Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9070

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
C-10-409186 - HA ZA 12-811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Curator in haar hoedanigheid in het faillissement van eiseres krijgt geen uitkering krachtens met gedaagde gesloten brandverzekering omdat zij - i.s.m. waarheid - voor sluiten curator heeft meegedeeld dat zij het bedrijfspand (waarin eiseres spullen opsloeg, die moesten worden verrekend met gedaagde) huurde, terwijl dat niet zo was. Vordering is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/409186 / HA ZA 12-811

Vonnis van 20 november 2013

in de zaak van

mr. H.C. Lunter,

kantoor houdende te Drachten,

in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X Bestratingen B.V.] ,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. E.C.M.J. van Kempen,

tegen

naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.S. Janssen.

Partijen zullen hierna de curator en Allianz genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 mei 2013 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 oktober 2013 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X Bestratingen B.V.](hierna: [X Bestratingen B.V.]) dreef een groothandel in betonklinkers, beton(grondstoffen) en sierbestratingen en was sinds 1995 gevestigd in [woonplaats] aan het [adres 2]. Aldaar had zij een aantal panden in eigendom en huurde zij een aantal panden.

2.2.

[X Bestratingen B.V.] had een brandverzekering afgesloten bij Allianz ten behoeve van de inhoud van de door haar gebruikte panden[adres 1] in [woonplaats] [productie 1 bij conclusie van antwoord].

2.3.

[X Bestratingen B.V.] heeft een schriftelijk stuk overlegd [productie 2 bij dagvaarding] waarin het volgende staat:

“Overeenkomst d.d. 21-02-2008:

In aanmerking nemende dat [betrokkene 1] (middels PNO Pactum B.V.) eigenaar is van het pand gelegen aan [adres 2]te [woonplaats] en dat [X Bestratingen B.V.] dit pand in eigendom wil verkrijgen.

In aanmerking nemende dat [X Bestratingen B.V.] de benodigde financiering op dit moment niet geregeld kan krijgen. Waarschijnlijk zal een financiering binnen 3 jaar wel mogelijk zijn.

In aanmerking nemende dat het pand op dit moment wordt verhuurd aan Happy Trailer B.V. [op 6 januari 2009 gefailleerd, toevoeging rechtbank] voor € 100.000 en dat zij vóór 1 juli 2008 schriftelijk moeten aangeven of zij het pand ook in 2009 willen huren.

[betrokkene 1] en [X Bestratingen B.V.] komen het volgende overeen:

[X Bestratingen B.V.] voert vanaf heden het beheer over het pand: hij zal zorg dragen dat de opbrengst van het pand minimaal € 100.000 excl. Btw per jaar zal bedragen. Het meerdere boven € 100.000 per jaar zal op basis van 50%-50% worden toegerekend aan [betrokkene 1] en [X Bestratingen B.V.].

[X Bestratingen B.V.] garandeert een minimale opbrengst ad € 100.000. Indien de opbrengst lager is, dan betaalt [X Bestratingen B.V.] het verschil tussen € 100.000 en het lagere bedrag aan [betrokkene 1], m.a.w. [betrokkene 1] ontvangt altijd € 100.000 aan opbrengst.

Bij verkoop van een pand aan een derde zal de meeropbrengst boven € 1,7 mln verdeeld woning op basis van 50%-50% aan [betrokkene 1] en [X Bestratingen B.V.].

Het recht het pand te verkopen blijft voorbehouden aan [betrokkene 1].

Beide partijen spreken af dat zij elkaar tijdig zullen informeren indien sprake is van huur of verkoop.

Druten, 21 februari 2008

[betrokkene 1] [X Bestratingen B.V.]

(handtekening) (handtekening)”

2.4.

PNO Pactum B.V. (hierna: PNO Pactum) heeft [X Bestratingen B.V.] (in ieder geval) op 10 maart 2009 een factuur [productie 4 bij dagvaarding] gestuurd voor de “Huur” van januari 2009, februari 2009, maart 2009 en april 2009 met daarop de vermelding “huur [adres 2][woonplaats]”.

2.5.

Op 21 april 2009, heeft [Assurantiekantoor X], de tussenpersoon van [X Bestratingen B.V.], een e-mail gestuurd aan Allianz [productie 2 bij conclusie van antwoord] waarin onder meer het volgende staat:

“(...) De firma [X Bestratingen B.V.] te [woonplaats] is een grote relatie van jullie en ons.

Naast zijn bestaande verzekeringen heeft hij thans een loods gehuurd op [adres 2]te [woonplaats].

Hier zijn de volgende producten opgeslagen:

Grind / zand / stenen / natuurstenen ongeveer E. 900.000,00

Hout ongeveer E 100.000,00

Bouwaard van de loods is steen/hard.

Gaarne vanaf heden voorlopige dekking verlenen.

Premie-opgave???? Dekking:brand/storm of uitgebreid???. (...).”

2.6.

Allianz heeft in reactie daarop diezelfde dag per e-mail [productie 3 bij conclusie van antwoord] het volgende laten weten:

“Voorlopige dekking voor de gevaren Brand/Storm is akkoord, mits de goederen binnen staan. Als er ook goederen buiten staan is de dekking alleen Brand. (...)

Premie en definitieve acceptatie onder voorbehoud van deze inspectie.

Graag willen we ook nog het volgende weten:

  1. Wat verzekeren we precies?

  2. Staan goederen binnen of buiten?

  3. Meerdere gebruikers in gebouw?

  4. Belendingen

1. bestemmingen belendingen

2. afstand tot belendingen

5. Inbraakpreventie?

6. Brandpreventie?”

2.7.

In reactie daarop heeft [Assurantiekantoor X] bij e-mail van 24 april 2009 [productie 4 bij conclusie van antwoord] het volgende aan Allianz laten weten:

“Naar aanleiding van deze aanvraag heb ik op 22 april firma [X Bestratingen B.V.] bezocht.

Ik heb aldaar gesproken met de heer[betrokkene 2].

Deze vertelde mij het volgende:

Achter (op 25 meter) en naast (op 10 meter) van het huidige bedrijfspand van de firma [X Bestratingen B.V.] was bedrijf XX gevestigd. Dit bedrijf is de afgelopen jaren failliet gegaan waardoor de grote bedrijfsgebouwen leeg staan.

De bedrijfsvoering van de firma [X Bestratingen B.V.] is er op gericht dat alles zoveel mogelijk binnen staan. Daarom hebben zij deze panden gehuurd.

De voorraad grind/zand/stenen/natuurstenen en hout bevindt zich thans binnen deze gebouwen. Van hieruit worden de overige vestigingen van [X Bestratingen B.V.] bevoorraad.

Ook komt het voor dat er enkele bedrijfsauto’s binnen staan.

De firma [X Bestratingen B.V.] is de enige gebruiker van dit pand.

De gehuurde gebouwen zijn vrijstaand.

Er zijn geen inbraak/brandpreventieve maatregelen getroffen.

De verzekerde bedragen heb ik reeds doorgegeven.

Ik hoop hiermee u vragen te hebben beantwoord.”

2.8.

Bij e-mail van 6 juli 2009 [productie 6 bij conclusie van antwoord] heeft Allianz het volgende aan [Assurantiekantoor X] laten weten:

“Mede naar aanleiding van de inspectie hierbij reactie op de voorlopige dekking van de zaken van de heer [X Bestratingen B.V.].

Gezien de relatie en beperkte dekking en het feit dat het voor een groot deel steen, zand, grind betreft kunnen wij als volgt verzekeren:

  • -

    premie 2,25 o/oo

  • -

    dekking Brand/Storm

  • -

    BRU07 / 12 maanden

  • -

    Uitvoeren A-voorwaarden

  • -

    BRA234, 208, 132, ALG 931

  • -

    alsmede clausule: Nadrukkelijk is overeengekomen dat zaken die zich buiten het gebouw bevinden van de dekking zijn uitgesloten

Graag hoor ik van je of relatie hiermee akkoord kan gaan.”

2.9.

[X Bestratingen B.V.] heeft met dit voorstel ingestemd en vervolgens is op 20 juli 2010 de polis opgemaakt [productie 7 bij conclusie van antwoord], waarin onder meer het volgende staat:

“(...)

Polis van BRANDVERZEKERING Bladnr 1

VERZEKERINGNEMER (...)

[X Bestratingen B.V.](...)

RISICO-ADRES [adres 2], (...) [woonplaats] (...)

Omschrijving bedrijf handelsbedrijf op het gebied van tuininrichting

Bestemming gebouw opslag van handelsgoederen, tankplaats voor eigen auto’s en werkmaterieel. tevens opslag en stalling van

vrachtauto’s

Omschrijving bouwaard van steen/staal gebouwd met harde dekking (...)

Polis van BRANDVERZEKERING Bladnr 2

GOEDEREN, BEDRIJFSUITRUSTING

EN INVENTARIS: als vermeld in de betreffende omschrijving (...)”.

2.10.

Bij brief van 3 september 2009 [productie 3 dagvaarding] heeft de advocaat van [betrokkene 1] en PNO Pactum B.V. gesommeerd de in 2.3 geciteerde “overeenkomst” na te komen en over te gaan tot betaling van € 79.333,28.

2.11.

Op 6 januari 2012 omstreeks 17.15 uur is brand (hierna: de brand) uitgebroken in het pand aan het [adres 2]te [woonplaats] (hierna: het pand). In dit pand bevonden zich inventaris en goederen van [X Bestratingen B.V.].

2.12.

Tegenover de door brandverzekeraar Delta Lloyd ingeschakelde expert heeft de heer [X Bestratingen B.V.] op 11 januari 2012 een verklaring afgelegd. Daarvan is diezelfde dag een verslag opgemaakt [productie 8 CvA]. In die verklaring staat onder meer het volgende;

“(...) Het gesprek met [X Bestratingen B.V.] vond plaats in aanwezigheid van mr. E.C.M.J. van Kempen. (...)

Eind 2008 kwam de bedrijfshal op het adres [adres 2]te [woonplaats] leeg te staan. De eigenaar P.N.O. Pactum B.V. te Druten heeft mij toen vanwege de grote afstand gevraagd of ik als buurman toezicht wilde houden op deze leegstaande bedrijfshal. Ik heb toen met de heer [betrokkene 3]gesproken van PNO Pactum. Ik mocht het buitenterrein gebruiken voor opslag van stenen.

Het buitenterrein bleek echter minder geschikt voor dergelijke opslag (...). Daarom heb ik de stenen gaandeweg zonder toestemming of overleg met de opstaleigenaar binnen in de bedrijfshal opgeslagen. Het bedrijfsgebouw was tot die tijd in gebruik bij Happy Trailer. Nadat Happy Trailer vertrokken was en het pand leeg kwam te staan heb ik van een persoon van Happy Trailer een sleutel van het pand [adres 2]gekregen. Er is dus geen huur- of gebruikersovereenkomst gesloten met P.N.O. Pactum B.V. Afspraken over toezicht zijn mondeling besproken. Ik heb uit die mondelinge afspraken toen begrepen dat er geen bezwaar was dat er door mij stenen op het terrein zouden worden opgeslagen. In de loop van het jaar heb ik een deel van de stenen voorraad met de overige goederen in de loods opgeslagen. Daar wist de opstaleigenaar niets van. En van de opslag van overige goederen al helemaal niet. Ik heb dit op persoonlijke titel en zonder toestemming of overleg met de opstaleigenaar vooraf zo geregeld. (...)

In overleg met mr. Van Kempen is dit verslag aan mr. Kempen verstrekt en zal dit verslag op een later moment worden ondertekend.

Dit verslag is op woensdag 11 januari 2012 door mij [betrokkene 4], naar waarheid opgemaakt.

De onderzoeker,

[betrokkene 4] handtekening (naar de rechtbank aanneemt, van [X Bestratingen B.V.]) ”

2.13.

Stekelenburg Schade Onderzoek Bureau heeft in opdracht van Allianz onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand. Op pag. 12 resp. pag. 20 van het rapport van 30 januari 2012 [productie 10 conclusie van antwoord] staat onder meer:

“(...) GESPREK VERZEKERINGNEMER (...)

