Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9423

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
ROT 13/1120, ROT 13/2702 en ROT 13/2197
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3494, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Wpg bevat een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens. Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens.

Bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de door verweerder niet aan eisers verstrekte gegevens en heeft eisers ter zitting in kennis gesteld van haar beslissing dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is en dat zij deze gegevens niet aan het dossier zal toevoegen. Eisers hebben vervolgens de rechtbank toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen. De rechtbank is van oordeel dat deze gegevens moeten worden aangemerkt als politiegegevens, nu het gegevens zijn betreffende geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen die in het kader van de uitoefening van de politietaak worden verwerkt, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. Verweerder heeft derhalve in zoverre terecht op alle verzoeken van eisers de Wpg toegepast.

Eiser heeft ter zitting van de rechtbank toegelicht dat hij de verzochte gegevens nodig heeft om bij het gerechtshof een procedure als bedoeld in artikel 12 van het WvSv te starten. Anders dan eiser ter zitting - ongemotiveerd - heeft gesteld, acht de rechtbank niet aannemelijk dat eisers eerst de verzochte gegevens moeten hebben bemachtigd, alvorens zij de artikel 12-procedure kunnen starten.

Los van de vraag of eisers ontvankelijk zullen zijn, ziet de rechtbank niet in waarom eisers door het gerechtshof niet als belanghebbenden zullen worden aangemerkt. Evenmin ziet de rechtbank in waarom eisers geen klaagschrift zouden kunnen indienen dat voldoet aan de vormvereisten, zonder in het bezit te zijn van de in de onderhavige verzoeken gevraagde informatie. Voorts zal het gerechtshof, om zich een goed oordeel te kunnen vormen over de merites van de klacht, over de door eisers gevraagde gegevens moeten komen te beschikken. Het Openbaar Ministerie is gehouden om deze gegevens aan het gerechtshof ter beschikking te stellen, zoals te herleiden is uit de artikelen 12f, tweede en derde lid, en 243, vijfde lid, van het WvSv. Het is daarom niet noodzakelijk dat deze gegevens (ook) aan eisers worden verstrekt.

Wetsverwijzingen
Wet politiegegevens
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: ROT 13/1120, ROT 13/2702 en ROT 13/2197

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2013 in de zaken tussen

[naam 1], te [plaats], eiser en

[naam 2] , te [plaats], eiseres, hierna tezamen: eisers,

en

de korpschef van politie, eenheid Noord-Holland Noord, daaronder begrepen diens rechtsvoorganger, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Magnani.

Procesverloop

Het beroep met kenmerk ROT 13/1120

Bij besluit van 28 september 2009 (het primaire besluit I) heeft verweerder beslist op eisers verzoek om informatie.

Bij besluit van 23 januari 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Het beroep met kenmerk ROT 13/2702

Bij besluit van 16 januari 2013 (het bestreden besluit II) heeft verweerder beslist op het verzoek om informatie van eisers.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld.

Het beroep met kenmerk ROT 13/2197

Bij besluit van 29 oktober 2012 (het primaire besluit III) heeft verweerder beslist op eisers verzoek om informatie.

Bij besluit van 3 mei 2013 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit III beroep ingesteld.

Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2013. Eisers zijn verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. S. Magnani (hierna: Magnani).

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde Magnani in de gelegenheid te stellen om aan te tonen dat zij door verweerder is gemachtigd om hem te vertegenwoordigen. Magnani heeft bij brief van 9 september 2013 een machtiging overgelegd. Eiser heeft hier bij brief van 16 september 2013 op gereageerd en toestemming verleend tot het achterwege laten van een nadere zitting. Bij brief van 3 oktober 2013 heeft verweerder inhoudelijk op eisers brief van 16 september 2013 gereageerd. Bij brief van 4 oktober 2013 heeft verweerder eveneens toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 4 oktober 2013.

Overwegingen

1.1. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.

In Bijlage 1 bij de Awb “Regeling rechtstreeks beroep” is bepaald dat tegen een besluit, genomen op grond van een in deze regeling genoemd voorschrift dan wel anderszins in deze regeling omschreven, geen bezwaar kan worden gemaakt. In de Regeling staan de artikelen 25 en 28 van de Wet politiegegevens (Wpg) genoemd.

1.2. Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn gewichtige redenen voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.

Op grond van het derde lid van dit artikel beslist de bestuursrechter of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Op grond van het vierde lid van dit artikel vervalt de verplichting indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel kan de bestuursrechter, indien hij heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.

