de medeplichtigheid van de verdachte bij de diefstal met geweld als gever van informatie over plaats, tijdstip waarop en de auto waarmee de drugstransactie zou plaatsvinden. De rol van de verdachte in het voortraject wordt hierdoor feitelijk onderbouwd.

Opzet op geweld

Voor strafbare medeplichtigheid is vereist dat het opzet van de verdachte was gericht op het verschaffen van inlichtingen en op de diefstal met geweld. Opzet op de precieze uitvoering is geen vereiste. Vastgesteld dient te worden dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat door de medeverdachte(n) geweld zou worden gepleegd en dat deze kans door hem is aanvaard.

De verdachte wist dat er een ripdeal, in dit geval de beroving van vijftig kilogram heroïne (van [slachtoffer]), zou plaatsvinden. Nu de verdachte, die zich naar zijn eigen verklaring eerder met drugstransporten heeft beziggehouden, met [medeverdachte 1] over een ripdeal heeft gesproken wordt het fenomeen van een ripdeal, waarbij vaak (vuurwapen)geweld gebruikt wordt, bekend verondersteld. De verdachte heeft aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] informatie gegeven over datum, tijdstip en plaats waar(op) respectievelijk de auto waarmee de drugstransactie zou plaatsvinden. Op de avond zelf heeft [medeverdachte 1] de van de verdachte ontvangen informatie, dat de bedoelde persoon er was, aan [medeverdachte 2] doorgegeven.

Door aldus te handelen heeft de verdachte het opzet gehad inlichtingen te verschaffen zodat zijn medeverdachte(n) [slachtoffer] van vijftig kilogram heroïne konden beroven. De verdachte moet hebben beseft dat deze hoeveelheid heroïne niet zomaar zou worden afgegeven en ernstig rekening houden met de mogelijkheid dat medeverdachte(n) een (vuur)wapen zou(den) meenemen naar de confrontatie met [slachtoffer], kortom dat er een aanmerkelijke kans was dat er vuurwapengeweld zou (moeten) worden toegepast. Door de informatie desondanks te verschaffen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op dit geweld aanvaard.

BEWEZENVERKLARING

Gelet op het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

[medeverdachte 2] op 8 juni 2011 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas inhoudende goederen toebehorende aan een ander dan aan die [medeverdachte 2] en zijn mededader, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer] en [getuige 1], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het meermalen met vuurwapens meerdere kogels schieten in de richting van die [slachtoffer] en die [getuige 1], welke diefstal met geweld de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 3 juni 2011 tot en met 8 juni 2011 te Rotterdam opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door details over de verblijfplaats en de bezigheden van die [slachtoffer] te verstrekken aan [medeverdachte 1].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

medeplichtigheid aan diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en de dood ten gevolge heeft.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is als medeplichtige betrokken geweest bij een straatroof (ripdeal) met dodelijke afloop. De verdachte heeft aan zijn medeverdachte(n) informatie gegeven over datum, tijdstip, plaats waar(op) en auto waarmee een drugstransactie zou plaatsvinden. Vervolgens is een aantal van de medeverdachten gereden naar de plaats waar [slachtoffer] met vijftig kilo heroïne zou zijn, waarna deze hem hebben beroofd van een tas. Tijdens de beroving zijn er verschillende schoten gelost, waarbij [slachtoffer] in zijn buik is geraakt en de auto van [getuige 1] is beschoten. [slachtoffer] is later in het ziekenhuis aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij, door informatie te verstrekken ten behoeve van de straatroof, blijk heeft gegeven van gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door straatroven als de onderhavige, waarbij het slachtoffer op de openbare weg is neergeschoten, is de rechtsorde ernstig geschokt en worden niet alleen bij de direct betrokkenen gevoelens van onveiligheid en angst veroorzaakt, maar ook bij de maatschappij in het algemeen.

Door het geven van de informatie over de drugstransactie aan zijn medeverdachten heeft de verdachte de straatroof mogelijk gemaakt. Het gevolg van de straatroof, de dood van [slachtoffer], heeft veel verdriet toegebracht aan de nabestaanden, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring, opgesteld door de vader van het slachtoffer, blijkt dat het verwerken van dit verlies erg moeilijk is, ook voor de kinderen van het slachtoffer, die verder moeten leven zonder hun vader.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur. Om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd. Daarnaast zal een maximale werkstraf van 240 uur worden opgelegd.

Bij de concrete straftoemeting is allereerst gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Hierbij is aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor overval en beroving, waarbij afhankelijk van de intensiteit van het toegepaste geweld, gevangenisstraffen van 2 tot 5 jaar worden opgelegd. Nu het in dit geval gaat om medeplichtigheid wordt dit oriëntatiepunt met een derde verminderd.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens zijn Justitiële Documentatie d.d. 12 november 2012 eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Voorts is in aanmerking genomen dat de medeverdachte(n) door het neerschieten van [slachtoffer] verder zijn gegaan dan datgene, waarop het opzet van de verdachte was gericht. Al met al wordt een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij], wonende te [adres], terzake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 6.314,50 aan materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De gevorderde schade betreft de gemaakte kosten in verband met de uitvaart van het slachtoffer.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 21 juni 2011, te weten de datum van de uitvaart.

Nu de verdachte het strafbare feit samen met medeverdachten heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de medeverdachten de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn medeverdachten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 48, 49, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, zich schuldig maakt aan enig strafbaar feit;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdenveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werk¬zaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [benadeelde partij], wonende te [adres], te betalen € 6.314,50 (zegge: zesduizend driehonderdveertien euro en vijftig eurocent), met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoer¬legging nog te maken;

legt aan de veroordeelde de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 6314,50 (zegge: zesduizend driehonderdveertien euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 66 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Sikkel, voorzitter,

en mrs. Mentink en Koekebakker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2013.

Bijlage I bij vonnis van 22 januari 2013.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

[medeverdachte 2] op of omstreeks 8 juni 2011 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (sport)tas inhoudende goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en/of [getuige 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het meermalen, althans eenmaal met een of meer vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) schieten op, althans in de richting van die [slachtoffer] en/of die [getuige 1], welke diefstal met geweld de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 3 juni 2011 tot en met 8 juni 2011 te Rotterdam opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door details over de verblijfplaats en/of de bezigheden van die [slachtoffer] en/of die [getuige 1]te verstrekken aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en);

(art 312 jo 48 sr)