Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8970

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
C/10/388260 / HA ZA 11-1984
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenwerkingsovereenkomst schadeverzekeraar-intermediair, verstrekking onjuiste financiële gegevens met betrekking tot volmachtportefeuille(premiereserve) door intermediair, geen specifieke verbintenis strekkende tot verstrekking van dergelijke gegevens, gerechtvaardigd vertrouwen verzekeraar op juistheid verstrekte gegevens, geen causaal verband met schade omdat informatie over premiereserve niet relevant is voor beoordeling van kwaliteit portefeuille, auditrapport kan niet leiden tot conclusie dat intermediair anderszins tekort is geschoten, geheimhoudingsverplichtingen in samenwerkingsovereenkomst zijn geen belemmering voor het gebruiken van auditrapport in juridische procedure .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/388260 / HA ZA 11-1984

Vonnis van 23 oktober 2013

in de zaak van

naamloze vennootschap

TVM PARTICULIER N.V. H.O.D.N. OVZ VERZEKERINGEN,

gevestigd te Hoogeveen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam,

tegen

commanditaire vennootschap

[gedaagde],

gevestigd te Middelharnis,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. Ph.H.J.G. van Huizen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna OVZ en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 september 2011

  • -

    de akte overlegging producties

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens akte houdende vermeerdering van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek tevens antwoordakte houdende vermeerdering van eis tevens conclusie van repliek in reconventie

  • -

    de akte houdende uitlating producties in conventie, tevens conclusie van dupliek in reconventie

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

OVZ exploiteert onder de naam OVZ Verzekering een schadeverzekeringsbedrijf.

2.2.

[gedaagde] is actief als verzekeringsintermediair.

2.3.

OVZ en [gedaagde] hebben op 14 september 2009 een samenwerkingsovereenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) gesloten. Terzelfder tijd heeft OVZ aan [gedaagde] een volmacht verleend conform de modelvolmacht als bedoeld in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Wet financieel toezicht. In de samenwerkingsovereenkomst zijn partijen onder meer overeen gekomen elkaar naar beste weten op de hoogte te stellen en te houden van de bijzonderheden waarvan zij in het kader van de volmacht en de samenwerkingsovereenkomst op de hoogte dienen te zijn. Voorts is onder meer een aantal bepalingen opgenomen krachtens welke [gedaagde] gehouden is toe te laten dat OVZ de uitvoering met betrekking tot de werkzaamheden krachtens de volmacht controleert, en waarin regels voor een dergelijke controle worden vastgesteld. Tenslotte is in artikel 9.7 en 9.8 kort en zakelijk weergegeven bepaald dat OVZ [gedaagde] in staat stelt om te reageren op een concept-auditrapport en dat het partijen niet is toegestaan om informatie uit een audit met derden te delen.

2.4.

Nadat in 2009 [gedaagde] op grond van de samenwerkingsovereenkomst verzekeringsovereenkomsten ten behoeve van OVZ is gaan afsluiten, hebben partijen in mei 2010 afgesproken dat [gedaagde] gerechtigd was verzekeringen af te sluiten voor lagere tarieven, tussen partijen bekend als het “OVZ-net” en “OVZ-net Select”-tarief (hierna: de net-tarieven).

2.5.

Op 14 juli 2010 heeft OVZ [gedaagde] bij e-mailbericht verzocht om een overzicht waarin te zien is de nieuw geboekte premie in een maand en de maandelijkse portefeuillestand. In antwoord hierop heeft [gedaagde], - eveneens per e-mail - aan OVZ een tweetal bestanden gestuurd met daarbij onder meer de volgende tekst:

“Ik kan je wel “op afroep” een bestandsoverzicht geven. Ik zend je bijgaand een voorbeeld. Daarin is nu weergegeven hoe de stand van zaken was per 1-1-2010 en vergelijking met 1-7-2010.

Ik zend je ook een resultatenoverzicht. Zit netto/netto op 65%. Netto/netto houdt in dat de provisie en TC (tekencommissie toev. rb) er al af is. Dus dat ziet er heel erg goed uit!”

