Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9124

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
STR-13_962025_13112013
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van voorbereiding diefstal met geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/962025-13

Parketnummer vordering TUL: 13/042339-11

Datum uitspraak: 13 november 2013

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie

op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M. Zwinkels heeft gerekwireerd tot:

  • -

    partiële vrijspraak ten aanzien van de personenauto als voorbereidingsmiddel;

  • -

    bewezenverklaring van het overige ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de bij vonnis van 25 november 2011 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde 60 uur werkstraf.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig is, omdat de dagvaarding ten aanzien van de verweten medeplichtigheid onvoldoende feitelijk is.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de in de tenlastelegging opgenomen medeplichtigheid onvoldoende feitelijk is omschreven. De dagvaarding zal op dit punt dan ook partieel nietig worden verklaard.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van t 27 en 28 april 2013 in Nederland en Groot-Brittannië, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van diefstal met geweld (artikel 312 WvSr) , opzettelijk een voorwerp

-

- , te weten een zaklamp zijnde een stroomstootwapen, -

heeft verworven, en voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist, worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Door de raadsman is primair vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van een concreet plan en dat de verdachte de verhalen van medeverdachte [medeverdachte] (hierna de medeverdachte) slechts lijdzaam heeft aangehoord omdat hij het contact met de medeverdachte – om andere redenen - wilde behouden. Ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde mobiele telefoons en het vervoermiddel geldt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat deze daadwerkelijk bestemd waren voor het plegen van een van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven en louter dienden in het kader van de voorbereiding daarvan. Voorts geldt ten aanzien van het stroomstootwapen dat het werven en voorhanden hebben daarvan niet wettig en overtuigend kan worden bewezen nu het wapen niet is gevonden tijdens de aanhouding van de verdachte en zijn medeverdachte.

Uit hetgeen zich in het dossier bevindt en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het navolgende.

In een telefoongesprek tussen de verdachte en de medeverdachte van 27 april 2013 om 21:56 uur wordt voor het eerst gesproken over “iets” dat zij in Parijs willen doen. In de gesprekken die daarop volgen, vertelt de medeverdachte dat zij in Parijs buiten voor een gebouw moeten wachten. Vervolgens moeten zij een persoon volgen en hem een elektrische shock geven, hem pakken en in de kofferbak van de auto stoppen. De medeverdachte vertelt dat hij de sleutel van het appartement zal pakken en daar “het ding” zal pakken en vervolgens in de auto zal zetten. Naar de rechtbank op grond van de verklaring van de medeverdachte van 8 mei 2013 begrijpt, wordt met “het ding” een koffer met geld bedoeld. Dan moet er naar een rustige plek worden gereden waarna de eerdergenoemde man uit de auto moet worden gegooid. Daarna moeten zij de nummerborden van de auto verwisselen en dan de nummerborden en de shocker (de rechtbank begrijpt: een stroomstootwapen) weggooien. In de gesprekken wordt voorts gesproken over het bedrag waar het om zou gaan en welk percentage de verdachten respectievelijk een tipgever zou krijgen. Tevens vraagt de medeverdachte aan de verdachte om een shocker te regelen. Dit zou een voorwerp moeten zijn wat eruitziet als een zaklamp maar tevens een shocker is.

Direct na afloop van dit gesprek belt de verdachte met een vriend van hem genaamd [getuige] met de vraag of hij zijn “hele lieve zaklamp” mag lenen. Er wordt afgesproken dat de verdachte tussen 10 en 11 uur de volgende dag langs zal komen om de zaklamp op te halen. Hierna belt de verdachte de medeverdachte met de mededeling dat de apparaten zijn geregeld en dat hij het morgenochtend tussen 10 en 11 uur kan ophalen. De volgende dag om 11:06 uur belt de verdachte wederom met de medeverdachte en vertelt hem dat hij onderweg is om de spullen op te halen. Uit locatiegegevens van de mobiele telefoon van de verdachte blijkt dat zijn telefoon op zondag 28 april 2013 in Leimuiden is geweest, de woonplaats van [getuige]. Voorts heeft [getuige] verklaard dat de verdachte die dag een zaklamp bij hem heeft opgehaald.

Het verweer van de raadsman dat de verdachte het plan slechts lijdzaam heeft aangehoord, wordt verworpen nu uit de tapgesprekken duidelijk blijkt dat de verdachte ‘gretig’ was om aan het plan deel te nemen. Dat plan met betrekking tot de beoogde diefstal met geweld was met betrekking tot de te verrichten handelingen en het voorwerp van de diefstal al behoorlijk concreet, gelet op de hierboven genoemde details die de medeverdachte aan de verdachte heeft meegedeeld. Hierbij is voorts van belang dat de kennelijk bedoelde koffer met geld door de medeverdachte volgens diens eigen verklaring ook daadwerkelijk is gezien op een locatie in Parijs. De verdachte heeft vervolgens direct na daartoe in een telefoongesprek door de medeverdachte verzocht te zijn een zaklamp, tevens stroomstootwapen geregeld. Ook heeft hij meerdere malen gezegd het percentage te hoog te vinden dat de tipgever van de opbrengst zou ontvangen en zelf meer provisie te willen.

Het alternatieve scenario dat door de raadsman is geschetst, namelijk dat de betrokkenheid van de verdachte niet verder ging dan het enkel aanhoren van de verhalen van de medeverdachte om zo het (in verband met wisseltransacties potentieel lucratieve) contact met hem te behouden, wordt onaannemelijk geacht omdat de verdachte - zoals zojuist geschetst - veel meer heeft gedaan dan het telefonisch passief aanhoren van de medeverdachte.

Om te komen tot een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen bestemd zijn tot het begaan van het voorbereide misdrijf. In de jurisprudentie zijn drie criteria ontwikkeld die maatgevend zijn om te beoordelen of een voorwerp bestemd is tot het begaan van het beoogde misdrijf. Het gaat daarbij om de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen, het gebruik daarvan en het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik voor ogen had.

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de auto niet vastgesteld kan worden dat die gebruikt zou worden bij de beoogde diefstal met geweld. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De rechtbank is met de raadsman eens dat dit eveneens geldt voor de mobiele telefoons en simkaarten. In dit verband wordt tevens overwogen dat de telefoons en simkaarten weliswaar bij de voorbereiding van de overval zijn gebruikt, maar dat niet is gebleken dat zij ook zouden worden gebruikt bij de overval zelf.

Het op vrijspraak gerichte verweer van de raadsman dat ziet op het verwerven en voorhanden hebben van een stroomstootwapen wordt verworpen.

Uit de tapgesprekken blijkt dat de verdachte bij zijn vriend [getuige] een zaklamp, die ook gebruikt kan worden als stroomstootwapen, heeft geregeld. Uit de context van het telefoongesprek van de verdachte met [getuige] blijkt ook dat het niet gaat om een reguliere zaklamp. Immers na het verzoek tot het lenen van de ‘hele lieve zaklamp’ vraagt hij ‘ Heb je nog zoiets?’ , waarna[getuige] zegt ‘uh kleiner, uh ik heb 2 klappers om mee te slaan’.

Hij vertelt vervolgens zelf telefonisch aan de medeverdachte dat de apparaten zijn geregeld en hij bevestigt dat het ‘een sterke’ is en dat als het niet werkt hij ‘hem’ een ‘stoot’ geeft. Voorts zegt hij dat ze daarom niet meer eerst naar Duitsland hoeven, de plek waar volgens de medeverdachte de stroomstootwapens wel (anders dan in Nederland) te koop zijn. Verdachte vertelt de medeverdachte dat hij het de volgende dag tussen 10 en 11 kan ophalen. Zoals eerder vermeld blijkt uit de locatiegegevens van de mobiele telefoon van de verdachte dat zijn telefoon op zondag 28 april 2013 in Leimuiden is geweest. Door de aldaar wonende [getuige] wordt vervolgens bevestigd dat de verdachte de volgende dag inderdaad een zaklamp bij hem heeft opgehaald. Dat het hierbij om meer dan een gewone zaklamp is gegaan acht de rechtbank aannemelijk op grond van voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, waarbij voorts betekenis toekomt aan het feit dat de verdachte de verklaring van [getuige] hierover niet – waar dat in verdachtes lezing denkbaar was – bevestigt.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte een stroomstootwapen in de vorm van een zaklamp heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm is dit voorwerp zonder meer geschikt om een beroving te plegen. Dat het stroomstootwapen deze bestemming in dit geval ook daadwerkelijk had, blijkt uit de taps waarin door de medeverdachte wordt verteld dat het beoogde slachtoffer een elektrische shock moest krijgen om hem in de kofferbak te kunnen stoppen. Dat het stroomstootwapen bij de aanhouding van de verdachten niet is aangetroffen, doet aan de bewezenverklaring van het verwerven en voorhanden hebben in de daaraan voorafgaande periode niet af.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte de intentie heeft gehad en voorbereidingen heeft getroffen om samen met een ander een diefstal met geweld te plegen. Een feit waarop meer dan acht jaar gevangenisstraf is gesteld. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding van diefstal met geweld.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Medeplegen van voorbereiding van diefstal voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Vrijwillige terugtred

De raadsman heeft ten aanzien van het ten laste gelegde feit (subsidiair) ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat er sprake was van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht, aangezien het beoogde misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden van de wil van de verdachte afhankelijk.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

In het dossier en het onderzoek ter terechtzitting zijn geen concrete aanwijzingen gebleken waaruit de door de verdachte gestelde vrijwillige terugtred blijkt. De verdachte regelt een stroomstootwapen en probeert meerdere malen meer provisie te krijgen. Zelfs nadat hij verneemt dat hij wordt gezocht door de politie, blijkt niet dat zijn wil is veranderd. Integendeel, op het moment dat de medeverdachte zich op 28 april 2013 in het vliegtuig richting Nederland bevindt, belt de verdachte hem en deelt hem mede dat als ze vandaag vertrekken, zij niet meer terugkomen maar dat hij meegaat naar het andere land. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij hierna (en vlak voor zijn aanhouding) tegen zijn medeverdachte in de auto heeft gezegd dat hij er niet mee doorging, maar deze verklaring achteraf vindt geen enkele ondersteuning.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gedragingen van verdachte niet de gevolgtrekking wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van verdachtes wil afhankelijk. Derhalve is er geen sprake van vrijwillige terugtred, zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Nu er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit,

de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander voorbereidingshandelingen verricht voor een diefstal met geweld op een persoon in Parijs door een stroomstootwapen in de vorm van een zaklamp te verwerven en voorhanden te hebben. Het is niet aan de verdachte en zijn medeverdachte, maar aan externe factoren te danken dat een dergelijke gewapende overval, met alle mogelijke ernstige gevolgen van dien, niet heeft plaatsgevonden.

Gewapende overvallen zijn zeer ernstige misdrijven die een forse inbreuk maken op de rechtsorde en veel gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken. Voor de slachtoffers hiervan zijn dit bijzonder traumatische ervaringen. Vanwege de ernst van dergelijke feiten heeft de wetgever ook de voorbereidingshandelingen daartoe strafbaar gesteld. De verdachte heeft kennelijk in het geheel niet stilgestaan bij de impact van een gewapende overval op het slachtoffer toen hij samen met zijn medeverdachte voorbereidingen trof voor een dergelijke overval. De rechtbank acht het schijnbare gemak waarmee de verdachte en zijn medeverdachte spreken over de voorbereiding van de overval en vervolgens een wapen regelen zeer verontrustend.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie gedateerd 19 juli 2013 reeds eerder doch bij de politierechter is veroordeeld voor zowel gewelds- als vermogenscriminaliteit.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 21 oktober 2013. Dit rapport houdt, voor zover relevant, het volgende in.

De verdachte is op zestienjarige leeftijd aangenomen bij de mariniers en begonnen met een interne opleiding. Als gevolg van zijn uitzending naar oorlogsgebied en de traumatische ervaringen die hij daar heeft meegemaakt heeft de verdachte regelmatig periodes met nachtmerries, het zich onrustig voelen en heeft hij moeite zich staande te houden. Er zou sprake zijn van een posttraumatische stress stoornis. De verdachte heeft vanaf december 2011 tot zijn aanhouding onder behandeling gestaan van de forensische polikliniek De Waag. Hij geeft aan dit na zijn huidige detentie voort te willen zetten nu hij veel baat heeft bij de behandeling. De verdachte werkt als obductieassistent en ontvangt hiervoor een stagevergoeding. Naast zijn werk volgt hij één dag per week een opleiding tot obductieassistent. Een nieuw toezicht op de bijzondere voorwaarde en interventies/behandelingen is niet geïndiceerd, daar er nog een lopend toezicht is. Gezien de ontkennende houding en het gebrek aan delictgeschiedenis voor wat betreft een dergelijk delict, kan er geen inschatting worden gemaakt van het recidiverisico. De reclassering onthoudt zich van advies over een sanctie.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. De rechtbank komt daarmee op een lagere straf uit dan die is geëist door de officier van justitie. Dit hangt zowel samen met de omstandigheid dat de rechtbank de verdachte van meer onderdelen van de tenlastelegging heeft vrijgesproken maar ook met de omstandigheid dat zij de met het bewezenverklaarde feit gemaakte inbreuk op de rechtsorde kennelijk enigszins anders waardeert.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

Ten aanzien van het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder parketnummer 10/962025-13, onder 1 vermelde geldbedrag ad € 5.000,- zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, nu niet vast is komen te staan dat dit geld door middel van het strafbare feit is verkregen.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van 25 november 2011 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam is de verdachte ter zake van poging zware mishandeling, openlijk geweld tegen personen en wederspannigheid veroordeeld  voor zover van belang  tot een werkstraf van 180 uur, waarvan een gedeelte groot 60 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 10 december 2011.

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden evenwel - gelet op het reclasseringsrapport - termen aanwezig geacht die last niet te geven, doch in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met één jaar.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14f, 14g, 46, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft de ten laste gelegde medeplichtigheid;

verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag ad € 5.000,-;

verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 25 november 2011 opgelegde voorwaardelijke werkstraf met 1 jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. T.B. Trotman en B.E. Dijkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 november 2013.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 30 oktober 2013:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Hij in of omstreeks de periode van 18 april tot en met 28 april 2013 te

Oegstgeest en/of Amsterdam en/of Purmerend en/of Leimuiden en/of Schiphol

en/of Katwoude, in elk geval in Nederland en/of Groot-Brittannië,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van diefstal met geweld (artikel

312 WvSr) en/of bedreiging met geweld en/of afpersing (artikel 317 WvSr),

althans van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk

(een) voorwerp(en), (een) stof(fen), (een) informatiedrager(s), (een)

ruimte(n) en/of (een) vervoermiddel(en) bestemd tot het in vereniging begaan

van genoemd(e) misdrij(f)(ven), te weten (onder meer)

- een of meerdere mobiele telefoon(s) en/of simkaart(en), en/of

- een of meerdere (vuur)wapen(s), te weten een zaklamp (zijnde een

stroomstootwapen), en/of

- een of meerdere personenauto(s),

heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of 312 WvSr) en/of bedreiging met geweld en/of afpersing (artikel 317 WvSr),

althans van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk

(een) voorwerp(en), (een) stof(fen), (een) informatiedrager(s), (een)

ruimte(n) en/of (een) vervoermiddel(en) bestemd tot het in vereniging begaan

van genoemd(e) misdrij(f)(ven), te weten (onder meer)

- een of meerdere mobiele telefoon(s) en/of simkaart(en), en/of

- een of meerdere (vuur)wapen(s), te weten een zaklamp (zijnde een

stroomstootwapen), en/of

- een of meerdere personenauto(s),

heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad, althans medeplichtig is geweest aan voormeldde

voorbereiding van genoemd(e) misdrij(f)(en).

art 46 lid 1 jo 312 jo 317 Wetboek van Strafrecht