Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9867

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
10/920000-13 en 10/682664-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Celstraf voor dodelijk ongeval na kerstborrel

De rechtbank Rotterdam, heeft uitspraak gedaan in de zaak rond een dodelijk ongeval op 20 december 2012. De 27 jarige man uit Papendrecht wordt veroordeeld voor gevaarzetting in het verkeer, doorrijden na een ongeval en rijden onder invloed. Hem is 3 maanden cel, een taakstraf van 150 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 2 jaar opgelegd. Aan de het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbonden dat de verdachte zich zal laten behandelen bij Yulis en BoumanGGZ.

De verdachte heeft na afloop van een kerstborrel onder invloed van alcohol een auto bestuurd, een voetganger niet opgemerkt en deze vervolgens aangereden. De voetganger, een oud-collega, is enkele dagen later aan zijn verwondingen overleden.

Verdachte wordt vrijgesproken van dood door schuld in het verkeer. De door verdachte gemaakte verkeersfouten zijn niet zonder meer voldoende om dood door schuld aan te nemen, gelet op de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden. Hierbij speelt met name de (slechte) zichtbaarheid van het slachtoffer en zijn onverwachte aanwezigheid op de rijbaan een rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummers: 10/920000-13 en 10/682664-13

Datum uitspraak: 12 december 2013

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedaum] 1985,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres].

Raadsman mr. M. Boekhoud, advocaat te Dordrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze (10/920000-13) op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De rechtbank heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. C.D. Kardol heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland in de vorm van een meldplicht en een behandelverplichting.

STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte op onderdelen van hetonder 1 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring. Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsman aangevoerd dat gelet op de mate van verwijtbare schuld, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn schuldbesef de gevorderde vrijheidsstraf gematigd zou kunnen worden.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Vooropgesteld wordt dat in dit soort zaken de emoties die hierbij spelen, hoe voorstelbaar ook, geen rol mogen en kunnen spelen bij de beantwoording van de zuiver juridische vraag, of aan de verdachte in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot zijn handelen. Met andere woorden, het feit dat het verkeersongeval voor het slachtoffer en nabestaanden dramatische gevolgen heeft gehad, weegt niet mee voor die schuldvraag.

De situatie ter plaatse

Op basis van het procesdossier stelt de rechtbank de volgende feitelijke omstandigheden vast.

Op 20 december 2012 omstreeks 21.38 uur is verdachte met een personenauto (Citroën C1), op de openbare weg, de Molendijk, te Sliedrecht tegen een voetganger aangereden, als gevolg waarvan het slachtoffer [slachtoffer] enkele dagen later is komen te overlijden.

Het weggedeelte van de Molendijk waar het ongeval heeft plaatsgevonden betreft, gezien in de rijrichting van verdachte, één rijbaan, voorzien van één fietsstrook, gelegen aan de rechterzijde van de rijbaan. Rechts van de fietsstrook ligt een wegberm, waarin manshoge struiken zijn aangeplant. Rechts van de wegberm ligt een trottoir dat aan het begin en het einde van het weggedeelte terugwijkt naar de rijbaan en dus alleen daar grenst aan de fietsstrook en bereikbaar is vanaf de rijbaan. Aan de linkerzijde van de rijbaan is geen trottoir, maar grenst de rijbaan aan parkeervakken die haaks op de rijrichting staan.

Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Op het moment van de aanrijding was het donker en brandde de wegverlichting. Het regende en het wegdek was nat.

Het slachtoffer is na het ongeval terechtgekomen op de rijbaan en aangetroffen liggend op de fietsstrook ter hoogte van het trottoir dat aan het einde van dit weggedeelte grenst aan de fietsstrook/rijbaan. Het slachtoffer is aangetroffen door zijn echtgenote, getuige [getuige], die het ongeval heeft zien gebeuren toen zij het slachtoffer en de verdachte vanuit tegengestelde richting tegemoet reed in haar auto. Zij reed verdachte en het slachtoffer tegemoet met brandende verlichting.

In de verkeersongevalanalyse (hierna: VOA) is aangegeven dat er op basis van de sporen ter plaatse de feitelijke toedracht niet is vast te stellen. Op grond van de verklaring van getuige [getuige] en het beeld ter plaatse is als meest waarschijnlijk scenario tot uitgangspunt genomen dat verdachte achterop het slachtoffer is gereden, terwijl het slachtoffer voor hem uitliep aan de rechterzijde van de rijbaan op de fietsstrook.

