Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9710

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
419465 - HA ZA 13-236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Conservatoire maatregel
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling declaraties toegewezen.

Voor geschil over hoogte declaraties dient art. 32 Wtbz te worden gevolgd, dit wisten gedaagden niet, bij rechtbank niet aan het juiste adres. Geen sprake van een prijsafspraak. Geen opschortingsrecht meer, nu eiser inmiddels declaraties heeft gespecificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer: C/10/419465 / HA ZA 13-236

Vonnis van 27 november 2013 (bij vervroeging)

in de zaak van

de maatschap VOS & DE LANGE ADVOCATEN,

kantoorhoudende te Barendrecht,

eiseres,

advocaat mr. P.A. de Lange,

tegen

[Gedaagde] ,

wonende te Puttershoek,

gedaagde,

advocaat voorheen mr. G.J.M. de Jager,

thans niet meer in rechte vertegenwoordigd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 februari 2013

- de conclusie van antwoord

- het tussenvonnis van 10 juli 2013

- het proces-verbaal van comparitie van 4 november 2013

- de door eiseres overgelegde producties.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Bij brief van 18 juni 2008 heeft eiseres aan gedaagde het volgende geschreven - voor zover relevant - :

“Tijdens onze bespreking van maandag 16 juni jl. te mijnen kantore gaf u mij opdracht uw belangen te behartigen in opgemelde zaken.

Zoals ik u tijdens voornoemde bespreking heb medegedeeld, breng ik mijn werkzaamheden aan u in rekening op basis van uren of gedeelten daarvan. Mijn basisuurtarief is € 230,00 exclusief BTW, te differentiëren aan de hand van factoren als spoedeisendheid, de voor de zaak benodigde deskundigheid, het belang van de zaak en de aard van de zaak. Daarnaast worden kantoorkosten, reiskosten en door derden aan mij in rekening gebrachte verschotten aan u doorberekend.”

2.2

Eiseres heeft in 2008 en in 2009 in opdracht van gedaagde juridische bijstand verleend in geschillen van gedaagde met de heer [betrokkene 1] (verder te noemen [betrokkene 1]), met de heer [betrokkene 2] en met Pink Mushroom B.V. De arbitrageprocedure tegen [betrokkene 1] is geëindigd in een schikking.

2.3

Eiseres heeft gedaagde acht declaraties gestuurd. Gedaagde heeft de declaraties tot een bedrag van € 34.248,99 onbetaald gelaten.

3 Het geschil

3.1

Eiseres vordert dat gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan eiseres te betalen een bedrag van € 34.248,99 met wettelijke handelsrente, een bedrag van € 1.158,00 aan buitengerechtelijke kosten met de wettelijke rente en dat gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Aan haar vordering legt eiseres nakoming van de verbintenis van gedaagde om te betalen voor het werk van eiseres ten grondslag.

3.2

De conclusie van gedaagde strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eiseres, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding.

Gedaagde betwist

  • -

    de hoogte van de declaraties voor de verrichte werkzaamheden;

  • -

    dat wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn.

Gedaagde voert als verweer het volgende aan:

  1. er is een prijsafspraak gemaakt dat slechts tot € 10.000,00 zou worden gedeclareerd;

  2. eiseres moet de declaraties eerst specificeren, voordat de vordering kan worden toegewezen.

4 De beoordeling

4.1

In beginsel moet de bijzondere rechtsingang van artikel 32 van de Wet tarieven burgerlijke zaken worden gevolgd (begroting door de Raad van toezicht en discipline) in geval van een geschil over de hoogte van de door de advocaat aan zijn cliënt berekende declaraties. Zoals blijkt uit de e-mail gedaagde van 29 januari 2013 heeft gedaagde het geschil over de hoogte van de declaraties echter niet voor willen leggen aan de Deken:

“De wederom onterecht aanname in je mail dat als ik niet naar de Deken ga, ik dan ook geen bezwaren meer heb, is onterecht. Het komt nog steeds voort uit geldgebrek. De Deken zal immers willen dat ik een bedrag op een derderekening o.i.d. veilig stel, hetgeen ik dus niet kan. Ergo, niet naar de Deken, maar wel bezwaar.”

