Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9188

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
C-10-419959 - HA ZA 13-274 13-11-27
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Partijen zijn buren; tussen de woning van gedaagde en de achtertuin van eiseres loopt een pad. Gedaagde heeft dit pad afgesloten door haaks op het pad een schutting te plaatsen. Het afgesloten deel van het pad heeft gedaagde bij haar voortuin betrokken.

Geoordeeld wordt dat gedaagde hiermee inbreuk maakt op de erfdienstbaarheid en het recht van erfpacht van eiseres. Gedaagde heeft onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat de inbreuk wordt gerechtvaardigd. De vordering van eiseres wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/419959 / HA ZA 13-274

Vonnis van 27 november 2013

in de zaak van

1 [Eiseres 1],

2. [Eiser 2],

beiden wonende te Rotterdam,

eisers,

advocaat mr. M. Backx,

procesadvocaat mr. E.J. Eijsberg,

tegen

[Gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.H. van Tongerlo.

Partijen zullen hierna tezamen in meervoud ‘[eisers] (of afzonderlijk ‘[Eiseres 1]’ en ‘[Eiser 2]’) en ‘[Gedaagde]’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 mei 2013 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 20 september 2013 van de zijde van [Gedaagde];

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 oktober 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Om organisatorische redenen wordt dit vonnis gewezen door een andere rechter, dan de rechter ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden.

2 De feiten

2.1.

[Eiseres 1] c.s. en [Gedaagde] zijn buren. [Eiseres 1] c.s. wonen sinds 2005 aan de [adres 1] te Rotterdam. [Gedaagde] woont sinds 2005 aan de [adres 2]te Rotterdam. De woning van [Gedaagde] grenst aan de achtertuin van [Eiseres 1] c.s.

2.2.

De woningen van [Eiseres 1] c.s. en [Gedaagde] staan op percelen die in erfpacht aan hen zijn uitgegeven. Tussen de woning van [Gedaagde] en de achtertuin van [Eiseres 1] c.s. loopt een pad (hierna: het Pad). Het Pad is in erfpacht uitgegeven aan de erfpachters van[adres 3] (even nummers) en [adres 2]gezamenlijk.

2.3.

In de notariële akte van levering van 2 mei 2005, waarin de [adres 1] aan [Eiseres 1] c.s. is geleverd, is een verwijzing naar een notariële akte van 14 april 1987 opgenomen, waarin (onder meer) ten behoeve van het perceel [adres 1] een erfdienstbaarheid van voetpad is opgenomen met betrekking tot het Pad, inhoudende:

Erfdienstbaarheid van voetpad met betrekking tot het pad gelegen aan de achterzijde van de percelen plaatselijk bekend[adres 3] (even) en [adres 2]te Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Hillegersberg, sectie B nummers [xxxx] tot en met [xxxx];

1. ten behoeve en ten laste van het bij deze akte door koper/erfpachter verkregen onroerend goed enerzijds en ten behoeve en ten laste van de nabijgelegen percelen, welke alle overige evengemelde percelen en kadastrale nummer uitmaken, anderzijds wordt bij deze gevestigd, de erfdienstbaarheid van voetpad.

2. Deze erfdienstbaarheid kan niet anders worden uitgeoefend dan in overeenstemming met de ligging van de paden op de lijdende erven en de ligging van ieders erf om te komen van en te gaan naar de openbare straat, langs de kortste weg en op de minst bezwarende wijze, te voet, met aan de hand gevoerde rijwielen, motorrijwielen (met afgezette motor) en dergelijke, met kinderwagens, kruiwagens en dergelijk eenvoudig voertuig.”

2.4.

Op 5 juli 2012 heeft [Gedaagde] het Pad afgesloten, door op het Pad een schutting te plaatsen. Voorts heeft [Gedaagde] een deel van het Pad bij haar voortuin betrokken. [Eiseres 1] c.s. kunnen hierdoor geen gebruik meer maken van het Pad. Voor een overzicht van de huidige situatie wordt verwezen naar onderstaande plattegrond.

3 Het geschil

3.1.

[Eiseres 1] c.s. vorderen [Gedaagde] te veroordelen binnen tien dagen na het wijzen van vonnis de afsluiting van het Pad ongedaan te maken en het Pad in zijn oude staat te herstellen, onder verbeurte van een dwangsom. Voorts vorderen [Eiseres 1] c.s. dat [Gedaagde] wordt veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten die zij hebben gemaakt, in de kosten van de procedure alsmede in de nakosten.

[Eiseres 1] c.s. stellen hiertoe dat [Gedaagde] inbreuk maakt op hun erfdienstbaarheid van voetpad door het Pad af te sluiten. De erfdienstbaarheid houdt in dat [Eiseres 1] c.s. onbelemmerde toegang tot het Pad moeten hebben. Zij moeten via het Pad onder meer de openbare parkeerplaatsen gelegen achter de woning van [Gedaagde] (aan de [adres 4]) kunnen bereiken. Dit volgt zowel uit de akte van vestiging als uit de wijze waarop de erfdienstbaarheid van voetpad sinds jaar en dag door de bewoners wordt uitgeoefend. De algehele afsluiting van het Pad vormt een ontoelaatbare belemmering van de uitoefening van de erfdienstbaarheid van voetpad en is daarom onrechtmatig jegens [Eiseres 1] c.s.

Voorts stellen [Eiseres 1] c.s. dat [Gedaagde] inbreuk maakt op hun recht van erfpacht, doordat [Gedaagde] het door haar afgesloten deel van het Pad bij haar voortuin heeft betrokken.

3.2.

[Gedaagde] betwist inbreuk te maken op de erfdienstbaarheid van voetpad. De erfdienstbaarheid is volgens [Gedaagde] gevestigd om toegang te krijgen tot de openbare weg, waarmee volgens [Gedaagde] de [adres 4] wordt bedoeld. Deze moet door de omwonenden op de minst bezwarende wijze kunnen worden bereikt. De minst bezwarende wijze is voor [Eiseres 1] c.s. om door de achterpoort te gaan en vervolgens naar links. Toen de erfdienstbaarheid werd gevestigd, had de woning van [Eiseres 1] c.s. een poort aan de achterkant van de tuin, en niet aan de zijkant zoals thans het geval is. [Gedaagde] heeft dan ook geen inbreuk gemaakt op het oorspronkelijke recht van erfdienstbaarheid.

[Gedaagde] betwist niet dat zij inbreuk maakt op het recht van erfpacht van [Eiseres 1] c.s. Ter comparitie heeft zij enkel gesteld dat deze grondslag niet in de dagvaarding staat vermeld.

Voor zover [Gedaagde] inbreuk maakt op de rechten van [Eiseres 1] c.s., stelt zij primair dat dit gerechtvaardigd is, nu het Pad in overleg met alle betrokken partijen is afgesloten. Ook [Eiseres 1] c.s. hebben toestemming verleend voor afsluiting van het Pad.
Subsidiar beroept [Gedaagde] zich op artikel 5:73 lid 2 BW. Zij stelt dat zij [Eiseres 1] c.s. heeft voorgesteld een poort aan de achterzijde van hun tuin te maken op kosten van [Gedaagde]. [Eiseres 1] c.s. hebben hier echter niet mee ingestemd, zodat [Gedaagde] niets hoeft te voldoen.

Meer subsidiair stelt [Gedaagde] dat de vordering moet worden afgewezen op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of [Gedaagde] door het plaatsen van de schutting haaks op het Pad en door het betrekken van het afgesloten stuk Pad bij haar voortuin inbreuk maakt op de rechten van [Eiseres 1] c.s. voortvloeiende uit hun erfdienstbaarheid van voetpad en uit hun recht van erfpacht.

4.2.

Voor de beoordeling van het geschil is allereerst van belang op welke wijze de gevestigde erfdienstbaarheid dient te worden uitgelegd. De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden ingevolge artikel 5:73 BW onder meer bepaald door de akte van vestiging. Bij de uitleg van die akte komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebruikte bewoordingen. Deze moet worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, nu [Eiseres 1] c.s. noch [Gedaagde] partij waren bij de vestiging van deze erfdienstbaarheid in 1987.

4.3.

Blijkens de akte van vestiging is de erfdienstbaarheid gevestigd om te komen van en te gaan naar de openbare straat, langs de kortste weg en op de minst bezwarende wijze. De akte van vestiging vermeldt niet dat deze openbare straat uitsluitend de [adres 4] betreft, zoals door [Gedaagde] is aangevoerd. Geoordeeld wordt daarom dat [Eiseres 1] c.s. via het Pad zowel de [adres 4] als het voetpad dat naast hun woning ligt (de Boksdoorn) moeten kunnen bereiken. Voorts vermeldt de akte van vestiging niet waar (aan welke zijde van de tuin) de betrokken partijen hun poort (of ‘achterom’) moeten hebben om gebruik te kunnen maken van de erfdienstbaarheid. Anders dan door [Gedaagde] is bepleit, is de locatie van de poort van [Eiseres 1] c.s. dan ook niet bepalend voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid en derhalve ook niet voor de beoordeling van de inbreuk op de erfdienstbaarheid.

4.4.

Nu vast staat dat [Eiseres 1] c.s. door de geplaatste schutting thans niet via het Pad de openbare parkeerplaatsen gelegen aan de [adres 4] kunnen bereiken, wordt geoordeeld dat [Gedaagde] in beginsel inbreuk maakt op het recht van [Eiseres 1] c.s. voortvloeiende uit de erfdienstbaarheid van voetpad. Daarnaast maakt [Gedaagde] inbreuk op het recht van erfpacht van [Eiseres 1] c.s. door een deel van het Pad, dat deels aan [Eiseres 1] c.s. in erfpacht is uitgegeven, bij haar voortuin te betrekken.

4.5.

Het voorgaande is slechts anders, indien de inbreuk door [Gedaagde] op de zakelijke rechten van [Eiseres 1] c.s. kan worden gerechtvaardigd, bijvoorbeeld doordat er afspraken zijn gemaakt in afwijking van de gevestigde erfdienstbaarheid en het recht van erfpacht.
[Gedaagde] stelt in dat verband dat zij toestemming heeft gekregen van alle omwonenden voor het afsluiten van het Pad. Ook [Eiser 2] zou op 1 en 3 juli 2012 hebben ingestemd met afsluiting van het Pad. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft [Gedaagde] verklaringen in het geding gebracht, waaruit blijkt dat de buren van [adres 5] en van [adres 2]toestemming hebben verleend voor afsluiting van het Pad. Een verklaring van [Eiseres 1] c.s. ontbreekt. Wel heeft [Gedaagde] verklaringen overgelegd van twee buren die uit eigen wetenschap kunnen verklaren dat zij [Eiser 2] op 1 en 3 juli 2012 op het verzoek van [Gedaagde] om het Pad af te mogen sluiten instemmend hebben horen antwoorden met de woorden “dat is prima”. [Gedaagde] heeft voorts verklaard dat [Eiser 2] en [Eiseres 1] op 5 juli 2012 zijn komen kijken toen de schutting op het Pad werd geplaatst. [Eiseres 1] heeft toen geen bezwaar gemaakt tegen plaatsing van de schutting.

[Eiseres 1] c.s. betwisten dat zij ooit toestemming hebben verleend voor afsluiting van het Pad. Ter comparitie heeft [Eiser 2] verklaard zich te herinneren dat hij [Gedaagde] op 1 juli 2012 heeft gesproken. [Eiser 2] herinnert zich ook dat hij toen heeft gezegd “dat is goed”, maar weet niet meer op welke vraag van [Gedaagde] hij dat heeft geantwoord. [Eiser 2] kan zich voorts niet herinneren dat er later nog een gesprek met [Gedaagde] heeft plaatsgevonden.

4.6.

[Gedaagde] heeft niet toegelicht welke juridische consequenties zij verbindt aan de toestemming die [Eiser 2] volgens [Gedaagde] heeft gegeven. Om echter te kunnen bewerkstelligen dat [Gedaagde] gerechtigd was om het Pad af te sluiten en een deel van het Pad bij haar voortuin te betrekken, diende zij ofwel een overeenkomst met [Eiseres 1] c.s. te zijn aangegaan op grond waarvan [Eiseres 1] c.s. gedeeltelijk afstand hebben gedaan van hun zakelijke rechten ten gunste van [Gedaagde] ofwel een persoonlijk recht van [Eiseres 1] c.s. te hebben gekregen. De toestemming die volgens [Gedaagde] is gegeven dient derhalve één van beide varianten te behelzen. Deze instemming moet bovendien niet alleen door [Eiser 2] maar tevens door [Eiseres 1] zijn gegeven, nu zij beiden gerechtigd zijn tot de erfdienstbaarheid en het recht van erfpacht.

4.7.

Het enkele feit dat [Eiser 2] voorafgaand aan het afsluiten van het Pad de woorden “dat is goed” of “dat is prima” heeft uitgesproken, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat hij daarmee namens [Eiseres 1] c.s. heeft ingestemd met één van beide varianten, op grond waarvan [Gedaagde] gerechtigd zou tot afsluiting van het Pad en tot het betrekken van het afgesloten deel van het Pad bij de voortuin van [Gedaagde]. Zowel de overeenkomst, die ten doel heeft om (gedeeltelijk) afstand te doen van een gevestigde erfdienstbaarheid en een recht van erfpacht, alsmede een persoonlijke recht met die strekking, komen alleen dan tot stand, indien aanbod en aanvaarding op elkaar aansluiten. Het is derhalve noodzakelijk dat [Eiser 2] het voorstel van [Gedaagde] tot het plaatsen van de schutting daadwerkelijk heeft begrepen en bovendien doordrongen was van de consequenties die de afsluiting van het Pad met zich brachten. Gelet op de gevolgen van de verleende toestemming, kan deze niet lichtvaardig worden aangenomen.

4.8.

Uit het door [Gedaagde] geschetste feitencomplex blijkt niet dat [Eiser 2] doordrongen was van het feit dat hij met zijn opmerking afstand deed van enig zakelijk recht of dat hij hiermee een persoonlijk recht aan [Gedaagde] verleende. Zelfs in het geval dat hij hier wel van doordrongen was, leidt dit nog niet tot het oordeel dat de inbreuk door [Gedaagde] op de rechten van [Eiseres 1] c.s. gerechtvaardigd was. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat ook [Eiseres 1] met één van de hiervoor genoemde varianten heeft ingestemd, hetgeen reeds aan toewijzing van de vordering in de weg staat. Zelfs indien vast zou komen te staan dat [Eiseres 1] niet heeft geprotesteerd tijdens het plaatsen van de schutting op 5 juli 2012, dan nog is dit onvoldoende om tot het oordeel te komen dat zij heeft ingestemd met het voorstel van [Gedaagde] tot het plaatsen van de schutting en daadwerkelijk heeft begrepen en bovendien doordrongen was van de consequenties die de afsluiting van het Pad met zich brachten. Het enkele niet protesteren leidt evenmin tot rechtsverwerking. Van enige volmacht van [Eiseres 1] aan [Eiser 2] op dit punt is ook niet gebleken.

4.9.

Gelet op het voorgaande heeft [Gedaagde] onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat haar inbreuk op de rechten van [Eiseres 1] c.s. gerechtvaardigd wordt. De vorderingen van [Eiseres 1] c.s. tot ongedaanmaking van de afsluiting van het Pad en tot herstel van het Pad in oude staat worden toegewezen.

4.10.

De door [Eiseres 1] c.s. gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze wordt gematigd tot € 500,00 per dag. Voorts zullen de dwangsommen eerst worden verbeurd nadat dit vonnis is betekend en zullen de dwangsommen worden gemaximeerd tot een bedrag van € 30.000,00.

4.11.

[Eiseres 1] c.s. hebben gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en hebben vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is aan dit vereiste voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 904,00 zal toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

4.12.

[Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Eiseres 1] c.s. worden tot op heden begroot op:

- kosten dagvaarding € 94,79

- griffierecht € 274,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief II € 452,00)

Totaal €  1.272,79

4.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [Gedaagde] binnen tien dagen na heden de afsluiting van het Pad ongedaan te maken en het Pad in zijn oude staat te herstellen, zulks onder verbeurte van een dwangsom, na betekening van dit vonnis, van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van € 30.000,00 geen dwangsommen meer worden verbeurd,

5.2.

veroordeelt [Gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Eiseres 1] c.s. te betalen de buitengerechtelijke kosten, aan de zijde van [Eiseres 1] c.s. tot op heden begroot op € 904,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [Gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [Eiseres 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.272,79,

5.4.

veroordeelt [Gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013.1

1 type: 2544 coll: 2517 / 2294