Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:9046

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
KTN-2053920
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot opdracht onder voorwaarde toekennen subsidie, voortijdig beeindigd, recht op vol of redelijk loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2053920 CV EXPL 13-22039

uitspraak: 15 november 2013

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam

in de zaak van

de stichting [eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. B.C.M. van Riel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

gemachtigde: de heer H.A.C.C. Brouwer.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” en “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het proces

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 15 mei 2013, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2

De datum van deze uitspraak is door de kantonrechter nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover thans van belang, het volgende vast.

2.1

[eiseres] en [gedaagde] hebben op 15 september 2011 een overeenkomst van opdracht gesloten inzake het uitvoeren van een verbetertraject zoals omschreven in de op 8 september 2011 opgestelde aanvraag voor ESF-subsidie – actie E – sociale innovatie (hierna: het verbetertraject). Het traject heeft betrekking op de ICT afdeling van [gedaagde].

Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing.

Artikel 9 van deze algemene voorwaarden luidt:

“Annulering of wijziging

Bij annulering of wijziging van de gehele of gedeeltelijke opdracht, (…) is de opdrachtgever gehouden aan [eiseres] alle met het oog op uitvoering van de opdracht redelijkerwijs gemaakte onkosten (kosten van voorbereiding, ontwikkeling, opslag, provisie en dergelijke) te vergoeden (…) onverminderd het recht van [eiseres] op vergoeding wegens winstderving, zomede van de overige uit de bewuste annulering of wijziging voortvloeiende schaden (…)”

2.2

De overeenkomst is aangegaan onder de navolgende voorwaarden:

“- De aanvraag voor ESF-subsidie wordt op of zo snel mogelijk na 3 oktober 2011 opgesteld en verstuurd door [eiseres]

- Voor het indienen van de subsidieaanvraag worden geen kosten in rekening gebracht, ervan

uitgaande dat de subsidieaanvraag ook daadwerkelijk wordt ingediend. Wanneer dat niet het geval mocht zijn, wordt een bedrag in rekening gebracht van € 1.650.

- Het traject vangt aan zo snel mogelijk na toekenning van de ESF-subsidie, verwacht omstreeks januari 2012. Wanneer deze niet wordt toegekend zullen [gedaagde] ICT en [eiseres] zich inspannen andere mogelijkheden voor uitvoering van het traject in dezelfde of gewijzigde vorm te vinden. In dat geval wordt een nieuwe opdrachtbevestiging gemaakt.

- Het streven is om de opdracht binnen het maximale subsidiebudget van € 24.000 uit te voeren. Overschrijding hiervan door keuzes tijdens het traject van meer dan 20% worden schriftelijk overeengekomen.

Het tarief voor bovenstaand traject bedraagt € 125,- per uur, exclusief BTW, reis- en locatiekosten. Facturering geschiedt maandelijks op basis van nacalculatie.”

2.3

Op 10 oktober 2011 is de door [eiseres] opgestelde aanvraag voor de subsidieverlening ingediend door [gedaagde]. Bij brief van 11 februari 2012 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [gedaagde] een beschikking verstrekt, inhoudende dat er subsidie wordt verleend voor het verbetertraject.

2.4

Op 21 maart 2012 verzoekt [eiseres] [gedaagde] om duidelijkheid met betrekking tot de aanvangstermijn van het verbetertraject. Per e-mail van 26 maart 2012 antwoordt de heer[A], director ICT van [gedaagde], hierop als volgt – voor zover relevant -:

“Het plan is gewijzigd, wij als ICT afdeling gaan dit traject niet lopen. Ik heb ondertussen aan [B] en [C] gevraagd of er interesse is van uit andere afdelingen. Hier heb ik nog geen reactie op gekregen.

De reden is dat we op dit moment (na weer een calamiteit) een tweetal outsourcing trajecten gaan lopen die impact hebben op mensen.

Outsourcing met overname van mensen naar een andere partij. Je begrijpt dat tijdens een dergelijk traject we niet meer praten over teamspirit of teambuilding.

Als ik een antwoord heb van [C] of [B] laat ik je het z.s.m. weten. […]

Laten we volgende week even afspreken zodat ik een toelichting kan geven op de ontstane situatie.”

2.5

Bij brief van 20 november 2012 is [gedaagde] namens [eiseres] aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiseres] heeft geleden door het vroegtijdig beëindigen van de overeenkomst.