De overwegingen van de rechtbank

Om tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde (artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) te komen, dient de rechtbank vast te kunnen stellen dat verdachte schuld heeft in de zin van die bepaling. Of er sprake is van schuld, dus van (rij)gedrag dat valt aan te merken als zeer, althans aanmerkelijke onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts is een causaal verband vereist tussen de verweten gedraging en het ongeval.

In het kader van het (rij)gedrag wordt het verdachte verweten dat hij als bestuurder van een auto - samengevat -

  • -

    dusdanig onder invloed was van alcohol verkeerde dat het gevaar bestond dat verdachte zijn auto niet onder controle had of als bestuurder niet alle handelingen kon verrichten die daarvoor zijn vereist;

  • -

    zijn aandacht niet voortdurend op het verkeer of de weg heeft gehad;

  • -

    een voor hem op een fietsstrook lopende voetganger niet heeft opgemerkt;

  • -

    heeft gereden met een snelheid van ongeveer 35 km/u (terwijl 30 km/u was toegestaan), althans met een gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid.

In de VOA wordt gesteld dat de voetganger voldoende goed zichtbaar was en dat het niet (tijdig) waarnemen van de voetganger door de bestuurder van de Citroën C1 -de verdachte- zeer waarschijnlijk veroorzaakt is door een combinatie van factoren: de bestuurder heeft niet op de weg gelet en niet goed gekeken, terwijl zijn beoordelingsvermogen, reactievermogen en de coördinatie mogelijk waren verminderd door alcoholgebruik.

De rechtbank zal de gedragingen van verdachte en de verschillende omstandigheden, zoals door de officier van justitie en de verdediging benoemd, afzonderlijk bespreken.

Het rijden onder invloed

Hoeveel alcohol verdachte heeft genuttigd, is bij gebrek aan bloed- of ademalcoholtest niet objectief vast te stellen. Verdachte heeft in dit kader verklaard dat hij in een periode van 16:00 uur tot 19:30 uur tien tot twaalf bier heeft gedronken. Verder zijn er (wisselende) getuigenverklaringen dat verdachte daarnaast ook nog sterke drank heeft genuttigd, hetgeen door verdachte overigens stellig wordt ontkend. Op basis van de verklaring van de verdachte en de verklaringen van de getuigen over het alcoholgebruik van de verdachte in de periode voor het ongeval is minst genomen vast te stellen dat de verdachte onder invloed was van alcohol en dat het niet anders kan dat het alcoholgehalte bij de verdachte meer moet zijn geweest dan de toegestane hoeveelheid alcohol om een voertuig te besturen.

In welke mate de rijvaardigheid van verdachte was beïnvloed is echter niet goed vast te stellen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol van negatieve invloed is op het vermogen tot besturen van voertuigen in het algemeen en het waarnemings- en reactievermogen in het bijzonder. Bij een gebruik van alcohol zoals door verdachte zelf erkend, is hiervan zeker sprake, maar daarmee is niet de vraag beantwoord in hoeverre de toestand van verdachte heeft bijgedragen aan het ongeval.

Op grond van de verklaring van verdachte en van getuige [getuige] kan worden aangenomen dat verdachte het slachtoffer niet heeft waargenomen tot en met de aanrijding. Verdachte heeft verklaard dat hij pas op het moment van de aanrijding de voetganger heeft opgemerkt en getuige [getuige] heeft verklaard dat pas nadat het slachtoffer geraakt was, de auto van verdachte van zijn lijn is afgeweken. Hierin kan een aanwijzing gezien worden dat verdachte dermate onder invloed van alcohol was, dat zijn waarnemingsvermogen verminderd was. Bij deze waarneming spelen evenwel ook andere omstandigheden een rol, die hierna besproken worden. Anderzijds blijkt uit het procesdossier niet dat verdachte rijgedrag heeft vertoond dat wijst op verminderde rijvaardigheid. Verdachte is zonder verdere incidenten via het huis van een collega in Dordrecht naar huis gereden. De getuigenverklaring omtrent het gedrag van verdachte voorafgaand aan het ongeval – bijvoorbeeld op het kerstfeest – wijzen er ook niet op dat verdachte zodanig onder invloed van alcohol was dat hij zijn voertuig niet meer onder controle zal hebben gehad of niet langer alle handelingen kon verrichten die daarvoor vereist zijn.

