Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9054

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
AWB - 13_02755
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wft, depositogarantiestelsel, achtergesteld deposito, alsnog aanvraag ingediend, termijnoverschrijding, niet verschoonbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/2755

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats 1], eiser,

en

de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), verweerster,

gemachtigde: mr. S.M.C. Nuyten.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2012 (het primaire besluit) heeft DNB eisers verzoek om vergoeding op grond van het depositogarantiestelsel (DGS) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 20 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2012. Eiser is verschenen. Namens DNB zijn verschenen haar gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. E.S. Sijmons, vergezeld door mr. A. Veuskens, werkzaam bij DNB.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 3:259, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is er een depositogarantiestelsel dat tot doel heeft depositohouders te compenseren in het geval een bank niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen uit deposito's.

1.1

Ten aanzien van DSB Bank N.V. (DSB) is door de rechtbank Amsterdam op 12 oktober 2009 een noodregeling als bedoeld in afdeling 3.5.5 van de Wft van toepassing verklaard. Vervolgens heeft DNB op 19 oktober 2009 het DGS in werking gesteld.

1.2

Op 2 februari 2010 heeft eiser een aanvraag op grond van het DGS online ingediend en ondertekend via Digid. Op die aanvraag staan de volgende gegevens vermeld:

“AANVRAAGFORMULIER VERGOEDING DEPOSITOGARANTIESTELSEL DSB BANK N.V.

1.

GEGEVENS VAN DE AANVRAGER

Persoonsgegevens van de aanvrager

Aanhef: Dhr

Achternaam: [naam]

Tussenvoegsel:

Voorletters:[voorletters]

Postcode: [postcode]

Huisnummer[nummer]

Adres: [adres]

Woonplaats:[woonplaats 2]

Land: [land]

Geboortedatum: [geboortedatum]

BSN: [BSN]

Telefoonnummer: [telefoonnummer]

E-mail: [e-mailadres 1]

Bankrekeningnummer: [rekeningnummer]

(waarop u een vergoeding onder het

depositogarantiestelsel wilt ontvangen)

Naam bank: RABOBANK NEDERLAND

Tenaamstelling van de bankrekening:[naam]

IBAN nummer: [rekeningnummer]

BIC code: [code]

U heeft aangegeven via elektronische weg te willen corresponderen met de Nederlandsche Bank met betrekking tot deze aanvraag. Tevens heeft u verklaard voldoende bereikbaar te zijn op onderstaand emailadres.

Opgegeven emailadres: [e-mailadres 2]”


1.3 Bij besluit van 4 februari 2010 heeft DNB eisers verzoek om vergoeding op grond van het DGS toegewezen tot een bedrag van € 198,33 aan rente op de door eiser aangehouden achtergestelde depositorekening bij DSB. Voorts heeft DNB vergoeding van de hoofdsom van het achtergesteld deposito op die rekening, dat op 12 oktober 2009 € 5.000,- bedroeg, geweigerd. In de bij dit besluit gevoegde aanvullende toelichting met betrekking tot achtergestelde deposito’s staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:



“Zoals in diverse media te lezen is geweest, zal namens leden van betrokken belangenorganisaties een procedure tegen de Nederlandsche Bank worden aangespannen waarbij de rechter zal beoordelen of de Nederlandsche Bank terecht heeft beslist dat achtergestelde deposito’s niet onder de dekking van het depositogarantiestelsel vallen. Hierbij is het streven om op zo kort mogelijke termijn een uitspraak van de rechter te krijgen. Mocht de rechter uiteindelijk tot een ander oordeel komen dan de Nederlandsche Bank, dan zal de Nederlandsche Bank houders van achtergestelde deposito’s in de gelegenheid stellen om – voor zover nodig – alsnog een aanvraag in te dienen, dan wel zal de Nederlandsche Bank de aanvraag heroverwegen. Gezien het bovenstaande is het op dit moment dus niet nodig een bezwaarschrift in te dienen tegen de afwijzing van de aanvraag van de hoofdsom van het achtergesteld deposito.”

1.4

Eiser heeft tegen het besluit van 4 februari 2010 geen rechtsmiddel ingesteld.

1.5

Op 30 juni 2011 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in zijn uitspraak van 30 juni 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BQ9755) - kort gezegd - bepaald dat (ook) de hoofdsom van achtergestelde deposito’s aanspraak geeft op vergoeding op grond van het DGS.

1.6

Naar aanleiding van deze uitspraak van het CBb heeft DNB de houders van achtergestelde deposito’s bij DSB (deposanten) in staat gesteld alsnog een aanvraag om vergoeding op grond van het DGS - bedoeld voor herziening of verschoonbaar te laat ingediende verzoeken - elektronisch bij DNB in te dienen in de periode van 1 september 2011 tot 30 november 2011.


1.7 Bij e-mail van 8 november 2012 heeft eiser bij DNB een verzoek ingediend om herziening van het besluit van 4 februari 2010 voor zover daarbij vergoeding van de hoofdsom van zijn achtergestelde deposito onder het DGS is geweigerd (het verzoek).

2.

Aan het bestreden besluit heeft DNB - onder handhaving van het primaire besluit - ten grondslag gelegd dat zij eisers verzoek buiten behandeling heeft gesteld, omdat hij dit verzoek ruim buiten de uiterlijke termijn van 1 september 2011 tot 30 november 2011 heeft ingediend. Dit is volgens DNB onredelijk laat, terwijl de door eiser gegeven redenen voor deze overschrijding volgens haar geen verschoonbare termijnoverschrijding opleveren.

DNB heeft voorts aangevoerd dat zij zich primair op het standpunt stelt dat er door DNB via algemene berichtgeving voldoende bekendheid is gegeven aan de - beperkte - mogelijkheid om alsnog in aanmerking te komen voor vergoeding onder het DGS. Zo is de deposanten in de beslissingen op hun eerdere aanvragen meegedeeld dat de rechter zou oordelen of achtergestelde deposito’s al dan niet voor vergoeding onder het DGS in aanmerking zouden komen; bij eiser is dit in het besluit van 4 februari 2010 meegedeeld. Daarnaast is deze mogelijkheid bekend gemaakt op de eigen website van DNB, in de Staatscourant van 31 augustus 2011 (Stcrt. 2011, 15660) en in zes landelijke dagbladen. Ook heeft DNB de bij DSB geregistreerde e-mailadressen van deposanten een inlogcode gemaild. Bovendien hebben diverse media er aandacht aan besteed. Daar bovenop, als extra service, heeft DNB er nog voor gekozen de deposanten die niet reageerden individueel te benaderen via de telefoon, aldus DNB.

3.

Eiser betoogt dat DNB zijn verzoek ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld, omdat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De diverse berichtgeving van DNB heeft hem niet bereikt en dat kan hem niet worden verweten. In de eerste plaats omdat hij ten tijde van de - media-aandacht voor de - uitspraak van het CBb in het buitenland verbleef voor een vakantie. Voorts heeft DNB fouten in de adressering gemaakt bij het versturen van post en e-mails en tot slot acht hij het onmogelijk dat DNB hem zou hebben gebeld dan wel een voicemailbericht zou hebben ingesproken; dan zou hij namelijk altijd hebben teruggebeld.

