Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9721

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
C-10-421161_04122013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Ten onrechte is omzet niet in de administratie van de gefailleerde vennootschap verwerkt, maar in de administratie van de holding. Nu de (middellijk) bestuurder er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 te ontzenuwen, is hij aansprakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2013-0440

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/421161 / HA ZA 13-331

Vonnis van 4 december 2013

in de zaak van

[eiser] in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gefailleerde],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te Ouddorp,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROPOORT CONTAINER TRANSPORT SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. O. Diels te 's-Gravenhage

Partijen zullen hierna de Curator, [gedaagde 1], [gedaagde 2] en ECTS genoemd worden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen gezamenlijk [gedaagden 1 + 2] genoemd worden. De in staat van faillissement verkerende vennootschap zal MSS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 maart 2013;

  • -

    de akte overlegging producties van de Curator;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 26 juni 2013, waarbij een comparitie is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 oktober 2013;

  • -

    de nadere akte overlegging producties voor comparitie van de Curator;

  • -

    de brieven van 22 oktober 2013 en 1 november 2013 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie van [gedaagden 1 + 2];

  • -

    de brieven van 23 oktober 2013 en 1 november 2013 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie van de Curator;

  • -

    de brief van de rechtbank van 8 november 2013 waarin onder meer staat dat de hiervoor genoemde brieven aan het procesdossier zijn toegevoegd.

1.2.

De procedure tegen ECTS is van rechtswege geschorst omdat zij op 6 juni 2013 in staat van faillissement is verklaard.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1.

MSS heeft een onderneming gedreven die zich bezig hield met de uitoefening van het transportbedrijf, in het bijzonder het vervoer van medische goederen en gassen. Zij heeft per 1 februari 2012 haar activiteiten gestaakt.

2.2.

[gedaagde 2] beschikt over een wagenpark met vrachtauto's en opleggers. Zij heeft die vrachtauto's en opleggers verhuurd aan MSS en gebruikt voor haar eigen vervoerswerkzaamheden. De voor haar vervoerswerkzaamheden benodigde medewerkers betrok zij van MSS.

2.3.

ECTS heeft een onderneming gedreven die zich bezig hield met de uitoefening van het transportbedrijf in het bijzonder het vervoer van medische goederen en gassen.

2.4.

[gedaagde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van MSS. [gedaagde 2] is ook enig aandeelhouder en bestuurder van [X] (hierna: [X]) en [Y] Deze vennootschappen zijn op 7 juli 2009 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. O.E. de Witt Wijnen tot curator.

2.5.

[Z] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2]. Stichting Administratiekantoor M.C. [Z] houdt alle aandelen in [Z]. [gedaagde 1] is bestuurder van [Z].

2.6.

Op 2 juli 2009 hebben [gedaagde 2] en MSS een overeenkomst gesloten waarbij [gedaagde 2] aan MSS ter beschikking heeft gesteld: haar adressenbestand, hardware, software, vergunningen, commerciële contracten en al hetgeen MSS kan gebruiken en zaken die specifiek voor MSS door [gedaagde 2] zijn gekocht dan wel in operational lease genomen, tegen een vergoeding door MSS aan [gedaagde 2] van € 170.000,00 per maand (exclusief btw). Overeengekomen is verder dat de variabele kosten apart worden doorbelast.

2.7.

Op 26 augustus 2009 hebben [gedaagde 2] en mr. De Witt Wijnen een overeenkomst gesloten waarbij mr. De Witt Wijnen onder meer de orderportefeuille, adresgegevens, het gebruiksrecht tot het klanten- en relatiebestand van [X], alsmede alle overige bedrijfsinformatie van [X] aan [gedaagde 2] heeft verkocht en geleverd tegen betaling door [gedaagde 2] van € 60.000,00. Overeengekomen is ook dat MSS de op een bijlage genoemde werknemers van [X] een arbeidsovereenkomst zou aanbieden.

