Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9406

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
11-860716-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf en tbs-maatregel voor belaging, kinderporno en seksueel binnendringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 3

parketnummers: 11/860716-12 en 11/500081-08 (tul)

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 november 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de PI Dordrecht te Dordrecht,

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 14 november 2013.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 Detenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

Feit 1.

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 onvoldoende feitelijk is omschreven met betrekking tot de bestanddelen “die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen”. Het is op basis van het strafdossier onduidelijk op welke aspecten wordt gezien.

De feitelijke gedragingen die de ten laste gelegde inbreuk opleveren dienen geconcretiseerd te worden aldus de raadsman en daaruit moet kunnen worden afgeleid dat sprake is van een dwingen om iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aanjagen. De dagvaarding zou dan ook ten aanzien van feit 1 nietig dan wel partieel nietig verklaard moeten worden.

Feiten 2 en 4.

De raadsman heeft aangevoerd dat aan de term “afbeelding van een seksuele gedraging” in de zin van artikel 240b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Alhoewel de tenlastelegging vermeldt waaruit de seksuele gedragingen bestonden geldt, dat deze op geen enkele wijze nader worden gerelateerd aan het strafdossier. Het is onduidelijk op welke foto’s en/of films de seksuele gedragingen betrekking hebben, aldus de raadsman.

In de tenlastelegging is niet een representatieve selectie uit het totaal aantal afbeeldingen en video’s nader feitelijk omschreven, waardoor onvoldoende duidelijk is waartegen verdachte zich dient te verdedigen en wat de rechtbank concreet dient te onderzoeken.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de dagvaarding ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten geldig is.

Het oordeel van de rechtbank.

Feit 1.

In een op artikel 285b Sr toegesneden tenlastelegging behoeft voor wat betreft de bestanddelen "met het oogmerk de ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen" niet te worden gespecificeerd op welk doen, niet doen, dulden of vrees aanjagen het oogmerk van de dader is gericht. Voor wat betreft het oogmerk van de dader behelst een tenlastelegging als de onderhavige een voldoende opgave van het feit - en voldoet zij in dit opzicht aan artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - indien zij evenbedoelde aan de wet ontleende termen bevat welke tevens een feitelijke betekenis hebben. Een verdere specificatie is niet nodig.

Feiten 2 en 4.

Volgens vaste jurisprudentie komt aan de term “afbeelding van een seksuele gedraging” in de zin van artikel 240b, eerste lid, Sr op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toe en voldoet de dagvaarding zonder feitelijke omschrijving van die afbeelding in de tenlastelegging niet aan de eisen die door artikel 261 Sv aan de dagvaarding worden gesteld. Dat geldt ook in het geval dat de tenlastelegging betrekking heeft op meerdere afbeeldingen.

In casu zijn de gedragingen die op de ruim 51.000 aangetroffen afbeeldingen zijn te zien, in de tenlastelegging gespecificeerd door een omschrijving in algemene termen van een aantal verschillende concrete seksuele gedragingen. Deze omschrijvingen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende feitelijk. Dat niet alle (seksuele gedragingen op de) afbeeldingen afzonderlijk in de tenlastelegging zijn beschreven, doet aan de duidelijkheid van de aard van die afbeeldingen niet af. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat blijkens het dossier de seksuele gedragingen op de onderzochte afbeeldingen op systematische wijze zijn gecategoriseerd (collectiescan, blz. 294 tot en met 296 van het proces-verbaal van politie), waarbij de diverse categorieën overeenstemmen met de in de tenlastelegging opgenomen omschrijvingen van seksuele gedragingen.

Nu bovendien verdachte ter terechtzitting geen blijk heeft gegeven niet te begrijpen op welk materiaal en op welke van de daarop vastgelegde handelingen en/of gedragingen de tenlastelegging betrekking heeft, volgt hieruit dat de tenlastelegging voldoende duidelijk en feitelijk is en voldoet aan de in artikel 261 Sv gestelde eisen.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft betoogd dat door de handelwijze van politie en justitie sprake is van een schending van het onschuldbeginsel dan wel van een andere ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan. Het openbaar ministerie dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging dan wel dient bewijsuitsluiting van de verklaringen van aangeefster en verdachte plaats te vinden dan wel dient strafvermindering te worden toegepast, een en ander op de voet van artikel 359a Sv, aldus de raadsman.