3.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat op het aanvraagformulier uit 2010 in het zwarte kader het e-mailadres ‘[e-mailadres 1]’ staat vermeld, wat een onjuist
e-mailadres is dan wel niet door eiser wordt gebruikt. Vervolgens blijkt verderop uit het aanvraagformulier dat eiser heeft gekozen via de elektronische weg met DNB te corresponderen en vervolgens zijn juiste e-mailadres ‘[e-mailadres 2]’ heeft ingevuld. Gelet daarop is de overweging van DNB in het bestreden besluit op pagina 4, onder ii) dat dat er niet aan af doet, niet zorgvuldig. Bovendien is het moeilijk te volgen dat DNB het juiste e-mailadres ‘[e-mailadres 2]’ destijds alleen heeft gebruikt ten behoeve van de digitaal gevoerde procedure die zag op de aanvraag uit 2010 en dat DNB na de uitspraak van het CBb bij het digitaal toezenden van een login-code aan eiser gebruik is gemaakt van het e-mailadres ‘[e-mailadres 1]’. DNB heeft daarvoor ter zitting de verklaring gegeven dat zij voor het individueel benaderen van de deposanten in 2012 gebruik heeft gemaakt van uit de administratie van DSB, na de uitspraak van het CBb geüpdatete, adresgegevens. Echter, ter zitting heeft eiser aan hem gerichte correspondentie van DSB laten zien met daarop zijn juiste adresgegevens. Onduidelijk is dan ook gebleven waarom DNB gebruik heeft gemaakt van onjuiste adresgegevens van eiser. Daartegenover staat dat eiser, zoals DNB terecht stelt en door eiser niet is weersproken, de destijds in 2010 op het aanvraagformulier in het zwarte kader vermelde adresgegevens, die volgens eiser onjuist zijn, niet heeft gecorrigeerd toen hij de aanvraag indiende, terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had.

3.2

Eisers verzoek om herziening is een verzoek aan DNB om terug te komen op het eerder genomen besluit van 4 februari 2010. De rechtbank stelt daarbij voorop dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij na de uitspraak van het CBb niet gehouden was tot ambtshalve herziening van de eerder genomen besluiten inzake de achtergestelde deposito’s over te gaan.

3.3

Vaststaat dat eisers verzoek van 8 november 2012 ruim buiten de door DNB gestelde termijn voor het indienen van een verzoek om herziening, die liep tot 30 november 2011, is ingediend. In geschil is vervolgens of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zoals ter zitting is vastgesteld zijn in de verwerking van eisers adresgegevens ten tijde van de aanvraag om vergoeding in 2010 en, als gevolg daarvan, in de individuele berichtgeving van DNB na de uitspraak van het CBb onregelmatigheden geslopen. Behalve de hiervoor vermelde onduidelijkheid rondom eisers e-mailadres, is gebleken dat de combinatie van het adres[adres] met postcode[postcode] en huisnummer [nummer] geen bestaand adres is, maar een samenvoeging is van eisers adres in Nederland en dat in [woonplaats 2]. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze onregelmatigheden er debet aan kunnen zijn geweest dat eiser niet tijdig van de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om herziening op de hoogte is geraakt, maar dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet maken dat DNB om die reden over dient te gaan tot vergoeding op grond van het DGS. Over de mogelijkheid een verzoek om herziening dan wel alsnog een aanvraag in te dienen voor wat betreft deposanten die dit eerder - verschoonbaar - nog niet gedaan hadden, heeft DNB naar het oordeel van de rechtbank voldoende algemene berichtgeving doen uitgaan via officiële publicatie in de Staatscourant, haar website en de landelijke dagbladen, zoals DNB ook primair stelt. Ook hebben de media er uitgebreid aandacht aan besteed. Dat deze algemene berichtgeving eiser niet heeft bereikt is dan ook een omstandigheid die voor risico van eiser dient te komen.
Daartoe wordt mede van belang geacht dat eiser in de toelichting bij het besluit van 4 februari 2010 heeft kunnen lezen dat de rechter nog over de vergoeding van achtergestelde deposito’s zou oordelen, zodat - zoals DNB terecht opmerkt - van eiser mocht worden verwacht dat hij zich actief informeerde over het verloop van de procedure. Dat eiser in de periode 2011-2012 in[woonplaats 2] woonachtig was, maakt dit niet anders.
Dat de individuele berichtgeving, die DNB als extra service heeft doen uitgaan, eiser ook niet heeft bereikt door voornoemde onregelmatigheden, doet er ook niet aan af.

3.4

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eisers verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend. De door eiser aangevoerde omstandigheden, hoewel invoelbaar is dat eiser zich door DNB’s gebruik van een onjuist e-mailadres benadeeld voelt, kunnen geen grond vormen de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Eisers betoog faalt derhalve.

4.

Gelet op voorgaande overwegingen houdt het bestreden besluit in rechte stand, zodat het beroep ongegrond is.

5.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.M. van der Kuil, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
21 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.