2.8.

Op 1 september 2009 heeft De Lage Landen Factoring (hierna: DLL) een offerte uitgebracht voor de financiering van MSS die door MSS is geaccepteerd (hierna: de factoringovereenkomst). Daarbij is een krediet van maximaal € 500.000,00 verstrekt. Als zekerheid zijn de vorderingen van MSS openbaar verpand aan DLL waartoe een verpandingstekst op de facturen moest worden geplaatst.

Bij offerte van 18 oktober 2010 is dit krediet verhoogd naar maximaal € 1.000.000,00 onder de voorwaarde dat naar tevredenheid van DLL een betalingsregeling zou worden getroffen met de belastingdienst en het pensioenfonds.

2.9.

Op 4 januari 2011 hebben [gedaagde 2] en MSS een overeenkomst gesloten met dezelfde inhoud als de op 2 juli 2009 gesloten overeenkomst, waarbij de vergoeding is bepaald op € 240.000,00 per maand (exclusief btw). Op 1 juli 2011 is een overeenkomst gesloten met - voor zover thans van belang - dezelfde inhoud.

2.10.

Bij brieven van 28 april 2011, 13 mei 2011, 11 juli 2011 en 3 augustus 2011 heeft [gedaagde 2] aan acht bedrijven laten weten dat de facturatie met ingang van week 16 van 2011 door [gedaagde 2] verzorgd wordt. De geadresseerden wordt verzocht het factuurbedrag voortaan op het bankrekeningnummer van [gedaagde 2] over te maken.

2.11.

[gedaagde 2] heeft facturen verzonden aan en bedragen geïnd van opdrachtgevers voor wie MSS transportwerkzaamheden heeft verricht.

2.12.

Eind 2011 heeft het pensioenfonds het faillissement van MSS aangevraagd. Dit verzoek is afgewezen door deze rechtbank. Daarna heeft MSS een betalingsregeling getroffen met het pensioenfonds.

2.13.

Op 27 januari 2012 heeft DLL per e-mail aan [Q] (hierna: [Q]) en [gedaagde 1] meegedeeld dat zij de factoringovereenkomst per direct opschort omdat 1) geen overeenstemming met de belastingdienst is bereikt over betaling van de achterstallige belastingen en 2) DLL niet onverwijld in kennis is gesteld van het niet bereiken van overeenstemming met de belastingdienst. Op 6 februari 2012 heeft DLL per e-mail bericht dat zij de factoringovereenkomst per direct beëindigt.

2.14.

Op 16 mei 2012 is MSS door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard met benoeming van de Curator als zodanig.

2.15.

Op 19 februari 2013 heeft de Curator na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van [gedaagden 1 + 2] en ECTS conservatoir (derden-)beslag doen leggen.

2.16.

Op 6 juni 2013 is ECTS in staat van faillissement verklaard door deze rechtbank.

3 Het geschil

3.1.

De Curator vordert - na vermindering van eis en onder weglating van de vordering jegens ECTS - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

A. ten aanzien van [gedaagden 1 + 2] (als bestuurders) uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW en/of artikel 2:9 BW en/of artikel 6:162 BW

  • -

    verklaart voor recht dat [gedaagden 1 + 2] als (middellijk) bestuurders van MSS hun taak ex artikel 2:248 BW en/of artikel 2:9 BW en/of artikel 6:162 BW onbehoorlijk hebben vervuld;

  • -

    verklaart voor recht dat [gedaagden 1 + 2] als (middellijk) bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de volledige schuldenlast van MSS, voor zover die schuldenlast niet door vereffening van de boedel kan worden voldaan;

  • -

    [gedaagden 1 + 2] hoofdelijk veroordeelt om het tekort in de boedel, desnoods nader op te maken bij staat, aan de curator te betalen;