Op 25 januari 2012 werd (...) door mij, J. Stekelenburg, gesproken met:

De heer [X Bestratingen B.V.] (...)

Bij dit gesprek was aanwezig de heer mr. E. van Kempen (...)

V: Is er een huur- of andere overeenkomst tussen u en de opstaleigenaar?

A: Nee. Ik ben gevraagd om toezicht te houden. De opstaleigenaar had het pand gekocht om later te kunnen verkopen. Omdat de markt vanaf 2008 ingestort is mocht ik het buitenterrein gebruiken. In de loop van de tijd ben ik ook de hallen gaan gebruiken. Ik dacht dat dit wel mocht van de opstaleigenaar. (...)

SAMENVATTING

Op basis van de resulaten van het technisch onderzoek en de afgelegde verklaringen wordt door ons gesteld dat:

  • -

    de brand ontstond in een haldeel aan zijde van het opslagterrein

  • -

    in dat deel alleen de Scania vrachtwagen als oorzaak in aanmerking komt

  • -

    vanwege de totale vernietiging door de brand de oorzaak binnen de Scania niet kon worden vastgesteld (...).”

2.14.

Voorafgaand aan opstellen van het rapport van Stekelenburg heeft mr. Van Kempen, raadsman van [X Bestratingen B.V.], bij e-mail van 30 januari 2012 [productie 9 bij conclusie van antwoord] aan Jan Stekelenburg onder meer het volgende geschreven:

“(...) Naar aanleiding van jouw schriftelijke weergave van de verklaring van de heer [X Bestratingen B.V.] als volgt. (...)

Op p. 4 zou [X Bestratingen B.V.] verklaard hebben dat hij het pand [adres 2] mocht gebruiken van de opstaleigenaar. Hij mocht echter slechts het buitenterrein voor opslag van stenen gebruiken. (...)

Als jij dit even aanpast, dan kan [X Bestratingen B.V.] tekenen. (...)”

2.15.

Op 23 oktober 2012 is [X Bestratingen B.V.] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. H.C. Lunter tot curator. Zij heeft de door [X Bestratingen B.V.] aanhangig gemaakt gemaakte procedure overgenomen.

2.16.

Volgens het proces-verbaal van comparitie heeft [X Bestratingen B.V.] ter zitting onder meer het volgende verklaard:

“(...) Het gebruik van het pand [adres 2]meende ik te kunnen ontlenen aan de schriftelijke overeenkomst met de heer [betrokkene 1]. Eerst mocht ik van de heer [betrokkene 1] stenen buiten het pand [adres 2]opslaan. Op enig moment sprak ik met hem af dat ik stenen in het pand mocht opslaan. Die stenen kocht ik van hem. Ik denk dat die afspraak is gemaakt nadat de schriftelijke overeenkomst is opgemaakt maar dat weet ik niet meer. (...).”

3 De vordering

3.1.

De curator vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Allianz wordt veroordeeld tot betaling van:

I. € 1.121.017, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2012, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;

II. € 18.193 aan kosten van vaststelling van schade;

III. € 10.640 aan buitengerechtelijke kosten;

IV. de proceskosten.

3.2.

De curator vordert nakoming van de uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende verplichting tot vergoeding van de schade die [X Bestratingen B.V.] door de brand heeft geleden.

4 Het verweer

4.1.

Allianz concludeert tot:

- primair: afwijzing van de vordering;

- subsidiair: toewijzing van de vordering zonder het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

- meer subsidiair, indien het vonnis wel uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard: het daaraan verbinden van de voorwaarde dat [X Bestratingen B.V.] zekerheid stelt voor het toegewezen bedrag met een opslag van 10%, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

- alles met veroordeling van [X Bestratingen B.V.] in de proceskosten, waaronder de nakosten van € 131 zonder betekening dan wel € 199 met betekening, met betaling binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening van de proceskosten en de nakosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn

- een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

4.2.

Allianz voert daartoe het volgende aan.

