Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BY8921

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
21-01-2013
Zaaknummer
414844 / HA RK 12-988
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De beoordeling van de vraag of de verdediging een belang heeft bij bepaalde, (nog) niet verrichte onderzoekshandelingen is een waardering door de rechters die de zaak inhoudelijk behandelen, waar de wrakingskamer niet anders in heeft te treden dan langs de weg van de hiervoor omschreven toets (onwelgevallige of onjuiste beslissing vormen op zichzelf geen grond voor wraking, tenzij die beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven). De getuigenverzoeken zijn gedaan in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van het onderzoek; met name de totstandkoming en het gebruik van CIE-informatie. Bij de beoordeling is, blijkens het proces-verbaal van de zitting, het juiste criterium gehanteerd te weten dat voor toewijzing sprake moet zijn van een begin van aannemelijkheid van onrechtmatigheden. Tegen die achtergrond is de wrakingskamer van oordeel dat de beslissingen van de rechters om de getuigenverzoeken af te wijzen niet zo onbegrijpelijk, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissingen door vooringenomenheid zijn ingegeven. De rechters hebben erkend dat er sprake is van een omissie door niet te beslissen op bepaalde verzoeken tot completering van het dossier. Zij hebben te kennen gegeven dat zij dit zullen gaan herstellen. Dit punt vormt dan ook geen grond voor wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 15 januari 2013

Zaaknummer: 414844

Rekestnummer: HA RK 12-988

Parketnummer: 10/960007-10

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

thans gedetineerd in [naam P.I.],

verzoeker,

raadsvrouw mr. I.N. Weski,

strekkende tot wraking van mrs. A.J.P. van Essen, J.L.M. Boek en M.I. Blagrove, rechters in de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht (hierna: de rechters).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 17 december 2012 is door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak met bovenvermeld parketnummer.

Bij brief van 18 december 2012 heeft de raadsvrouw van verzoeker de rechters gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hierboven omschreven strafzaak tegen verzoeker als verdachte, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting, en van de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek.

Verzoeker en de rechters zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 9 januari 2013, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: de raadsvrouw, rechters mrs. Van Essen en Blagrove, en de officier van justitie mr. Rip. De rechter mr. Boek is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. De raadsvrouw heeft aan de hand van een pleitnota het verzoek nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

De raadsvrouw van verzoeker heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities het wrakingsverzoek toegelicht. De pleitnotities zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Verkort en zakelijk weergegeven heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd.

Op 17 december 2012 is de strafzaak tegen verzoeker pro forma behandeld. Er was sprake van een regiezitting. Ter terechtzitting heeft de verdediging meerdere getuigen opgegeven en diverse andere onderzoekswensen geformuleerd. De verzoeken tot het horen van de getuigen [A], de gebruikte informanten, [B], [C] en de rechter-commissaris mr. [X] zijn door de rechters afgewezen. In de beslissing spreken de rechters slechts over deze getuigen als van belang in het kader van de rechtmatigheid, hoewel de verdediging deze eveneens in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft aangevoerd. Bij de afwijzing is slechts als redengeving geuit: "omdat er geen begin van bewijs van onrechtmatigheid was." Deze beslissing is aan de ene kant een beslissing die in feite geheel vooruitloopt op de nog bij eindbeslissing te formuleren overwegingen, zeker in het voorliggende dossier dat nog niet volledig is verstrekt en nog nadere onderzoeksresultaten zal bevatten. Voorts is ter zitting slechts een beslissing genomen ten aanzien van de getuigen en het verstrekken van de door de verdediging gevraagde CD met audio maar niet ten aanzien van de overige door de verdediging verzochte onderzoekshandelingen, met name ten aanzien van het completeren van het dossier. De verdediging had gewezen op een aantal onjuistheden, op het feit dat er gegevens niet waren nagetrokken, op de kennelijk grote leemte omtrent de vraag of en wat en wanneer daar in het kader van de rechter-commissaris en überhaupt ten aanzien van de integriteit van de opsporing en het dossier mee was gebeurd en op welk niveau, maar die werden door de rechtbank hetzij niet gezien, hetzij kennelijk niet erkend als relevant en hoe dan ook onbegrijpelijk in het licht van de jurisprudentie betreffende juist het vaststellen van de gang van zaken teneinde daar al of niet juridische gevolgen in de zin van artikel 359a Sv. aan te verbinden. Met dit alles heeft de rechtbank de objectief gerechtvaardigde schijn gewekt vooringenomenheid te koesteren jegens verzoeker.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechters kan opleveren, waarbij zij hebben aangevoerd hetgeen is verwoord in hun gezamenlijke schriftelijke stuk. Van dat stuk is eveneens een afschrift aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Hun standpunt luidt - verkort en zakelijk weergegeven - als volgt.

De rechtbank bevestigt dat aan het eind van een lange zittingsdag in de veelheid van de te nemen beslissingen de beslissingen op verzoeken tot het geven van een opdracht tot toevoeging van stukken aan het dossier onbesproken zijn gebleven. Dat behoeft correctie, wellicht op de volgende pro forma zitting in het onderzoek of op een andere manier. Deze, ook door de rechters betreurde omissie levert echter geen grond voor wraking op.