  • -

    [gedaagden 1 + 2] vooruitlopend op het boedeltekort per direct veroordeelt een voorschot op het tekort in de boedel aan de Curator te betalen ter hoogte van een bedrag van € 500.000,00 (zegge: vijfhonderdduizend euro), althans enig voorschot te betalen;

subsidiair

ten aanzien van [gedaagde 2] (niet als bestuurder) uit hoofde van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW

  • -

    verklaart voor recht dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens MSS als gevolg van de facturatie en inning van omzet die voor MSS bedoeld was;

  • -

    [gedaagde 2] veroordeelt tot vergoeding van de schade ter hoogte van een bedrag van € 424.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

ten aanzien van alle gedaagden

- verklaart voor recht dat aan [gedaagden 1 + 2] geen mogelijkheid tot verrekening zal worden toegestaan met enige vordering die zij of een van hen uit welke hoofde dan ook zouden hebben op MSS;

primair en subsidiair

[gedaagden 1 + 2] veroordeelt in de kosten van dit geding, de kosten van beslag inbegrepen.

3.2.

Het verweer van [gedaagden 1 + 2] strekt tot afwijzing van de vorderingen en - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van de Curator in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is primair in geschil of [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als (middellijk) bestuurder van MSS hun taak - kennelijk - onbehoorlijk hebben vervuld.

De Curator is van mening dat de administratie van MSS een onjuist beeld geeft van haar vermogenspositie omdat daarin geen vorderingen op opdrachtgevers van MSS zijn opgenomen. MSS heeft voor hen vervoerswerkzaamheden verricht en had daarvoor volgens de Curator facturen moeten uitbrengen, maar dat is door [gedaagde 2] en ECTS gedaan voor een bedrag van in totaal € 804.000,00 respectievelijk € 262.000,00. De debiteurenpositie en omzet van MSS had in 2011 daarom € 1.066.000,00 hoger moeten zijn. Hierdoor kunnen in de visie van de Curator de rechten en verplichtingen van MSS niet te allen tijde worden gekend. De Curator houdt [gedaagde 2] als bestuurder van MSS op grond van artikel 2:248 BW daarvoor aansprakelijk en [gedaagde 1] op grond van artikel 2:11 BW.

4.2.

[gedaagden 1 + 2] hebben bestreden dat zij hun bestuurstaken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld door een onjuiste administratie te voeren. Volgens hen was [gedaagde 2] de contractspartij bij de overeenkomsten op grond waarvan de vervoersopdrachten werden uitgevoerd.

Zoals [gedaagden 1 + 2] hebben betoogd volgt uit de onder 2.7 vermelde overeenkomst van [gedaagde 2] met mr. De Witt Wijnen dat [gedaagde 2] onder meer de orderportefeuille en het gebruiksrecht tot het klanten- en relatiebestand van [X] heeft gekocht en geleverd gekregen. Zij is derhalve op grond van deze overeenkomst als rechthebbende op de genoemde activa aan te merken.

4.3.

[gedaagden 1 + 2] hebben voorts aangevoerd dat [gedaagde 2] de uit het klantenbestand verkregen opdrachten deels uitbesteedde aan MSS, waarbij MSS voor de transporten gebruik maakte van het wagenpark van [gedaagde 2]. Volgens [gedaagden 1 + 2] heeft [gedaagde 2] MSS een vergoeding betaald voor het uitvoeren van de opdrachten en heeft MSS aan [gedaagde 2] een vergoeding betaald voor het ter beschikking stellen van klanten, bedrijfsactiviteiten en voertuigen. [gedaagden 1 + 2] hebben ter onderbouwing van hun standpunt verwezen naar de onder 2.6 en 2.9 genoemde overeenkomsten en naar door haar overgelegde grootboekkaarten van MSS.

4.4.

Zoals ook de Curator heeft aangevoerd moest MSS voor het gebruik van onder meer het adressenbestand en commerciële contracten, maandelijks een bedrag van € 240.000,00 betalen. Aanvankelijk was dit bedrag op € 170.000,00 gesteld.