De raadsman heeft aangevoerd dat justitie er al vanaf het begin van het onderzoek vanuit is gegaan dat verdachte de dader was en schuldig is aan hetgeen aan hem wordt verweten. Uit de verhoren kan duidelijk worden opgemaakt dat verdachte werd gedemoniseerd, aldus de raadsman. Aangeefster is sturend verhoord en er is gehandeld in strijd met de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (2010A026). Er is sprake geweest van een zeer eenzijdig onderzoek en er is in het geheel geen onderzoek naar ontlastend materiaal gedaan. Verder zijn bij verdachte de verhoren afgenomen terwijl hij onder invloed van medicatie was en is zijn privacy geschonden. Zo is er sprake geweest van diverse publicaties met naam en toenaam van verdachte en leeftijd.

Feit 1.

De raadsman heeft betoogd dat de door aangeefster gedane klacht buiten de wettelijke termijn van drie maanden is ingediend. Voorts is de klacht voorafgegaan door een aangifte en heeft aangeefster te kennen gegeven geen aangifte te willen doen, aldus de raadsman. Dit alles dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van dit feit.

Feit 3.

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van feit 3, omdat ten onrechte niet de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zaken is ingeschakeld, terwijl er aspecten zijn van seksueel misbruik. Voorts is er gehandeld in strijd met eerdergenoemde Aanwijzing, omdat niet is gebleken dat het onderzoek in deze zaak is geschied door een bevoegd zedenrechercheur. Verdachte is verder, in strijd met deze Aanwijzing, niet gehoord door een bevoegd zedenrechercheur en bij de doorzoekingen zijn geen bevoegde zedenrechercheurs betrokken geweest.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het informatief gesprek met aangeefster en haar ouders thuis niet auditief is opgenomen en bovendien is er geen tijdlijn opgemaakt. Niet in ieder proces-verbaal is vermeld of de betrokken verbalisant voldoet aan het criterium zedenrechercheur. In de processen-verbaal zijn geen tijdstippen met betrekking tot start, pauzes en einde verhoor vermeld, aldus de raadsman.

Dit alles dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van feit 3.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer van de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen toetsingskader.

Alvorens in te gaan op de specifieke punten die de verdediging naar voren heeft gebracht ter staving van haar niet-ontvankelijkheidsverweer, zal de rechtbank eerst het toetsingskader schetsen dat zij hanteert bij de bespreking van deze verweren.

Artikel 359a Sv ziet op onherstelbare vormverzuimen waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Als sprake is van een vormverzuim als hier bedoeld, moet de rechter beoordelen of hieraan enig rechtsgevolg moet worden verbonden. Daarbij dient hij rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Niet-ontvankelijkverklaring van het officier van justitie komt, volgens het standaardarrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, NJ2004, 376, als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte tijdens de politieverhoren onder druk is gezet en dat aangeefster sturend is verhoord. De rechtbank heeft in de processen-verbaal van verhoor, noch in de letterlijke uitwerking daarvan, aanknopingspunten aangetroffen voor de stelling dat ontoelaatbare druk zou zijn toegepast door de verhorende politieambtenaren. Het zogenoemde pressieverbod impliceert niet dat een indringend verhoor ontoelaatbaar is. Evenmin zijn er aanwijzingen dat aangeefster sturend is verhoord.

Feit 1.

Van belaging kan eerst gesproken worden, indien er sprake is van herhaaldelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer gedurende een bepaalde periode, waarbij juist ook de duur van het gewraakte handelen bepalend is voor de belaging en aanleiding zal zijn om ter zake strafvervolging te wensen. Hieraan is inherent dat voor het bepalen van het aanvangsmoment van de termijn waarbinnen de klachtgerechtigde op grond van artikel 66, eerste lid, Sr een klacht moet indienen, niet gekeken dient te worden naar het moment waarop de belaging een aanvang neemt, maar uiterlijk naar het moment dat de belaging tot een einde is gekomen. Het standpunt van de verdediging dat een klacht op grond van artikel 285b Sr slechts een periode van drie maanden voorafgaand aan die klacht kan bestrijken, acht de rechtbank een onjuiste opvatting die in strijd is met de bedoeling van de wetgever bij strafbaarstelling van belaging.