Voorts voeren de rechters aan dat een voor een partij onwelgevallige beslissing geen grond voor wraking oplevert. Dat kan slechts anders zijn, indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen ander verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Van een dergelijke beslissing is geen sprake. De afgewezen verzoeken tot het doen horen van getuigen, voor zover in het verband van de wrakingsverzoeken van belang, zien alle op de juistheid dan wel betrouwbaarheid van CIE-informatie die (mede) aan de aanvang van het opsporingsonderzoek tegen verzoekers ten grondslag lag. De rechters zijn tot het oordeel gekomen dat er bij de huidige stand van zaken geen begin van aannemelijkheid bestaat van onrechtmatigheden die tot onderzoek nopen. Niet valt in te zien dat de rechters door het nemen van deze beslissingen de schijn van partijdigheid hebben gewekt.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het standpunt van de rechters en heeft daar niets aan toe te voegen.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters - subjectief - niet onpartijdig waren. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing als vorenbedoeld opleveren.

3.4

Daarbij moet vooropgesteld worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing of zelfs een onjuiste beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.

3.5

Dat kan anders zijn indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

3.6

De beoordeling van de vraag of de verdediging een belang heeft bij bepaalde, (nog) niet verrichte onderzoekshandelingen is een waardering door de rechters die de zaak inhoudelijk behandelen, waar de wrakingskamer niet anders in heeft te treden dan langs de weg van de hiervoor onder 3.4 en 3.5 omschreven toets.

Uit de pleitnota van de raadsvrouw d.d. 17 december 2012 en het proces-verbaal van de zitting kan worden afgeleid dat de getuigenverzoeken zijn gedaan in het kader van toetsing van de rechtmatigheid van het onderzoek; met name de totstandkoming en het gebruik van CIE-informatie. Bij de beoordeling is, blijkens het proces-verbaal van de zitting, het daarvoor geldende criterium gehanteerd te weten dat voor toewijzing sprake moet zijn van een begin van aannemelijkheid van onrechtmatigheden. Tegen die achtergrond en gelet op hetgeen door de raadsvrouw in de pleitnota is aangevoerd, is de wrakingskamer van oordeel dat de beslissingen van de rechters om de getuigenverzoeken af te wijzen niet zo onbegrijpelijk zijn, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissingen door vooringenomenheid zijn ingegeven.

3.7

Door de raadsvrouw is verder aangevoerd dat op bepaalde verzoeken tot completering van het dossier door de rechters niet is beslist. De rechters hebben erkend dat hier sprake is van een omissie en hebben te kennen gegeven dat zij dit zullen gaan herstellen. Dit punt vormt dan ook geen grond voor wraking.

3.8

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mrs. A.J.P. van Essen, J.L.M. Boek en M.I. Blagrove.

Deze beslissing is gegeven op 15 januari 2013 door mrs. R.R. Roukema, P.H. Veling en H.J.M. van der Kaaij, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. Beukema, griffier.

BIJLAGE 1

Pleitnotities wraking

Meervoudige strafkamer wrakingskamer rechtbank Rotterdam d.d...2012

Inzake: [naam verzoeker] Parketnummer 10-960007-10

Inzake: [naam mede-verdachte] Parketnummer 10-960062-10

Raadsvrouw: mr. I.N.Weski

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Naar mijn mening hebben de drie leden van de rechtbank echter niet alleen naar subjectieve maar tevens naar objectieve maatstaven doen blijken van de omstandigheid dat reeds een oordeel is gevormd omtrent te nemen beslissingen als o.a. bedoeld in art. 350 Sv. en derhalve de vrees gerechtvaardigd is dat de rechtbank zijn taak in deze niet met de vereiste onpartijdigheid vervult en zal vervullen.

Het gaat niet alleen om het afwijzen van de verzoeken van de verdediging om het horen van getuigen, maar tevens om de wijze en gronden waarop dit is gebeurd in strijd met de geldende jurisprudentie en zonder motivatie op en slechts steeds ten nadele van cliënt hetgeen een kennelijke schending ex art 6 EVRM betekent voor de verdediging en het vertrouwen in de onpartijdigheid en eerlijkheid van deze rechtsgang heeft aangetast.

De verdediging wijst op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd bij pleitnota ter onderbouwing van de verzoeken tot het horen van getuigen en het completeren van het dossier.

De verdediging wijst met name op de grondslag en loop van het onderzoek, de CIE berichten, de constatering, dat deze niet juist waren, dat dit kennelijk gedeeldelijk ook is ontdekt, dat dit kennelijk niet is gemeld bij de rechter-commissaris, dat tactisch gegevens verkregen werden kennelijk die die CIE informatie ontkrachtte, dat hoe dan ook in feite die aanvankelijke informatie niet eens is nagetrokken en hoe dan ook onvoldoende was om voor clienten jaren lang vergaande inbreuken ex art 8 EVRM op toe te passen en ook zonder dat in die jaren tot een concrete zaak werd gekomen, zelfs niet met inmiddels inzetten van politionele infiltranten.