1.3. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, van de Wpg wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. politiegegeven: elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt.

b. politietaak: de taken, bedoeld in de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de Politiewet 2012;

c. verwerken van politiegegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot politiegegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van politiegegevens;

d. verstrekken van politiegegevens: het bekend maken of ter beschikking stellen van politiegegevens;

e. ter beschikking stellen van politiegegevens: het verstrekken van politiegegevens aan personen die overeenkomstig deze wet zijn geautoriseerd voor het verwerken van politiegegevens.

Op grond van artikel 19 van de Wpg kan de verantwoordelijke in bijzondere gevallen, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, in overeenstemming met het bevoegd gezag, bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14 van de Politiewet 2012, beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan personen of instanties voor de volgende doeleinden:

a. het voorkomen en opsporen van strafbare feiten;

b. het handhaven van de openbare orde;

c. het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven;

d. het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving.

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg deelt de verantwoordelijke een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens verwerking ondergaan. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt. De verantwoordelijke kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende regionale of landelijke eenheden van de politie politiegegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wpg wordt een verzoek, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, afgewezen voor zover het onthouden van kennisneming noodzakelijk is in het belang van:

a. de goede uitvoering van de politietaak;

b. de bescherming van de rechten van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van derden;

c. de veiligheid van de staat.

1.4. Op grond van artikel 4:2, eerste lid, aanhef en onder n, van het Besluit politiegegevens (Bpg) kunnen politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de Wpg, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan benadeelden van strafbare feiten, waaronder begrepen de personen die in verband met die feiten in hun rechten zijn getreden of ingevolge enige wettelijke bepaling terzake van die rechten een recht van verhaal hebben gekregen, voor zover zij deze gegevens behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen.

2.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1.

Eiseres heeft op 1 april 2008 te Alkmaar aangifte gedaan van[strafbaar feit]. Eiseres en eiser zijn gehuwd.

Het beroep met kenmerk ROT 13/1120

2.2.1.

Bij brief van 26 augustus 2009 heeft eiser verweerder verzocht om openbaarmaking van een aantal gegevens uit de politieregisters, te weten:

1.

een kopie van de aangifte c.q. een print van de volledige aangifte uit het geautomatiseerde systeem van de politie;

2.

een overzicht van de onderzoekshandelingen die tot nu toe zijn verricht. Indien geen onderzoekshandelingen zijn verricht: een schriftelijke uiteenzetting waarom geen onderzoekshandelingen zijn verricht;

3.

een afschrift van de brieven of e-mails die tussen de [afdeling politie] en het Openbaar Ministerie zijn gewisseld;

4.

aantekeningen van de [afdeling politie] inzake deze aangifte;

5.

gespreksverslagen inzake deze aangifte;

6.

een afschrift van het gespreksverslag van het gesprek met eisers voorafgaand aan de eerste aangifte.

2.2.2. Bij het primaire besluit I heeft verweerder het onder 1 gevraagde document openbaar gemaakt en ten aanzien van de overige gevraagde gegevens openbaarmaking geweigerd.

2.2.3. Eiser heeft bij brief van 1 oktober 2009 beroep ingesteld tegen dit besluit. Het beroep is geregistreerd met kenmerk 09/2456 WOB en ter zitting behandeld op 31 maart 2011. Op 5 april 2011 heeft de rechtbank Alkmaar het beroep doorgezonden naar verweerder, ter behandeling als bezwaar.

2.2.4. Eiser is op 19 mei 2011 op zijn bezwaar gehoord. Op 9 juni 2011 heeft de Interregionale Bezwarenadviescommissie (hierna: de Commissie) verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit I te herroepen en opnieuw te beslissen op het verzoek van 26 augustus 2009. Volgens de Commissie heeft verweerder het verzoek van eiser ten onrechte aangemerkt als verzoek als bedoeld in artikel 25 van de Wpg in plaats van een verzoek als bedoeld in artikel 4:2, eerste lid, onder n, van het Bpg. Verweerder heeft ten onrechte niet beslist op grond van de Wob. Nu de Commissie niet de beschikking heeft gekregen over de geweigerde gegevens, kan zij niet inhoudelijk adviseren over de openbaarmaking van de geweigerde gegevens op grond van de Wob. Verweerder zal nader moeten vaststellen welke gegevens uit de documenten als gegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg zijn aan te merken en die stukken eventueel schonen, aldus de Commissie.

