Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:BY8745

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
382561 / HA ZA 11-1634
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal van bestelauto die ten behoeve van reparatie de dag tevoren op parkeerterrein van garage is gestald. Diefstal door middel van 'hengelen' van de sleutel uit brievenbus garage. Aansprakelijkheid garagehouder afhankelijk van hetgeen receptionist tegen klant heeft gezegd. Bewijsopdracht. Bordje boven brievenbus is exoneratieclausule. Eigen schuld eigenaar. Verzekeraar weigert uitkering. Niet normale voorzichtigheid betracht? Tegenbewijs. Gedaagde 3 concludeert niet voor antwoord, wel voor dupliek. Betwisting feitelijke stellingen daarmee te laat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 382561 / HA ZA 11-1634

Vonnis van 16 januari 2013 (bij vervroeging)

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

M.V.M. DESIGNS V.O.F.,

gevestigd te Apeldoorn,

2. [eiser 2],

wonende te Apeldoorn,

eisers,

advocaat mr. R.N.E. Visser,

tegen

1. de naamloze vennootschap

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASTRUM AUTOMOTIVE B.V., tevens handelend onder de naam [X],

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. J. Bisschop,

3. [gedaagde 3],

wonende te Epe,

gedaagde,

advocaat mr. B.P.J. van Riel,

4. [gedaagde 4],

wonende te Emst,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna aangeduid worden als:

- [eisers: eisers] (gezamenlijk), [gedaagde 2] en de vof

- gedaagden: [X], London, [gedaagde 3] en [gedaagde 4].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaardingen van 24 juni 2011;

- akte overlegging producties;

- conclusie van antwoord van [X];

- conclusie van antwoord van London;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek van [X];

- conclusie van dupliek van London;

- conclusie van dupliek van [gedaagde 3];

- brief met bijlagen van 26 november 2012 namens [eisers];

- pleitnota’s overgelegd bij pleidooi van 13 december 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De vof is, op basis van aanvankelijk een leasecontract, rechthebbende op een Mercedes-Benz bestelbus met kenteken [Z] (hierna: de bestelbus).

2.2. [gedaagde 2] is eigenaar van een KTM motorfiets met kenteken [Y] (hierna: de motorfiets).

2.3. Tussen de vof en London is ten aanzien van de bestelbus een verzekerings-overeenkomst tot stand gekomen. Op deze overeenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen van toepassing:

“MODULE CASCO

[…]

Artikel 2 Verzekerd bedrag, uitvoering, (extra) opties en accessoires

Uitgangspositie is het verzekerd bedrag zoals genoemd op het polisblad. Dit bedrag is opgebouwd uit de standaarduitrusting vermeerderd met alle aanwezige (extra) opties en accessoires. Opties en accessoires […] dienen te worden opgegeven aan de verzekeraar. […]

[…]

Artikel 5 Specifieke casco-uitsluitingen

Naast het gestelde in de algemene voorwaarden, […], is de verzekeraar evenmin vergoeding verschuldigd voor:

[…]

e) schade als die het zekere gevolg is van het handelen of nalaten van verzekerde dan wel het gevolg is van het niet in acht nemen van normale voorzichtigheid ter voorkoming van diefstal van het gehele motorrijtuig.

[…]

Artikel 7 Schadevergoeding

[…]

c) In geval van diefstal […] vergoedt de maatschappij de waarde van het motorrijtuig onmiddellijk voor de gebeurtenis. […]

[…]

Artikel 8 Vervanging van accessoires na partiële diefstal

In aansluiting op het bepaalde in artikel 2 van deze module gaat de maatschappij, in geval van partiële diefstal van accessoires, over tot uitkering van de vervangingswaarde […].”

2.4. Tussen [gedaagde 2] en London is ten aanzien van de motorfiets een verzekerings-overeenkomst tot stand gekomen. Op deze overeenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen van toepassing:

“Clausule 006 […]

Op straffe van verlies van recht op schadevergoeding in verband met diefstal […] dient het motorrijwiel, bij het al dan niet bewaakt parkeren of stallen, naast het normale stuurslot te worden afgesloten met een ART-Categorie IV of hoger goedgekeurd, dan wel door een KNMV Verzekeringen goedgekeurd, extra slot. […]”

“Clausule 007 […]

Op straffe van verlies van recht op schadevergoeding in verband met diefstal dient het motorrijwiel, bij het al dan niet bewaakt parkeren of stallen, naast het normale stuurslot te worden beveiligd met een door KNMV Verzekeringen voorgeschreven alarminstallatie. Ten tijde van de diefstal dient de installatie ingeschakeld en bedrijfsklaar te zijn. […]”

“Clausule 012 Drie jaar nieuwwaarde

In afwijking van het bepaalde in […] geldt met betrekking tot de waardevaststelling dat gedurende de eerste 36 maanden na de datum van afgifte van deel 1 van het kentekenbewijs geen afschrijving wordt toegepast.”