3 De vordering

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, – verkort weergegeven –:

primair

  1. [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 24.000,00 althans enig ander in goede justitie vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

  2. [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen de buitengerechtelijke kosten ad € 1.228,15, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  3. [eiseres] beperkt haar vordering – voor zover noodzakelijk – voor zover gecumuleerd onder 1 en 2 tot € 25.000,00 en doet van het meerdere uitdrukkelijk afstand;

subsidiair

4) tot nakoming van [gedaagde] van de op 13 september 2011 gesloten overeenkomst, met inachtneming van de voorwaarde zoals in de dagvaarding genoemd met betrekking tot de periode en het totaalbedrag van de opdracht(en) en met veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding aan [eiseres] van de door haar geleden schade ten bedrage van € 10.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

met proceskostenveroordeling, waaronder de nakosten, te voldoen binnen 14 dagen na datum vonnis en bij gebreke daarvan de (na)kosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

Aan haar vordering legt [eiseres] naast de onder 2 genoemde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag.

Met betrekking tot haar primaire vordering:

3.2.1

[gedaagde] heeft de overeenkomst van opdracht eenzijdig en voortijdig opgezegd in verband met een grote reorganisatie, waardoor de overeenkomst niet kan worden uitgevoerd. De reden van beëindiging is [gedaagde] toe te rekenen, althans ligt in haar risicosfeer, zodat zij gehouden is [eiseres] loon dan wel winstderving te betalen.

3.2.2

Primair maakt [eiseres] aanspraak op het volledige loon ad € 24.000,00 op grond van artikel 7:411 lid 2 BW hetgeen gegeven de omstandigheden ook redelijk is.

Subsidiair heeft [eiseres] recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon op grond van artikel 7:411 lid 1 BW.

Meer subsidiair maak [eiseres] aanspraak op een vergoeding wegens winstderving (gelijk aan het geleden omzetverlies nu [eiseres] geen kosten heeft gemaakt) ad € 24.000,00 op grond van artikel 9 van haar algemene voorwaarden.

3.2.3

Bij e-mail van 26 maart 2013 heeft [gedaagde] laten weten dat het verbetertraject niet op de afdeling ICT uitgevoerd kan worden. [eiseres] heeft zich ingezet om de verleende subsidie in te zetten bij projecten op andere afdelingen binnen [gedaagde], hetgeen binnen de criteria voor het verstrekken van de subsidie mogelijk is. Tijdens een gesprek op 2 juli 2012 heeft [gedaagde] [eiseres] kenbaar gemaakt dat het verbetertraject niet zal worden afgerond binnen de subsidieperiode zodat er geen beroep meer gedaan kon worden op de subsidiebeschikking en dat er gekeken zal worden naar de mogelijkheden voor vervangend werk in de periode van 2012 tot en met 2013.

[eiseres] heeft zich gedurende deze periode beschikbaar gehouden voor [gedaagde] en andere opdrachten geweigerd. Daarnaast heeft zij een speciaal programma ontwikkeld voor het verbetertraject.

Met betrekking tot haar subsidiaire vordering:

3.2.4

Voor het geval het primair gevorderde niet toewijsbaar is vordert [eiseres] nakoming van de overeenkomst alsmede vergoeding van de redelijke (vertragings)schade thans begroot op € 10.000,00 aan gederfde winst.

Het is aan [gedaagde] te wijten dat het verbetertraject niet tijdig is uitgevoerd. De gevorderde schade ziet op de periode van april 2012 tot oktober 2012. [eiseres] heeft zich in deze periode beschikbaar gehouden voor [gedaagde] en andere opdrachten geweigerd.

3.2.5

[gedaagde] schiet tekort in de nakoming van haar betalingsverplichting uit de wet dan wel de tussen partijen gesloten overeenkomst en is in verzuim. Door de non-betaling van [gedaagde] was [eiseres] genoodzaakt haar vordering uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken, welke kosten voor rekening van [gedaagde] dienen te komen.

4 Het verweer

4.1

[gedaagde] heeft de vordering betwist en geconcludeerd tot afwijzing danwel matiging daarvan. Zij heeft daartoe het volgende -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- aangevoerd.

