Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9878

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
AWB - 13-02883
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3146, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Bpf 2000, vrijstelling op grond van artikel 5 van het Vrijstellings- en Boetebesluit, eigen regeling met gelijke aanspraken, terugwerkende kracht vrijstelling, hoorplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/34

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/2883

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2013 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres], te Dedemsvaart, eiseres,

gemachtigde: drs. M.C.W.G. Reniers,

en

de stichting Pensioenfonds Vervoer, verweerster,

gemachtigde: prof. dr. mr. E. Lutjens.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerster aan eiseres per

1

juli 2012 vrijstelling verleend van de verplichte deelneming aan de pensioenregeling van verweerster.

Bij besluit van 1 februari 2013, verzonden op 25 maart 2013 (het bestreden besluit), heeft verweerster het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft bij brief van 3 mei 2013, ontvangen op 6 mei 2013, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2013. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij brief van 12 januari 2011 heeft eiseres verzocht om vrijstelling van de verplichte deelname aan de pensioenregeling van verweerster in verband met onvoldoende beleggingsrendement.

2.

Aan het bestreden besluit - onder handhaving van het primaire besluit - heeft verweerster ten grondslag gelegd dat de verzochte vrijstelling - gelet op het bepaalde in artikel 7, zevende lid, van het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf 2000 (VBB) - eerst wordt verleend op het moment dat aan de voorwaarden is voldaan, waaronder het betalen van het verzekeringtechnisch nadeel (VTN) en het beschikken over een eigen andere pensioenregeling, waaraan ten minste dezelfde aanspraken als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van het VBB worden ontleend als aan de pensioenregeling van verweerster. Eiseres voldoet per 1 juli 2012 aan deze voorwaarden. De vrijstelling wordt dan ook niet met terugwerkende kracht verleend, zij het dat om praktische redenen beperkt terugwerkende kracht is verleend per de eerste dag van de maand van het kwartaal waarin aan de genoemde voorwaarden is voldaan, aldus verweerster.

3.

Uit de gedingstukken blijkt dat het bestreden besluit eerst bij brief van 25 maart 2013 aan eiseres bekend is gemaakt, zodat de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn eerst vanaf die datum is gaan lopen. Dit brengt mee dat het door eiseres daartegen ingestelde beroep binnen die termijn is ingediend en derhalve ontvankelijk is.


4. Eiseres betoogt in de eerste plaats dat verweerster in strijd met artikel 7:2 van de Awb eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.

4.1

Dit betoog slaagt.
De rechtbank stelt vast dat eiseres’ bezwaar door verweerster eerst als klacht is aangemerkt en vervolgens op het bezwaar is beslist zonder eiseres te horen. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom verweerster van het horen heeft afgezien. Daarmee is niet voldaan aan een van de in artikel 7:3 van de Awb limitatief vermelde gevallen waarin van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien, zodat verweerster eiseres naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet heeft gehoord. De omstandigheid dat de in het bezwaarschrift aangevoerde argumenten reeds in de procedure uitvoerig zijn besproken en niet kan worden aangenomen dat het horen nieuwe gezichtspunten zou opleveren - zoals verweerster in het verweerschrift aanvoert - vormt naar het oordeel van de rechtbank geen deugdelijke grondslag om van het horen af te zien, zodat sprake is van schending van de hoorplicht. Gelet hierop dient het bestreden besluit, wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb, te worden vernietigd en dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal hierna bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien.

5.

Eiseres betoogt voorts dat verweerster in strijd met artikel 7 van het VBB de verzochte vrijstelling eerst per 1 juli 2012 heeft verleend zonder daaraan terugwerkende kracht te verlenen tot 1 januari 2011.

5.1

Niet in geschil is dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het VBB op grond waarvan verweerster aan eiseres verplichte vrijstelling heeft verleend. De vraag die ter beoordeling voorligt, is of verweerster gehouden is de verplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 5 van het VBB te verlenen met ingang van de datum waarop is voldaan aan de voorwaarden dan wel per 1 januari 2011, zoals bij de aanvraag is verzocht.

5.2

Voorop gesteld wordt dat voor het verlenen van de verplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 5 van het VBB in artikel 7, zesde lid, van het VBB als voorwaarde wordt gesteld dat aan de eigen regeling ten minste dezelfde aanspraken worden ontleend als aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds. Vervolgens bepaalt het zevende lid van artikel 7 van het VBB dat de vrijstelling eerst wordt verleend nadat de werkgever een financiële bijdrage als bedoeld in het vierde lid heeft betaald (VTN) dan wel nadat de werkgever heeft aangetoond aan de voorschriften, bedoeld in het vijfde en zesde lid, te voldoen.

5.3

De rechtbank acht het in beginsel geenszins uitgesloten dat een fonds verplicht vrijstelling aan een werkgever verleent per datum van het verzoek - en dus op een datum die is gelegen vóór de datum van het besluit op de aanvraag en vóór het moment waarop is aangetoond dat aan alle voorwaarden is voldaan - indien binnen de in artikel 1a van het VBB opgenomen termijnen is aangetoond dat is voldaan aan de eis van dezelfde aanspraken. De rechtbank acht dit ook in lijn met de bedoeling van de wetgever. In de Nota van Toelichting bij artikel 7, zevende lid, van het VBB is in dit verband vermeld dat de werkgever dezelfde aanspraken van de eigen regeling aan het fonds dient aan te tonen ‘voor de vrijstelling wordt verleend. Deze praktijk was niet expliciet in de regeling neergelegd. In het zevende lid wordt dit nu geregeld.’ (Stb. 2007, 572). Per welke datum die vrijstelling wordt verleend is hiermee immers niet geregeld.

5.4

Vaststaat dat het verzoek om vrijstelling niet binnen de in artikel 1a van het VBB genoemde termijnen is afgehandeld. De vraag is dan of de vrijstelling wel met ingang van de datum van de aanvraag verleend dient te worden. Het VBB noch de toelichting daarop bieden uitkomst. De rechtbank is van oordeel dat in dit specifieke geval de aanvraag na het verstrijken van de maximale termijnen door verweerster afgewezen had dienen te worden, nu de gelijke aanspraken niet tijdig binnen de aanvraagprocedure door eiseres zijn aangetoond. Nu verweerster dit niet heeft gedaan, maar eiseres langer de tijd heeft gegeven de eigen regeling gelijk te maken aan die van verweerster, ziet de rechtbank daarin aanleiding te oordelen dat de vrijstelling eerst verleend kan en dient te worden met ingang van de datum waarop de gelijke aanspraken aan het pensioenfonds zijn aangetoond.

5.5

Dat verweerster eiseres abusievelijk een termijn van 12 maanden heeft gegeven om aan de voorwaarden te voldoen, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van eiseres - die immers per 1 januari 2011 vrijstelling wenst - gelegen spoedig na het indienen van de aanvraag aan te tonen dat haar eigen regeling gelijk is aan die van verweerster. Uit het feit dat verweerster eiseres ruim de tijd heeft gegeven om te komen tot een eigen regeling met gelijke aanspraken heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet al die tijd kunnen en evenmin mogen afleiden dat de vrijstelling per 1 januari 2011 zou worden verleend. Dit blijkt uit de brief van verweerster van 7 februari 2011, pagina 3.
Wat er voorts ook van zij dat de termijnen van artikel 1a van het VBB zijn overschreden, vaststaat dat eiseres – zoals zij ter zitting ook heeft verklaard – daarin is meegegaan en bovendien zelf ook stukken te laat heeft ingediend. Zij had de mogelijkheid beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag op grond van artikel 6:2 van de Awb kunnen instellen bij de rechtbank, maar dit heeft zij om haar moverende redenen niet gedaan. De termijnoverschrijding kan dan ook nu geen grond opleveren om de beslissing tot vrijstelling per 1 juli 2012 onrechtmatig te achten.

5.6

Dat in andere gevallen bij vrijstellingsverzoeken afgedaan door andere bedrijfstakpensioenfondsen wel - met terugwerkende kracht dan wel met ingang van de datum per wanneer de vrijstelling is verzocht - verplichte vrijstelling is verleend, maakt niet dat verweerster in strijd met de wet eiseres de vrijstelling met terugwerkende kracht onthoudt. Evenmin heeft eiseres daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat verweerster in haar geval ook terugwerkende kracht zou verlenen aan de vrijstelling.

5.7

De stelling van verweerster dat zij zich bij het aantonen van de gelijke aanspraken door de werkgever niet alleen hoeft te verlaten op de verklaring van de actuaris acht de rechtbank niet onrechtmatig, te minder nu is gebleken - en namens verweerster ter zitting is aangevoerd - dat er, na de verklaring van de actuaris, nog enkele aanpassingen in de regeling moesten worden doorgevoerd om tot gelijke aanspraken te komen. In tegenstelling tot wat eiseres heeft aangevoerd, is hier geen sprake van een belangenafweging, maar een toets. Ter zitting is ook namens eiseres verklaard dat verweerster de verantwoordelijkheid heeft te toetsen of inderdaad sprake is van een regeling met dezelfde aanspraken.

5.8

Onweersproken is dat de gelijke aanspraken van eiseres’ eigen regeling als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van het VBB op 13 augustus 2012 zijn aangetoond en dat toen is voldaan aan de voorwaarden. De door verweerster verleende vrijstelling per 1 juli 2012 kan dan ook de rechterlijke toets doorstaan. Immers, indien de rechtbank zou bepalen dat verweerster de vrijstelling per 13 augustus 2012 had moeten verlenen, zou dit strijd opleveren met het verbod van reformatio in peius.
Dat eiseres nadelige, financiële gevolgen zal ondervinden van een vrijstelling eerst per 1 juli 2012 dient voor haar risico te komen, nu het op de weg van eiseres ligt tijdig aan voorschriften te voldoen. Eiseres’ subsidiair aangevoerde grond dat de vrijstelling per 1 januari 2012 dient te worden verleend, kan gelet hierop evenmin slagen.

6.

Eiseres betoogt voorts dat verweerster in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zich niet heeft gehouden aan de in artikel 1a van het VBB genoemde termijnen.

6.1

De rechtbank stelt vast dat de in artikel 1a van het VBB genoemde termijnen door verweerster inderdaad niet zijn gehanteerd, maar dat op het overschrijden van deze termijnen geen sanctie staat. Hoewel de rechtbank met eiseres van oordeel is dat het zorgvuldiger zou zijn geweest indien verweerster op het moment van de aanvraag duidelijk met de termijnen was omgegaan, kan niet gezegd worden dat verweersters handelwijze strijdig is met de rechtszekerheid noch dat eiseres hierdoor benadeeld is. Als verweerster dit wel had gedaan, was het verzoek afgewezen, nu gebleken is dat de gelijke aanspraken in ieder geval niet binnen de in artikel 1a van het VBB gestelde termijnen konden worden aangetoond, gelet op het feit dat eiseres de eigen pensioenregeling nog moest afsluiten ten tijde van het verzoek en dat de eigen regeling nadien nog moest worden ‘bijgeplust’.


7. Tot slot betoogt eiseres dat verweerster in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door eerst van haar te verlangen dat zij een door een actuaris afgegeven verklaring van gelijkheid diende te overleggen alsmede het VTN diende te betalen alvorens de gevraagde vrijstelling te verlenen. Vervolgens is het volgens eiseres onzorgvuldig dat verweerster, de spelregels van het spel aanpassend, aanvullend heeft verlangd dat eiseres een pensioenreglement zou overleggen en de eigen regeling op bepaalde punten zou laten passen.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verweerster ook op dit punt niet de schoonheidsprijs verdient. Ter zitting is namens verweerster verklaard dat zij dit soort verzoeken volgens een stappenplan behandelt, maar gebleken is dat zij geen specifiek op dit soort verzoeken vastgesteld stappenplan hanteert anders dan de werkwijze in onderhavig geval. Dit wordt echter niet zodanig onzorgvuldig geacht dat de vrijstelling daarom per datum van de aanvraag dient te worden verleend.

8.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het besluit waarbij verweerster de verplichte vrijstelling per 1 juli 2012 heeft verleend, rechtens houdbaar is. De rechtbank ziet derhalve aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerster aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10.

De rechtbank veroordeelt verweerster in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).


Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit,

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven,

  • -

    bepaalt dat verweerster aan eiseres het betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt,

  • -

    veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.M. van der Kuil, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
5 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.