[X Bestratingen B.V.] kan op twee gronden geen aanspraak maken op een uitkering onder de polis:

  1. [X Bestratingen B.V.] heeft voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst een verkeerde voorstelling van zaken gegeven: in weerwil van uitdrukkelijke mededelingen daarover had [X Bestratingen B.V.] het risicoadres niet gehuurd maar had zij het zonder medeweten van de eigenaar in gebruik genomen. Indien Allianz daarmee bekend zou zijn geweest, had zij – net als iedere andere verzekeraar – de verzekeringsovereenkomst niet gesloten. Allianz wenst niets te maken te hebben met illegale activiteiten zoals kraken.

  2. [X Bestratingen B.V.] heeft nagelaten om Allianz in kennis te stellen van een bestemmings-wijziging (tatooshop, opslag van goederen door drafsportvereniging, reparatie van auto’s en quads in voormalige spuitcabine waarbij onder meer werd gelast), terwijl zij op grond van de toepasselijke voorwaarden daartoe gehouden was op straffe van verval.

Verder wordt de schade betwist, evenals de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring.

5 De beoordeling

5.1.

Artikel 7:928 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Volgens lid 4 van dat artikel betreft de mededelingsplicht niet feiten die niet tot een voor de verzekeringnemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid. In artikel 7:930 lid 1 BW staat dat, indien aan de in artikel 928 omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, alleen recht op uitkering bestaat overeenkomstig de leden 2 en 3. Lid 4 bepaalt dat in afwijking van de leden 2 en 3 geen uitkering verschuldigd is indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten.

5.2.

De curator betwist niet het door Allianz geformuleerde uitgangspunt dat zij niets te maken wenst te hebben met illegale activiteiten zoals kraken en dat in die situatie geen enkele verzekeraar de verzekeringsovereenkomst zou hebben gesloten. Volgens haar is echter geen sprake van een illegale situatie. Er bestond weliswaar geen huurovereenkomst tussen [X Bestratingen B.V.] en de eigenaar van het pand, maar [X Bestratingen B.V.] mocht menen dat zij huurder was, althans [X Bestratingen B.V.] had toestemming van de eigenaar om het pand te gebruiken (voor de opslag van stenen).

5.3.

Vaststaat dat er geen huurovereenkomst bestond tussen [X Bestratingen B.V.] en PNO Pactum. Voor zover het door [X Bestratingen B.V.] eerst in de onderhavige procedure overgelegde schriftelijke stuk (zie 2.3) – waarvan Allianz de echtheid betwist – als overeenkomst tussen haar en PNO Pactum moet worden beschouwd, kan deze niet worden aangemerkt als een huurovereen-komst. Huur is de overeenkomst waarbij de verhuurder zich verbindt aan de huurder een zaak in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie (artikel 7:201 lid 1 BW) en daarvan is hier geen sprake. Uit het stuk kan evenmin worden afgeleid dat [X Bestratingen B.V.] gerechtigd was het pand te gebruiken. In het stuk wordt slechts gesproken over het beheer van het pand door [X Bestratingen B.V.] en de door haar afgegeven huurgarantie.

5.4.

Dat [X Bestratingen B.V.] op goede gronden veronderstelde dat zij huurder was – mede gelet op de facturen van respectievelijk de aanmaningen namens PNO Pactum, de op zich genomen “onderhoudsverplichting” en huurgarantie, de getroffen brandpreventieve voorzieningen en het betalen van het gebruikersdeel van de OZB-belasting en van lasten als de waterrekening – en dat zij daarom terecht via haar tussenpersoon aan Allianz had laten weten dat sprake was van huur, kan niet worden aanvaard. Uit de door [X Bestratingen B.V.] gestelde feiten en omstandig-heden volgt niet dat zij er vanuit mocht gaan dat PNO Pactum haar het pand in gebruik gaf en dat daar een tegenprestatie tegenover stond. Evenmin volgt daaruit dat PNO Pactum bekend was met het gebruik van het pand door [X Bestratingen B.V.] en dat zij daar (stilzwijgend) mee instemde. [X Bestratingen B.V.], een professionele partij die ter plaatse een aantal panden huurde, mocht er dus niet vanuit gaan dat zij huurder was, hetgeen bekend was bij haar, althans bij haar bekend had behoren te zijn.

