Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9818

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
ROT 13/7330
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand, omdat het recht op bijstand neit zou kunnen worden vastgesteld. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat onduidelijkheden met betrekking tot de door verzoekster ontvangen giften in de periode voorafgaande aan de aanvraag om bijstand met zich brengen dat de op haar rekening gestorte bedragen als middelen dienen te worden aangemerkt. Daaruit volgt evenwel niet dat om die reden het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat verzoekster haar hoofdverblijf heeft in Dordrecht. Voorts acht de voorzieningenrechter het – bij gebrek aan enig bewijs van het tegendeel – aannemelijk dat verzoekster in de afgelopen periode heeft geleefd van giften in geld en natura en dat geen sprake is van verzwegen middelen die ertoe leiden dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter acht het dan ook voldoende aannemelijk dat verzoekster bijstand behoevend is. Dat verzoekster niet bereid is alle namen of gegevens van personen die haar hebben geholpen aan verweerder te verstrekken, acht de voorzieningenrechter in dit geval onvoldoende grond om een voorziening af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/7330

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[A], te Dordrecht, verzoekster,

gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: M.M. Berkhoudt.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 11 september 2013 om algemene bijstand afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Voorts heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2013.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2.

In artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

In artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

3.1.

Verzoekster ontving met ingang van 3 juli 2009 van verweerder een uitkering in het kader van de WWB. De Sociale Dienst Drechtsteden is naar aanleiding van onduidelijke stortingen op een bankrekening van verzoekster begin 2013 een onderzoek gestart naar de woonsituatie van verzoekster, haar middelen en haar bestedingspatroon. Bij dat onderzoek heeft de Sociale Dienst Drechtsteden vastgesteld dat verzoekster een onderneming heeft ingeschreven bij de kamer van Koophandel, dat verzoekster een tweetal kredieten niet eerder heeft opgegeven en dat haar water- en energieverbruik ongeveer tweemaal zo hoog is als normaal. Nadat verzoekster was opgeroepen voor een gesprek op 26 februari 2013 heeft zij verklaard korte tijd in België te verblijven (een weekend, een enkele dag) en dat zij niet wist dat verblijf in het buitenland gemeld diende te worden.

3.2.

Bij besluit van 26 februari 2013 heeft verweerder het recht op bijstand opgeschort per die datum. Verweerder heeft verzoekster daarbij een termijn van tien dagen gegeven om een schriftelijke verklaring over te leggen omtrent het afwikkelen van haar betalingen in de periode november 2012 tot en met januari 2013. Uit een bij de schriftelijke verklaring van verzoekster van 7 maart 2013 bijgevoegd creditcardafschrift bleek dat betalingen in België zijn gedaan op meerdere dagen. Verweerder heeft met het oog op het kunnen vaststellen van het verblijf in België verzoekster bij brief van 11 maart 2013 een termijn van zeven dagen vergund voor het aanleveren van afschriften van haar bankrekeningen en creditcards vanaf

1 maart 2012 tot en met 26 februari 2013. Bij brief van 22 maart 2013 is verzoekster opgeroepen voor een gesprek op 28 maart 2013. In die brief is voorts het volgende te lezen:

“In de voorgaande periode zijn u vragen gesteld over uw inkomens en vermogenspositie.

Hierbij is vast komen te staan dat:

-u een bedrijf voert in in- en export.

-u een omzet heeft op uw rekening die het normale bijstandsvolume overstijgt.

-u een creditcard inzet om geld van en naar uw rekening over te zetten.

-u contante stortingen pleegt om uw rekening aan te zuiveren.

-u de creditcard gebruikt om in het buitenland in uw onderhoud te voorzien en dat u meerdere momenten in het buitenland verblijft.

-u schriftelijk verklaart dat u uw betaal en creditcard passen ter beschikking stelt van onbekend gebleven anderen.

Door het hiervoor staande feitencomplex ondervindt de dienst een probleem om vast te stellen of u recht heeft op bijstand.”

Tijdens het vervolggesprek op 28 maart 2013 heeft verzoekster geweigerd namen te noemen aan de hand waarvan verweerder navraag kan doen bij de Belgische autoriteiten.

3.3.

Bij besluit van 5 april 2013 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken met ingang van 26 maart 2013. De grondslag die verweerder daarbij heeft vermeld is artikel 54, vierde lid, van de WWB. Voorts heeft verweerder over de periode van 26 maart 2013 tot en met 31 maart 2013 een bedrag van € 170,14 teruggevorderd. Het bezwaar van verzoekster heeft verweerder ongegrond verklaard bij besluit van 25 oktober 2013. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Bij uitspraak van 18 november 2013 (ROT 13/6350) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om voorlopige voorziening tegen het besluit van 25 oktober 2013 afgewezen wegens het ontbreken van het vereiste spoedeisend belang nu verzoekster na de intrekking van bijstandsuitkering ruim zes maanden heeft gewacht met het indienen van het verzoek.

4.1.

Op 11 september 2013 heeft verzoekster zich gemeld bij de Sociale Dienst Drechtsteden met het oog op het aanvragen van algemene bijstand. Op 31 oktober 2013 is verzoekster gehoord door een rapporteur van de Sociale Dienst Drechtsteden. Desgevraagd gaf verzoekster aan na intrekking van haar uitkering te hebben geleefd van haar belastinggeld, ongeveer € 80,- per maand, dat sprake is van een huurachterstand, dat zij soms niet eet, dat zij veelal bij Afrikaanse mensen in Dordrecht eet, dat zij soms € 10,- of

€ 20,- krijgt van mensen en dat een kerkgenootschap een keer de huur heeft betaald. Van de mensen die haar zouden helpen weigerde zij desgevraagd gegevens te verstrekken. Voorts gaf zij aan dat het Wielwijk Informatiepunt kwesties heeft geregeld ter zake van de woning van verzoekster en gas, water en elektriciteit.

4.2.

Aan de hand van de rekeningafschriften heeft de rapporteur vastgesteld dat op

24 april 2013 € 400,- is gestort (volgens verzoekster is dit afkomstig van haar vriendin in België in verband met het gebruik van haar creditcard door die vriendin), op 11 september 2013 € 170,- is gestort (zou gaan om een lening), op 2 juli 2013 een bijboeking plaatsvond van € 500,- (zou gaan om een lening) en op 3 juli 2013 van € 200,- (zou wederom gaan om een lening). Verzoekster gaf verder aan niet meer over een creditcard te beschikken. Tussen de stukken bevindt zich een overeenkomst tot geldlening van 8 oktober 2013 waarin verzoekster verklaart € 500,- te hebben geleend van Stichting Sociaal Fonds van de Kerken te Dordrecht. De overeenkomst is door beide partijen ondertekend. Voorts bevindt zich tussen de stukken een brief van Stedin Netbeheer B.V. omtrent het voornemen tot afsluiting van de energietoevoer aan de woning van verzoekster.

4.3.

Voornoemde rapporteur heeft geconcludeerd dat verzoekster wederom geen openheid van zaken geeft. Het is volgens hem niet aannemelijk dat zij van € 80,- per maand heeft kunnen rondkomen, niet duidelijk is volgens hem van wie zij – naar zij heeft gesteld –soms € 10,- of € 20,- kreeg en bij wie zij heeft gegeten in de afgelopen maanden, voorts ontbreken schuldbekentenissen ten aanzien van de door haar gestelde leningen die de stortingen op haar bankrekening zouden moeten verklaren. Volgens verweerder kan wegens het niet naleven van artikel 17, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand niet worden vastgesteld, zodat de aanvraag moet worden afgewezen.

5.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij uit de ziektekostenverzekering dreigt te vallen, dat zij uit haar woning dreigt te worden gezet, dat zij op ad hoc basis wat te eten krijgt bij haar gemachtigde, het maatschappelijk werk en MEE Drechtsteden en dat het verweerder bekend is dat verzoekster geen enkel middel van bestaan heeft. Zij stelt voorts dat zij meermaals alle gevraagde informatie heeft verstrekt en dat verweerder de aanvraag heeft afgewezen zonder te specificeren welke informatie thans nog zou ontbreken. Ter zitting heeft verzoekster zich voorts op het standpunt gesteld dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de inlichtingenplicht die geldt nadat bijstand is toegekend en de verplichting de nodige informatie te verstrekken over het bestedingspatroon en de middelen voorafgaand aan een (nieuwe) bijstandsaanvraag en dat verweerder de aanvraag van verzoekster lijkt te behandelen alsof sprake is van een nog lopende bijstandsuitkering, waarbij hij vasthoudt aan de bevindingen die hem eerder aanleiding gaven voor de intrekking van de uitkering.

6.

De voorzieningenrechter neemt op grond van hetgeen verzoekster heeft aangevoerd aan de verzoekster een spoedeisend belang heeft als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

7.

De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de eerdere intrekking van de bijstand en bij de onderhavige aanvraag voor verweerder geen rol heeft gespeeld dat verzoekster een onderneming heeft ingeschreven bij de kamer van Koophandel en haar water- en energieverbruik ongeveer tweemaal zo hoog was als normaal. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verzoekster heeft verklaard niet langer over een creditcardrekening te beschikken, waarbij wordt opgemerkt dat zij hiervan gedurende de bezwaarfase bewijs kan overleggen. Voorts is niet in geschil dat verweerder beschikt over de

bankafschriften van verzoekster die zijn opgevraagd door de Sociale Dienst Drechtsteden. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verzoekster wel de namen van enkele personen die haar geld zouden hebben geleend heeft genoemd, doch niet hun verdere personalia en evenmin schuldverklaringen heeft overgelegd, met uitzondering van een leenovereenkomst met Stichting Sociaal Fonds van de Kerken te Dordrecht.

8.

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat onduidelijkheden met betrekking tot de door verzoekster ontvangen giften in de periode voorafgaande aan de aanvraag om bijstand met zich brengen dat de op haar rekening gestorte bedragen als middelen dienen te worden aangemerkt. Daaruit volgt evenwel niet dat om die reden het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat verzoekster haar hoofdverblijf heeft in Dordrecht. Voorts acht de voorzieningenrechter het – bij gebrek aan enig bewijs van het tegendeel – aannemelijk dat verzoekster in de afgelopen periode heeft geleefd van giften in geld en natura en dat geen sprake is van verzwegen middelen die ertoe leiden dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter acht het dan ook voldoende aannemelijk dat verzoekster bijstand behoevend is. Dat verzoekster niet bereid is alle namen of gegevens van personen die haar hebben geholpen aan verweerder te verstrekken, acht de voorzieningenrechter in dit geval onvoldoende grond om een voorziening af te wijzen.

9.

Verweerder heeft derhalve naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de aanvraag ten onrechte afgewezen op grond van artikel 17, eerste lid, in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de WWB.

10.

De voorzieningenrechter ziet gelet op het vorenstaande aanleiding een voorlopige voorziening te treffen die eruit bestaat dat verweerder met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift – te weten 14 november 2013 – voorschotten verstrekt tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar in het kader van deze aanvraag bekend is gemaakt.

11.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder met ingang van 14 november 2013 voorschotten verstrekt tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar in het kader van deze aanvraag bekend is gemaakt,

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

11 december 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.