Feit 3.

Weliswaar bevat de ‘Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’ de kwaliteit van het opsporingsonderzoek bevorderende waarborgnormen en daartoe strekkende instructies, de vraag is echter of de schending van die Aanwijzing in casu moet worden aangemerkt als een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De door de raadsman aangevoerde tekortkomingen zijn niet van dien aard dat daardoor ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Nu gelet op het voorgaande geen van de afzonderlijke aangevoerde punten een schending van de beginselen van de goede procesorde dan wel een vormverzuim opleveren, verwerpt de rechtbank het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in al zijn onderdelen. Voor bewijsuitsluiting of strafvermindering is gelet op het voorgaande evenmin aanleiding.

De officier van justitie is dus ontvankelijk.

De schorsing van de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - alle ten laste gelegde feiten bewezen achtend - gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS-maatregel) op te leggen.

3.2

De verdediging

De verdediging heeft naast de hiervoor besproken verweren een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1

De rechtmatigheid van het verkregen bewijs

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte op 22 december 2012 buiten heterdaad is aangehouden op bevel van de officier van justitie en dat het daartoe gegeven bevel ontbreekt in het strafdossier. Daarnaast kleven gebreken aan de machtiging tot binnentreden van de woning van verdachte en is uit het strafdossier niet gebleken dat de officier van justitie had kennisgenomen van de inhoud van de aangifte toen hij toestemming verleende tot aanhouding buiten heterdaad van verdachte. Een bij de doorzoeking van verdachtes woning aangetroffen envelop is zonder toestemming van de rechter-commissaris geopend. Voorts is ten onrechte overgegaan tot inbeslagname van een mobiele telefoon, twee computerkasten en een harde schijf en is de doorzoeking van de auto van verdachte onrechtmatig geschied.

Dit alles brengt met zich mee dat sprake is van onrechtmatige bewijsgaring en al hetgeen in het kader van de aanhouding, doorzoekingen en inbeslagneming is verkregen dient van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsman.

De rechtbank volgt het betoog van de raadsman niet.

Weliswaar is op de machtiging tot binnentreden in de woning de naam van een andere hulpofficier van justitie vermeld dan in het proces-verbaal van binnentreden woning, maar de rechtbank vermag niet in te zien welk belang van verdachte hierdoor is geschaad. Bovendien heeft de officier van justitie hieromtrent ter zitting een plausibele verklaring gegeven.

Het gegeven dat verdachte de woning ontvluchtte op het moment dat politieambtenaren, voorzien van een machtiging daartoe, de woning van verdachte wilden binnentreden, doet niets af aan de rechtmatigheid van dat binnentreden. Evenmin is gebleken van onrechtmatigheden ten aanzien van de inbeslagneming van de door de raadsman genoemde voorwerpen.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor bewijsuitsluiting.

4.2

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 april 2012 tot en met 21 december 2012 te Dordrecht, in elk geval in

Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het

oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te

doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers is/heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal,

- bij de woning van genoemde [slachtoffer 1] verschenen/geweest en/of

- (bedreigende) sms-berichten en of mail(s) aan die [slachtoffer 1] verzonden en/of

- telefonisch contact gezocht met die [slachtoffer 1] en/of

- een pakketje bij de woning van die [slachtoffer 1] afgeleverd, althans af laten

leveren, met daarin een kaart met de bedreigende tekst: "Je wordt verwacht

om 4 op 31-12. Zorg dat je zin bij je hebt. Je word niet (meer)

thuisgebracht. 'Be there or be dead!' en/of

- ( telefonisch) contact gezocht met (een) gezinslid/leden (zijnde de moeder

([slachtoffer 2]) en/of de vader ([slachtoffer 3])) en/of de nieuwe

vriend (zijnde [slachtoffer 4]) van die [slachtoffer 1]

en/of

hij op of omstreeks 1 december 2012 te Dordrecht

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pakketje bij de woning van die

[slachtoffer 1] afgeleverd, althans af laten leveren, met daarin een kaart met de

bedreigende tekst: "Je wordt verwacht om 4 op 31-12. Zorg dat je zin bij je

hebt. Je word niet (meer) thuisgebracht. 'Be there or be dead!';

2.

hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2009 tot en met 22 december 2012

te Dordrecht, in elk geval in Nederland,

één of meermalen (telkens) een hoeveelheid afbeelding(en), te weten 51.709

foto('s) en/of 246 film(s) en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een)

afbeelding(en) (te weten één of meer computer(s) en/of (een) harddisk(s)

(met beslagcode A.A01.3)

heeft verspreid en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of

ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad en/of

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog

niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het oraal en/of vaginaal penetreren (met de penis en/of (een) vinger(s)/hand

en/of (een) voorwerp(en)) van het lichaam van een persoon die kennelijk de

leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het vaginaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (met

(een) voorwerp(en))

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een persoon die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met de penis en/of

(een) vinger(s)/hand en/of (een) voorwerp(en))

en/of

het betasten en/of aanraken van de borsten van een (ander) persoon door een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met

(een) vinger(s)/hand))

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij

deze perso(o)n(en) gekleed en/of opgemaakt is/zijn en/of in een omgeving

en/of met (een) voorwerp(en) en/of in (een)(erotisch getinte) houding(en)

poseert/poseren die niet bij haar/hun leeftijd past/passen

en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende

afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of

de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de

afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld

gebracht worden,

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt,

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling,

van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 05 november 2011 en/of 06 november 2011 te Dordrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met [slachtoffer 1], van wie hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] in staat van bewusteloosheid,

verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een

zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar

geestvermogens leed dat die [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar

wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te

bieden,

een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1],

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

zijn tong en/of zijn vinger(s) en/of zijn penis in haar vagina, althans tussen

haar schaamlippen gebracht/gehouden en/of haar vagina en/of schaamlippen

betast;

4.

hij in of omstreeks de periode van 6 april 2010 tot en met 22 december 2012

te Dordrecht, in elk geval in Nederland,

één of meermalen (telkens) een aantal afbeeldingen, te weten 46 films en/of 1

foto en/of een (aantal) gegevensdrager(s) bevattende (die/een) afbeelding(en)

(te weten één of meer computer(s) en/of harddisk(s))

van (een) ontuchtige handeling(en) waarbij een mens en een dier zijn betrokken

of schijnbaar zijn betrokken,

welke voornoemde ontuchtige handeling(en) bestonden uit:

- het houden van de penis van een hond en/of een paard tegen en/of in de

vagina van (een) volwassen vrouw(en)

en/of

- het door (een) volwassen vrouw(en) pijpen/in de mond nemen van de penis van

een hond en/of een paard

en/of

- het door (een) volwassen vrouw(en) betasten van de penis van een hond en/of

een paard

(telkens) heeft verspreid en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd

en/of in bezit heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.4

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft aangevoerd dat het slachtoffer zelf ook diverse keren berichten heeft verzonden en telefonisch contact heeft opgenomen met verdachte, zonder dat daarbij over en weer sprake was van een belastende inhoud. Dat gegeven zou aan een bewezenverklaring van de ten laste gelegde belaging in de weg staan, aldus de raadsman.

Naast de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring, is uit de aangifte en de klacht van het slachtoffer genoegzaam gebleken dat er sprake is geweest van een niet door haar gewilde inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Dat er in de bewezenverklaarde periode ook wederzijdse contacten hebben plaatsgevonden, doet aan dit oordeel niet af.

De raadsman heeft aangevoerd dat de door aangeefster afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn en van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat er sprake zou zijn van diverse tegenstrijdigheden.

De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster in de kern geloofwaardig en betrouwbaar. Zij heeft consistent verklaard over hetgeen zou zijn voorgevallen tussen haar en verdachte. De verklaringen van aangeefster worden ondersteund door omstandigheden en verklaringen van anderen die in de bewijsmiddelen zijn weergegeven.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

BELAGING;

2.

EEN GEWOONTE MAKEN VAN EEN AFBEELDING – OF EEN GEGEVENSDRAGER, BEVATTENDE EEN AFBEELDING – VAN EEN SEKSUELE GEDRAGING, WAARBIJ IEMAND DIE KENNELIJK DE LEEFTIJD VAN ACHTTIEN JAAR NOG NIET HEEFT BEREIKT, IS BETROKKEN OF SCHIJNBAAR IS BETROKKEN, IN BEZIT HEBBEN;

3.

MET IEMAND VAN WIE HIJ WEET DAT HIJ IN STAAT VAN VERMINDERD BEWUSTZIJN VERKEERT, HANDELINGEN PLEGEN DIE BESTAAN OF MEDE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM;

4.

EEN AFBEELDING – OF EEN GEGEVENSDRAGER, BEVATTENDE EEN AFBEELDING – VAN EEN ONTUCHTIGE HANDELING, WAARBIJ EEN MENS EN EEN DIER ZIJN BETROKKEN OF SCHIJNBAAR ZIJN BETROKKEN, IN BEZIT HEBBEN, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1

Het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC)

Uit het door het PBC over verdachte uitgebracht rapport van 12 september 2013 komt onder meer het navolgende naar voren:

De aanwezige informatie over de gedragspatronen van verdachte is onvoldoende om te classificeren als een persoonlijkheidsstoornis. De geconstateerde problemen doen zich, voor zover onderzoekbaar was, met name voor op het gebied van relaties en interpersoonlijke contacten en veel minder op andere levensgebieden zoals werken en wonen. Hoewel hier in classificerende DSM-termen niet van een persoonlijkheidsstoornis gesproken kan worden, moet de (op basis van het onderzoek) vastgestelde persoonlijkheidspathologie, in klinisch diagnostische zin wel als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beschouwd worden. Deze persoonlijkheidspathologie, beschreven als vroege narcistische persoonlijkheidsproblematiek, is dominant en persisterend en in zijn sociale interactie aantastend aanwezig, ook ten tijde van het ten laste gelegde.

Ten aanzien van het eerste feit, te weten de belaging en/of bedreiging van aangeefster, valt te stellen dat deze duidelijk samenhangt met de voornoemde narcistische problematiek waarin centraal staat dat het fragiele zelfbeeld van betrokkene afhankelijk is van zijn omgeving. Indien het ten laste gelegde feit als bewezen wordt beschouwd, adviseert het onderzoekend team Uw Rechtscollege betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit (het seksueel binnendringen van aangeefster) is er eveneens zeer weinig informatie uit eigen onderzoek of uit collaterale bronnen. In de informatie uit het strafdossier blijkt wel een sterke preoccupatie met seksualiteit in het contact vanuit betrokkene jegens aangeefster waarbij hij blijft aandringen op seksueel contact. Betrokkene lijkt moeite te hebben met het feit dat aangeefster dit niet wenst en daarmee de regie over haar seksualiteit bewaart. Betrokkene blijft aandringen op seksueel contact, omdat hij, vanuit zijn behoefte aan dominantie en regie, de door aangeefster gestelde grenzen niet lijkt te kunnen accepteren.

Het grensoverschrijdend gedrag, de dominantie en zijn behoefte aan controle en regie maken onderdeel uit van de bij betrokkene geconstateerde persoonlijkheidspathologie. Echter, de beleving, de mate van controle over zijn gedrag en nadere details van het ten laste gelegde konden niet verder uitgediept warden. Daarom adviseert het onderzoekend team op basis van de beschikbare informatie om betrokkene voor het derde ten laste gelegde feit, mits bewezen, als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusies van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van het PBC, voldoende vast is komen te staan dat de onder 1 en 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor alle door hem gepleegde strafbare feiten.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1

Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft binnen een periode van ruim acht maanden vele malen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], haar gezinsleden en de vriend van [slachtoffer 1]. Verdachte heeft daarbij de grenzen van fatsoen fors overschreden. Belaging is een ernstig feit dat grote invloed heeft op het dagelijks leven en functioneren van de slachtoffers.

In de regel wordt, voor iemand die voor het eerst met de strafrechter in aanraking komt, voor belaging een uitgangspunt van acht maanden tot twee jaren gevangenisstraf gehanteerd, afhankelijk van de duur en intensiteit.

Daarnaast heeft verdachte zich binnen een periode van ruim drie jaren schuldig gemaakt aan het maken van een gewoonte van het in bezit hebben van een grote hoeveelheid kinder- en dierenpornografisch materiaal, namelijk ruim 50.000 foto’s en meer dan 200 films.

Kinderporno is buitengewoon verwerpelijk, vooral omdat bij de vervaardiging ervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Verdachte moet mede verantwoordelijk worden gehouden voor genoemd seksueel misbruik van kinderen, omdat hij, door kinderporno te verzamelen, heeft bijgedragen aan de instandhouding van de vraag ernaar. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar zeker ook degenen die kinderporno verzamelen.

De rechtbank tilt er extra zwaar aan dat op een aantal van de bij verdachte in beslag genomen foto’s en/of films te zien is dat kinderen oraal en vaginaal worden gepenetreerd. Daarnaast zijn op de foto’s en filmbestanden seksuele handelingen tussen mensen en dieren te zien waarbij ook penetratie plaatsvindt. Verder bestaat de collectie aan kinderpornografisch materiaal van verdachte uit het betasten van geslachtsdelen van kinderen, het kinderen op een zodanige manier laten poseren dat hun geslachtsdelen in beeld worden gebracht en het masturberen en/of ejaculeren bij of op het lichaam van kinderen.

Dit zijn ernstige feiten en de rechtbank tilt hier ook zwaar aan. In de regel wordt, voor iemand die voor het eerst met de strafrechter in aanraking komt, voor het maken van een gewoonte van het in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal een uitgangspunt van een jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf gehanteerd. Ook op het bezit van dierenpornografisch materiaal wordt doorgaans gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Tot slot heeft verdachte op buitengewoon laakbare wijze handelingen gepleegd met [slachtoffer 1], welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] verkeerde op dat moment in staat van verminderd bewustzijn en kon daardoor geen weerstand bieden tegen de handelingen van verdachte.

Verdachte heeft op grove wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld.

In de regel wordt voor dit soort feiten een uitgangspunt van twee tot drie jaren gevangenisstraf gehanteerd.

Voor wat betreft de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 oktober 2013, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld, onder meer voor belaging en geweldsdelicten. De laatste veroordeling dateert uit 2010, waarbij verplicht reclasseringscontact werd opgelegd. Dit alles heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw fors de fout in te gaan. De rechtbank zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden.

Op grond van het voorgaande komt verdachte in beginsel in aanmerking voor een gevangenisstraf voor de duur van enige jaren.

Voor de afdoening van deze zaak houdt de rechtbank echter tevens rekening met de volgende omstandigheden.

Omdat verdachte niet of beperkt heeft meegewerkt aan de onderzoeken van de psychiater en de psycholoog is hij overgebracht naar het Pieter Baan Centrum (PBC), waar opnieuw een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte heeft plaatsgevonden.

Het onderzoeksteam van het PBC, dat onder andere bestond uit een psychiater en een psycholoog, heeft gerapporteerd dat gezien de geconstateerde persoonlijkheidspathologie, de kans op herhaling en het overgaan tot (agressieve) delicten in het verleden vanuit de geconstateerde persoonlijkheidspathologie, een behandeling noodzakelijk wordt geacht. Aangezien er nauwelijks tot geen sprake is van ziektebesef, laat staan ziekte-inzicht, kan gesteld worden dat er dienovereenkomstig geen sprake is van een intrinsieke drijfveer om te veranderen, hetgeen voorwaarde is voor behandeling. Sterker nog, passend bij de persoonlijkheidspathologie, zal verdachte geneigd zijn om de problemen te ontkennen en naar argumenten zoeken om zijn gelijk ('mij mankeert niets') bevestigd te krijgen, Dit houdt in dat behandeling noodzakelijk wordt geacht om recidive te voorkomen.

Volgens het PBC is bekend dat verdachte zich sociaal wenselijk opstelt waarbij hij tussen verschillende behandelaars en begeleiders voor splitsing en ruis zorgt. Voormalige behandelaars zouden beschreven hebben dat hij niet het achterste van zijn tong liet zien. Verdachte werd gezien als 'potentieel gevaarlijk' maar ze konden 'de vinger er niet opleggen'. Er is zodoende een groot risico dat verdachte bij enkel een poliklinische behandeling onvoldoende in beeld (en daarmee in behandeling) komt hetgeen een klinisch beginnend traject noodzakelijk maakt. Binnen een klinische setting is behandeling-ondermijnend gedrag, hetgeen bij verdachte wordt verwacht, beter op te vangen en is er minder ruimte voor verdachte om enkel middels een externe motivatie en op basis van sociaal wenselijk gedrag (en dus met schijnaanpassing) een behandeling te doorlopen. Dit alles impliceert dat er van een vrijwillige behandeling geen sprake kan zijn. Behandeling in een gedwongen kader resteert, waarbij van belang is te beseffen dat verdachte, vanuit zijn grensoverschrijdend gedrag en zijn persoonlijkheidsproblematiek en het nauwelijks aanwezige ziektebesef, voortdurend de grenzen in het behandelcontact zal opzoeken maar het behandelcontact niet daadwerkelijk aan zal gaan.

Gelet op de ernst van de delicten, de persoonlijkheidspathologie, de kans op recidive en het ontbreken van ziekte-inzicht, wordt een behandeling in het kader van de maatregel terbeschikkingstelling noodzakelijk geacht. De verwachting is dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet afdoende gaat zijn en niet zal slagen, aldus het PBC.

Gelet op de rapportages en de onderbouwing in het rapport van het PBC onderschrijft de rechtbank de conclusie dat oplegging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is.

De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling.

Vastgesteld wordt dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond en voorts dat de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1°, Sr.

Op de voet van het bepaalde in artikel 359, zevende lid, Sv, wordt vastgesteld dat het onder 1 bewezen verklaarde feit in ieder geval een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit redengevend.

De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van 4 jaar te boven gaan.

Voor een terbeschikkingstelling met voorwaarden ziet de rechtbank geen ruimte, omdat eerdere behandelingen en verplicht reclasseringscontact verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden opnieuw in de fout te gaan en volgens het rapport van het PBC daarmee onvoldoende de veiligheid van de maatschappij kan worden gegarandeerd.

Naast de maatregel van terbeschikkingstelling acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf geboden. De rechtbank zal rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Anderzijds doet de eis van de officier van justitie onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

7.2.1

De teruggave

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de inbeslaggenomen mobiele telefoon, omdat dit voorwerp niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

7.2.2.

De onttrekking aan het verkeer

De onder verdachte inbeslaggenomen computer en harddisk zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de feiten 2 en 4 zijn begaan met behulp van die voorwerpen. Verder zijn de voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

7.3

De vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Verdachte is door de meervoudige kamer te Dordrecht bij onherroepelijk geworden vonnis van 24 februari 2009 onder parketnummer 11/500081-08 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met bepaling dat een gedeelte van deze straf, groot vijf maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, aangezien hij zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De rechtbank zal daarom de tenuitvoerlegging gelasten van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

Het verzoek van de raadsman de vordering tot tenuitvoerlegging niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen wordt niet ingewilligd. De door hem aangevoerde argumenten zijn uitvoerig in de hoofdzaak besproken en de rechtbank volstaat hier met een verwijzing daarnaar.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregelen berusten op de artikelen 36b, 36c, 37a, 37b, 57, 240b, 243, 254a en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:

- 1 computer, HP Pavilion, CZH097027C, beslagcode 4295066

- 1 harddisk, Western Digital, 8,4 GB, beslagcode A.A01.3;

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

- 1 mobiele telefoon, HTC HD A 9191, imeinummer 352668044220174;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 24 februari 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 11/500081-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Mourik, voorzitter, mr. B.M.R.M. Edelhauser-van Vlijmen en mr. M.R.J. Schönfeld, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2013.

Mrs. Edelhauser-van Vlijmen en Schönfeld zijn door afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De gewijzigde tenlastelegging

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 april 2012 tot en met 21 december 2012 te Dordrecht, in elk geval in

Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het

oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te

doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers is/heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal,

- bij de woning van genoemde [slachtoffer 1] verschenen/geweest en/of

- ( bedreigende) sms-berichten en of mail(s) aan die [slachtoffer 1] verzonden en/of

- telefonisch contact gezocht met die [slachtoffer 1] en/of

- een pakketje bij de woning van die [slachtoffer 1] afgeleverd, althans af laten

leveren, met daarin een kaart met de bedreigende tekst: "Je wordt verwacht

om 4 op 31-12. Zorg dat je zin bij je hebt. Je word niet (meer)

thuisgebracht. 'Be there or be dead!' en/of

- ( telefonisch) contact gezocht met (een) gezinslid/leden (zijnde de moeder

([slachtoffer 2]) en/of de vader ([slachtoffer 3])) en/of de nieuwe

vriend (zijnde [slachtoffer 4]) van die [slachtoffer 1]

en/of

hij op of omstreeks 1 december 2012 te Dordrecht

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pakketje bij de woning van die

[slachtoffer 1] afgeleverd, althans af laten leveren, met daarin een kaart met de

bedreigende tekst: "Je wordt verwacht om 4 op 31-12. Zorg dat je zin bij je

hebt. Je word niet (meer) thuisgebracht. 'Be there or be dead!';

2.

hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2009 tot en met 22 december 2010

te Dordrecht, in elk geval in Nederland,

één of meermalen (telkens) een hoeveelheid afbeelding(en), te weten 51.709

foto('s) en/of 246 film(s) en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een)

afbeelding(en) (te weten één of meer computer(s) en/of (een) harddisk(s)

(met beslagcode A.A01.3)

heeft verspreid en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of

ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit gehad en/of

terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn,

waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog

niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het oraal en/of vaginaal penetreren (met de penis en/of (een) vinger(s)/hand

en/of (een) voorwerp(en)) van het lichaam van een persoon die kennelijk de

leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het vaginaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (met

(een) voorwerp(en))

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een persoon die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met de penis en/of

(een) vinger(s)/hand en/of (een) voorwerp(en))

en/of

het betasten en/of aanraken van de borsten van een (ander) persoon door een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (met

(een) vinger(s)/hand))

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die

kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij

deze perso(o)n(en) gekleed en/of opgemaakt is/zijn en/of in een omgeving

en/of met (een) voorwerp(en) en/of in (een)(erotisch getinte) houding(en)

poseert/poseren die niet bij haar/hun leeftijd past/passen

en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende

afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of

de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de

afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld

gebracht worden,

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van een

perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt,

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft

en/of strekt tot seksuele prikkeling,

van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 05 november 2011 en/of 06 november 2011 te Dordrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met [slachtoffer 1], van wie hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] in staat van bewusteloosheid,

verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een

zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar

geestvermogens leed dat die [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar

wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te

bieden,

een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1],

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

zijn tong en/of zijn vinger(s) en/of zijn penis in haar vagina, althans tussen

haar schaamlippen gebracht/gehouden en/of haar vagina en/of schaamlippen

betast;

art 243 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 6 april 2010 tot en met 22 december 2012 te Dordrecht,

in elk geval in Nederland,

één of meermalen (telkens) een aantal afbeeldingen, te weten 46 films en/of 1

foto en/of een (aantal) gegevensdrager(s) bevattende (die/een) afbeelding(en)

(te weten één of meer computer(s) en/of harddisk(s))

van (een) ontuchtige handeling(en) waarbij een mens en een dier zijn betrokken

of schijnbaar zijn betrokken,

welke voornoemde ontuchtige handeling(en) bestonden uit:

- het houden van de penis van een hond en/of een paard tegen en/of in de

vagina van (een) volwassen vrouw(en)

en/of

- het door (een) volwassen vrouw(en) pijpen/in de mond nemen van de penis van

een hond en/of een paard

en/of

- het door (een) volwassen vrouw(en) betasten van de penis van een hond en/of

een paard

(telkens) heeft verspreid en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd

en/of in bezit heeft gehad;