De verdediging heeft dan ook zeer specifiek met benoeming van de betreffende informatie en tactische beslissingen en resultaten belangen van nadere bevraging geformuleerd.

U ziet deze terug in de pleitnota voor de zitting van 17 december 2012 en in de daar ook geformuleerde vragen, die steeds in het kader van de ontvankelijkheid al of niet in Karman zin en al of niet in de zin van de volgende uitspraken moeten worden onderzocht.

Gerechthof 's-Gravenhage, NJ 1996, 413:

"Het Hof acht het feit dat de handelingen op zich wellicht niet onrechtmatig waren, niet van doorslaggevend belang. Het Hof houdt het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor haar opsporingsambtenaren en het achterwege laten van de verslaglegging. Het Hof stelt zelfs nog, dat al zou het hebben gegaan slechts om bevestiging van vermoedens, zoals het Openbaar Ministerie had gesteld, dan juist had naar de mening van het Hof verslaglegging moeten plaats vinden."

Overigens zou in dit kader eveneens op bestendige overige jurisprudentie kunnen worden gewezen, zoals LJN: BY0298, Hof Leeuwarden d.d.16 oktober 2012, waarin overwogen werd ten aanzien van de bewijsuitsluiting:

Hetgeen verbalisant [verbalisant] in dit aanvullende proces-verbaal heeft gerelateerd, heeft het hof ten minste verrast. Het hof kan dan ook begrip opbrengen voor de opmerking van de raadsman dat dit proces-verbaal getuigt van stemmingmakerij als ook voor de kwalificatie 'onprofessioneel’ die de advocaat-generaal ter terechtzitting van het hof van 11 mei 2012 aan het proces-verbaal heeft gegeven.

En:

Het hof stelt in dit kader voorop dat in het Nederlandse strafproces een belangrijk accent ligt op het voorbereidend onderzoek en de schriftelijke verslaglegging gedurende dit onderzoek. Deelnemers aan een strafproces, alsook de rest van de samenleving, moeten er op kunnen vertrouwen dat processen-verbaal nauwgezet en naar waarheid zijn opgemaakt. Aan ambtsedige processen-verbaal kent de wet bovendien bijzondere bewijskracht toe, waarvan de invloed op de afdoening van strafzaken beslissend kan zijn. De inhoud van een proces-verbaal dient daarom steeds zo zakelijk en neutraal mogelijk te zijn en vrij van persoonlijke opvattingen van de verbalisant die het proces-verbaal opmaakt.

En rechtbank Roermond d.d. 6 november 2007 (LJN: BB7558):

"De rechtbank is van oordeel dat in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en onder ede afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren zeker over dit soort voor de juridische beoordeling essentiële onderdelen geen onverklaarbare tegenstrijdigheden mogen voorkomen. Daarbij kan dan in het midden blijven of het vergissingen of verklaringen in strijd met de waarheid betreffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gegeven de tegenstrijdigheden er sprake is van een ernstige inbreuk op de procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een faire behandeling van de zaak tekort is gedaan."

Voorts in dit kader NbSr 2007, 373:

"1n de tegen de verdachte lopende procedure als geheel is zodanig onzorgvuldig met diens belangen omgesprongen, dat de schending van art 6 EVRM van dien aard is dat de niet ontvankelijkverklaring van de officier van justitie de enige juiste sanctie is."

De vragen die reëel in het onderzoek naar de onderliggende feiten en omstandigheden aan de getuigen dienden te worden gesteld betroffen (ik wijs wederom naar de pleitnota van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht) o.a. inhoudende:

o Of en zo ja met welk resultaat het openbaar ministerie heeft onderzocht of en zo ja wanneer cliënt in de afgelopen jaren of ooit contact met deze personen [D], [E], [F], [G] en [H] heeft gehad. Het openbaar ministerie zal daartoe immers uw Blue Vieuw en histo bestanden minimaal ter beschikking hebben geacht te hebben teneinde dit gegeven inmiddels te hebben toetsen.

o waarom het openbaar ministerie die gegevens niet in het dossier heeft vermeld, met name niet in het start proces-verbaal.

o In welke zin de rechter-commissaris is voorgelicht omtrent die tactische de CIE berichten tegensprekende gegeven.

o Of ooit (dus ook al voor en tijdens de onderzoeksperiode) contact is vast gesteld tussen cliënt en deze heren uit de aanvankelijke startinformatie.

o Of en zo ja met welke resultaten uw onderzoeksteam en/of via de CIE heeft nagetrokken of de daar bedoelde personen daadwerkelijk zijn afgereisd naar Madrid en specifiek naar die wedstrijd (vluchtgegevens bij voorbeeld en/of kaartjes)

o Of en zo ja wanneer is nagegaan of en zo ja deze personen betreffende de reis Madrid strafrechtelijk documentatie hebben. En zo nee, waarom niet.

o Of en zo ja met welk resultaat het openbaar ministerie de betreffende Surinaamse opsporingsdiensten heeft geconfronteerd met de betreffende onjuistheid ten aanzien van hun informatie. Zo nee, dan wil de verdediging weten waarom het openbaar ministerie dit niet heeft gedaan

o Of en zo ja met welke resultaten het openbaar ministerie de eveneens kennelijk onjuiste informatie betreffende de vermeende eigendom van allerlei goederen in Suriname heeft nagetrokken.

o Aan te geven of en zo ja met welke resultaten u de stellingen in latere CIE berichten werd nagetrokken (cliënt betwist uitdrukkelijk deze beide stellingen).

o In hoeverre en wanneer en op welk niveau binnen het team onjuiste CIE of zelfs onjuiste tactische berichten werden "rechtgezet" binnen het dossier en tegenover de rechter-commissaris en later de zittingsrechter.

o Ten aanzien van het dossier Kikai, verzoekt de verdediging eveneens na te trekken of en zo ja met welke resultaten enigerlei relatie/contact tussen de in dat dossier bedoelde [I] en cliënt is nagegaan. Zo nee, waarom niet.

Vragen allen in het kader van de integriteit van het onderzoek en de verkregen resultaten mede in het licht van de onschuldpresumptie.

De rechtbank erkent in haar reactie op mijn wrakingsverzoek, dat op de verzoeken van de verdediging om het openbaar ministerie de aan die vragen onderliggende informatie/stukken te verstrekken niet heeft gereageerd, maar dit zijn dus nu juist gegevens, die verband hielden met die afgewezen getuigen op de grond zoals de rechtbank verwoordde: geen begin van onrechtmatigheid bestond.

Dus al die onjuistheden, al dat niet natrekken van gegevens, de kennelijk grote leemte omtrent de vraag of en wat en wanneer daar in het kader van de rechter-commissaris en überhaupt ten aanzien van de integriteit van de opsporing en het dossier mee was gebeurd en op welk niveau, werden hetzij niet gezien door de rechtbank, hetzij kennelijk niet erkend als relevant en hoe dan ook onbegrijpelijk in het licht van de jurisprudentie betreffende het juist het vast stellen van de gang van zaken teneinde daar dus juridische gevolgen al of niet in de zin van 359a aan te verbinden.

De verdediging wijst op de volgende jurisprudentie in relatie tot de voorliggende feiten en omstandigheden.

Allereerst de Haushchildt-case (NJ 1990,627)

in deciding whether in a given case there is a legitimate reason to fear that a particular judge lacks impartiality the standpoint of the accused is important but not decisive (...). What is decisive is whether this fear can be held objectivily justified" (EHRM in Hauschildt, par. 48).

Bij fax van 18 december 2012 heeft de verdediging van de rechtbank de wraking ingeroepen met het navolgende:

Bij deze wenst de verdediging op grond van de door u ter zitting van gisteren 17 december 2012 genomen beslissing en met name de daarbij gebezigde verwoording en gebrek aan begrijpelijke motivering van die beslissing als motivering vandaag na overleg met cliënt, welk overleg vanwege het late tijdstip van uw beslissing gisteren eerst vandaag kon plaatsvinden, het incident van wraking in te roepen.

U heeft een beslissing genomen op een aantal verzoeken van de verdediging tot nader onderzoek, zoals verwoord overeenkomstig mijn pleitnota ter zitting. Die verzoeken heeft u in uw beslissing tot afwijzing van de getuigen:

a.Verbalisant [A], C1E Nationale recherche

b.De gebruikte informanten, juist vanwege de aantoonbare valsheden in de informatie die verstrekt is, hetgeen doet vrezen, dat de CIE willens en wetens zou zijn misleid/misbruikt.

c.Verbalisant [C], opsteller van de bewuste BOB stukken betreffende de grondslag van de verdenking, in ditzelfde kader van de vraag van de zorgvuldigheid en betrouwbaarheidstoets, die kennelijk te kort schoot.

d.Verbalisant [B], teamleider betreffende de tactische verantwoording van die grondslag en loop van de verdenking in het kader van het reeds door mij geschetste beeld van onzorgvuldigheid bij het verwerken en verwoorden van de verschillende vermeende CIE informatie en onderzoeksresultaten. Zoals wij zien met name ten aanzien van het presenteren van communicatie en reisbewegingen en het al of niet kennen van personen, blijken vergaande negatieve conclusies jegens cliënt te worden gepresenteerd.

e.De rechter-commissaris mr. [X] in het kader van de toetsing van de redelijkheid van diens beslissing de machtigingen voor het afluisteren te verstrekken. Zoals de verdediging heeft aangevoerd, moet nog zelfs los van de onderliggende kennelijk en in ieder geval mogelijk al bij de C1E en het tactische team bekende onjuistheid/onbetrouwbaarheid van de gebruikte grondslag voor de verdenking, ook op basis van het hoe dan ook gepresenteerde materiaal voor de rechter-commissaris die grondslag als onvoldoende worden beschouwd. In het kader van de ontvankelijkheid en rechtmatigheid van de resultaten van die beslissing heeft de verdediging een direct belang nader die beslissing te toetsen door het ondervragen van de betreffende rechter-commissaris. Dit kan op zitting, zoals o.a. in het verleden in de Iglozaak in Rotterdam (o.a. Parketnummer: 003006/95) en de Copa zaak in Den Haag heeft plaats gevonden. Zoals u weet, heeft u als zittingsrechter wel degelijk die bevoegdheid tot toetsing van die redelijkheid in proportionaliteit en gegrondheid. lk verwijs naar de door mij in de voetnoot vermelde jurisprudentie. De beslissingen omtrent dergelijke inbreuken op art.8 EVRM dienen ter beoordeling en dus toetsbaar te zijn van de zittingsrechter(NJ 91,699 en NJ 92,324 en NJ 78,608).

U heeft in uw beslissing slechts gesproken over deze getuigen als van belang in het kader van de rechtmatigheid, hoewel de verdediging deze eveneens in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft aangevoerd. Voorts heeft u bij uw afwijzing slechts als redengeving geuit: "omdat er geen begin van bewijs van onrechtmatigheid was" .

Deze stelling is aan de ene kant een beslissing die in feite geheel vooruitloopt op de nog door u bij eindbeslissing te formuleren overwegingen, zeker in het voorliggende dossier, dat nog niet volledig is verstrekt aan u en de verdediging en nog nadere onderzoeksresultaten zal bevatten.

Aan de andere kant is deze beslissing ook onbegrijpelijk in het licht van de door de verdediging met feiten onderbouwde argumenten betreffende het gegeven, dat de grondslag van de verdenking, voortkomend uit met name CIE berichten en de veronderstelling dat het onderzoek Spaarne in dat kader relevantie zou hebben, kennelijk gebaseerd zijn op onjuiste gegevens en het openbaar ministerie inmiddels heeft aangegeven, kort samengevat, ook te beseffen, dat die berichten niet klopten en de inhoud niet heeft nagetrokken zelfs. De verdediging heeft voorts betoogd, dat voor de ontvankelijkheid en rechtmatigheid van groot belang is dus ook vast te stellen wanneer het openbaar ministerie op de hoogte was van die onjuistheden, en in welke zin de rechter-commissaris bij diens beslissingen is voorgelicht en/of misleid. Voorts heeft de verdediging betoogd, wederom aan de hand van feiten en omstandigheden uit het dossier, dat ook zonder die achterliggende kennis van de onjuistheden, de rechter-commissaris niet in redelijkheid zijn beslissing kon nemen tot het verlenen van toestemming tot de vergaande toegepaste BOB middelen, als taps en OVC.

ln dat kader, met name ten aanzien van de aspecten van tijdstip en informatiepositie en de betrachtte zorgvuldigheid bij het natrekken van de betrouwbaarheid van de aan de verdenking ten grondslag liggende informatie, diende dus onderzoek plaats te vinden.

Voor de door de verdediging gebezigde redengeving van de verzoeken moge verwezen worden naar hetgeen in de pleitnota wordt aangegeven.

U heeft voorts ter zitting slechts een beslissing genomen ten aanzien van de getuigen en het verstrekken van de door de verdediging gevraagde CD met audio.

U heeft geen beslissing genomen op de overige door de verdediging verzochte onderzoekshandelingen, met name ten aanzien van het completeren van het dossier.

Ook daaromtrent moge ik u wijzen op hetgeen in de pleitnota daaromtrent staat verwoord.

Mijn wraking van uw rechtbank, dus de gehele samenstelling van uw kamer, betreft met name de naar de mening van de verdediging objectiveerbare vrees van vooringenomenheid, met name de door u kennelijk in strijd met het dossier en ten nadele van cliënt geuite onjuistheden en vooral in het licht van alle feiten vergaand onbegrijpelijke aanname, dat zelfs geen begin van onrechtmatigheden bestaan en u kennelijk zelfs in die aanname ook de mogelijkheid van bevraging ex art 6 EVRM van de toch in minimaal geconstateerde discrepanties uit het dossier onmogelijk maakt.

De rechtbank lijkt in zijn afwijzing van de getuigenverzoeken geen enkele gedachte aan de ten aanzien van de jurisprudentie in deze ontwikkelde onderzoeksplicht en rechten te hebben gehecht.

De onderzoeksmogelijkheden, die bij een begin van zorg de doorslag horen te geven bij het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, zoals verwoord o.a. in NJ 1979, 142 en in NJ 1996, 249: "Het kan niet worden uitgesloten dat onrechtmatig optreden van opsporingsambtenaren onder omstandigheden een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat zulks- ook in een geval waarin overigens voldoende op rechtmatige wijze verkregen bewijsmateriaal voorhanden is-tot Niet-Ontvankelijkheidsverklaring van het Openbaar Ministerie dient te leiden. Een zo ver gaande sanctie kan in dat geval slechts volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.".

In dit kader wijst de verdediging voorts op NJ 1998,913, waarin wordt aangegeven dat "ook als direct verband tussen de tenlastelegging en de aan de aan een getuige gestelde vraag ontbreekt, die vraag van belang kan zijn voor de uitspraak. Door de raadsman bij herhaling te verzoeken zijn vragen te beperken tot die welke direct verband houden met de tenlastelegging, heeft de voorzitter in deze zaak het ondervragingsrecht van de verdediging op onjuiste gronden beperkt, ook al zijn er geen vragen belet.".