Blijkens het polisblad gelden de clausules 006 en 007 alternatief.

2.5. Op 16 september 2008 is door middel van een telefoongesprek tussen [gedaagde 2] en [A], receptionist bij [X], een overeenkomst tussen de vof en [X] tot stand gekomen ten behoeve van een op (maandag) 22 september 2008 aan de bestelbus te verrichten reparatie.

2.6. Op zondagavond 21 september 2008 heeft [gedaagde 2] de bestelbus op het niet afgesloten parkeerterrein van [X] geparkeerd en de sleutels van de bestelbus in een brievenbus gedeponeerd. Boven de brievenbus was een bordje bevestigd met daarop de tekst:

“De directie stelt zich niet aansprakelijk voor het zoekraken van sleutels. Het deponeren van sleutels in de brievenbus is dan ook voor uw eigen risico.”

2.7. De garage van [X] is gelegen op een bedrijventerrein, direct naast een oprit naar de A1.

2.8. Op het moment van parkeren van de bestelbus bevonden zich in de bestelbus twee motorfietsen, waaronder de in 2.2 bedoelde motorfiets. Die laatste motorfiets heeft [gedaagde 2] in de bestelbus laten staan, en met de andere is hij vanaf de parkeerplaats vertrokken.

2.9. In de nacht van zondag op maandag is de bestelbus, met daarin de achtergebleven motorfiets, gestolen.

2.10. London heeft uitkering onder de beide verzekeringsovereenkomsten geweigerd.

2.11. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn strafrechtelijk vervolgd op verdenking van onder meer de hier bedoelde diefstal. Bij vonnis van de rechtbank Zwolle is deze diefstal bewezen verklaard en zijn zij beiden ter zake veroordeeld. Dit vonnis is in appel door het gerechtshof vernietigd op de grond dat, kort gezegd, het bewijsmateriaal afkomstig van gegevens van automatische nummerplaatherkening boven de snelwegen onrechtmatig was verkregen. De Hoge Raad heeft dit arrest vernietigd en de zaak voor verdere behandeling verwezen naar een ander hof. Die procedure loopt nog.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

- ten aanzien van de bestelbus hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 19.927, althans veroordeling van London tot waardebepaling van de bestelbus en een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het vast te stellen schadebedrag, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten;

- ten aanzien van de motorfiets hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 14.740, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

3.2. Gedaagden, met uitzondering van [gedaagde 4], voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met proceskostenveroordeling.

4. De beoordeling

4.1. Tussen alle partijen staat vast dat aangenomen moet worden dat de bestelbus is gestolen doordat de dieven de sleutels uit de brievenbus van [X] hebben ‘gehengeld’. Dat moet dus ook het uitgangspunt zijn bij de beoordeling van de vorderingen en de daartegen ingebrachte verweren.

ten aanzien van [X]

4.2. [X] heeft aanvankelijk het standpunt ingenomen dat de vof niet vorderingsgerechtigd is ten aanzien van de bestelbus, omdat zij deze slechts uit hoofde van een leasecontract onder zich had. Nadat [eisers] had gesteld dat zij de eigendom van de bestelbus had verkregen door betaling van alle leasetermijnen, ten bewijze waarvan hij voorafgaande aan het pleidooi stukken heeft overgelegd, heeft [X] dit standpunt bij pleidooi uitdrukkelijk verlaten.

4.3. Aan zijn vordering legt [eisers] het standpunt ten grondslag dat tussen de vof en [X] een bewaarnemingsovereenkomst is gesloten, als onderdeel van de overeenkomst strekkende tot reparatie, op grond waarvan [X] gehouden was de in bewaring gegeven bestelbus terug te geven. Die verplichting is [X] niet nagekomen. Bovendien heeft [X] volgens [eisers] gehandeld in strijd met haar zorgplicht door het enerzijds mogelijk te maken dat sleutels al voorafgaande aan de dag van reparatie worden gedeponeerd en anderzijds niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijkheid van ‘hengelen’, te meer nu achteraf is gebleken dat kort tevoren ook al een auto op die wijze bij [X] was gestolen. [X] heeft dit betoog gemotiveerd bestreden. De rechtbank overweegt als volgt.

4.4. Op zichzelf is juist het standpunt van [eisers] dat de tussen de vof en [X] gesloten overeenkomst elementen van bewaarneming bevat. In een dergelijk geval zal het in de regel immers de bedoeling zijn dat de eigenaar of bezitter van een te repareren auto die auto aan de garagist toevertrouwt en dat de garagist die auto dient te bewaren totdat deze weer aan de eigenaar of bezitter kan worden teruggegeven. Gedurende de tijd dat de auto aan de garagist is toevertrouwd zal deze dus de zorg van een goed bewaarnemer in acht moeten nemen (artikel 7:602 BW).