2.2.5. Op 5 augustus 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het primaire besluit I. Dit beroep is geregistreerd met kenmerk 11/2068 WOB. Bij uitspraak van 31 januari 2012 heeft de rechtbank Alkmaar het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit is ingediend voordat de beslistermijn was verstreken. De rechtbank Alkmaar heeft het tegen deze uitspraak gedane verzet bij uitspraak van 31 januari 2012 ongegrond verklaard.

2.2.6. Op 1 mei 2012 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het primaire besluit I. Dit beroep is geregistreerd met kenmerk 12/1101 WOB. Bij uitspraak van 25 juni 2012 heeft de rechtbank Alkmaar het beroep gegrond verklaard, vastgesteld dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd van € 1.260,-, verweerder opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.

2.2.7. Bij brief van 15 december 2012 heeft eiser bij verweerder de verbeurde dwangsom opgeëist. Bij brief van 21 december 2012 heeft verweerder erkend dat door een organisatorische fout ten onrechte geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van 25 juni 2012 en een bedrag van € 16.416,- aan eiser toegekend.

2.2.8. Op 23 januari 2013 heeft verweerder het bestreden besluit I genomen.

Het beroep met kenmerk ROT 13/2702

2.3.1. Bij brief van 15 december 2012 hebben eisers verweerder verzocht om openbaarmaking van een aantal gegevens uit de politieregisters, te weten alle mutaties en processen-verbaal, die betrekking hebben op hen beiden, in het tijdvak van 1 januari 2007 tot 15 december 2012.

2.3.2. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder een aantal gegevens openbaar gemaakt. Voorts heeft verweerder ten aanzien van de zaken die naar het Arrondissementsparket zijn gezonden verwezen naar de brief van 28 september 2009 (het primaire besluit I), waarin is aangegeven dat eiser bij voortduring mondeling en/of schriftelijk op de hoogte is gehouden van de gang van zaken. Ten slotte heeft verweerder geweigerd mededelingen te doen ten aanzien van de vraag aan welke personen en/of instanties gegevens zijn verstrekt.

2.3.3. Bij brief van 2 februari 2013 hebben eisers verweerder nadere vragen gesteld naar aanleiding van het bestreden besluit II. Eisers hebben vervolgens bij brief van 8 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eisers zijn op 28 maart 2013 op hun bezwaar gehoord. Op 8 april 2013 heeft de Commissie zich onbevoegd verklaard om advies uit te brengen en verweerder geadviseerd het bezwaar ter behandeling als beroep door te zenden naar deze rechtbank, met de overweging dat tegen een besluit genomen op grond van artikel 25 van de Wpg geen bezwaar openstaat, maar rechtstreeks beroep.

Het beroep met kenmerk ROT 13/2197

2.4.1. Bij brief van 28 augustus 2012 heeft eiser verweerder verzocht om openbaarmaking van een brief van verweerder van 22 december 2009, gericht aan de rechtbank Alkmaar inzake het beroep geregistreerd met kenmerk 09/2456 WOB. Bij het primaire besluit III heeft verweerder beslist dat de brief openbaar wordt gemaakt, behoudens één passage en de naam van de ondertekenaar.

2.4.2. Eiser heeft bij brief van 13 november 2012 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en is op 21 februari 2013 op zijn bezwaar gehoord. Op 28 maart 2013 heeft de Commissie verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

2.4.3. Op 2 april 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het primaire besluit III.

2.4.4. Op 3 mei 2013 heeft verweerder het bestreden besluit III genomen.

3.

Verweerder heeft aan de bestreden besluiten - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.

3.1.

In het bestreden besluit I heeft verweerder het advies van de Commissie van 9 juni 2011 gedeeltelijk overgenomen en het primaire besluit herroepen. Voorts heeft verweerder overwogen dat eiser niet behoort tot de categorie personen bedoeld in de artikelen 16 tot en met 24 van de Wpg aan wie politiegegevens mogen worden verstrekt. Omdat het gaat over een beperkte groep van met name genoemde personen, is iedere inhoudelijke reactie op eisers verzoek herleidbaar tot deze personen en kan informatie niet geanonimiseerd worden verstrekt. Aangezien de Wpg een gesloten systeem van verstrekking van politiegegevens kent, zijn de gevraagde gegevens op goede gronden geweigerd. Verstrekking van deze gegevens zou in strijd zijn met de letter, maar ook met de strekking en het doel van de Wpg, waarvoor verweerder verwijst naar de Memorie van Toelichting bij de Wpg.

3.2.

In het bestreden besluit II heeft verweerder eisers een opsomming gegeven van de zaken die bij verweerder bekend zijn en waarin eisers voorkomen. Verweerder heeft daarbij geweigerd kopieën of afschriften van mutaties en processen-verbaal te verstrekken. Voorts heeft verweerder verwezen naar de brief van 28 september 2009 (het primaire besluit I), waarin is aangegeven dat eisers met betrekking tot de vermeende incestzaak bij voortduring mondeling en/of schriftelijk op de hoogte zijn gehouden van de gang van zaken. Ten slotte heeft verweerder eisers medegedeeld dat geen mededelingen worden gedaan over de vraag aan welke personen of instanties gegevens zijn verstrekt.

3.3.

In het bestreden besluit III heeft verweerder het advies van de Commissie van 13 november 2012 overgenomen en aldus het volgende aan het besluit ten grondslag gelegd. Verweerder heeft aangegeven dat het algemeen beleid is dat in beginsel alle namen van medewerkers - zoals de naam van het Hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken - weggelakt worden, voor zover deze namen niet algemeen bekend zijn of makkelijk achterhaald kunnen worden. De door eiser gevraagde informatie is gerelateerd aan een zeer beperkte groep van personen, welke met naam genoemd en bekend zijn. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de door hem gevraagde brief ten onrechte geanonimiseerd aan hem is verstrekt.

4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat uit de door Magnani bij brief van 9 september 2013 overgelegde machtiging volgt dat verweerder haar heeft gemachtigd om hem in de beroepsfase te vertegenwoordigen.

Naar aanleiding van deze machtiging hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat uit de machtiging niet blijkt dat Magnani bevoegd is om verweerder in de bezwaarfase te vertegenwoordigen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eisers dit in de bezwaarfase hadden kunnen en moeten aanvoeren, zodat Magnani op dat moment had kunnen aantonen dat verweerder haar heeft gemachtigd hem ook in die fase te vertegenwoordigen. Door dit eerst in beroep aan te voeren en daaraan consequenties te verbinden voor de bestreden besluiten I en III, hebben eisers de beroepsgronden uitgebreid, hetgeen de rechtbank in strijd acht met de goede procesorde. Hetgeen eisers dienaangaande hebben gesteld behoeft dan ook geen verdere bespreking.

4.2.

Ten aanzien van de vraag welke openbaarmakingsregeling op onderhavige verzoeken van toepassing is, is het volgende van belang.

4.2.1.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft geoordeeld in de uitspraak van 22 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0634) bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet. Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens. Het verstrekkingenregime van de Wpg heeft uitsluitend betrekking op politiegegevens als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpg en, anders dan de Wob, niet op de documenten waarin ze zijn vervat. In dit stelsel brengt de omstandigheid dat een document politiegegevens bevat, niet met zich dat het document als zodanig onder de werking van de Wpg valt, ook voor zover dit document andere gegevens dan politiegegevens in voormelde zin bevat. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat gegevens welke zijn vervat in documenten die zijn opgesteld in het kader van de uitvoering van de politietaak, integraal onder het regime van de Wpg vallen, aldus de Afdeling.

4.2.2.

Zoals de Afdeling evenzeer heeft geoordeeld in voormelde uitspraak, is bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient, met inachtneming van de specifieke context van plaats, tijd en aantal betrokken personen, te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor een persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren, aldus de Afdeling.

4.2.3.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de door verweerder niet aan eisers verstrekte gegevens en heeft eisers ter zitting in kennis gesteld van haar beslissing dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is en dat zij deze gegevens niet aan het dossier zal toevoegen. Eisers hebben vervolgens de rechtbank toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Voormelde gegevens betreffen - globaal - aangiften, politiemutaties (waaronder onderzoekshandelingen) en een weergave van de beslissing van de Officier van Justitie om het gestelde [strafbaar feit] niet te vervolgen. De rechtbank is van oordeel dat deze gegevens moeten worden aangemerkt als politiegegevens, nu het gegevens zijn betreffende geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen - in ieder geval [slachtoffers], maar ook [derden] - die in het kader van de uitoefening van de politietaak worden verwerkt, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. Verweerder heeft derhalve in zoverre terecht op alle verzoeken van eisers de Wpg toegepast.