Door aldus het ondervragingsrecht van de verdediging, die immers uitgebreid had toegelicht omtrent welke onderwerpen getuigen dienden te worden gehoord, o.a. omtrent de volledigheid en betrouwbaarheid van het dossier, te beperken, is de verdediging in ernstige mate geschaad, en is geen sprake meer van een eerlijk proces en art.6 EVRM geschonden.

De verdediging wijst op:

Hof Arnhem 24 november 1010 LJN: B05131

Ook is denkbaar dat een groot aantal kleine, op zichzelf voor wraking onvoldoende feiten of omstandigheden dusdanig opstapelen, dat zij in hun geheel wel van voldoende gewicht zijn voor een terecht wrakingsverzoek. Het beeld van de emmer, die voller en voller wordt en tenslotte overloopt, dringt zich op.

In dit kader wordt dus gewezen op de eerdere onvolledige/onjuiste processen-verbaal, maar hier vooral op het überhaupt niet beslissen op verzoeken.

LJN: B01532, Rechtbank Amsterdam d.d. 22-10-2010, HA RK 10.1128

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking toe. De beslissing van de rechtbank om de getuige niet te horen lijkt in strijd met de geldende jurisprudentie. Daarom vindt de wrakingskamer de vrees van verzoeker dat de beslissing van de rechtbank getuigt van een zeker mate van vooringenomenheid, ook in het licht van de eerdere incidenten, begrijpelijk.

LJN: BU8475, Rechtbank Amsterdam d.d. 14-07-2010, HA RK 162.2011

Schriftelijk verzoek tot wraking ex art. 512 Sv. De grondslag van het verzoek is gelegen in de motivering van de beslissing dat er geen redenen bestaan om te twijfelen aan hetgeen de verbalisanten hebben waargenomen. Daarmee stelt de politierechter expliciet dat de verklaring van verzoeker onjuist is. Het verzoek is afgewezen. Hoewel op zichzelf genomen de door verzoeker gewraakte zinsnede, bij hem grond heeft kunnen geven voor het ontstaan van de door hem geuite vrees, dient bij de beoordeling van het verzoek niet alleen de gewraakte zinsnede, maar de gehele motivering van de beslissing op al haar onderdelen, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, in acht te worden genomen. Met de wijze waarop de beslissing is gemotiveerd heeft de rechter kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat door de raadsman van verzoeker onvoldoende redenen naar voren waren gebracht om, afgezet tegen proceseconomische belangen, aanhouding voor nader onderzoek als gevraagd te rechtvaardigen. Aldus bezien kan, naar het oordeel van de wrakingskamer, niet worden gezegd dat de door de rechter genomen beslissing zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat zij is ingegeven door vooringenomenheid van de rechterjegens verzoeker.

NJ 1993, 631.

De rechter mag bij zijn afwijzing niet vooruitlopen op de inhoud van de verklaring van de te horen getuige.

NJ 1997,109.

De rechter mag niet bij haar afwijzing tot het horen van een getuige vooruitlopen op de uitkomst van het onderzoek ter terechtzitting.

NJ.1998, 153.

Casus: 11 getuigen zijn eerder gehoord, waarvan 8 in aanwezigheid van verdachte en raadsman bij de Rechter-Commissaris en de Rechtbank. Het Hof wijst het uitgebreid toegelichte verzoek deze getuigen ter zitting te horen af omdat niet valt in te zien dat zij in hoger beroep op wezenlijke punten andere of meer relevante gegevens zouden kunnen verschaffen dan zij reeds hebben gedaan. Hoge Raad: hier wordt vooruitgelopen op de inhoud van de verklaring, dat is ongeoorloofd.

De ECRM acht het enkele feit dat de OvJ het dossier samenstelt niet in strijd met het beginsel van equality of arms. Dit zou wel het geval kunnen zijn indien gebruik wordt gemaakt van bewijsmateriaal waartegen de verdachte zich niet heeft kunnen verdedigen of indien de rechter tijdens het proces het openbaar ministerie in een gunstiger positie plaatst dan de verdachte (ECRM 6 april 1995, Appl. nr. 23 231/94, (Mulders tegen Nederland), NJCM-bulletin 1995, p. 830 e.v.). Juist van die laatste situatie vreest de verdediging, dat deze hier van toepassing is.

De verdediging meent, dat in de voorliggende zaak van die kennelijke bevoordeling van het openbaar ministerie sprake is.

Het Delcourt-arrest van het Europese Hof van Justitie (EHRM 17 jan. 1970, Publ. Ser. A, vol II, waarin werd aangegeven, dat "in a democratic society within the meaning of the Convention, the right to a fair administration of justice holds such a prominent place that a restrictive interpretation of Art. 6 (1) would not correspond to the aim and the purpose of that provision".

uit het arrest van het EHRM in de zaak Belilos (29 april 1988, Series A, nr. 132) kan worden afgeleid dat de schijn van partijdigheid "primair moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van "the ordinary citizen"

Met Alkema in zijn noot onder het De Cubberarrest in NJ 1988, 744, meen ik dat in strafzaken de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid in elke instantie moet zijn gewaarborgd. Aan deze strikte eis moet in alle fasen van berechting waar over schuld en strafbaarheid wordt geoordeeld, gelet ook op de mogelijk ingrijpende consequenties daarvan, de hand worden gehouden. Vgl. Von Brucken Fock in Justitiele Verkenningen 1990, p. 70

lk wijs met name nog op: LJN: BK3732, Rechtbank Utrecht d.d. 18-11-2009, 277456 HARK 09-402: Wrakingsverzoek toegewezen.

Hoewel in deze zaak de rechtbank nog had gezegd niet te willen vooruitlopen op de eindbeslissing, hetgeen in de voorliggende zaak nog niet eens zo is gezegd, meende in deze Utrechtse zaak de wrakingskamer: Desalniettemin is de wrakingskamer van oordeel dat door de hierboven geciteerde overwegingen de vrees gerechtvaardigd is dat de rechtbank zich al een oordeel heeft gevormd over vragen die eerst nadat de behandeling van de zaak is afgerond aan de orde dienen te komen. Daardoor kan de rechterlijke onpartijdigheid worden geschaad. De rechtbank heeft zich immers zonder voorbehoud en expliciet in het kader van de beoordeling van de rechtsgevolgen van het verzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, uitgelaten over de ernst van dat verzuim en het nadeel dat de verdachte daardoor kan hebben geleden. Dat een en ander werd ingegeven door het verzoek om getuigen te horen en in dat verband werd overwogen, maakt dat niet anders. Het wrakingsverzoek dient dan ook gegrond te worden verklaard.

LJN: BY6602, Rechtbank 's-Gravenhage d.d. 30-10-2012, 428259 / HA RK 12-583: Wraking toegewezen. Aan het wrakingsverzoek is - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. In diverse processen-verbaal staan onjuiste data vermeld. Deze onjuistheden zijn te talrijk om als "slordigheden dan wel verschrijvingen" te kunnen worden afgedaan. Door in haar mondelinge uitspraak te oordelen dat daar wel sprake van is, wekt mr. Meijers de schijn geen belang te hechten aan de toedracht van de onjuiste data in de processen-verbaal en de juridische consequenties daarvan. Mr. Meijers wil schijnbaar verzoeker veroordelen, ongeacht die toedracht.

En dat maakt de beslissing en redengeving van de rechtbank in de voorliggende zaak zo onbegrijpelijk. Hoe kan met de helft van een dossier en in het licht van al die onjuistheden en al dat nalaten van het openbaar ministerie en al dat weigeren daar inzicht in te geven, de rechtbank nu al zeggen als definitief dat er geen begin van onrechtmatigheid is en koud de verzoeken om nader onderzoek naar deze gebleken feiten van zorg, afwijzen.

De rechtbank lijkt in haar reactie van 8 januari 2013 een redenering te willen voorhouden met een soort open einde en het woord huidige stand van zaken.

lk citeer:

grondslag lag. In dit verband is van belang op te merken, dat zelfs al zou achteraf blijken dat een opsporingsonderzoek is begonnen op basis van (gedeeltelijk) onjuiste CIE-informatie, dit niet zonder meer betekent dat daarmee de grondslag aan een onderzoek ontvalt. Daarvoor zou nodig zijn geweest dat aan het begin van het onderzoek al duideIijk moet zijn geweest dat die informatie niet klopte en dat informatie op dat punt is achtergehouden. Dat zou een onrechimatigheid in de aanvang van het onderzoek kunnen opleveren, met daaraan mogelijk te verbinden consequenties voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank is evenwel tot het oordeel gekomen dat er bij de huidige stand van zaken geen begin van aannemelijkheid bestaat van onrechtrnatigheden die tot nader onderzoek nopen.

Deze passage en kennelijke inkijk in de gedachten van de rechtbank, maken in feite de beslissing en redengeving ter zitting nog onbegrijpelijker.

De rechtbank erkent kennelijk, dat onjuiste CIE informatie kan leiden tot de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie , daarbij overigens niet noemend de mogelijkheid van onrechtmatigheid, en stelt zelfs dat volgens de rechtbank nodig zou moeten zijn, dat al bij het begin van het onderzoek duidelijk moet zijn geweest dat die informatie niet klopte, een uitleg, die niet geheel strookt met jurisprudentie omtrent eventueel latere informatie die ook niet klopt en leidt tot voortzetten van BOB middelen en een verdenking en eventueel zelfs opzettelijk wordt achtergehouden. De rechtbank verbindt zelfs nog het opzettelijk achterhouden aan de niet ontvankelijkheid als vereiste, een eveneens wel zeer gedateerde uitleg van dat begrip.

De rechtbank stelt nu ineens naar de huidige stand van zaken.