2.6.

Volgens een “actielijst OVZ 194”, afkomstig van [gedaagde], is op 8 september 2010 door [gedaagde] met OVZ onder meer het volgende besproken:

”Gesproken over de resultaten. Tot op heden goed maar OVZ houdt het goed in de gaten. Zodra het minder gaat zal er worden ingegrepen in de tarieven.

Graag maandelijks de cijfers volgens het NVGA-model aanleveren. (…) OVZ wil graag elk kwartaal een netto/netto schadeoverzicht ontvangen zoals het vanmorgen is uitgereikt.”

2.7.

Bij e-mailbericht van 5 oktober 2010 heeft [gedaagde] aan OVZ (in de persoon van [X]) een viertal overzichten met betrekking tot de volmachtportefeuille toegezonden.

2.8.

Op 6 oktober 2010 heeft OVZ bij [gedaagde] een audit uitgevoerd. Het verslag d.d. 18 november 2010 daarvan met betrekking tot de polisafdeling bevat de volgende conclusie:

“Tijdens deze eerste audit is de werkwijze en het acceptatieproces in grote lijnen bekeken en is de algemene indruk goed te noemen. (…)”

terwijl het verslag met betrekking tot de schadeafdeling onder meer de volgende conclusie bevat:

“De afwikkeling van de gecontroleerde dossiers is goed. Er zijn geen onjuistheden door ondergetekende geconstateerd. Dossiers welke OVZ conform de overeenkomst dient te behandelen zijn er nog nauwelijks.(…)”

2.9.

Bij e-mail van 5 januari 2011 heeft [gedaagde] aan OVZ het volgende bericht:

“De cijfers m.b.t. de premiereserve die wij aan jou hebben gestuurd de afgelopen keren waren gebaseerd op een verkeerde database.”

2.10.

Bij brief van 10 januari 2011 heeft OVZ aan [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:

“Bij het voor U beschikbaar komen van beide tarieven (de net-tarieven, toev. Rb), in april 2010, is U tegelijkertijd ter kennis gebracht dat voor beide tarieven, in een naar verwachting snel groeiende portefeuille, resultaatontwikkelingen scherp gemonitoord zouden worden. Bij bovengemiddelde afwijkingen ten opzichte van onze schaderatio’s, zouden de tarieven weer worden ingetrokken.

Monitoring vond onder meer plaats aan de hand van de door U, uit uw eigen financiële administratie afkomstige, afrekeningen en opgaven, zoals U deze ons, op basis van de samenwerkingsovereenkomst, periodiek verstrekt.

Op basis van deze gegevens was de resultaatontwikkeling voor ons binnen de norm, en op basis hiervan dienden dan ook geen nadere maatregelen getroffen te worden..

Op 22 december 2010 heeft U ons volledig andere financiële gegevens verstrekt, die in het geheel niet aansluiten op de door U voordien verstrekte cijfers.

Thans constateren wij dat de door U in 2010 verstrekte financiële informatie onjuist en onbetrouwbaar is gebleken. Ten onrechte heeft U een veel te rooskleurig beeld versterkt (sic!) over de resultaatontwikkeling in onze aan U uitgegeven volmacht. (…)”

2.11.

Bij brief van 19 januari 2011 heeft [gedaagde] aan OVZ geschreven:

“Allereerst hecht ik er waarde aan u te berichten dat ik het betreur, dat een onderdeel van de gerapporteerde financiële informatie, namelijk de premiereserve tot en met september 2010 niet correct was. (…)

Uit het intern onderzoek is mij overigens gebleken dat aan OVZ naast de foutieve premiereserve ook correcte informatie is gestuurd waaruit opgemaakt had kunnen worden dat het resultaat zich minder gunstig ontwikkelde dan op basis van de (onjuist) opgegeven premiereserve aangenomen kon worden.”

2.12.

In een brief van 20 januari 2011 schrijft OVZ aan [gedaagde] onder meer het volgende:

“Had zij (OVZ, toev. rb.) kunnen beschikken over juiste cijfers, die blijkbaar gewoon in uw bedrijf voorhanden zijn, had OVZ al in een vroegtijdig stadium, dus ruimschoots voor de grote premietoename in het 4e kwartaal 2010, adequate maatregelen genomen.”

2.13.

In een verslag van een gesprek op 6 februari 2011 tussen OVZ en [gedaagde] wordt onder meer het volgende vermeld:

“[Y] (OVZ, toev. rb.) geeft aan dat V&V verkeerde gegevens heeft aangeleverd over 2010 in de vorm van premiereserves. OVZ heeft haar voorlopige resultaten mede aan de hand van deze premiereserves vastgesteld. (...)

[Z] ([gedaagde], toev. rb.) geeft aan niet van plan te zijn dit te compenseren aangezien OVZ op basis van de aan haar verstrekte resultaatoverzichten had kunnen zien dat het resultaat zich anders ontwikkelde tov van hoe zij het zelf had ingeschat. Tijdens een gesprek in september is een overzicht gegeven aan [Q] (OVZ, toev. rb.) waarin zichtbaar was dat het personenautotarief minder goed was dan het totaal resultaat. Op 5 oktober heeft [W] ([gedaagde], toev. rb.) aan [X] (OVZ, rb) een overzicht gestuurd waarbij het WA personenauto resultaat op 198,82 % stond. Beperkt casco stond op 76,18% en het WA - volledig casco resultaat stond op 96,57 %. Deze percentages hebben betrekking op het resultaat netto/netto.

OVZ had daaraan kunnen zien dat het resultaat zoals zij dat hebben berekend aan de hand van o.a. de premiereserves anders was dan de resultaten in dit overzicht. [X] geeft aan dat het overzicht was toegevoegd aan een mail die bedoeld was voor de verwerking door een collega. Van die collega kan niet worden verwacht dat zij die cijfers kon doorgronden. Johan geeft aan dat de gegevens aan [X] zijn verstuurd en dat hij dit wel had moeten zien.

[Z] geeft aan dat OVZ (de rechtbank leest: [gedaagde]) ook geen terugkoppeling is gevraagd door OVZ op het resultaat was zijn (de rechtbank leest: dat zij) heeft berekend op basis van de premiereserve. Als die zo belangrijk waren voor het geven van de actiekorting dan had zij dit wel kunnen doen. (…)

Volgens [Y] hebben zij dat niet gedaan omdat ze er van uit zijn gegaan dat er juiste gegevens waren aangeleverd.”

2.14.

Op 5 oktober 2011 heeft OVZ bij [gedaagde] een audit uitgevoerd met betrekking tot de behandeling van polis- en schadedossiers. Nadat [gedaagde] gebruik had gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren is op 12 december 2011 het definitieve rapport aan [gedaagde] toegezonden. Hierin wordt geconstateerd dat van de 30 gecontroleerde schadedossiers er 9 als onvoldoende zijn beoordeeld en dat van de 34 gecontroleerde polisdossiers er 26 met een onvoldoende zijn beoordeeld. Voorts wordt aangedrongen op dusdanige maatregelen dat herhaling van de gedane constateringen en beoordelingen onmogelijk zijn.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

OVZ vordert  samengevat, na vermeerdering van eis - te verklaren voor recht dat

a. [gedaagde] jegens OVZ toerekenbaar tekort is geschoten door onjuiste cijfers te presenteren omtrent de polissen tegen de net-tarieven;

b. causaal verband bestaat tussen dit tekort schieten en door OVZ geleden schade;

c. [gedaagde] die schade aan OVZ dient te vergoeden;

d. het bij de audit van 5 oktober 2011 geconstateerde, toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde] oplevert;

e. causaal verband bestaat tussen die tekortkomingen en schade die OVZ leed, en

f. [gedaagde] gehouden is die schade te vergoeden, waaronder concreet een bedrag van € 3.959,23;

g. alsmede veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 706 Rechtsvordering van beslagkosten ad € 1.725,-- en van de kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt daartoe kortweg dat van een toerekenbare tekortkoming als bedoeld onder a van de vordering geen sprake is omdat OVZ uit andere informatie dan die over de premiereserve kon opmaken wat de resultaten per onderdeel van de portefeuille waren. Voorts stelt zij dat de resultaten van de audit in 2011 geen grond vormen om vast te stellen dat zij jegens OVZ tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert  samengevat - te verklaren voor recht dat OVZ onrechtmatig heeft gehandeld door in het beslagverzoekschrift onwaarheden over [gedaagde] te ventileren, dat OVZ aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade, dat OVZ haar verplichtingen uit de artikelen 9.7 en 9.8 van de samenwerkingsovereenkomst heeft geschonden en aansprakelijk is voor schade daaruit voortvloeiend, alsmede OVZ te veroordelen zich in de toekomst te onthouden van schending van deze bepaling op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per overtreding, met veroordeling van OVZ in de kosten van deze procedure.

3.5.

OVZ voert verweer. Daartoe stelt zij met name dat geen sprake is van onwaarheden in het verzoekschrift noch van een causaal verband tussen onwaarheden en schade noch van schade.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis.

4.2.

Het bezwaar tegen de wijziging van eis wordt ongegrond verklaard, omdat die wijziging naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Partijen hebben immers voldoende gelegenheid gehad om in het debat ook die vermeerderde eis te betrekken.

4.3.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat OVZ niet heeft voldaan aan haar substantiëringsplicht door in de dagvaarding niet in te gaan op het inhoudelijke verweer van [gedaagde] in een brief van 8 april 2011. Hierdoor zou OVZ het recht hebben verspeeld om alsnog op die brief te reageren.

4.4.

Hoewel het vanuit overwegingen van proces-economie wenselijk zou zijn geweest indien OVZ reeds in de dagvaarding was ingegaan op alle haar bekende verweren van [gedaagde], verbindt de wet aan het nalaten hiervan niet het door [gedaagde] bepleitte gevolg. De rechtbank ziet derhalve geen grond om het in deze procedure door OVZ met betrekking tot de betreffende verweren uit de brief van 8 april 2011 ingebrachte, buiten beschouwing te laten.

Tekortschieten [gedaagde] in verband met foutieve informatie premiereserve?

4.5.

De stellingen van OVZ dat de door [gedaagde] aan OVZ verstrekte informatie stelselmatig onjuist is geweest, is summier onderbouwd. OVZ heeft slechts verwezen naar uitlatingen van [gedaagde] waarin zij aangeeft dat sprake is geweest van het verstrekken van onjuiste cijfers met betrekking tot de premiereserves. Dit betreft specifiek de uitlatingen van 5 en 19 januari 2011 zoals hiervoor weergegeven onder 2.9 en 2.11. [gedaagde] heeft in deze procedure erkend dat zij met betrekking tot de premiereserve na januari 2010 onjuiste informatie heeft verschaft, zodat zulks in rechte vaststaat. Daarmee staat echter niet vast dat [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van een op haar rustende verbintenis.

4.6.

Ook omtrent de inhoud van die verbintenis heeft OVZ zich namelijk slechts in algemene termen uitgelaten. Meer dan dat uit de samenwerkingsovereenkomst volgt dat op gezette tijden door [gedaagde] inzicht moet worden gegeven in de financiële kant van de samenwerking is door OVZ niet gesteld.

4.7.