In die overeenkomsten staat dat [gedaagde 2] de genoemde activa aan MSS ter beschikking stelt. Dit verdraagt zich slecht met het standpunt van [gedaagden 1 + 2] dat [gedaagde 2] de overeenkomsten met de opdrachtgevers is aangegaan en de werkzaamheden heeft uitbesteed aan MSS. Conform de algemeen gangbare betekenis van ter beschikking stellen zou MSS immers naar welgevallen gebruik moeten kunnen maken van het adressenbestand en de commerciële contracten, terwijl uitbesteden inhoudt dat zij jegens [gedaagde 2] verplicht is de transportwerkzaamheden te verrichten. De overeengekomen door MSS te betalen maandelijkse vergoeding pleit bovendien voor de lezing dat MSS vrijelijk gebruik kon maken van de genoemde activa. [gedaagden 1 + 2] hebben weliswaar aangevoerd dat de door MSS betaalde vergoeding ook zag op het gebruik van het wagenpark maar dat neemt niet weg dat die vergoeding mede het gebruik van het adressenbestand en de commerciële contracten betrof.

Daarbij komt dat MSS met DLL is overeengekomen dat haar vorderingen openbaar aan DLL werden verpand. De verpandingstekst is ook opgenomen op de door de Curator overgelegde facturen van MSS voor door haar verrichte werkzaamheden. Uit die facturen is op te maken dat MSS in augustus en september 2009, april en mei 2010, december 2011 en januari 2012 zelf factureerde en derhalve rechtstreeks contact had met de opdrachtgever. Als (middellijk) bestuurder van MSS moeten [gedaagden 1 + 2] geacht worden deze handelwijze te hebben goedgekeurd. Uit dit alles leidt de rechtbank af dat onjuist is het standpunt van [gedaagden 1 + 2] dat [gedaagde 2] de wederpartij van de opdrachtgevers was en daarom terecht voor een bedrag van € 804.000,00 heeft gefactureerd.

4.5.

Het voorgaande wordt niet anders door de verklaring van [Q] ter comparitie voor de onder 2.10 genoemde brieven van [gedaagde 2], inhoudende dat [gedaagde 2] vanaf week 16 van 2011 de facturatie verzorgde en dat op haar bankrekening moest worden betaald. Volgens [Q] is die brief ingegeven door de wens te voorkomen dat op de verkeerde bankrekening werd betaald, maar dit is niet af te leiden uit de brieven. Daarin staat niet dat [gedaagde 2] steeds de contractspartij is geweest van de geadresseerde; het onderwerp is juist wijziging van de bankgegevens. Waarom voor deze tekst is gekozen die niet bij de volgens [Q] bestaande bedoeling aansluit, heeft hij niet duidelijk weten te maken.

Ook de met mr. De Witt Wijnen gesloten overeenkomst biedt [gedaagde 2] geen rechtsgrond voor het innen van facturen van MSS; zij heeft er zelf voor gekozen de activa uit het faillissement van [X] tegen een maandelijkse vergoeding aan MSS ter beschikking te stellen.

4.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat in de administratie van MSS ten onrechte een omzet van € 804.000,00 niet is verwerkt. Dit betekent dat haar rechten en verplichtingen niet te allen tijde uit de administratie kunnen worden gekend.

Daarbij komt dat ook in de grootboekkaarten waarnaar [gedaagden 1 + 2] ter onderbouwing van hun verweer hebben verwezen, gegevens bevatten die niet overeenstemmen met wat [gedaagden 1 + 2] naar voren hebben gebracht. [gedaagden 1 + 2] hebben betoogd dat [gedaagde 2] in het vierde kwartaal van 2011 een bedrag van € 88.300,00 aan MSS heeft betaald voor het inhuren van medewerkers en aan ECTS een bedrag van € 91.700,00, in totaal derhalve € 180.000,00. Zij heeft in dat verband een grootboekkaart betreffende intercompanyboekingen van MSS uit die periode overgelegd waarop een bedrag van € 48.000,00 en van € 72.000,00 is geboekt met als omschrijving "intercompany" en een bedrag van € 60.000,00 met als omschrijving "doorbelasting personeel". Deze bedragen komen uit op in totaal € 180.000,00. Uit deze boekingen is niet te destilleren dat een bedrag van € 88.300,00 door MSS van [gedaagde 2] is ontvangen / in de rekening-courantverhouding is verwerkt, terwijl het totaalbedrag overeenstemt met wat volgens [gedaagden 1 + 2] aan MSS én ECTS is betaald voor het inhuren van personeel. Het had op de weg van [gedaagden 1 + 2] gelegen hun verweer op dit punt deugdelijk te motiveren. Nu zij dit hebben nagelaten, houdt de rechtbank het ervoor dat de administratie van MSS ook in dit opzicht een onjuist beeld geeft van de vermogenstoestand van MSS.

Gelet op dit oordeel behoeft geen bespreking of een bedrag van € 262.000,00 ten onrechte niet in de administratie van MSS is opgenomen omdat ECTS dit bedrag heeft gefactureerd en geïnd voor werkzaamheden van MSS.

4.7.

[gedaagden 1 + 2] zijn vervolgens van mening dat het een onbelangrijk verzuim betreft dat niet in aanmerking dient te worden genomen. Het verzuim om een omzet van € 804.000,00 in de administratie op te nemen kan echter niet als zodanig worden aangemerkt. Het gaat niet om transacties van ondergeschikte betekenis.

4.8.

Op grond van al het voorgaande concludeert de rechtbank dat vast staat dat [gedaagde 2] haar taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld omdat zij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit artikel 2:10 BW. Het bepaalde in artikel 2:248 lid 2 BW brengt mee dat vermoed wordt dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

4.9.

Ter weerlegging van het hiervoor genoemde vermoeden, hebben [gedaagden 1 + 2] aangevoerd dat de schending van de administratieplicht geen belangrijke oorzaak is van het faillissement omdat een redelijke vergoeding is betaald door [gedaagde 2] zonder dat de vaste en variabele lasten van de gebruikte bedrijfsmiddelen voor die opdrachten werden doorbelast. Dit standpunt laat zich echter niet verenigen met de verklaring van [Q] ter comparitie dat MSS materieel huurde van [gedaagde 2] en daarvoor maandelijks een voorschot betaalde. Hij heeft daarbij opgemerkt dat de werkelijk kosten achteraf werden verrekend, maar heeft toen niets gezegd over een uitzondering voor de werkzaamheden van MSS waarvoor [gedaagde 2] factureerde terwijl het toch een niet onaanzienlijk bedrag betreft.

[gedaagden 1 + 2] hebben verder aangevoerd dat de economische omstandigheden in de transportsector een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn. De rechtbank neemt aan dat de recessie een rol zal hebben gespeeld, maar dat neemt niet weg dat het wegsluizen van omzet van MSS naar [gedaagde 2] mede als een belangrijke oorzaak van het faillissement moet worden beschouwd.

4.10.

Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt. Ter comparitie heeft [gedaagde 1] verklaard dat het bedrijf beschikte over een centrale planning met twee medewerkers. Zij namen de telefoon altijd aan en meldden zich door "met [gedaagde 1]" te zeggen. Die naam werd al twintig jaar gebruikt. Vanuit de planning werd verdeeld. De rechtbank begrijpt dat het plaatsgevonden hebben van een aantal opeenvolgende faillissementen van werkmaatschappijen de feitelijke werkwijze en het functioneren van het door [gedaagde 1] door middel van rechtspersonen uitgeoefende bedrijf niet wezenlijk hebben veranderd. Werkzaamheden konden binnen het feitelijke bedrijf naar believen over verschillende rechtspersonen worden verdeeld. Daardoor kon tevens op voor buitenstaanders ondoorzichtige wijze tussen verschillende rechtspersonen worden geschoven met opdrachten, kosten en opbrengsten. [gedaagden 1 + 2] hebben daarbij kennelijk steeds zodanige keuzes gemaakt dat meer kosten dan opbrengsten terecht kwamen in werkmaatschappijen die daardoor uiteindelijk onvermijdelijk in staat van faillissement werden verklaard. Crediteuren van die werkmaatschappijen bleven daarbij achter met onverhaalbare vorderingen van aanzienlijke omvang op lege rechtspersonen. De activiteiten van de gefailleerde werkmaatschappijen werden vervolgens gecontinueerd in andere rechtspersonen. Deze parasitaire wijze van ondernemen acht de rechtbank in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. Niet alleen crediteuren worden hierdoor benadeeld, ook de concurrentie ten opzichte van bedrijven met een bona fide werkwijze wordt op deze manier vervalst. Door als (indirect) bestuurders van MSS op deze wijze te handelen, hebben [gedaagden 1 + 2] hun taak kennelijk onbehoorlijk vervuld, en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

4.11.

De rechtbank zal voor recht verklaren dat [gedaagden 1 + 2] als (middellijk) bestuurders van MSS hun taak ex artikel 2:248 BW onbehoorlijk hebben vervuld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de volledige schuldenlast van MSS voor zover die schuldenlast niet door vereffening van de boedel kan worden voldaan. Zij zullen worden veroordeeld om het tekort in de boedel, nader op te maken bij staat, aan de Curator te betalen.

Nu [gedaagden 1 + 2] veroordeeld worden tot betaling van het tekort, heeft de Curator geen belang bij een onderzoek naar de vraag of [gedaagden 1 + 2] ook aansprakelijk zijn uit hoofde van het bepaalde in artikel 2:9 BW en/of artikel 6:162 BW.

4.12.

De Curator vordert dat [gedaagden 1 + 2] vooruitlopend op de vaststelling van het boedeltekort een voorschot betalen van € 500.000,00. Hij heeft ter onderbouwing van dit bedrag stukken overgelegd waarin is vermeld dat de belastingdienst een faillissementsvordering heeft ingediend van bijna het viervoudige van het gevorderde voorschot. Voldoende aannemelijk is dat het tekort een grotere omvang heeft dan het gevorderde voorschot. Het gevorderde bedrag is derhalve toewijsbaar.

4.13.

De Curator vordert [gedaagde 1] ook te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 945,16 voor verschotten en € 452,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 452,00).

4.14.

[gedaagden 1 + 2] zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Curator worden begroot op:

- dagvaarding €  97,21

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.001,21

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagden 1 + 2] als (middellijk) bestuurders van MSS hun taak ex artikel 2:248 BW onbehoorlijk hebben vervuld;

5.2.

verklaart voor recht dat [gedaagden 1 + 2] als (middellijk) bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de volledige schuldenlast van gefailleerde, voor zover de schuldenlast niet door vereffening van de boedel kan worden voldaan;

5.3.

veroordeelt [gedaagden 1 + 2] hoofdelijk om het tekort in de boedel, nader op te maken bij staat, aan de curator te betalen;

5.4.

veroordeelt [gedaagden 1 + 2] tot betaling aan de Curator van een voorschot op het tekort in de boedel ter hoogte van € 500.000,00 (zegge: vijfhonderdduizend euro);

5.5.

veroordeelt [gedaagden 1 + 2] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.397,16;

5.6.

veroordeelt [gedaagden 1 + 2] in de proceskosten, aan de zijde van de Curator tot op heden begroot op € 1.001,21;

5.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3 tot en met 5.6 genoemde beslissingen

uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.

2066/1729