4.5. Niet zonder meer kan echter worden aangenomen dat reeds het enkele feit dat de sleutels van de auto in de brievenbus van de garagist worden gedeponeerd moet worden aangemerkt als het toevertrouwen van de auto aan de garagist. Dat geldt te meer waar, zoals in het onderhavige geval, die sleutels in de brievenbus worden gegooid op een moment dat het garagebedrijf gesloten is. De enkele omstandigheid dat de bestelbus is gestolen op een moment nadat de sleutels in de brievenbus van [X] waren gegooid, maar voordat [X] haar bedrijf weer had geopend, is dus onvoldoende voor de conclusie dat al sprake was van het aan [X] toevertrouwen van de bestelbus. Dat impliceert dat het niet teruggeven van de bestelbus dus niet reeds om die reden kan worden aangemerkt als een tekortkoming van [X].

4.6. [eisers] heeft betoogd dat in elk geval op [X] een (precontractuele) zorgplicht rustte, nu zij door middel van haar brievenbus klanten in de gelegenheid stelt auto’s ook buiten openingstijden bij de garage achter te laten zodat deze de volgende dag gerepareerd kunnen worden. Bij de beoordeling van dit standpunt moet uitgangspunt zijn dat, gelet op het van algemene bekendheid zijnde feit dat het regelmatig voorkomt dat bij garages autosleutels uit de brievenbus worden gehengeld en de daarbij behorende auto’s die in de omgeving van die garage staan geparkeerd worden gestolen, de persoon die ervoor kiest zijn auto de avond tevoren al bij de garage af te leveren met de mogelijkheid van diefstal rekening behoort te houden, en dat de gevolgen daarvan in beginsel voor zijn risico zijn, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de garagehouder een zodanig verwijt valt te maken dat hij voor de gevolgen van de diefstal aansprakelijk is (HR 12 maart 2004, NJ 2004, 272).

4.7. [eisers] meent dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als zojuist bedoeld. Hij heeft gesteld (zie met name repliek, 2.13) dat hij tevoren overleg heeft gehad met de receptionist [A], dat het [A] is geweest die heeft voorgesteld om de bestelbus al op zondagavond te brengen en de sleutels in de brievenbus te deponeren, dat [A] desgevraagd uitdrukkelijk heeft gezegd dat dit veilig was en de gebruikelijke gang van zaken en dat [A] toen niet heeft gezegd dat eerder dat jaar een achtergelaten auto was gestolen door de sleutels uit de brievenbus te ‘hengelen’. Dat laatste staat vast, maar de gestelde verklaringen van [A] zijn door [X] betwist.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat, als de door [eisers] gestelde uitlatingen van [A] komen vast te staan, in dat geval sprake is van bijzondere omstandigheden als hier bedoeld. In dat geval moet immers worden vastgesteld dat tussen [gedaagde 2] en [A] is gesproken over de mogelijkheid om de bestelbus eerder te brengen, dat [A] daarop positief heeft gereageerd en dat hij daarbij zelfs heeft gezegd dat dit veilig was, welke laatste opmerking een reactie was op een vraag van [gedaagde 2]. In dat geval moet geoordeeld worden dat [gedaagde 2] zich, op een voor [A] kenbare wijze, voldoende rekenschap heeft gegeven van de risico’s van een en ander en hij heeft in dat geval op de positieve reacties van [A] in redelijkheid mogen vertrouwen. Dat geldt te meer, nu van [A] in dat geval ten minste verwacht mocht worden melding te maken van de kort tevoren gepleegde diefstal. Het ligt immers zonder meer voor de hand dat dit voor een klant, die specifiek naar de veiligheid van het deponeren van sleutels vraagt, relevante informatie is. Op zijn beurt mag die klant er op vertrouwen dat, waar die informatie niet wordt verstrekt, dergelijke informatie ook niet beschikbaar is. In dit geval moet ook meer gewicht worden gehecht aan de specifiek door [A] gedane uitlatingen dan aan het algemene bordje boven de brievenbus.

4.9. Gelet op het concrete bewijsaanbod van [eisers] zal de rechtbank hem toelaten tot het bewijs van de door hem gestelde uitlatingen van [A]. In dat verband merkt de rechtbank nog op dat niet ter discussie staat dat de uitlatingen van [A] aan [X] als diens werkgever moeten worden toegerekend. Onjuist is overigens de bij pleidooi door [eisers] ingenomen stelling dat [X] ten aanzien van de uitlatingen van [A] een zogenoemd ‘ja, maar’-verweer heeft ingenomen. Zij heeft immers niet anders gedaan dan de door [eisers] gestelde uitlatingen van [A] te betwisten door daar andere uitlatingen tegenover te stellen. Dat laat de bewijslastverdeling onverlet.