De rechtbank stelt vast dat zulks niet uitdrukkelijk in de samenwerkingsovereen-komst is vastgelegd. De bepaling in de samenwerkingsovereenkomst (artikel 3) om “elkaar naar beste weten op de hoogte te stellen en te houden van de bijzonderheden waarvan zij in het kader van de volmacht en de samenwerkingsovereenkomst op de hoogte dienen te zijn”, heeft niet de strekking om [gedaagde] te verplichten op gezette tijden financiële informatie aan OVZ te verstrekken. In een brief van 8 april 2011 aan OVZ verwijst [gedaagde] naar de “toelichting” op het betreffende artikel 3 van de samenwerkingsovereenkomst. De rechtbank heeft vastgesteld dat de tekst van de samenwerkingsovereenkomst op dit punt overeenkomt met de tekst van de “Voorbeeld Samenwerkingsovereenkomst Volmacht” zoals die is gepubliceerd door de Werkgroep Toezichtsvereisten Verbond van Verzekeraars – NVGA. In de door [gedaagde] aangehaalde toelichting op dat voorbeeld valt te lezen dat deze bepaling dient om financiële dienstverleners in staat te stellen te voldoen aan het bepaalde in de Wet financieel toezicht, voor zover zij daarvoor van elkaar afhankelijk zijn. Nu van de zijde van OVZ hierop nimmer is gereageerd, heeft als uitgangspunt te gelden dat partijen met bedoeld artikel 3 geen andere doelstelling voor ogen heeft gestaan dan weergegeven in de door [gedaagde] aangehaalde toelichting. Op grond hiervan constateert de rechtbank dat er geen grondslag is voor de stelling van OVZ dat de verstrekking van financiële informatie omtrent de verzekeringsportefeuille was gebaseerd op de samenwerkingsovereenkomst. Van tekortschieten zoals door OVZ gesteld is derhalve geen sprake, zodat strikt genomen de vordering voor afwijzing gereed ligt.

4.8.

De rechtbank begrijpt echter - mede omdat [gedaagde] een standpunt conform het voorgaande niet uitdrukkelijk heeft bepleit - dat OVZ zich tevens op het standpunt stelt dat [gedaagde] haar informatie heeft verstrekt op grond van enige overeenkomst. In dat verband stelt de rechtbank vast dat [gedaagde] vanaf 14 juli 2010 op verzoek van OVZ diverse malen financiële informatie omtrent de onder haar beheer vallende verzekeringsportefeuille heeft verstrekt. Hieruit moet worden begrepen dat tussen partijen op dit punt een - separate en stilzwijgende - overeenkomst tot stand is gekomen. De inhoud daarvan kan slechts worden afgeleid uit de onder 2.5 weergegeven e-mailwisseling. Hieruit blijkt niet meer dan dat OVZ heeft gevraagd om een maandelijks overzicht van de nieuw geboekte premie per maand en de maandelijkse portefeuillestand, en dat [gedaagde] daar op heeft gereageerd met het diverse malen toezenden van een bestands- en resultatenoverzicht.

4.9.

Dat [gedaagde] bij die uitvoering van de aldus tot stand gekomen overeenkomst deels onjuiste informatie aan OVZ heeft verstrekt, wordt door haar erkend. Daarmee staat echter, nu van enige specifieke verbintenis tot het verstrekken van informatie omtrent de premiereserve geen sprake was, niet zonder meer vast dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van die verbintenis. [gedaagde] heeft immers, deugdelijk onderbouwd en niet dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden, gesteld dat zij in juli, september en oktober 2010 uitvoerige financiële overzichten aan OVZ heeft doen toekomen die, op de gegevens omtrent de premiereserve na, juiste informatie bevatten. Zij heeft voorts gesteld dat OVZ op grond van die juiste informatie de voor haar van belang zijnde beslissingen omtrent de verzekeringsportefeuille kon nemen. OVZ heeft op deze stellingen gereageerd, zij het in het kader van haar stelling dat geen sprake is van eigen schuld aan haar zijde. Zij wordt echter niet benadeeld door het bespreken van deze stellingen in het kader van de tekortkomingsvraag.

4.10.

[gedaagde] heeft gesteld dat zij er op mocht vertrouwen dat bij het wegen door OVZ van het schaderesultaat en de ontwikkeling daarvan, de op 14 juli 2010 en 5 oktober 2010 verstrekte overzichten leidend waren. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij de verklaringen van een drietal personen met kennis van het verzekeringswezen overgelegd, waaruit volgens haar de conclusie kan worden getrokken dat de omvang van een premiereserve op zich niets zegt over het schaderesultaat van een portefeuille maar wel inzicht kan geven in de groei daarvan.

OVZ heeft de juistheid van deze verklaringen in grote lijnen bevestigd, maar er op gewezen dat deze van beperkte waarde zijn nu het in het onderhavige geval ging om een nieuwe portefeuille ten aanzien waarvan geen historische gegevens voorhanden waren.

4.11.

Nauwkeurige lezing van de verklaring biedt steun aan het standpunt van OVZ. Aanstoot verklaart dat premiereserve naast premie, schadebetalingen, schadereserve en toegerekende kosten de belangrijkste informatie vormen die een verzekeraar nodig heeft om regelmatig een afweging te kunnen maken. Voorts stelt hij dat de premiereserve als zodanig geen informatie over de kwaliteit van een portefeuille geeft, maar wel interessant is voor de groei daarvan.

[A] stelt dat voor het resultaat van een verzekeringsportefeuille de premiereserve sec nietszeggend is, maar voor de ontwikkeling daarvan wel.

[B] tenslotte bevestigt dat de premiereserve vooral iets zegt over de groei van een portefeuille, maar niet over het resultaat. Hij voegt daar aan toe dat een jonge groeiende portefeuille anders dient te worden beoordeeld dan een krimpende of stabiele. Bij een jonge groeiende portefeuille dien je de effecten van de premiereserve op de resultatenrekening met bijzondere aandacht te bekijken, aldus [B]. Hij voegt daar aan toe dat die effecten relatief groot zijn en na verloop van tijd (twee tot drie jaar) zich stabiliseren.

4.12.

Uit deze drie verklaringen kan worden opgemaakt dat het voor de beoordeling door OVZ van de vraag of de door haar bij [gedaagde] in beheer gegeven portefeuille voldoende groei vertoonde, van belang was om te beschikken over juiste gegevens met betrekking tot de omvang van de premiereserve. Dat betekent dus dat zij er niet op mocht vertrouwen dat de overige door haar aan OVZ verstrekte gegevens voor [gedaagde] leidend waren, in die zin dat die voldoende informatie verschaften voor beoordeling van het resultaat van de portefeuille.

4.13.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het door [gedaagde] verstrekken van onjuiste informatie omtrent de premiereserve opgebouwd met de portefeuille waartoe onder meer polissen afgesloten tegen de net-tarieven behoorden, een toerekenbare tekortkoming jegens OVZ oplevert, zodat het onder a gevorderde kan worden toegewezen.

Causaal verband

4.14.

OVZ stelt dat zij aan de door [gedaagde] verstrekte gegevens de thans onjuist gebleken conclusie heeft verbonden dat de door [gedaagde] afgezette verzekeringen tegen de net-tarieven een behoorlijk positief rendement opleverden. Had zij beschikt over de juiste cijfers, dan had zij de net-tarieven direct teruggetrokken en hebben voorkomen dat er verliesgevende polissen gesloten zouden blijven worden.

4.15.

Analyse van de drie onder 4.10 e.v. besproken verklaringen op dit punt leert dat deze de juistheid van het standpunt van OVZ weerspreken. Uit deze verklaringen blijkt - zoals hiervoor reeds aangegeven - dat informatie omtrent de premiereserve van belang kan zijn voor de beoordeling van de ontwikkeling van met name nieuwe portefeuilles, maar daarin wordt eveneens benadrukt dat deze voor beoordeling van de kwaliteit daarvan niet relevant is. In de verklaringen wordt een aantal andere kengetallen genoemd die wel van belang zijn voor de beoordeling van de kwaliteit van een portefeuille, maar [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat de over die kengetallen verstrekte informatie wel juist was. Het enkele verweer van OVZ tegen de overigens als correct bestempelde verklaringen, te weten dat die niet ingaan op de omstandigheid dat in casu sprake was van een nieuwe portefeuille, doet geen recht aan de omstandigheid dat in tenminste twee verklaringen wel aandacht wordt besteed aan die specifieke situatie, maar daarin alleen van belang wordt geacht voor de beoordeling of sprake is van voldoende groei en niet voor de beoordeling van de kwaliteit van een dergelijke portefeuille. Voorts is dit verweer op geen enkele wijze onderbouwd, hetgeen in het licht van het in het geding brengen van de drie verklaringen door [gedaagde] wel van OVZ had mogen worden verlangd. Het enkel aanbieden van bewijs van haar stelling is onder die omstandigheid ontoereikend.

4.16.

Aldus dient het onder b en c gevorderde te worden afgewezen.

Tekort schieten [gedaagde] in verband met resultaten audit?

4.17.

De in het rapport van de audit van 5 oktober 2011 geconstateerde gebreken in diverse door [gedaagde] samengestelde dossiers vormen op zichzelf een sterke aanwijzing van tekortschieten door [gedaagde]. [gedaagde] heeft echter gesteld dat OVZ geen inzicht heeft gegeven in de gehanteerde beoordelingscriteria, dat geen sprake is geweest van een willekeurige selectie van dossiers zodat geen representatief beeld van de kwaliteit van het werk van [gedaagde] wordt gegeven en dat OVZ vrijwel geen rekening heeft gehouden met door [gedaagde] op het conceptverslag van de audit geleverde commentaar. Voorts is [gedaagde] specifiek ingegaan op een aantal beweerdelijke onvolkomenheden.

4.18.

Dat [gedaagde] onvoldoende inzicht heeft gekregen in de door OVZ gehanteerde criteria valt moeilijk vol te houden, nu in het auditrapport puntsgewijs en gespecificeerd de door OVZ geconstateerde gebreken zijn weergegeven. De vier kennelijk belangrijkste punten zijn door OVZ bij repliek opgesomd en [gedaagde] is bij dupliek op een aantal van die punten inhoudelijk ingegaan.

4.19.

Dat sprake is van een controle van speciaal geselecteerde dossiers blijkt uit het audit-rapport zelf, nu in de inleiding daarvan wordt vermeld dat uit een overzicht van lopende polissen vooraf een selectie is gemaakt om een specifieke controle uit te kunnen voeren. Dat OVZ (bij akte uitlating producties in conventie) dit meent te moeten ontkennen door te stellen dat zij heeft gehandeld conform artikel 9 van de samenwerkingsovereenkomst en niet alle dossiers kan controleren, is in tegenspraak met het auditrapport zelf en bovendien weinig zinvol. Er is immers geen regel die verbiedt vooraf een selectie van dossiers te maken omdat een van de partijen daar speciale interesse in heeft. Het maken van een selectie kan wel gevolgen hebben voor de conclusies die men nadien aan een aldus uitgevoerde audit wil verbinden. Bovendien past het bij een juiste toepassing van de controlebevoegdheden op grond van de samenwerkingsovereenkomst om, ter voorkoming van de indruk dat men zoals [gedaagde] thans stelt op zoek is naar een stok om de hond mee te slaan, in het auditrapport zelf te vermelden op grond van welke criteria de betreffende selectie is gemaakt. Nu [gedaagde] echter kennelijk zelf op de hoogte is van de gebruikte criteria (leeftijd onder 24 jaar, snelle auto), verbindt de rechtbank hieraan verder geen gevolgen.

4.20.

Op 29 november 2011 heeft [gedaagde] een zeven bladzijden tellend commentaar aan OVZ doen toekomen op het concept-auditrapport. Bij de begeleidende brief bij toezending van het definitieve auditrapport heeft OVZ gesteld dat dit commentaar is beoordeeld en waar nodig en voor zover relevant verwerkt. De rechtbank stelt met [gedaagde] vast dat voor zover dat commentaar niet is verwerkt - naar het zich laat aanzien het overgrote deel daarvan - op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt waarom dat niet is gedaan. OVZ heeft dit niet betwist. Het uitvoerige en specifieke karakter van het commentaar gaf daar echter wel aanleiding toe. Door dit na te laten heeft OVZ een auditrapport geproduceerd dat niet kan dienen als grondslag voor het aan de rechtbank gevraagde oordeel dat [gedaagde] jegens OVZ in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst is tekort geschoten. Bij gebreke aan een andere grondslag dient het onder d t/m f gevorderde te worden afgewezen.

Beslagkosten

4.21.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het beslag waarvoor op 17 oktober 2011 verlof is verkregen zonder rechtsgrond en daarmee ten onrechte is gelegd. Derhalve biedt artikel 706 Rv geen grond om [gedaagde] tot vergoeding daarvan te veroordelen.

Proceskosten

4.22.

OVZ zal als de merendeels in het ongelijk gestelde partij (weliswaar is onderdeel a. van de vordering toegewezen maar dat heeft niet geleid tot toewijzing van de overige onderdelen van de vordering) worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 560,00

  • -

    salaris advocaat € 1.808,00 (4 punten x tarief € 452,00)

Totaal € 2.368,00

in reconventie

4.23.

Met betrekking tot de in reconventie gevorderde verklaringen voor recht overweegt de rechtbank dat deze betrekking hebben op het in het verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van beslag volgens [gedaagde] door OVZ opnemen van onjuistheden, die vervolgens onder derden (de banken waaronder het beslag is gelegd) bekend zijn geworden. In belangrijke mate heeft dit betrekking op bevindingen van OVZ uit de audit.

4.24.

Dat (een deel van) het verzoekschrift onjuiste informatie bevat, staat op grond van het in conventie overwogene wel vast. OVZ heeft er echter terecht op gewezen dat [gedaagde] op geen enkele wijze zelfs maar een begin van inzicht heeft gegeven in de wijze waarop zij door mogelijke onjuistheden in het verzoekschrift schade heeft geleden. Dat [gedaagde] in haar eer en goede naam zou zijn aangetast is niet onderbouwd. Van onrechtmatigheid kan derhalve geen sprake zijn.

4.25.

Het beroep dat [gedaagde] doet op het bepaalde in artikel 9.7 en 9.8 van de samenwerkingsovereenkomst komt haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet toe, zo al vastgesteld zou worden dat deze bepalingen door OVZ geschonden zijn. Indien immers de strekking van deze bepalingen zo ver zou strekken dat de uit een audit verkregen informatie niet gebruikt kan worden in een juridische procedure - die immers in beginsel openbaar van aard is, zodat derden daarvan kennis kunnen nemen - dan zou de zin van het houden van een audit in te vergaande mate beperkt worden. Hieruit vloeit tevens voort dat geen grond bestaat om het door [gedaagde] gevorderde, algemeen geformuleerde verbod op te leggen.

4.26.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van OVZ tot op heden begroot op € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00). De rechtbank overweegt daarbij ter toelichting dat de inspanningen van OVZ in het kader van de reconventionele vordering van [gedaagde] in verhouding tot hetgeen zij ter onderbouwing van haar eigen vordering in conventie heeft gedaan beperkt van aard zijn geweest, zodat voor de conclusies in reconventie steeds 0,5 punt is toegekend, en voor het pleidooi 1 punt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens OVZ toerekenbaar tekort is geschoten door onjuiste cijfers te presenteren omtrent de polissen tegen de net-tarieven,

5.2.

wijst de vordering voor het overige af,

5.3.

veroordeelt OVZ in de proceskosten van [gedaagde], tot op heden begroot op € 2.368,,

in reconventie

5.4.

wijst de vordering af,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van OVZ, tot op heden begroot op € 904,--,

in conventie en in reconventie,

5.6.

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013.

[427/801]