5.5.

Voor zover er (andere) afspraken zouden zijn gemaakt door PNO Pactum en [X Bestratingen B.V.] – hetgeen [X Bestratingen B.V.] stelt en Allianz betwist – kan uit de wisselende verklaringen die [X Bestratingen B.V.] in de loop der tijd hierover heeft afgelegd (zie 2.12, 2.13, 2.14 en 2.16) niet worden afgeleid dat zij op een andere grondslag dan huur gerechtigd was tot het gebruik van het pand. Uit die verklaringen kan slechts worden afgeleid dat [X Bestratingen B.V.] van de eigenaar het buitenterrein mocht gebruiken voor de opslag van stenen en dat zij “dacht” dat zij ook de daarop gevestigde bedrijfshal mocht gebruiken voor de opslag van stenen (en andere goederen). Dat [X Bestratingen B.V.] toestemming van PNO Pactum had om de bedrijfshal te gebruiken voor de opslag van haar handelsvoorraad en/of haar goederen volgt uit de verklaringen van [X Bestratingen B.V.] niet.

5.6.

In de dagvaarding stelt [X Bestratingen B.V.] niet alleen dat zij toestemming van de eigenaar had om het pand te gebruiken voor de opslag van stenen (alinea 13), maar ook – meer algemeen – dat zij het pand met toestemming van de eigenaar in gebruik had (alinea 12, laatste zin). Zij heeft dit echter verder niet onderbouwd, ook niet ter zitting waar zij weer iets anders verklaarde (zie 2.16). Dit had echter wel op haar weg gelegen, zeker gelet op de wisselende, andersluidende verklaringen die zij eerder hierover heeft afgelegd.

5.7.

[X Bestratingen B.V.] stelt ook nog dat Allianz vragen had moeten stellen indien de grondslag van het gebruik van het pand zo belangrijk voor haar was zoals zij nu stelt, hetgeen zij niet heeft gedaan. Terecht voert Allianz daartegen aan dat de tussenpersoon van [X Bestratingen B.V.] haar voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst tot twee maal toe (zie 2.5 en 2.7) heeft meegedeeld dat [X Bestratingen B.V.] het pand huurde – hetgeen de tussenpersoon (en dus ook [X Bestratingen B.V.]) op goede gronden van belang achtte om aan Allianz mee te delen – en dat zij mocht uitgaan van de juistheid van die mededeling. Er was daarom geen aanleiding voor Allianz om hier navraag naar te doen.

5.8.

Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom. [X Bestratingen B.V.] heeft niet voldaan aan haar verplichting om het feit dat zij het pand niet huurde noch anderszins gerechtigd was tot het gebruik van het pand (hetgeen haar bekend was, althans bekend had behoren te zijn) aan Allianz mee te delen, terwijl [X Bestratingen B.V.] wist, althans behoorde te weten dat de beslissing van Allianz of zij de verzekering wilde sluiten hiervan afhing of in ieder geval hiervan kon afhangen. Vaststaat immers dat Allianz, evenals enige andere verzekeraar, de verzekering niet zou hebben gesloten indien zij zou hebben geweten dat het gebruik door [X Bestratingen B.V.] van het pand onrechtmatig was. Allianz is daarom geen uitkering verschuldigd.

5.9.

De vordering zal worden afgewezen. Hetgeen partijen overigens hebben aan-gevoerd kan onbesproken blijven. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Die kosten worden begroot op (€ 3.621 aan vastrecht en € 6.422 aan salaris advocaat = ) € 10.043

6 De beslissing

De rechtbank

wijst het gevorderde af;

veroordeelt de curator in de kosten, aan de zijde van Allianz tot op heden begroot op € 10.043, te vermeerderen met de nakosten van € 131 zonder betekening dan wel € 199 met betekening, met betaling binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis en – voor het geval voldoening van de proceskosten en de nakosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bouter en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.1

1 type: 420 coll: