Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9103

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
parketnr:10/661221-12 / rk-nr:13/9
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

De veroordeelde is op 15-jarige leeftijd veroordeeld door de kinderrechter en nadien niet meer met justitie in aanraking gekomen. Het bewezen verklaarde delict moet worden aangemerkt als een eenmalig incident, bezien tegen de achtergrond van de levensfase waarin de veroordeelde verkeerde en met name de moeilijke periode die hij doormaakte vanwege het overlijden van onder meer zijn opa en de ziekte van zijn stiefvader. Het recidiverisico wordt zeer klein geacht. In het licht van de waarborgen van artikel 8 EVRM moet een langdurige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de veroordeelde die het bepalen en (vooral) het verwerken van het DNA-profiel met zich brengt in dit geval als disproportioneel worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/661221-12

Raadkamernummer: 13/9

Beslissing van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op het op 28 december 2012 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, van:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

voor deze zaak domicilie kiezende te [plaats], aan [adres], ten kantore van zijn raadsman mr. G.A.J. Purperhart.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het bezwaarschrift en van het raadkamerdossier, waaronder het dossier van de onder bovengenoemd parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de veroordeelde.

De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van de enkelvoudige besloten raadkamer van deze rechtbank op 3 september 2013, alwaar de officier van justitie

mr. D. van der Sluis, de veroordeelde, de raadsman, en de heer [naam], reclasseringsmedewerker bij de Willem Schrikker Groep. Voorts is verschenen mevrouw [naam] van de organisatie Defence for Children.

Standpunt van de veroordeelde

Namens de veroordeelde is in het bezwaarschrift en in raadkamer aangevoerd dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel moet gelet op zijn jonge leeftijd ten tijde van het delict (12 jaar) en de beperkte ernst van het delict als disproportioneel worden aangemerkt. De veroordeelde heeft een moeilijke periode achter de rug. Zijn opa (zijn beste vriend) is overleden en zijn stiefvader is ziek geworden. Ook kwamen de ouders van zijn stiefvader te overlijden, bleek zijn oma eveneens ernstig ziek te zijn en ontstonden de nodige geldzorgen. Hij heeft een licht verstandelijk beperkt intelligentieniveau en zit op speciaal onderwijs. Onder verwijzing naar de bij het bezwaarschrift gevoegde kinderrechtenrapportage van Defence for Children en het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) wordt gesteld dat er, nu het een minderjarige betreft, meer belang moet worden gehecht aan het beschermen van het recht op privacy van de veroordeelde.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het bezwaar. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet en zij derhalve verplicht is een bevel tot afname van celmateriaal te geven.

Feiten

Bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 september 2012, gewezen onder bovenvermeld parketnummer, is de veroordeelde ter zake van diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal gemakkelijk te maken, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met toezicht van de jeugdreclassering als bijzondere voorwaarde.

Op 17 oktober 2012 heeft de officier van justitie bevolen, gelet op artikel 8 juncto artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet), dat van de veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen van een DNA-profiel en de verwerking daarvan in de landelijke DNA-databank.

Op 19 december 2012 heeft de afname van celmateriaal bij de veroordeelde plaatsgevonden.

Beoordeling

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet kan een bevel tot afname van celmateriaal slechts worden gegeven aan een veroordeelde die ter zake van een misdrijf als omschreven is in artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, is veroordeeld. In de Wet wordt – voor zover van belang – als veroordeelde aangemerkt een persoon die al dan niet onherroepelijk is veroordeeld tot een straf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, onderdeel 1 of 3, dan wel artikel 77h, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt voorts het volgende voorop.

De Wet strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen alsmede veroordeelden te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in art. 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich een van de in het eerste lid van artikel 2 van de Wet genoemde gevallen voordoet. Een van deze gevallen betreft de situatie waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Dit is blijkens de wetsgeschiedenis slechts in twee uitzonderingssituaties aan de orde. Bij de eerste uitzondering gaat het om een veroordeling wegens een misdrijf voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn. Deze uitzondering correspondeert met het vereiste van het belang van het onderzoek in het voorbereidend onderzoek. De tweede uitzondering doet zich voor in het geval dat ondanks dat sprake is van een veroordeling wegens een relevant misdrijf, DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Hierbij valt te denken aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die dat in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstig lichamelijk letsel, ook nooit meer zal kunnen doen. De laatste uitzonderingsmogelijkheid heeft slechts een beperkte reikwijdte. Zij gaat verder dan de feitelijke onmogelijkheid dat wordt gerecidiveerd, maar vereist altijd een objectief waardeerbare omstandigheid; louter berouw of een belofte van de veroordeelde is onvoldoende (Kamerstukken II, 2002-2003, 28685, nr. 3, p. 11-12). Het betreft beperkt uit te leggen uitzonderingen (Hoge Raad 13 mei 2008, LJN: BC8231).

Een verdergaande belangenafweging dan in artikel 2, eerste lid, van de Wet is vervat, strijdt met het systeem van de Wet, terwijl het bepaalde in het IVRK daar evenmin toe noopt (vgl. HR 13 mei 2008, LJN: BC8231). De verweren die uitgaan van een andere opvatting worden dan ook verworpen.

Artikel 8 van het EVRM laat inbreuken op de persoonlijke levenssfeer toe, mits deze bij wet zijn voorzien, een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, in het belang van onder meer het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden voldoet aan deze gestelde eisen (vgl. Hoge Raad 3 maart 2009, LJN: BG9187).

In zaken als de onderhavige geldt echter wel dat proportionaliteitstoets die artikel 8 EVRM vergt in het concrete geval een licht kan werpen op de vraag of sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Wet, mede gelet op het doel van de Wet (vgl. Rechtbank Amsterdam 27 juni 2008, LJN: BD6519).

Uit de stukken in het dossier kan worden opgemaakt dat de veroordeelde bij het bewezen verklaarde vergrijp op straat een telefoon van iemand heeft weggenomen. Hij heeft verklaard dat hij dit had gedaan, omdat hij in de disco zijn telefoon verloren was en dit niet aan zijn moeder durfde te vertellen. Dit feit is gepleegd in een periode, waarin hij geconfronteerd werd met het overlijden van familieleden, waaronder zijn opa die veel voor hem betekende, en onder andere bij zijn stiefvader kanker is geconstateerd. Hij was niet eerder veroordeeld en is ook nadien niet met justitie in aanraking gekomen. De reclasseringsmedewerker van de Willem Schrikker Groep, die de veroordeelde begeleidt in het kader van het opgelegde reclasseringstoezicht, heeft in raadkamer positief over de veroordeelde gerapporteerd. Er zijn nog wel zorgen vanwege het lage IQ van de veroordeelde, waardoor de veroordeelde over weinig probleemoplossend vermogen beschikt om te kunnen denken hoe hij dingen anders moet aanpakken, maar er wordt aan gewerkt om hem daarin te trainen. Het gaat op school en thuis goed en hij wordt goed begeleid. Ook de omstandigheid dat hij spijt heeft van zijn daad en hij er zich van bewust is dat zijn gedrag onacceptabel is geweest, wordt door de reclasseringsmedewerker gezien als een ondersteunende factor waardoor het nu goed met hem gaat en er sprake is verminderde recidivekansen. De moeder van de veroordeelde komt betrokken over en heeft ook verklaard dat zij hem goed in de gaten houdt en het nu beter met haar zoon gaat.

De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde delict, gelet op het voorgaande, moet worden aangemerkt als een eenmalig incident, dat moeten worden bezien tegen de achtergrond van de levensfase waarin de veroordeelde verkeerde en met name de moeilijke periode, die hij doormaakte vanwege het overlijden van onder meer zijn opa en de ziekte van zijn stiefvader. Daarom wordt aannemelijk geacht dat het recidiverisico dat de veroordeelde in zich bergt zeer klein is. In het licht van de waarborgen van artikel 8 EVRM moet een langdurige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de veroordeelde die het bepalen en (vooral) het verwerken van het DNA-profiel met zich brengt in dit geval als disproportioneel worden aangemerkt.

De rechtbank zal het bezwaar daarom gegrond verklaren en de officier van justitie bevelen ervoor zorg te dragen dat het afgenomen celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het afgenomen celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.

Deze beschikking is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 15 oktober 2013 door:

mr. S.M. den Hollander, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier.