Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9419

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
437380 - HA RK 13-990
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van politierechter toegewezen. Formulering eigen waarneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer

zaaknummer / rolnummer: 437380 HA RK 13-990

Beslissing van 29 november 2013

op het verzoek tot wraking ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak met parketnummer 10.270677.11 tegen

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd te: [naam en plaats P.I.],

verzoeker,

raadsman mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam.

Het verzoek strekt tot wraking van

mr. M.A.C. Prins,

rechter in de Afdeling Publiekrecht, team straf 3 van deze rechtbank, hierna ook de politierechter.

1 Het procesverloop

1.1.

Ter terechtzitting van de politierechter van 25 oktober 2013 heeft de raadsman van verdachte mondeling verzoek gedaan tot wraking van de politierechter. Hierop heeft de politierechter proces-verbaal van het wrakingsverzoek opgemaakt en het onderzoek ter terechtzitting geschorst om het verzoek tot wraking door een meervoudige kamer van de rechtbank te laten behandelen.

1.2.

Het verzoek om wraking is door een meervoudige kamer van de rechtbank (hierna: de wrakingskamer) behandeld ter openbare terechtzitting van 15 november 2013, alwaar zijn verschenen en gehoord:

  • -

    mr. J.J. Lieftink,

  • -

    mr. M.A.C. Prins,

  • -

    mr. R.H.I. van Dongen (de officier van justitie).

De raadsman van verzoeker en de officier van justitie hebben ieder het woord gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde notitie. Verzoeker zelf is, zoals door zijn raadsman aangekondigd, niet verschenen.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1.

Verzoeker heeft bij monde van zijn raadsman – samengevat – aan het verzoek tot wraking het volgende ten grondslag gelegd.
Tijdens de zitting, alwaar verzoeker niet was verschenen, is de politierechter overgegaan tot het doen van een eigen waarneming op basis van de foto van verzoeker op de ID-staat van de SKDB-uitdraai en de bij het proces-verbaal van de politie gevoegde foto’s van de camerabeelden van het tankstation. Daarbij heeft de politierechter meegedeeld verzoeker voor de volle 100% te herkennen als de persoon op de camerabeelden van het tankstation. In het licht van het feit dat verzoeker geen verklaring heeft willen afleggen, het primaire verzoek van de verdediging tot vrijspraak, omdat de herkenning van verbalisant niet voldeed aan de regelen der wet, alsmede het subsidiaire verzoek tot het inschakelen van een deskundig verantwoord instituut, was de eigen waarneming, inhoudende een volledige herkenning, niet meer betwistbaar voor de verdediging. Hiermee zat de politierechter nog voor de einduitspraak zo dicht tegen een veroordeling aan, dat sprake is van een objectieve schijn van vooringenomenheid.

2.2.

De politierechter heeft niet in de wraking berust. Zij heeft een schriftelijke toelichting gegeven. Ter zitting heeft zij haar standpunt nader mondeling toegelicht.

De politierechter voert aan dat zij niets meer en niets minder heeft gedaan dan haar waarneming toetsbaar maken voor de raadsman en de officier van justitie door de foto’s in eigen waarneming ter zitting te vergelijken. De woorden “voor de volle 100% herkennen” zijn niet door haar gebezigd en ten tijde van de wraking had zij nog geen keuze gemaakt tussen de drie opties: (i) vrijspraak, (ii) aanhouden voor nader onderzoek of (iii) bewezenverklaring en veroordeling.

2.3.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot wraking en daartoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onafhankelijkheid schade heeft geleden, noch dat de schijn daarvan is gewekt.

3 De beoordeling

3.1.

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

3.2.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een rechter, vastgesteld moet worden dat sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.

3.3.

Voorop gesteld wordt, dat uit het dossier van de strafzaak en uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter op 25 oktober 2013 naar voren komt, dat de vraag of verzoeker al dan niet – op grond van gelijkenis – kan worden aangemerkt als de persoon die is te zien op de camerabeelden van het tankstation voor de bewijsvraag in de strafzaak tegen verzoeker van wezenlijk belang kan zijn. Van belang daarbij is dat verzoeker bij zijn verhoor door de politie een beroep op zijn zwijgrecht heeft gedaan, dat hij ter terechtzitting niet is verschenen en dat zijn raadsman ter zitting ter verdediging heeft aangevoerd dat de herkenning door de verbalisant niet voldeed aan de regels van een betrouwbare herkenning, zodat er sprake was van onvoldoende bewijs. Voorts is van belang dat de politierechter vervolgens heeft aangegeven een eigen waarneming van de vergelijking van de foto van verzoeker op de ID-staat met de foto’s van de camerabeelden te willen doen.

3.4.

In het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 oktober 2013 is over de waarneming van de politierechter – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Ik heb voor mij de foto van uw cliënt die is genomen op 11 september 2012, welke staat op de ID-staat SKDB van 24 oktober 2013. Ook heb ik voor mij, in kleur, in het digitale dossier, de foto’s genomen van de camerabeelden van het tankstation, eentje een uitvergroting. Ik zie in beide gevallen (…). Ik herken de heer [naam verzoeker] zoals hij op de foto van 11 september 2012 staat.

De raadsman vraagt de politierechter:

U zegt nu dus niet dat mijn cliënt grote gelijkenis vertoont met de man die te zien is op de foto’s van de camerabeelden van het tankstation, maar u zegt dat u mijn cliënt voor de volle 100% herkent?

De politierechter antwoordt:

Ja, ik herken uw cliënt”

3.5.

Het wrakingsverzoek stelt de vraag aan de orde of de politierechter met de mededeling van haar waarneming de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Daartoe is het volgende redengevend.

Geen rechtsregel verbiedt een rechter om bij het dossier gevoegde foto’s te vergelijken met een foto op de ID-staat van de (niet verschenen) verdachte. De eigen waarneming van de rechter en de vaststelling daarvan dient ingevolge artikel 340 Sv ter zitting te worden gedaan, zodat ook de procespartijen die waarneming kunnen doen en zich daarover kunnen uitlaten. De mededeling “Ik herken de heer [naam verzoeker]” en het antwoord “Ja, ik herken uw cliënt” op de voormelde vraag van de raadsman, wekken echter de indruk dat er een vaststelling heeft plaatsgevonden nog voordat de raadsman zich over de persoon/personen op de foto’s heeft kunnen uitlaten en dat er geen ruimte meer bestaat voor een ander oordeel. Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat de politierechter, zoals zij in haar toelichting heeft aangevoerd, nog alle opties openhield en slechts haar eigen waarneming toetsbaar heeft willen maken, zijn de woorden die zij heeft gebruikt zodanig dat daardoor bij verzoeker de vrees dat de politierechter haar oordeel al had gevormd, objectief gerechtvaardigd was.

3.6.

Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek gegrond is en toegewezen dient te worden.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst toe het verzoek tot wraking van mr. M.A.C. Prins.

Deze beslissing is genomen door mr. R.R. Roukema, voorzitter, mr. E.D. Rentema en mr. H.J.M. van der Kaaij, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-