Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9464

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
C/10/398121 / HA ZA 12-262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eindbeslissing in hoofdzaak na eerdere toewijzing provisionele voorziening (teruggave bankgarantie). Hoofdzaak door gedaagde niet inhoudelijk vervolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/398121 / HA ZA 12-262

Vonnis van 27 november 2013

in de zaak van

de rechtspersoon naar het land van vestiging

JSC MURMANSK SHIPPING COMPANY,

gevestigd te Murmansk, Rusland,

eiseres,

advocaat mr. A.J. van Steenderen,

tegen

de rechtspersoon naar het land van vestiging

LIDOIL-PETROIL TRADING COMPANY S.A.,

gevestigd te Monrovia, Liberia,

gedaagde,

advocaat voorheen mr. J.F. van der Stelt (onttrokken).

Partijen zullen hierna JSC en Lidoil genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 18 september 2013 en de daaraan ten grondslag liggende gedingstukken, waarbij:

( i) Lidoil is veroordeeld de door The Steamship Mutual Underwriting Association (Bermuda) Ltd. op 2 november 2011 gestelde garantie ten bedrage van USD 325.386,44 binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis ter decharge te retourneren aan JSC via het kantoor van haar Rotterdamse raadslieden, op straffe van verbeurte van onmiddellijk opeisbare dwangsommen van € 10.000,-- per dag of dagdeel dat Lidoil hierin nalatig is, tot een maximum van € 350.000,--;

(ii) aan Lidoil is verboden om ten laste van JSC beslag te leggen op het m.s. ‘Pomorye’ dan wel op enige andere vermogensbestanddelen van JSC, zowel binnen als buiten Nederland, voor haar vordering dan wel een gedeelte hiervan, verband houdende met haar twee facturen met referentienummers 10377 (d.d. 29 juni 2011) en 10456 (d.d. 18 augustus 2011) ter zake bunkerleveranties aan het m.s. ‘Pomorye’ ter zake waarvan zij reeds in Rotterdam beslag deed leggen als vooromschreven;

(iii) Lidoil is veroordeeld in de kosten van het incident, aan de zijde van JSC begroot op € 9.000,--,

welke veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde, en met verwijzing van de onderhavige hoofdzaak naar de rol van 30 oktober 2013 voor conclusie van antwoord, en

- de mededeling van de advocaat van Lidoil op de rol van 30 oktober 2013 dat deze zich als advocaat van Lidoil aan de zaak onttrekt, waarna zich voor Lidoil geen nieuwe advocaat heeft gesteld.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

JSC vordert -samengevat- dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht verklaart dat het op 1 november 2011 in Rotterdam op het m.s. “Pomorye” gelegde beslag onrechtmatig is,

  • -

    voor recht verklaart dat JSC niet aansprakelijk is jegens Lidoil voor betaling van de facturen van Lidoil met referentienummers 10377 (d.d. 29 juni 2011) en 10456 (d.d. 18 augustus 2011) ter zake bunkerleveranties aan het m.s. “Pomorye”;

  • -

    voor recht verklaart dat de vordering van Lidoil voortvloeiende uit haar facturen met referentienummers 10377 (d.d. 29 juni 2011) en 10456 (d.d. 18 augustus 2011) ter zake van bunkerleveranties aan het m.s. “Pomorye” niet kan worden verhaald op het m.s. “Pomorye”,

  • -

    Lidoil veroordeelt tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan JSC, van USD 15.529,70, alsmede van € 26.852,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van beslaglegging althans vanaf een in goede justitie te bepalen moment, tot aan de dag der algehele voldoening, en vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten;

  • -

    het incidenteel gevorderde bekrachtigt dan wel (definitief) toewijst.

2.2.

In de hoofdzaak heeft Lidoil geen verweer gevoerd. Nadat de roldatum voor het nemen van de conclusie van antwoord ongebruikt is verstreken, is akte van niet-dienen verleend.

3 De beoordeling

3.1.

De stellingen van JSC kunnen het gevorderde dragen en zijn door Lidoil in de hoofdzaak niet weersproken. Het gevorderde moet daarom, mede gelet op hetgeen in het vonnis in het incident is overwogen en geoordeeld, worden toegewezen als in het dictum vermeld.

3.2.

Daar waar het petitum nog onvoldoende precies is, maar het gevorderde wel bepaalbaar op grond van de stellingen in de dagvaarding, zal de rechtbank dit in het dictum preciseren. Meer in het bijzonder zal de rechtbank onder 4.4 aanknopen bij de in het lichaam van de dagvaarding genoemde datum van beslaglegging, 1 november 2011, en het bedrag van de buitengerechtelijke kosten, € 1.158,--.

3.3.

De rechtbank verstaat het laatste onderdeel van de vordering aldus, dat JSC beoogt dat hetgeen bij wege van provisionele voorziening is toegewezen in het incident, ook in de hoofdzaak zal worden toegewezen. Ook dit onderdeel van de vordering is als niet in de hoofdzaak weersproken toewijsbaar.

3.4.

Lidoil zal als in de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten die zijn gevallen aan de zijde van JSC. Deze worden begroot op € 1.789,-- voor vast recht en € 2.000,-- voor salaris van de advocaat (1 punt tegen tarief VII, op dezelfde gronden als toegelicht in r.o. 2.48 van het vonnis in het incident). Voor de kosten van het incident geeft het vonnis in het incident reeds een titel, die naar zijn aard niet als voor de duur van het geding gegeven kan worden beschouwd.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verklaart voor recht dat het op 1 november 2011 in Rotterdam op het m.s. “Pomorye” gelegde beslag onrechtmatig is,

4.2.

verklaart voor recht dat JSC niet aansprakelijk is jegens Lidoil voor betaling van de facturen van Lidoil met referentienummers 10377 (d.d. 29 juni 2011) en 10456 (d.d. 18 augustus 2011) ter zake bunkerleveranties aan het m.s. “Pomorye”;

4.3.

verklaart voor recht dat de vordering van Lidoil voortvloeiende uit haar facturen met referentienummers 10377 (d.d. 29 juni 2011) en 10456 (d.d. 18 augustus 2011) ter zake van bunkerleveranties aan het m.s. “Pomorye” niet kan worden verhaald op het m.s. “Pomorye”,

4.4.

veroordeelt Lidoil tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan JSC, van USD 15.529,70, alsmede van € 26.852,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, en vermeerderd met € 1.158,-- voor buitengerechtelijke kosten;

4.5.

veroordeelt Lidoil de door The Steamship Mutual Underwriting Association (Bermuda) Ltd. op 2 november 2011 gestelde garantie ten bedrage van USD 325.386,44 binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis in het incident ter decharge te retourneren aan JSC via het kantoor van haar Rotterdamse raadslieden, op straffe van verbeurte van onmiddellijk opeisbare dwangsommen van € 10.000,-- per dag of dagdeel dat Lidoil hierin nalatig is, tot een maximum van € 350.000,--;

4.6.

verbiedt Lidoil om ten laste van JSC beslag te leggen op het m.s. ‘Pomorye’ dan wel op enige andere vermogensbestanddelen van JSC, zowel binnen als buiten Nederland, voor haar vordering dan wel een gedeelte hiervan, verband houdende met haar twee facturen met referentienummers 10377 (d.d. 29 juni 2011) en 10456 (d.d. 18 augustus 2011) ter zake bunkerleveranties aan het m.s. ‘Pomorye’ ter zake waarvan zij reeds in Rotterdam beslag deed leggen als vooromschreven;

4.7.

veroordeelt Lidoil in de proceskosten aan de zijde van JSC, tot op heden begroot op € 3.789,--,

4.8.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. van Zelm van Eldik, mr. K.F. Haak en

mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013.

1885/10/163