4.10. Als [eisers] niet slaagt in dit bewijs, kan zijn vordering niet worden toegewezen omdat in dat geval van een tekortkoming door [X] geen sprake is. Slaagt [eisers] wel in het bewijs, dan geldt het volgende.

4.11. [X] beroept zich op de tekst van het bordje boven de brievenbus, dat in haar ogen als een exoneratieclausule moeten worden aangemerkt. Dat karakter van het bordje is door [eisers], terecht, niet ter discussie gesteld, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan. Wel meent zij dat dit beding slechts betrekking heeft op aansprakelijkheid voor het zoekraken van sleutels en niet op aansprakelijkheid voor diefstal van sleutels. Ook stelt zij zich op het standpunt dat dit beding onredelijk bezwarend is en dat het beroep van [X] op dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank overweegt het volgende.

4.12. Het eerste hier weergegeven verweer van [eisers] vergt uitleg van het onderhavige beding. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen over de inhoud en bedoeling van dit beding hebben gesproken, komt het aan op de betekenis die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs hebben mogen geven. In dat verband is van belang dat de brievenbus kennelijk (ook) gebruikt wordt voor het deponeren van sleutels door klanten en dat [X], kennelijk juist met het oog op dat gebruik van de brievenbus, iedere aansprakelijkheid voor het in het ongerede raken van de sleutels na het deponeren daarvan in de brievenbus heeft willen uitsluiten. Redelijkerwijs valt niet in te zien dat de tekst ook zo zou kunnen worden begrepen dat [X] wel aansprakelijkheid voor het “zoekraken” in strikte zin zou hebben willen uitsluiten maar niet de aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van andere vormen van in het ongerede raken van die sleutels. Daar komt nog bij dat het stelen van de sleutels uiteraard ook een vorm van “zoekraken” is, in die zin dat de sleutels dan, in de woorden van [eisers] in zijn pleitnota (sub 6), ergens zijn beland waar men ze niet meer kan vinden. Het beding moet dan ook aldus worden uitgelegd dat daarmee iedere aansprakelijkheid wordt uitgesloten voor schade die het gevolg is van het in het ongerede raken van de sleutels in de ruime zin van het woord. Sleutels die uit de brievenbus zijn ‘gehengeld’ vallen ook onder die exoneratie.

4.13. [eisers] heeft in dit verband een beroep gedaan op artikel 6:238 lid 2 BW, stellende dat het beding onduidelijk is en dat dus de voor [eisers] meest gunstige uitleg prevaleert. Dit standpunt faalt reeds, omdat het hier gaat om een overeenkomst tussen de vof en [X] (het ging immers om reparatie van de bestelbus die van de vof is) en artikel 6:238 lid 2 BW slechts betrekking heeft op consumentenovereenkomsten als bedoeld in de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Overigens is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid geen twijfel kan bestaan over de juiste uitleg, zodat de contraproferentem-regel sowieso niet aan de orde komt.

4.14. Voorts heeft [eisers] een beroep gedaan op het onredelijk bezwarende karakter van het onderhavige exoneratiebeding. Aanvankelijk heeft hij zich beroepen op artikel 6:237 onder f BW, maar dat beroep heeft hij, gelet op het overwogene in 4.13, ter zitting ingetrokken. Wel heeft [eisers] het beroep op de algemene norm van artikel 6:233 onder a BW gehandhaafd. Voor een beoordeling van dat beroep komt het aan op de omstandigheden van het geval. Die omstandigheden zijn dezelfde als hiervoor in 4.7 en 4.8 genoemd. Kort gezegd moet uitgangspunt zijn dat het deponeren van de sleutels in de brievenbus voor risico van [eisers] komt, zodat niet valt in te zien dat de uitsluiting van aansprakelijkheid voor schade die daarvan het gevolg is onredelijk bezwarend zou zijn. Bijzondere omstandigheden kunnen dit echter anders maken, en van dergelijke omstandigheden is sprake als [A] zich heeft uitgelaten op de wijze zoals door [eisers] gesteld. Hieruit volgt dat de in 4.9 bedoelde bewijsopdracht ook voor dit vraagstuk relevant is, in die zin dat als [eisers] slaagt in haar bewijs het onderhavige beding vernietigbaar is en [X] dus geen beroep kan doen op uitsluiting van haar aansprakelijkheid.

4.15. Slaagt [eisers] in zijn bewijs, dan volgt daaruit dat [X] in haar zorgplicht te kort is geschoten. Zij is in dat geval aansprakelijk voor de door [eisers] geleden schade. Ten aanzien van die schade geldt het volgende.

4.16. [eisers] vordert een bedrag van € 17.822 ter zake de dagwaarde van de bestelbus. [X] heeft die dagwaarde niet gemotiveerd betwist, zodat tot dit bedrag de schade vast staat. Het gevorderde bedrag aan accessoires en in de bestelbus aanwezige eigendommen (in totaal € 2.105) is uitdrukkelijk door [X] bij antwoord betwist, onder meer stellende dat een lijst als door [eisers] geproduceerd door “een ieder” kan worden opgesteld (onder 9). Hierop heeft [eisers] niet gemotiveerd gereageerd. Bij repliek (onder 2.14) heeft hij niet meer gesteld dan dat het gevorderde bedrag juist is. Dit deel van de vordering zal daarom als onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd worden afgewezen.

4.17. Verder heeft [X] betwist dat zij aansprakelijk gehouden kan worden voor de schade aan de motorfiets. Zij heeft gesteld dat het in de overeenkomst tussen de vof en [X] slechts ging om de reparatie van de bestelbus en dat zij er niet op bedacht behoefde te zijn dat zich in de bestelbus nog een motorfiets zou bevinden. Het is de eigen keuze van [eisers] geweest om in de bestelbus een motorfiets achter te laten, en aldus heeft hij niet voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht.

4.18. Aldus staat dit betoog van [X] in de sleutel van eigen schuld. De rechtbank is met [X] van oordeel dat de schade voor wat betreft de motorfiets een gevolg is van een omstandigheid die aan [eisers] is toe te rekenen. Het gaat hier om een keuze van [eisers] zelf, namelijk om de motorfiets in de bestelbus achter te laten. Dat is onmiskenbaar een omstandigheid die naar verkeersopvattingen in zijn risicosfeer ligt en bovendien geldt dat [eisers] zich aldus anders heeft gedragen dan een redelijk mens in de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Daarbij tekent de rechtbank aan dat [eisers] geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij een (extra) motorfiets naar de garage van [X] heeft meegenomen. Waar sprake is van eigen schuld moet de schadevergoedingsplicht van [X] in beginsel worden verminderd naar evenredigheid met de mate waarin de aan beide partijen toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen. Wat van die precieze verdeling ook zij, de rechtbank is van oordeel dat de billijkheid hier eist dat de schade ten aanzien van de motorfiets volledig voor rekening van [eisers] blijft. Het achterlaten van de motorfiets in de bestelbus ligt zozeer buiten de normale lijn der dingen dat de als gevolg daarvan geleden schade niet voor rekening van [X] behoort te komen. Dat zou slechts anders zijn als [eisers] op enigerlei wijze [X] zou hebben gewezen op de aanwezigheid van de motorfiets, maar dat is gesteld noch gebleken.

4.19. Aldus resteert alleen de dagwaarde van de bestelbus als schade die voor vergoeding in aanmerking kan komen, mits [eisers] slaagt in zijn bewijsopdracht. Ook in het kader van die schadepost heeft [X] echter een beroep gedaan op eigen schuld. Zij heeft gewezen op de al genoemde omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid is dat het achterlaten van sleutels in een brievenbus in een situatie als deze risicovol is. Ook heeft zij in dit verband gesteld dat van belang is dat [gedaagde 2] zich van dit risico bewust is geweest. De rechtbank is met [X] van oordeel dat aldus sprake is van omstandigheden die hebben bijgedragen aan de schade en die in de risicosfeer van [eisers] liggen. Er van uitgaande dat [A] zich heeft uitgelaten zoals door [eiser 2] gesteld, dan ontsloeg dat [gedaagde 2] uiteraard niet van de plicht om zelf te beoordelen of het in de gegeven situatie raadzaam was de sleutels in de brievenbus te deponeren. In beginsel bestaat dus aanleiding een eventueel vast te stellen schadevergoedingsplicht te verminderen wegens eigen schuld. De mate waarin die vermindering moet plaatsvinden zal de rechtbank zo nodig na bewijslevering beoordelen.

4.20. De beoordeling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten en van de hoofdelijkheid zal de rechtbank aanhouden tot na de bewijsverrichtingen. In afwachting daarvan houdt de rechtbank ook iedere verdere beslissing aan.

ten aanzien van London

4.21. [eisers] vordert nakoming van de met London gesloten verzekerings-overeenkomsten. De vof vordert uitkering onder de overeenkomst ten aanzien van de bestelbus, terwijl [gedaagde 2] uitkering vordert ten aanzien van de motorfiets. London weigert uitkering. Ten aanzien van de bestelbus beroept zij zich op artikel 5 sub e van de algemene voorwaarden (2.3), stellende dat [eisers] niet normale voorzichtigheid heeft betracht ter voorkoming van diefstal. Met betrekking tot de motorfiets beroept London zich op niet-naleving door [eisers] van de clausules 006 en 007 uit de polis (2.4). De rechtbank overweegt het volgende.