Aandacht niet voortdurend op de weg en het verkeer

Zowel de officier van justitie als de raadsman van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet voortdurend zijn aandacht bij de weg en het verkeer heeft gehad omdat hij pas na het wegrijden zijn autogordel heeft omgedaan en dat hem dat in de auto van zijn (ex-)vrouw wat meer tijd kost. Dit wordt in de VOA gesteld en verdachte heeft dit verklaard, aldus officier van justitie en ook de raadsman van verdachte. Wanneer de verklaringen die de verdachte hierover heeft afgelegd bij de politie zorgvuldig worden nagelezen, blijkt dat echter verdachte in antwoord op de vraag hoe in zijn visie het ongeval heeft kunnen plaatsvinden, hij – voorstelbaar – naar een verklaring heeft gezocht en die heeft gevonden in zijn gewoonte om pas na het rijden zijn gordel om te doen. Deze verklaring is voor verdachte des te aannemelijker, omdat hij weet dat hij in de auto van zijn ex-vrouw altijd meer moeite heeft om de gordel te bevestigen. Maar op de expliciete vraag of hij zich kan herinneren of hij op het moment van de aanrijding met zijn gordel bezig was, is verdachte het antwoord schuldig gebleven: hij kan zich dat niet herinneren. Ter terechtzitting heeft verdachte dit herhaald.

Er is onderzoek gedaan naar de route vanaf de plaats waar de auto van de verdachte geparkeerd stond tot aan de vermoedelijke plaats van het ongeval. De route loopt vrijwel direct vanaf de parkeerplaats over het rechte weggedeelte van de Molendijk waar het ongeval heeft plaatsgevonden en de afstand is ongeveer 112 meter. Uit rijproeven volgt dat deze afstand in ongeveer 17 seconden zal zijn afgelegd. Verder wordt gesteld dat het voelen en kijken naar het bevestigingspunt voor de autogordel normaal gesproken niet langer zal hoeven duren dan ongeveer 2-3 seconden.

Terwijl – ook volgens verdachte – enerzijds dus aangenomen kan worden dat verdachte heeft gehandeld zoals hij dat altijd doet, moet anderzijds geconstateerd worden dat niet kan worden vastgesteld of en zo ja, op welk moment de verdachte zijn gordel heeft omgedaan en of dit moment kort vóór het moment van de aanrijding heeft plaatsgevonden. Met andere woorden; niet kan worden vastgesteld of het al rijdend omdoen van de gordel door de verdachte, de reden is geweest of er aan bij heeft gedragen dat verdachte het slachtoffer niet heeft waargenomen. Er is geen bewijs voor dit handelen, het is een aanname, een beredeneerd vermoeden.

Voetganger niet opgemerkt

Dat verdachte het slachtoffer niet heeft opgemerkt, is een onontkoombare conclusie. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer nimmer heeft gezien. Getuige [getuige] heeft in haar verhoor verklaard dat zij haar echtgenoot zag lopen over de fietsstrook. In de VOA wordt gesteld dat het slachtoffer goed zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte. Wanneer de feitelijke omstandigheden bezien worden, kan de rechtbank zich echter niet vinden in deze conclusie. Het slachtoffer droeg die avond een donkerblauwe jas en een spijkerbroek. Ten tijde van het ongeval was het donker en regenachtig en de straatverlichting was in werking. De situatie zoals die zich aan verdachte zal hebben voorgedaan is nagebootst op fotonummers 63 en 64 van de VOA en de rechtbank meent dat het slachtoffer slecht zichtbaar was. Getuige [getuige] heeft het slachtoffer weliswaar wel zien lopen, maar de rechtbank hecht er aan om daarbij op te merken dat zij kort daarvoor telefonisch contact met het slachtoffer gehad had en zij op weg was om hem op te halen. Zij verwachtte het slachtoffer dus te zien.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank voorts van oordeel dat het slachtoffer liep op een plaats waar de verdachte hem niet had hoeven te verwachten. Er was een trottoir voor voetgangers waarvan het slachtoffer, ook al was het trottoir afgescheiden door een berm met begroeiing, gebruik had kunnen en moeten maken, zodat automobilisten geen rekening behoeven te houden met voetgangers op de rijbaan.

Tot slot overweegt de rechtbank dat op het moment dat verdachte het slachtoffer van achter benaderde, de auto van getuige [getuige] hen tegemoet kwam. Aannemelijk is dat verdachte zijn aandacht op de tegemoet komende auto heeft gericht en zoveel mogelijk rechts is gaan rijden – dus op de fietsstrook – om mogelijk te maken dat zij elkaar zouden passeren.

De snelheid

Zoals eerder vastgesteld, bedroeg de maximum toegestane snelheid ter plaatse 30 kilometer per uur. Verdachte heeft in dit kader verklaard dat hij denkt dat hij tussen de 20 en 30 kilometer per uur reed.

Er zijn botsproeven en er is schadevergelijkingsonderzoek gedaan, onder meer om vast te stellen met welke snelheid verdachte heeft gereden. Gesteld wordt dat een snelheid van ongeveer 35 kilometer per uur als meest waarschijnlijke snelheid aangenomen zou kunnen worden, maar uit het verhoor van verbalisant [verbalisant] bij de rechter-commissaris blijkt dat hierbij in een aanzienlijke mate de eigen interpretatie van de onderzoekers een rol speelt. Niet met voldoende mate van zekerheid is derhalve te stellen dat verdachte harder dan de toegestane maximumsnelheid reed, in ieder geval niet dat verdachte aanzienlijk harder reed dan de toegestane maximumsnelheid.

De vraag of verdachte dan met een voor de situatie ter plaatse te hoge snelheid reed, dient eveneens ontkennend te worden beantwoord. Hierbij overweegt de rechtbank dat de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur al een weerslag is van de mate waarin automobilisten hun snelheid aan de situatie moeten aanpassen. In een auto wordt die snelheid ervaren als langzaam en deze is naar het oordeel van de rechtbank al passend bij de situatie ter plaatse met in- en uitritten van bedrijfsterreinen en parkeerplaatsen. De andere omstandigheden – duister en regen – maken dit niet anders. In haar requisitoir heeft de officier van justitie gesuggereerd dat het vertrek van de gasten van de kerstborrel waar verdachte en het slachtoffer geweest waren een omstandigheid is die maakt dat verdachte langzamer had moeten rijden, maar deze suggestie wordt niet door het procesdossier ondersteund: niet blijkt dat er meerdere voetgangers liepen waardoor en waarvoor verdachte zijn snelheid had moeten aanpassen.

Conclusie

Vastgesteld kan worden dat verdachte onder invloed van alcohol zijn auto heeft bestuurd, een voetganger niet heeft opgemerkt en deze vervolgens heeft aangereden. Dit zijn verkeersfouten, maar het is niet zonder meer voldoende om schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 aan te nemen. Gelet op de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, met name de slechte zichtbaarheid van het slachtoffer en de niet te verwachten aanwezigheid van een voetganger op de rijbaan, is niet vast te stellen dat het feit dat verdachte onder invloed van alcohol was, de oorzaak is geweest van het ongeval. Evenmin is vast te stellen dat verdachte de voetganger had moeten zien en dat het niet opmerken van het slachtoffer op de rijbaan zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend onachtzaam is geweest of dat verdachte met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

subsidiair

hij op of omstreeks 20 december 2012 te Sliedrecht als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Molendijk, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die

weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat

gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door

hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet

voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist

en/of ondanks voornoemde toestand een motorrijtuig is gaan besturen en is

blijven besturen en/of

- zijn aandacht niet voortdurend op het verkeer of de weg vóór hem heeft gehad

en/of

- (aldus rijdende) een vóór hem, verdachte, op de uiterst rechts (gezien

vanuit verdachte) van de rijbaan gelegen fietsstrook lopende voetganger (te

weten [slachtoffer]), niet heeft opgemerkt en/of

- met een snelheid van ongeveer 35 km/uur (terwijl 30 km/uur was toegestaan), althans met gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid,

tegen die genoemde voetganger is aangebotst of aangereden;

hij op of omstreeks 20 december 2012 te Sliedrecht als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval en/of door

wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de Molendijk, de plaats van het ongeval heeft

verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was

toegebracht;

hij op of omstreeks 20 december 2012 te Sliedrecht als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij

verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of

redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in

combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon

verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

hij

op of omstreeks 16 mei 2013 te Papendrecht

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]),

(gezeten op een stoel) achterover op de grond heeft grond gegooid en/of

(vervolgens nogmaals) (met kracht) op de grond heeft gegooid/geworpen/geduwd

(waardoor die [slachtoffer 2] met zijn rug, atlhans zijn lichaam op/tegen de grond/het

raamkozijn is gekomen/gevallen),

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij

op of omstreeks 16 mei 2013 te Papendrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik

maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

6.