4.1.1

Er is sprake van gewijzigde uitgangspunten nu een herstructurering van de overheadorganisatie ingegeven door de slechte economische omstandigheden en daarmee samenhangende keuze voor outsourcing de grond voor het verbetertraject heeft weggeslagen, zowel voor de ICT afdeling als andere afdelingen. De ESF-subsidie die hiervoor is toegekend, is hierdoor ook niet meer van toepassing. Gewezen wordt in dit verband naar de in het Plan van aanpak onder punt 1. sub b genoemde “nut en noodzaak voor verbeteren” dat niet meer aanwezig was. Er is gezocht naar alternatieven, maar deze zijn niet gevonden. Deze omstandigheden maken dat het voor [gedaagde] blijvend onmogelijk is geworden haar deel van de overeenkomst na te komen. [gedaagde] heeft de overeenkomst met [eiseres] per 26 maart 2012 rechtsgeldig opgezegd. Na deze annulering is zij dan ook bevrijd van de verbintenis.

4.1.2

Op grond van artikel 9 van de algemene voorwaarden is [gedaagde] slechts gehouden redelijkerwijs gemaakte onkosten te vergoeden.

[gedaagde] heeft zich gerealiseerd dat zij schadeplichtig is, echter [eiseres] heeft nimmer de door [gedaagde] gevraagde onderbouwing van haar schade gegeven, zodat het voor [gedaagde] niet mogelijk is, buiten het erkende bedrag van € 1.650,00, de redelijkheid en billijkheid daarvan vast te stellen. Had [eiseres] dit wel gedaan of pogingen ondernomen om tot een minnelijke regeling te komen dan had zij haar vordering kunnen verkrijgen buiten rechte.

4.1.3

Uit de inhoud van de e-mail van 26 maart 2013 heeft [eiseres] wetenschap gekregen dat de kans op voortzetting van het verbetertraject nihil is zodat zij vanaf die datum haar omzet elders had kunnen veiligstellen.

4.1.4

[gedaagde] betwist dat er buitengerechtelijke kosten gemaakt zijn.

5 De beoordeling van de vordering

5.1

[gedaagde] heeft uitdrukkelijk afstand gedaan van het meerdere boven € 25.000,00 zodat de kantonrechter bevoegd is van het onderhavig geschil kennis te nemen.

5.2

De overeenkomst tussen partijen betreft een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. B.W. [gedaagde] kan op grond van artikel 7:408 BW deze overeenkomst van opdracht tussentijds opzeggen, hetgeen zij gedaan heeft.

Tussen partijen is in geschil per wanneer de overeenkomst is opgezegd en wat de gevolgen daarvan zijn.

Volgens [gedaagde] heeft zij de overeenkomst beëindigd per e-mail van 26 maart 2012 wegens omstandigheden die haar niet zijn toe te rekenen waardoor zij conform artikel 9 van de algemene voorwaarden alleen de gemaakte onkosten aan [eiseres] verschuldigd is. [gedaagde] erkent dan ook de verschuldigdheid van een bedrag van € 1.650,00 inzake de aanvraag van de subsidie en een bedrag van € 1.500,00 (12 uur x € 125,00 voor het opstellen van een plan van aanpak).

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] de overeenkomst eerst heeft opgezegd per 2 juli 2012.

5.3

Aan de hand van artikel 7:411 BW dient beoordeeld te worden of [eiseres] recht heeft op loon en zo ja, welk loon.

5.4

Een opdrachtnemer heeft recht op loon indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van volbrenging van de opdracht. Vaststaat dat de beloning van [eiseres] afhankelijk was van de toekenning van de subsidie. Kern van een dergelijk gesubsidieerd traject is dat de opdrachtgever bewust het risico aanvaardt dat niet alle kosten van het traject gesubsidieerd worden. Dat brengt echter niet mee dat de opdrachtnemer het risico aanvaardt bij tussentijdse opzegging door de opdrachtgever niets te ontvangen. Dit betekent dat [eiseres] recht heeft op loon.

5.5

Wil [eiseres] recht hebben op het volle loon krachtens het tweede lid van artikel 7:411 BW dan dient het einde van de overeenkomst aan [gedaagde] toe te rekenen te zijn en voorts dient de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk te zijn.

5.6

Wat betreft de beëindiging van de overeenkomst is tussen partijen niet in geschil dat de overeenkomst van opdracht door intrekking en niet wegens wanprestatie aan de zijde van [gedaagde] is beëindigd. Dit staat er niet aan in de weg dat het einde van de overeenkomst wel aan [gedaagde] valt toe te rekenen in de in artikel 7:411 lid 2 BW bedoelde zin (HR 28 januari 2005, NJ 2008, 41).

5.7

Bij de beoordeling of betaling van het volle loon redelijk is zijn de volgende omstandigheden van belang:

a. De duur van de overeenkomst tot het moment van beëindiging.