Gedaagde heeft ter zitting verklaard dat hij de declaraties te hoog vond, omdat hij teleurgesteld was in het resultaat van alle procedures, maar dat de voornaamste reden waarom hij de declaraties van eiseres niet heeft betaald, is dat hij geen geld heeft. Deze stelling van gedaagde ligt ook besloten in de e-mails die gedaagde heeft verstuurd naar aanleiding van diverse verzoeken van eiseres om betaling van de declaraties. Van een betwisting die de hiervoor genoemde rechtsgang voorschrijft is geen sprake. De redelijkheid van de declaraties kunnen in deze procedure niet beoordeeld worden en zijn dan ook een gegeven.

4.2

Van een prijsafspraak, waarbij eiseres en gedaagde zijn overeengekomen dat eiseres voor alle door eiseres te verrichten werkzaamheden niet meer dan € 10.000,00 zou declareren, is geen sprake. Gedaagde heeft ter zitting verklaard dat eiseres tegen hem heeft gezegd dat de arbitrageprocedure ongeveer € 10.000,00 zou gaan kosten. Dat is iets anders dan dat een prijs van € 10.000,00 zou zijn overeengekomen. De werkzaamheden van eiseres waarvoor gedaagde opdracht heeft gegeven betreffen bovendien niet alleen de arbitrageprocedure. Als niet betwist staat vast dat eiseres ook andere werkzaamheden heeft verricht voor gedaagde, zoals die in het kader van een aandelenkwestie, het leggen van beslag, het voeren van kort geding procedures en bodemprocedures.

4.3

Voor zover gedaagde een beroep heeft gedaan op zijn opschortingsrecht, faalt dit beroep, nu eiseres haar declaraties inmiddels heeft gespecificeerd en gedaagde ter zitting heeft aangenomen dat die specificatie juist is.

4.4

Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot betaling van € 34.248,99 aan declaraties voor toewijzing gereed ligt.

4.5

Eiseres heeft haar stelling dat gedaagde de wettelijke handelsrente verschuldigd is, in het licht van de betwisting van gedaagde dat hij bij het geven van de opdracht voor de werkzaamheden handelde in de uitoefening van een bedrijf, onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Niet de wettelijke handelsrente, maar de - subsidiair gevorderde - wettelijke rente ex artikel 6:119 BW zal dan ook worden toegewezen en wel vanaf de dag der dagvaarding, nu eiseres eerst bij dagvaarding haar declaraties afdoende heeft gespecificeerd.

4.6

Aan haar vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten heeft eiseres ten grondslag gelegd dat zij, ter verkrijging van betaling in der minne, diverse herinnerings- en sommatiebrieven heeft verstuurd, voorstellen heeft gedaan voor het treffen van een betalingsregeling, daadwerkelijk met gedaagde een betalingsregeling heeft getroffen (die door gedaagde niet is nagekomen), heeft gecorrespondeerd met gedaagde en met gedaagde heeft getelefoneerd. Gelet op de door eiseres in dit kader overgelegde producties (productie 2, 3, 4, 5 en 13) heeft gedaagde haar betwisting dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke incassokosten onvoldoende gemotiveerd. Nu het bovendien gaat om redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW, zal de vordering tot betaling van € 1.158,00 worden toegewezen.

4.7

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

- explootkosten € 76,71

- griffierecht 1.836,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punten x tarief € 579,00)

Totaal 3.070,71

5 De beslissing

De rechtbank

veroordeelt gedaagde om tegen kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van € 35.406,99, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de voldoening;

veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van eiseres bepaald op € 3.070,71;

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 november 2013.

615/2396