Wat er overigens ook zij van eisers stelling dat de politie willens en wetens niets heeft gedaan met de vermoedens van eisers van [strafbaar feit], zodat evenmin sprake is van uitoefening van de politietaak, de geheime stukken waarvan de rechtbank kennis heeft genomen bieden hiervoor geen grond.

De beroepsgrond dat de brief van 22 december 2009 aan de rechtbank Alkmaar geen politiegegevens in de zin van artikel 25 van de Wpg bevat, omdat gegevens in een brief, zonder dat deze worden verstrekt uit de politiesystemen, politiejournaals of andere geautomatiseerde systemen, niet kunnen worden aangemerkt als politiegegevens, volgt de rechtbank niet. Uit dat deel van de tekst dat niet geanonimiseerd is en uit 2.2.3. volgt immers dat deze brief is ingebracht in de procedure die is aangevangen met het verzoek van 26 augustus 2009. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld zijn de in dat verzoek gevraagde gegevens aan te merken als politiegegevens.

De beroepsgrond van eisers, dat de bij brief van 26 augustus 2009 opgevraagde gegevens niet de [slachtoffers] betreffen en evenmin de namen of andere persoonsgegevens van de personen die als getuigen of verdachten zijn gehoord door de politie, volgt de rechtbank evenmin, reeds vanwege de in het verzoek gebruikte bewoordingen, zoals weergegeven in 2.2.1. Voor zover eisers zich op het standpunt hebben gesteld dat deze gegevens ook deels geanonimiseerd kunnen worden verstrekt, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna - in 4.3.4. - wordt overwogen.

De beroepen met kenmerken ROT 13/1120 en ROT 13/2197

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken van 26 augustus 2009 en 28 augustus 2012 verzoeken zijn als bedoeld in artikel 19 van de Wpg.

4.3.1.

Eiser heeft ter zitting van de rechtbank toegelicht dat hij de verzochte gegevens nodig heeft om bij het gerechtshof een procedure als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) te starten.

4.3.2.

Op grond van artikel 12, eerste lid, van het WvSv, voor zover thans van belang, kan de rechtstreeks belanghebbende, indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd, de vervolging niet wordt voortgezet, of de vervolging plaatsvindt door het uitvaardigen van een strafbeschikking, daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof, binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging is genomen, dan wel de strafbeschikking is uitgevaardigd.

4.3.3.

Op grond van artikel 19, aanhef en onder c en d, van de Wpg kunnen politiegegevens aan personen of instanties in bijzondere gevallen, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, worden verstrekt voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven en het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het belang dat eisers stellen te hebben - het doen vervolgen van degene(n) die [strafbaar feit] - worden aangemerkt als een zwaarwegend algemeen belang als hiervoor bedoeld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verstrekking van de gegevens aan eisers niet noodzakelijk is met het oog op dat belang. Anders dan eiser ter zitting - ongemotiveerd - heeft gesteld, acht de rechtbank immers niet aannemelijk dat eisers eerst de verzochte gegevens moeten hebben bemachtigd, alvorens zij de artikel 12-procedure kunnen starten. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de toelichting op artikel 12 van het WvSv (Tekst & Commentaar Strafvordering, 10e druk, Kluwer 2013), waarin, voor zover thans van belang, het volgende staat vermeld:

“1. Schriftelijke indiening/inhoud klaagschrift

(…)

b. Inhoud klaagschrift/minimumvereisten

Aan het klaagschrift kan een aantal minimumvereisten worden gesteld.

Niet-anonieme klager

In de eerste plaats maakt de beschikking van het Hof ’s-Hertogenbosch 26 april 1983, NJ 1983/437 duidelijk dat het niet mogelijk is een strafvervolging te gelasten wanneer de klager ‘anoniem’ is.

Concrete feiten

Ten tweede moet worden aangenomen dat in het klaagschrift of bij de mondelinge toelichting concrete, doch niet noodzakelijk juridisch geduide, feiten naar voren dienen te worden gebracht. Deze voorwaarde lijkt noodzakelijk in verband met het verslag dat de A-G conform art. 12a lid 2 naar aanleiding van het beklag uitbrengt. Een en ander neemt niet weg dat bij het nader onderzoek van de klacht het schriftelijk gestelde door de klager nog verder kan worden verduidelijkt.

Individualiseerbaarheid

Ten slotte blijkt dat de klacht betrekking moet hebben op een individualiseerbaar gebeuren; hieraan voldoet niet een klacht die het algemene vervolgingsbeleid aan de kaak wil stellen (HR 18 maart 1975, NJ 1975/247 waarin door de klager, de Vereniging tot bescherming van het ongeboren kind, het destijds geldende beleid inzake vervolging bij abortus werd bekritiseerd).

(…)

2.

Indiening

a. Geen vormvereisten naast vereiste van schriftelijkheid

De wijze waarop het klaagschrift moet worden ingediend, wordt niet beheerst door de algemene vormvoorschriften die gelden voor het aanwenden van rechtsmiddelen (art. 449 e.v.). Het klaagschrift wordt aldaar immers niet genoemd. Afgezien van het schriftelijke karakter is de klacht dan ook niet aan specifieke vormvoorschriften gebonden. De schriftelijke klacht kan daarom persoonlijk ter griffie worden aangeboden dan wel per (aangetekende) post worden verzonden.

(…)

Verwanten en nabestaanden

Verwanten en nabestaanden kunnen, vooral in geval van misdrijven tegen het leven gericht, als belanghebbenden worden aangemerkt. Deze categorie komt pas als belanghebbende in beeld wanneer het slachtoffer geenszins in staat is om zelf te klagen (Melai, suppl. 135, art. 12, aant. 14). Het Hof ’s-Gravenhage 19 mei 2003, LJN AF8921 was in dit verband van oordeel dat voor een beklagrecht van nabestaanden ter zake van niet-vervolging op basis van art. 137dart. 137d Sr (zijnde een misdrijf tegen de openbare orde) geen plaats is. Het overweegt daarbij dat een beklagrecht voor nabestaanden uitsluitend erkenning vindt bij delicten waarbij sprake is van een ernstige fysieke aantasting van de persoon van het slachtoffer, zoals levensberoving, mishandeling met dodelijk gevolg en verkrachting.”

4.3.4.

Los van de vraag of eisers - gelet op de in het WvSv vermelde termijnen voor het indienen van een klaagschrift - ontvankelijk zullen zijn, ziet de rechtbank niet in waarom eisers door het gerechtshof niet als belanghebbenden zullen worden aangemerkt. Evenmin ziet de rechtbank in waarom eisers geen klaagschrift zouden kunnen indienen dat voldoet aan de vormvereisten, zonder in het bezit te zijn van de in de onderhavige verzoeken gevraagde informatie. Voorts zal het gerechtshof, om zich een goed oordeel te kunnen vormen over de merites van de klacht, over de door eisers gevraagde gegevens moeten komen te beschikken. Het Openbaar Ministerie is gehouden om deze gegevens aan het gerechtshof ter beschikking te stellen, zoals te herleiden is uit de artikelen 12f, tweede en derde lid, en 243, vijfde lid, van het WvSv. Het is daarom niet noodzakelijk dat deze gegevens (ook) aan eisers worden verstrekt.

De beroepsgrond dat het gelet op de jurisprudentie van de Afdeling onjuist is dat anonimiseren zinloos is en dat politiegegevens heel goed geanonimiseerd kunnen worden verstrekt, doet - mede gelet op hetgeen in de tweede alinea van 4.3.3. is geoordeeld - niet af aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld over de noodzaak en leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

4.3.5.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder verstrekking van de in de verzoeken van 26 augustus 2009 en 28 augustus 2012 gevraagde gegevens kunnen weigeren.

Het beroep met kenmerk ROT 13/2702

4.4. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van 15 december 2012 een verzoek is als bedoeld in artikel 25 van de Wpg. Een dergelijk verzoek wordt op grond van artikel 27, eerste lid, onder a en b, van de Wpg afgewezen voor zover het onthouden van kennisneming noodzakelijk is in het belang van:

a. de goede uitvoering van de politietaak, en

b. de bescherming van de rechten van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van derden.

De rechtbank is van oordeel dat eisers, gelet op de wijze waarop zij het verzoek van 15 december 2012 hebben ingekleed, waarvoor wordt verwezen naar 2.3.1., in feite via een omweg proberen om de in de verzoeken van 26 augustus 2009 en 28 augustus 2012 gevraagde gegevens alsnog te bemachtigen. Uit het vorenstaande volgt reeds dat verweerder die verzoeken terecht heeft afgewezen. Verweerder heeft voorts ook het verzoek van 15 december 2012 deels kunnen afwijzen, te weten uit een oogpunt van de bescherming van de rechten van de rechten en vrijheden van derden.

4.5. De beroepen zijn ongegrond.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, voorzitter, en mr. R.J.A.M. Cooijmans en mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.