De looptijd van de overeenkomst kan in twee gedeelten worden gesplitst, namelijk de periode tot en met de toekenning van de subsidie op 11 februari 2012 en de periode daarna. Over de eerste periode zijn partijen het eens dat [eiseres] recht heeft op een vergoeding van € 1.650,00. Ten aanzien van de tweede periode twisten zij er over tot welke datum de overeenkomst heeft voortgeduurd.

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de onder 2.4 geciteerde e-mail van 26 maart 2012 niet dat [gedaagde] per die datum de overeenkomst opzegt. Zij deelt in deze e-mail [eiseres] immers mede dat het verbetertraject niet op de ICT-afdeling uitgevoerd kan worden en dat er ondertussen intern bij [B] en [C] is rondgevraagd of er interesse is vanuit andere afdelingen. Dat van opzegging geen sprake is geldt te meer gelet op de navolgende inhoud van de door [eiseres] ingebrachte en door [gedaagde] niet betwiste e-mails van [C], manager HRM FoodService en Staf bij [gedaagde], d.d. 25 april 2012 waarin zij schrijft dat er binnen [gedaagde] gedacht wordt aan de afdeling Finance, en de e-mail d.d. 11 mei 2012 waarin zij schrijft dat het handiger is om contact op te nemen met [B], en indien een en ander niet zonder subsidie geregeld kan worden, er eerst helderheid over de business case zou moeten komen alvorens er een traject in gang gezet kan worden. Door op een dergelijke wijze te communiceren, geeft [gedaagde] er zelf blijk van in ieder geval tot 11 mei 2012 uit te gaan van het alsnog uitvoeren van het verbetertraject onder de subsidieregeling.

Dat de overeenkomst ook zonder toekenning van subsidie een doorgang zal hebben zoals [eiseres] heeft gesteld, kan hier echter niet uit afgeleid worden. Nu [eiseres] deze stelling niet nader heeft onderbouwd, wordt deze als onvoldoende gemotiveerd verworpen. .

[eiseres] heeft daarentegen wel gemotiveerd gesteld dat het haar tijdens een gesprek op 2 juli 2012 met [gedaagde] pas duidelijk is geworden dat het verbetertraject niet meer doorging. [gedaagde] heeft hieromtrent geen ander inhoudelijk verweer gevoerd dan te stellen dat de beëindiging van de overeenkomst wel duidelijk was per e-mail van 26 maart 2012, welke stelling hierboven reeds is verworpen.

Het verweer van [gedaagde] dat het [eiseres] duidelijk moet zijn geweest dat de overeenkomst was opgezegd omdat [eiseres] zelf aangeeft in haar

correspondentie dat de uitvoering van het verbetertraject qua tijdspad vrijwel onmogelijk wordt omdat de subsidieperiode niet verschoven kan worden, is onbegrijpelijk nu [eiseres] in deze correspondentie juist blijft vragen aan [gedaagde] welke afdeling in aanmerking komt voor het verbetertraject.

Nu ook overigens niet anders is gebleken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stelling van [eiseres] dat de overeenkomst per 2 juli 2012 is beëindigd.

b. De omvang van de verrichte werkzaamheden na toekenning van de subsidie.

In de dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat zij zich veelvuldig en langdurig heeft ingespannen om vervangende werkzaamheden te verrichten en dat zij zich beschikbaar heeft gehouden door een andere opdracht niet aan te nemen totdat de overeenkomst werd beëindigd. Zij verwijst voor de volle omvang van haar schade ad € 29.650,00 naar een brief gedateerd 20 november 2012 opgesteld door FNV Zelfstandigen. [gedaagde] heeft van deze schade erkend een bedrag ad € 1.650,00 voor het aanvragen van de subsidie en een vergoeding voor 12 gewerkte uren, zijnde € 1.500,00 aan [eiseres] verschuldigd te zijn, het meerdere wordt door [gedaagde] betwist. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] niet meer gedaan dan navraag doen bij het agentschap van het ministerie van SZW of de toegekende subsidie voor het verbetertraject ook op andere afdelingen uitgevoerd kan worden en het sturen van e-mails naar [gedaagde]. Na de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] van het meerdere, heeft [eiseres] niet nader onderbouwd waaruit haar werkzaamheden hebben bestaan, terwijl op haar weg had gelegen bij conclusie van repliek een gespecificeerde opgave te doen van de door haar verrichte werkzaamheden. Nu zij dit heeft nagelaten, is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] niet aan haar stelplicht op dit punt heeft voldaan, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. In rechte is dan ook komen vast te staan dat [eiseres] geen werkzaamheden anders dan de door [gedaagde] erkende 12 uur in het kader van de uitvoering van het verbetertraject heeft verricht.

c. Het voordeel voor [gedaagde] van de door [eiseres] verrichte werkzaamheden.

Dit onderdeel behoeft geen beoordeling en beslissing nu tussen partijen vaststaat dat er geen voordeel is geweest voor [gedaagde] nu er (uiteindelijk) geen aanvang is gemaakt met het verbetertraject.

5.8

Dit alles brengt de kantonrechter tot de slotsom dat de overeenkomst gedurende een periode van bijna vijf maanden van kracht is geweest, [eiseres] op de niet betwiste 12 uren na, geen werkzaamheden ter uitvoering van het verbetertraject heeft verricht en er evenmin sprake is van voordeel voor [gedaagde] van door [eiseres] verrichte werkzaamheden, betaling van het volle loon, ondanks dat het einde van de overeenkomst volledig aan [gedaagde] valt toe te rekenen, niet redelijk is.

5.9

Vervolgens is de vraag aan de orde op welk deel van het loon [eiseres] ingevolge het eerste lid van artikel 7:411 BW wel recht heeft. Bij de bepaling van dit deel acht de kantonrechter naast de hiervoor onder 5.6 en 5.7 vermelde omstandigheden tevens de hoogte van het door [eiseres] misgelopen loon van belang.

5.10

Indien het verbetertraject uitgevoerd zou worden, zou [eiseres] recht hebben op de overeengekomen vergoeding van 192 uur x € 125,00 = € 24.000,00 en het overeengekomen bedrag voor scans ten behoeve van de begin- en eindmeting (twee keer

€ 50,00 per meting per persoon x 30 personen) ad € 3.000,00. Het loon dat [eiseres] is misgelopen doordat de overeenkomst van opdracht door [gedaagde] is opgezegd, dient begroot te worden op € 27.000,00. Uit de opdrachtbevestiging volgt dat hierin verwerkt zit een vergoeding voor het opmaken van de aanvraag van de subsidie. Immers partijen zijn er van uit gegaan dat de aanvraag ingediend zou worden, en hebben alleen in het geval er geen aanvraag ingediend wordt een vergoeding vastgesteld.

5.11

[eiseres] heeft aangevoerd dat zij, in het geval het volledige loon niet wordt toegekend, de hoogte van het redelijke loon nog nader wenst te specificeren. Zij zal hiertoe niet worden toegelaten omdat zij hiervoor de gelegenheid heeft gehad en de kantonrechter zich voldoende voorgelicht acht om op basis van het vaststaande overeengekomen uurtarief en de projectduur van 9 maanden – tot een vaststelling daarvan te komen. Rekening houdend met de hiervoor onder 5.6 en 5.7 vermelde omstandigheden en de hoogte van het door [eiseres] misgelopen loon en het gegeven dat [eiseres] terecht tot 2 juli 2012 haar agenda voor de overeengekomen uren per week heeft vrijgehouden voor [gedaagde], stelt de kantonrechter krachtens het bepaalde in artikel 7:411 lid 1 BW het deel van het loon waar [eiseres] recht op heeft in redelijkheid op een bedrag van afgerond € 13.500,00 exclusief BTW (192 uur : 9 maanden x 5 maanden x € 125,00 ex BTW). De vordering van [eiseres] onder primair ligt mitsdien tot dit bedrag voor toewijzing gereed.

5.12

[eiseres] heeft wettelijke handelsrente gevorderd vanaf 12 januari 2013. Die rente zal echter worden toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding nu [gedaagde] in ieder geval vanaf die datum in verzuim is en [eiseres] niets gesteld heeft omtrent een eerdere ingangsdatum van verzuim.

5.13

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

5.14

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 92,82 aan dagvaardingskosten, € 896,00 aan vast recht en € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde, genoemde bedragen te vermeerderen met de verschuldigde rente vanaf
14 dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening.

5.15

De door [eiseres] (voorwaardelijk) gevorderde afwikkelingskosten (nakosten) worden afgewezen, nu voldoende gegevens ontbreken om die kosten reeds thans te kunnen begroten. Mocht tussen partijen een geschil ontstaan omtrent de omvang van die kosten, staat het [eiseres] vrij de kantonrechter te verzoeken deze te begroten op de voet van artikel 237 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 13.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, een en ander een bedrag van € 25.000,00 niet te boven gaand;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 988,82 aan verschotten en € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde, genoemde bedragen te vermeerderen met de verschuldigde rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening;

wijst af het anders of meer gevorderde,

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

832