Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9178

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
437335 / HA RK 13-989
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Het enkele feit dat de rechter eerder een rechtszaak van verzoeker m.b.t. verzoekers omgang met zijn zoon heeft behandeld is onvoldoende om aan te nemen dat er zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker, in het door verzoeker tegen Sti BJZ aangespannen kort geding dat thans aan de orde is, een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 18 november 2013

Zaaknummer: 437335

Rekestnummer: HA RK 13-989

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

domicilie kiezende ten kantore van De Brouwer Advocaten te Rotterdam,

Oranjeboomstraat 237,

verzoeker,

advocaat mr. R.W. de Gruijl,

strekkende tot wraking van mr. H.M. van de Ven, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team familie (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Bij schrijven van 29 oktober 2013 heeft de advocaat van verzoeker, mr. R.W. de Gruijl, de rechter gewraakt. Het wrakingsverzoek is gedaan in het door verzoeker als eiser tegen de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam als gedaagde aangespannen kort geding, welk kort geding ter zitting van 28 november 2013 door de rechter behandeld zou worden.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven zaak waarin zich onder meer bevindt het schrijven van de advocaat van verzoeker van
29 oktober 2013, inhoudende het schriftelijke wrakingsverzoek.

Verzoeker, de advocaat van verzoeker, alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en hij heeft op 31 oktober 2013 schriftelijk gereageerd.

Ter zitting van 4 november 2013, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen de advocaat van verzoeker en de rechter.

De advocaat van verzoeker en de rechter hebben ieder hun standpunt (nader) toegelicht.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft de advocaat van verzoeker aangevoerd hetgeen is opgenomen in zijn schrijven van 29 oktober 2013. Van deze brief is een kopie aan deze beslissing gehecht en de inhoud ervan wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

3 De beoordeling

Ter beoordeling is allereerst de vraag of aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden een aanwijzing valt te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was.

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de namens verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.4

Het volgende is komen vast te staan:

  • -

    op 23 augustus 2012 heeft de rechter uitspraak gedaan in de rechtszaak omtrent de omgangsregeling betreffende verzoekers zoon [naam zoon];

  • -

    verzoeker heeft op 26 september 2013 een kort geding aangespannen tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam met betrekking tot verzoekers recht op omgang met [naam zoon];

  • -

    de mondelinge behandeling van dat kort geding is (uiteindelijk) bepaald op 28 november 2013

  • -

    bij schrijven van 8 oktober 2013 heeft de griffier van de rechtbank de advocaat van verzoeker medegedeeld dat mr. H.M. van de Ven de zaak ter zitting van 28 november 2013 zal behandelen;

  • -

    hierop heeft de advocaat van verzoeker, bij schrijven van 29 oktober 2013, de rechter gewraakt, waarbij – kort gezegd – gesteld is dat verzoeker, gezien de eerdere uitspraak van de rechter, er geen vertrouwen in heeft dat de rechter deze keer wel objectief over het omgangsrecht met zijn zoon zal oordelen.

3.5

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

3.6

Het enkele feit dat de rechter eerder een rechtzaak van verzoeker met betrekking tot verzoekers omgang met zijn zoon heeft behandeld, is onvoldoende om aan te nemen dat er zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker, in het door verzoeker tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam aangespannen kort geding dat thans aan de orde is, een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.7

De wraking is ongegrond. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

4 De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. H.M. van de Ven.

Deze beslissing is gegeven op 18 november 2013 door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter,

mr. E.D. Rentema en mr. L.A.C. van Nifterick, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier.

Verzonden op:

aan:

- de rechter mr. H.M. van de Ven

- de advocaat mr. R.W. de Gruijl