hij

op of omstreeks 16 mei 2013 te Papendrecht

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]), (met kracht) op

de grond heeft gegooid/geworpen/geduwd (waardoor die[slachtoffer 3] met haar rug,

althans met haar lichaam op/tegen de deurpost is gekomen/gevallen), waardoor

deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

7.

hij

op of omstreeks 16 mei 2013 te Papendrecht

opzettelijk en wederrechtelijk een fotolijst en/of een (keuken)raam, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1

subsidiair.

OVERTREDING VAN ARTIKEL 5 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994;

OVERTREDING VAN ARTIKEL 7, EERSTE LID VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994;

3.

OVERTREDING VAN ARTIKEL 8 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994;

4.

en 6. (telkens)

MISHANDELING;

BEDREIGING MET ZWARE MISHANDELING;

7.

OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF GEDEELTELIJK AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, VERNIELEN, MEERMALEN GEPLEEGD.(maak een keuze)

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding en daarmee blijk gegeven van een miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Hij heeft immers onder invloed van alcohol als bestuurder van een auto op de Molendijk te Sliedrecht gereden. Hij heeft daar een op de fietsstrook lopende voetganger (een oud-collega) niet gezien en is met zijn auto tegen deze voetganger aangereden, waardoor het slachtoffer enkele dagen later is overleden. Verdachte is vervolgens na de aanrijding niet onmiddellijk maar even verderop gestopt. Hij is teruggelopen om poolshoogte te nemen. Toen hij doorkreeg dat hij iemand had geraakt en zag dat er iemand bij het slachtoffer stond, heeft hij besloten om zich niet kenbaar te maken, maar door te rijden. Hij heeft zich ook later niet gemeld, maar tegenover zijn (ex-)vrouw en collega’s volgehouden dat hij niet betrokken was bij de aanrijding van zijn oud-collega. Naspeuring van de politie heeft de rol van verdachte aan het licht gebracht.

Het behoeft nauwelijks betoog dat het ongeval zeer traumatisch voor de nabestaanden van het slachtoffer is geweest en dat het gemis van het slachtoffer onbeschrijflijk en onherstelbaar leed oplevert. Dat bleek overduidelijk uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring. Strafoplegging, in welke vorm ook, zal het verlies van hun dierbare naaste niet kunnen goedmaken. Strafoplegging dient dan ook in dit geval geen ander doel dan inscherping van de norm dat men zich voorzichtig dient te gedragen als men zich in het verkeer begeeft.

Dat verdachte is doorgereden na het ongeval, terwijl hij wist dat hij een slachtoffer gemaakt had, rekent de rechtbank hem zwaar aan. In de omstandigheden van dit geval ziet de rechtbank aanleiding om verdachte hiervoor de maximale gevangenisstraf op te leggen.

Daarnaast heeft verdachte op 16 mei 2013, wederom onder invloed van alcohol, zijn schoonouders mishandeld, zijn schoonvader bedreigd en vernielingen in hun woning aangericht. Ook dit zijn ernstige feiten, die ontoelaatbaar inbreuk maken op het gevoel van veiligheid waarop iedereen recht heeft.

Naast de reeds genoemde gevangenisstraf zijn een taakstraf en een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. De ontzegging van de rijbevoegdheid legt de rechtbank op voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank heeft bij de strafmodaliteiten en strafmaat rekening gehouden met het feit dat verdachte na dit alles zijn werk is kwijtgeraakt en dat zijn huwelijk is gestrand. Verdachte heeft na de feiten van 16 mei 2013 een aantal weken in een kliniek van Yulius verbleven vanwege suïcideneigingen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen taakstraf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 november 2013 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 28 oktober 2013. Dit rapport houdt onder meer in dat op grond van het recidiverisico, de criminogene factoren en de eventuele interventies in het verleden, een toezicht op bijzondere voorwaarden geïndiceerd is. De reclassering acht het van belang dat de verdachte tijdens en/of na mogelijke detentie een hulpverleningstraject gaat volgen gericht op de consequenties van zijn handelen, hoe hij dit een plek gaat geven in zijn bestaan en hoe het zicht op de toekomst er voor hem weer positief uit kan gaan zien, ondanks de verliezen die hij heeft geleden.

Daarnaast acht de reclassering een behandeling gericht op zijn alcoholgebruik van toepassing.

Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:

•meldplicht;

•behandelverplichting in de vorm van een ambulante behandeling.

De rechtbank volgt het advies van de reclassering en zal een deel van de taakstraf voorwaardelijk opleggen met voormelde bijzondere voorwaarden daaraan verbonden.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 23, 57, 62, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5, 6, en 7 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

(ten aanzien van de feiten 2, 3, 4, 5, 6 en 7)

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan

bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 50 (vijftig) uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1.

de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2.

de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van Yulius, of een soortgelijke instelling voor zijn problematiek, en een behandeling bij BoumanGGZ voor zijn alcoholmisbruik, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de (geneesheer)directeur verantwoord vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

(ten aanzien van feit 1 subsidiair)

- ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 (twee) jaren;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. van Mourik, voorzitter,

en mrs. M. van Kuilenburg en H.M. Dunsbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2013.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 12 december 2013:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

10/920000-13

hij

op of omstreeks 20 december 2012 te Sliedrecht

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden

door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te

dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Molendijk,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat

gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door

hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet

voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist

en/of ondanks voornoemde toestand een motorrijtuig is gaan besturen en is

blijven besturen en/of

- zijn aandacht niet voortdurend op het verkeer of de weg vóór hem heeft gehad

en/of

- ( aldus rijdende) een vóór hem, verdachte, op de uiterst rechts (gezien

vanuit verdachte) van de rijbaan gelegen fietsstrook lopende voetganger (te

weten [slachtoffer]), niet heeft opgemerkt en/of

- met een snelheid van ongeveer 35 km/uur (terwijl 30 km/uur was toegestaan), althans met gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid,

tegen die genoemde voetganger is aangebotst of aangereden

waardoor die [slachtoffer] werd gedood, althans zodanig zwaar lichamelijk letsel

werd toegebracht dat die tengevolge daarvan (later) is overleden;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 december 2012 te Sliedrecht als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Molendijk, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die

weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat

gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door

hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet

voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist

en/of ondanks voornoemde toestand een motorrijtuig is gaan besturen en is

blijven besturen en/of

- zijn aandacht niet voortdurend op het verkeer of de weg vóór hem heeft gehad

en/of

- ( aldus rijdende) een vóór hem, verdachte, op de uiterst rechts (gezien

vanuit verdachte) van de rijbaan gelegen fietsstrook lopende voetganger (te

weten [slachtoffer]), niet heeft opgemerkt en/of

- met een snelheid van ongeveer 35 km/uur (terwijl 30 km/uur was toegestaan), althans met gelet op de situatie ter plaatse te hoge snelheid,

tegen die genoemde voetganger is aangebotst of aangereden;

hij op of omstreeks 20 december 2012 te Sliedrecht als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval en/of door

wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de Molendijk, de plaats van het ongeval heeft

verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was

toegebracht;

hij op of omstreeks 20 december 2012 te Sliedrecht als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij

verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of

redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in

combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon

verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

10/682664-13

hij

op of omstreeks 16 mei 2013 te Papendrecht

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]),

(gezeten op een stoel) achterover op de heeft grond gegooid en/of

(vervolgens nogmaals) (met kracht) op de grond heeft gegooid/geworpen/geduwd

(waardoor die [slachtoffer 2] met zijn rug, atlhans zijn lichaam op/tegen de grond/het

raamkozijn is gekomen/gevallen),

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij

op of omstreeks 16 mei 2013 te Papendrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik

maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

6.

hij

op of omstreeks 16 mei 2013 te Papendrecht

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]), (met kracht) op

de grond heeft gegooid/geworpen/geduwd (waardoor die [slachtoffer 3] met haar rug,

althans met haar lichaam op/tegen de deurpost is gekomen/gevallen), waardoor

deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

7.

hij

op of omstreeks 16 mei 2013 te Papendrecht

opzettelijk en wederrechtelijk een fotolijst en/of een (keuken)raam, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;