4.22. Voor wat betreft de ten aanzien van de bestelbus ingeroepen bepaling gaat het om een uitsluiting van de dekking. Dat betekent dat op London de stelplicht en eventuele bewijslast rusten. In dit verband heeft London gewezen op de volgende, op zichzelf vaststaande, omstandigheden:

- het feit van algemene bekendheid dat het achterlaten van sleutels in een brievenbus voor een dichtbij geparkeerde auto risicovol is (zulks met verwijzing naar HR 12 maart 2004, NJ 2004, 272);

- het feit dat het ging om een locatie op een bedrijventerrein, zonder woningen in de nabije omgeving;

- het feit dat dit terrein direct naast een oprit naar de snelweg is gelegen;

- het feit dat de brievenbus niet direct vanaf de weg zichtbaar is;

- het feit dat het om een, voor zover zichtbaar voor [gedaagde 2], gewone brievenbus ging, zonder zichtbare beveiliging;

- het feit dat boven de brievenbus een uitdrukkelijke waarschuwing bevestigd was;

- de omstandigheid dat het brengen van de bestelbus en het deponeren van de sleutels op zondagavond geheel en al de eigen keuze was van [gedaagde 2], zonder enigerlei noodzaak, anders dan dat het brengen op de maandagochtend minder goed uitkwam;

- de omstandigheid dat [gedaagde 2], bij het achterlaten van de bestelbus, zelf ook al twijfels had over de veiligheid.

4.23. Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank voorshands van oordeel dat [eisers] niet de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen door de bestelbus op de bewuste zondagavond op de parkeerplaats van [X] achter te laten. Deze omstandigheden hadden [eisers] aanleiding moeten geven, reeds tevoren of toen hij inmiddels bij de garage van [X] was aangekomen, ernstig te betwijfelen of het wel verantwoord was de bestelbus daar achter te laten. Die twijfel had hem aanleiding moeten geven een andere keuze te maken.

4.24. In beginsel kan [eisers] zich niet verschuilen achter het door hem gestelde telefoongesprek met [A]. Uitlatingen van derden ontslaan [eisers] immers niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om een verantwoorde keuze te maken. Dat laat echter onverlet dat, afhankelijk van de inhoud van die uitlatingen, de vraag of [eisers] de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen wel mede kan worden bepaald door hetgeen derden hem hebben gezegd. In zoverre deelt de rechtbank het standpunt van [eisers] (pleitnota, sub 5). Het enkele feit dat ([A], althans) [X] in de rechtsverhouding tussen [eisers] en London als derde moet worden beschouwd, maakt, anders dan London meent (dupliek, onder 6), niet dat die uitlatingen in het geheel geen rol kunnen spelen. Het gaat immers om de vraag of [eisers] de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen, en voor het antwoord op die vraag zijn alle relevante omstandigheden van belang. Meer concreet: in het geval [A] uitdrukkelijk jegens [gedaagde 2] heeft verklaard dat het veilig is om de sleutels in de brievenbus te deponeren, heeft [gedaagde 2] die uitlating redelijkerwijs mogen meewegen bij zijn keuze om de bestelbus al dan niet al op zondagavond te brengen.

4.25. Zoals hierboven (4.7) al aan de orde kwam, heeft [eisers] gesteld dat hij tevoren overleg heeft gehad met de receptionist [A], dat het [A] is geweest die heeft voorgesteld om de bestelbus al op zondagavond te brengen en de sleutels in de brievenbus te deponeren, dat [A] desgevraagd uitdrukkelijk heeft gezegd dat dit veilig was en de gebruikelijke gang van zaken en dat [A] toen niet heeft gezegd dat eerder dat jaar een achtergelaten auto was gestolen door de sleutels uit de brievenbus te ‘hengelen’. Dat laatste staat vast, maar de gestelde verklaringen van [A] zijn (ook) door London betwist. De rechtbank is van oordeel dat, als de gestelde uitlatingen van [A] komen vast te staan, sprake is van dermate stellige uitlatingen dat [eisers] daaraan redelijkerwijs het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat het verantwoord was de bestelbus al de avond tevoren achter te laten. In dat geval heeft [eisers] zich in voldoende mate vergewist van de veiligheidssituatie en heeft dus ook te gelden dat hij jegens London de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen.

4.26. Nu de in 4.22 opgesomde omstandigheden alle vast staan en juist de inhoud van het gesprek met [A], dat die omstandigheden in een ander licht plaatst, ter discussie staat, zal de rechtbank [eisers] in de gelegenheid stellen, bij wijze van tegenbewijs, bewijs te leveren van de door haar gestelde uitlatingen van [A].

4.27. Slaagt [eisers] niet in die tegenbewijsopdracht, dan staat in rechte vast dat [eisers] niet de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen en slaagt het beroep van London op de desbetreffende uitsluiting. Slaagt [eisers] daarin wel, dan is het in beginsel aan London bewijs te leveren van feiten die kunnen leiden tot het oordeel dat [eisers] niet de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen. Om praktische redenen gaat de rechtbank er vanuit dat de in dat kader eventueel door London te horen getuigen alvast gehoord zullen worden bij gelegenheid van de contra-enquête in de tegenbewijsopdracht van [eisers] Kan uiteindelijk niet worden geoordeeld dat [eisers] niet de normale voorzichtigheid in acht heeft genomen, dan heeft hij aanspraak op uitkering onder de verzekeringsovereenkomst.

4.28. Ten aanzien van de motorfiets heeft [eisers] bij repliek (onder 13) gesteld dat de clausules 006 en 007 alternatief gelden. Dat wil zeggen dat de motorfiets moest zijn voorzien van ofwel een ingeschakeld alarm (007) ofwel van een slot (006). Bij pleidooi heeft London de juistheid van die lezing bevestigd, zodat daarvan moet worden uitgegaan.

4.29. De stelling van London dat niet voldaan was aan clausule 007 is door [eisers] niet gemotiveerd betwist. [eisers] heeft voorts niet gereageerd op de stelling van London dat niet ter zake doet of het alarm van de bestelbus was ingeschakeld. Gelet daarop moet als vaststaand worden aangenomen dat de motorfiets op het moment van de diefstal niet was voorzien van een ingeschakeld alarm en dat aldus niet is voldaan aan clausule 007.

4.30. London heeft gesteld dat [eisers] niet heeft voldaan aan clausule 006 door de motorfiets niet op slot te zetten met een door die clausule voorgeschreven extra slot. [eisers] heeft deze stelling uitdrukkelijk betwist. Het gaat hier om een uitsluitingsclausule, zodat de bewijslast op London rust. De omstandigheid dat [eiser 2] bij zijn aangifte van de diefstal niet met zoveel woorden heeft gezegd dat de motorfiets op slot stond en dat het slot behoorde tot de vermiste accessoires, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om de stelling van London voorshands bewezen te achten. De rechtbank zal London dan ook overeenkomstig haar bewijsaanbod toelaten tot het bewijs van haar stelling dat de motorfiets op het moment van de diefstal niet was voorzien van een extra slot in de zin van clausule 006.

4.31. Bij antwoord en dupliek heeft London haar verweer ten aanzien van de motorfiets specifiek toegespitst op de clausules 006 en 007 (zie bijvoorbeeld uitdrukkelijk sub 7 van de conclusie van antwoord). Andere gronden voor afwijzing van de vordering heeft London daarbij niet naar voren gebracht. Bij pleidooi heeft London echter ook gesteld dat het achterlaten van de motorfiets in de bestelbus roekeloos zou zijn. Voor zover London daarmee een beroep heeft willen doen op artikel 7:952 BW geldt dat deze nieuwe afwijzingsgrond niet alleen te laat is ingeroepen, maar bovendien onvoldoende onderbouwd. Dat wellicht geoordeeld moet worden dat [eisers] niet de normale voorzichtigheid heeft betracht (zoals hierboven in verband met de bestelbus aan de orde kwam), wil nog niet zeggen dat hij aan de diefstal een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld heeft, hetgeen nodig is om van roekeloosheid te kunnen spreken. De feiten rechtvaardigen een dergelijke vorm van schuld niet, ook niet als [A] zich niet zou hebben uitgelaten op de wijze zoals door [eisers] gesteld.

4.32. Bij pleidooi heeft [eisers] zich op het standpunt gesteld dat het beroep van London op clausules 006 en 007 naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is, omdat tussen de niet-naleving van die clausules en de diefstal geen enkel verband bestaat. Nu de motorfiets in de bestelbus stond en de bestelbus is gestolen, zou de motorfiets dus hoe dan ook zijn gestolen, of deze nu op slot stond of niet – aldus [eisers] Op voorhand is de rechtbank van oordeel dat dit betoog hout snijdt. Juist is echter de opmerking van London dat het beroep van [eisers] op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid pas bij pleidooi voor het eerst is gevoerd. Dat betekent dat London, zoals door haar verzocht, gelegenheid moet krijgen daarop nog afzonderlijk te reageren. Dat zij bij pleidooi al enige inhoudelijke reactie heeft gegeven, doet daar niet aan af. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door London.

4.33. Gelet op het bovenstaande is duidelijk dat de vraag of [eisers] aanspraak kan maken op enigerlei uitkering onder de verzekeringsovereenkomsten afhankelijk is van (de beoordeling naar aanleiding van) diverse proceshandelingen. Als die aanspraak uiteindelijk komt vast te staan, geldt ten aanzien van de omvang daarvan het volgende.

4.34. Partijen twisten niet over de dagwaarde van de bestelbus (€ 17.822) noch over het feit dat die dagwaarde in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt. London heeft wel betwist dat [eisers] onder de verzekeringsovereenkomst aanspraak heeft op vergoeding van de waarde van de accessoires en eigendommen. Ten aanzien van die eigendommen heeft [eisers] niet gesteld op grond waarvan deze voor vergoeding in aanmerking zouden komen. In zoverre is de vordering daarom als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar. Voor wat betreft de accessoires heeft London gesteld dat deze alleen voor vergoeding in aanmerking komen als deze zijn opgegeven, hetgeen met zoveel woorden blijkt uit artikel 2 van de Module Casco. Die opgave is niet gebeurd, aldus London. [eisers] heeft dat niet weersproken, ook niet bij pleidooi, hoewel dit punt aldaar uitdrukkelijk aan de orde is gekomen. De enkele verwijzing bij pleidooi naar artikel 8 Module Casco is niet voldoende. In die bepaling gaat het over de aanspraken in geval van “partiële diefstal van accessoires”, maar dat laat onverlet dat die accessoires dan wel moeten zijn opgegeven conform artikel 2 Module Casco. Dat is althans de meest voor de hand liggende uitleg van die bepalingen, terwijl [eisers] geen feiten heeft gesteld die tot een andere uitleg aanleiding geven. De vordering ter zake van de accessoires komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

4.35. Ten aanzien van de motorfiets vordert [eisers] vergoeding van de nieuwwaarde (€ 12.000) en de waarde van de accessoires (€ 2.740). Over de aanspraak op de nieuwwaarde en de hoogte daarvan bestaat tussen partijen geen verschil van inzicht. Wel heeft London de aanspraak op vergoeding van de accessoires betwist. Op haar beurt heeft [eisers] naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt op grond waarvan zij aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de accessoires. Zij heeft bij repliek (onder 2.8) slechts gewezen op clausule 012. Daaruit blijkt echter niet anders dan dat gedurende drie jaren geen afschrijving wordt toegepast. Dat gaat echter klaarblijkelijk om de aanspraak op vergoeding van de nieuwwaarde, maar daaruit volgt niet dat aanspraak bestaat op vergoeding van de accessoires. De vordering is in zoverre niet toewijsbaar.

4.36. De beoordeling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten en van de hoofdelijkheid zal de rechtbank aanhouden tot na de nog te verrichten proceshandelingen. In afwachting daarvan houdt de rechtbank ook iedere verdere beslissing aan.

ten aanzien van [gedaagde 3]

4.37. [gedaagde 3] heeft niet op de vordering van [eisers] geantwoord. Op grond van artikel 128 lid 3 Rv vervalt het recht om alsnog ten principale te antwoorden indien geen conclusie van antwoord is genomen. Zijn bij dupliek gegeven betwisting van de stelling van [eisers] dat hij de bestelbus en de motorfiets heeft gestolen moet dan ook buiten beschouwing blijven. In dit geding moet als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde 3] tezamen met [gedaagde 4] de diefstal heeft gepleegd.

4.38. Niet ter discussie staat dat [gedaagde 3] aldus onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld en dat hij de als gevolg daarvan geleden schade dient te vergoeden. Nu de omvang van die schade niet is weersproken, zal hij tot vergoeding daarvan bij eindvonnis worden veroordeeld.

ten aanzien van [gedaagde 4]

4.39. De vordering jegens [gedaagde 4] is voldoende onderbouwd en komt overigens niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat deze bij eindvonnis zal worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

ten aanzien van [X] en London

5.1. draagt [eisers] op, jegens London bij wijze van tegenbewijs, te bewijzen zijn stelling dat hij tevoren overleg heeft gehad met de receptionist van [X],[A], dat het [A] is geweest die heeft voorgesteld om de bestelbus al op zondagavond te brengen en de sleutels in de brievenbus te deponeren en dat [A] desgevraagd uitdrukkelijk heeft gezegd dat dit veilig was en de gebruikelijke gang van zaken,

5.2. draagt London op tot het bewijs van haar stelling dat de motorfiets op het moment van de diefstal niet was voorzien van een extra slot in de zin van clausule 006,

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 januari 2013 voor uitlating door [gedaagde 2] en London of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.4. bepaalt dat [gedaagde 2] en London, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

5.5. bepaalt dat [gedaagde 2] en London, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met mei 2013 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. Th. Veling in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100 - 125,

5.7. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

voorts ten aanzien van London

5.8. verwijst de zaak naar de rol van 30 januari 2013 voor het nemen van een akte door London als bedoeld in 4.32,

(voorts) ten aanzien van alle partijen

5.9. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.

1980/2009