Maar allereerst die stand van zaken huidig maakt het afwijzen van onderzoek naar die gebleken feiten en omstandigheden in het kader van de start en het verloop van het onderzoek juist onbegrijpelijk en snijdt dus elk nader onderzoek de pas af met voor de verdediging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de gerechtvaardigde vragen nimmer beantwoord zullen worden en de verdediging ernstig in zijn mogelijkheid mede in het kader van de betrouwbaarheid van de waarheidsvinding, immers gegrond op een dossier dat zich nu al aftekent qua onjuiste gegevens, ook tactisch als eenzijdig, onvolledig en niet waar. Dus hoezo huidige stand van onderzoek.

Met deze beslissing heeft de rechtbank al die stand bepaald op rechtmatig en elke toekomst belet.

Een voor de verdediging reeds gedoemd proces.

lk verzoek u dus op de door mij bedoelde gronden ten aanzien van de zwaarwegende en cumulatieve (zie rechtbank Amsterdam in de zaak Wilders) feiten en omstandigheden als bedoeld in art 512 en 513 Sv weer het vertrouwen in deze berechting mogelijk te maken en op de door mij benoemde gronden de wraking te honoreren.

BIJLAGE 2

Mr. AJ.P. van Essen

Mevr. mr. dr. M.I. Blagrove

Mr. dr. J.L.M. Boek

Rotterdam, 8 januari 2012

Aan de wrakingskamer

rechtbank Rotterdam

door tussenkomst van

de algemeen secretaris de heer J.A. Faaij

Betreft: verzoeken tot wraking in de zaken tegen:

[naam verzoeker], parketnummer 10-960007-10

[naam mede-verdachte], parketnummer 10-960062-10

Edelachtbaar college,

Op 17 december 2012 heeft voor de meervoudige strafkamer de regiezitting plaatsgevonden in de megazaak onder de naam Tidore, omvattende thans ongeveer 45 ordners aan processen-verbaal van de politie. Op die zitting, die aanving om 10.00 uur en die voortduurde tot 19.45, zijn in de zaken tegen tien verdachten, onder wie de twee huidige verzoekers, onder meer enkele tientallen onderzoekswensen van de verdediging geïnventariseerd en beoordeeld.

Voor de gang van zaken ter zitting, de daar genomen beslissingen en de motivering daarvan verwijzen wij naar het proces-verbaal van die zitting.

Wij berusten niet in de verzoeken tot wraking

Inderdaad zijn aan het eind van een lange zittingsdag in de veelheid te nemen beslissingen de beslissingen op verzoeken tot het geven van een opdracht tot toevoeging van stukken aan het dossier (met uitzondering zoals geformuleerd lc in de brief van de raadsvrouwe d.d. 10 december 2012) onbesproken gebleven. Dat behoeft correctie, wellicht op de volgende pro-forma-zitting in dit onderzoek, of mogelijk op een voordien in te lassen zitting. Deze, ook door de rechtbank betreurde, omissie levert onzes inziens echter geen grond voor wraking op.

Wat betreft de afwijzing van enkele verzoeken tot het horen van getuigen en de motivering die daarvoor op de zitting is gegeven, verwijzen wij naar het proces-verbaal van de zitting. De weergave daarvan in de wrakingsverzoeken wijkt op onderdelen iets af van de bewoordingen die de rechtbank bezigde.

Wij menen dat een voor een partij onwelgevallige beslissing geen grond voor wraking oplevert.

Dan kan slechts anders zijn, indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven, dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Van een dergelijke beslissing is geen sprake.

De afgewezen verzoeken tot het doen horen van getuigen, voor zover in het verband van de wrakingsverzoeken van belang, zien alle op de juistheid dan wel betrouwbaarheid van CIE-informatie die (mede) aan de aanvang van het opsporingsonderzoek tegen verzoekers ten grondslag lag. In dit verband is van belang op te merken, dat zelfs al zou achteraf blijken dat een opsporingsonderzoek is begonnen op basis van (gedeeltelijk) onjuiste CIE-informatie, dit niet zonder meer betekent dat daarmee de grondslag aan een onderzoek ontvalt. Daarvoor zou nodig zijn geweest dat aan het begin van het onderzoek al duidelijk moet zijn geweest dat die inforrmatie niet klopte en dat informatie op dat punt is achtergehouden. Dat zou een onrechtmatigheid in de aanvang van het onderzoek kunnen opleveren, met daaraan mogelijk te verbinden consequenties voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank is evenwel tot het oordeel gekomen dat er bij de huidige stand van zaken geen begin van aannemelijkheid bestaat van onrechtmatigheden die tot nader onderzoek nopen.

Deze beslissing kan te gelegener tijd aan het oordeel van een appelrechter worden onderworpen.

Wij geven u in overweging de verzoeken in al hun onderdelen af te wijzen.

Mr. Boek heeft zitting op het moment dat dit verzoek voor uw kamer zal worden behandeld. Hij zal daarom niet verschijnen. Mr. Blagrove en ondergetekende zijn voornemens te verschijnen bij de behandeling van de wrakingsverzoeken.

Hoogachtend

A.J.P. van Essen

M.I. Blagrove

J.L.M. Boek