Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8881

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
C/10/430067 / JE RK 13-2328, C/10/434901 / JE RK 13-3249
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door opneming van het indicatiebesluit in het plan van aanpak is het indicatiebesluit op voldoende wijze bekendgemaakt. De minderjarige is ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen over het concept-indicatiebesluit, maar aan deze schending van de hoorplicht worden geen rechtsgevolgen verbonden. Een overplaatsing van de ene voorziening voor gesloten jeugdzorg naar een andere voorziening van gesloten jeugdzorg behoeft niet de instemming van een gedragswetenschapper. Geen ruimte voor beoordeling van het verzoek om schadevergoeding van de minderjarige of de stelling van de minderjarige dat binnen de gesloten jeugdzorg onrechtmatig dwangmiddelen op hem zijn toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 18 oktober 2013

Zaak-/rekestnummer: C/10/430067 / JE RK 13-2328, C/10/434901 / JE RK 13-3249

Beschikking in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam, hierna: de raad,

en

de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

hierna: de stichting,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

kind van de met het gezag belaste ouder,[moeder],

wonende: [adres].

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 29 juli 2013 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld voor een periode van drie maanden. Bij diezelfde beschikking zijn zowel het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging om de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als het (subsidiaire) verzoek tot het verlenen van een machtiging om de minderjarige in een accommodatie van een zorgaanbieder te doen plaatsen, afgewezen. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

Bij brief van 25 september 2013 heeft de stichting aan de kinderrechter verzocht haar een voorlopige machtiging te verlenen om de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, gevolgd door een machtiging op grond van artikel 29b van de Wjz. Bij dat verzoek heeft de stichting een ‘Plan van Aanpak ondertoezichtstelling’, vastgesteld op 25 september 2013, ingediend.

Bij brief van 26 september 2013 heeft de stichting een instemmingsverklaring overgelegd van drs. R.M. de Groot, als psycholoog verbonden aan het kennis- & servicecentrum voor diagnostiek (KSCD), die de minderjarige op 26 september 2013 heeft onderzocht.

Bij beschikking van 27 september 2013 heeft de kinderrechter een voorlopige machtiging verleend om de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van vier weken en het verzoek voor het overige aangehouden.

Bij brief van 11 oktober 2013, ontvangen op 14 oktober 2013, heeft de raad de kinderrechter verzocht de minderjarige tot aan zijn meerderjarigheid onder toezicht te stellen en de stichting te machtigen om de minderjarige gedurende die periode te plaatsen in een instelling voor gesloten jeugdzorg.

Bij faxbericht van 11 oktober 2013 heeft de advocaat van de minderjarige een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een ‘Formulier intern doorplaatsings- of herselectieverzoek’.

Bij faxbericht van 15 oktober 2013 heeft de advocaat van de minderjarige een aanvullend verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 15 oktober 2013 heeft de stichting een briefrapportage overgelegd betreffende het verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing vanaf 27 september 2013.

Bij faxbericht van 15 oktober 2013 heeft de stichting nogmaals het plan van aanpak van 25 september 2013 en de instemmingsverklaring van 26 september 2013 ingediend.

De zaak is behandeld op 16 oktober 2013.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de minderjarige, bijgestaan door zijn advocaat mr. R.H.P. Feiner;

  • -

    de moeder;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door dhr. P. Bos;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door dhr. Dors.

De beoordeling

Zowel de raad als de stichting heeft gesteld dat de minderjarige zelfbepalend en grensoverschrijdend gedrag laat zien dat alleen binnen de kaders van een voorziening voor gesloten jeugdzorg kan worden behandeld en begrensd.

De moeder van de minderjarige heeft zich niet verzet tegen de verzoeken. De minderjarige zal eerst moeten leren luisteren voordat hij kan terugkeren naar huis.

Door of namens de advocaat van de minderjarige zijn geen bezwaren naar voren gebracht tegen het verzoek van de raad om de minderjarige onder toezicht te stellen. Om verschillende redenen kan de minderjarige evenwel niet instemmen met het verlenen van een gesloten machtiging. Die redenen zullen hieronder puntsgewijs worden besproken.

Ontbreken en kenbaarheid indicatiebesluit

De advocaat van de minderjarige heeft gesteld dat een indicatiebesluit ontbreekt. Zo al het plan van aanpak een indicatiebesluit bevat, dan is dat onvoldoende kenbaar.

Op grond van artikel 29b, vierde lid, van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) kan, voor zover hier van belang, een machtiging slechts worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wjz heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder.

Op 25 september 2013 heeft de stichting ten behoeve van de minderjarige een ‘Plan van Aanpak ondertoezichtstelling’ vastgesteld. Op bladzijde 9 van dit plan heeft de stichting onder het kopje ‘Welke (hulp)verlening is nodig volgens Bureau Jeugdzorg’ vastgesteld dat de minderjarige onder meer recht heeft op zorg in de vorm van gesloten verblijf accommodatie zorgaanbieder 24 uurs voor de duur van een jaar. Uit deze bewoordingen kan naar het oordeel van de kinderrechter genoegzaam worden afgeleid dat de stichting hiermee beoogd heeft een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wjz te nemen.

Hoewel de stichting zonder aankondiging of nadere toelichting heeft besloten de indicatiebesluiten voortaan in het plan van aanpak te incorporeren zonder daarbij duidelijk aan te geven dat met de vaststelling van het plan van aanpak tevens een indicatiebesluit wordt genomen, voert het naar het oordeel van de kinderrechter te ver om te concluderen dat daarmee het indicatiebesluit niet of niet behoorlijk is bekendgemaakt. Het plan van aanpak, met daarin opgenomen het indicatiebesluit, is immers aan de belanghebbenden ter hand gesteld of toegezonden en belanghebbenden hadden uit dat plan van aanpak, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, kunnen afleiden dat met de vaststelling van het plan van aanpak tevens een indicatiebesluit is genomen.

Indicatiebesluit genomen in strijd met het motiveringsbeginsel

Verder heeft de advocaat van de minderjarige gesteld dat het indicatiebesluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op grond van artikel 3:2 Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Op grond van artikel 3:46 Awb dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering.

Voor zover de advocaat van de minderjarige heeft gesteld dat het indicatiebesluit geen motivering bevat, overweegt de kinderrechter dat het plan van aanpak, waarin het indicatiebesluit is vervat, voldoende duidelijk vermeldt op grond van welke feiten en omstandigheden de stichting meent dat een gesloten plaatsing noodzakelijk is. Het indicatiebesluit bevat dus een motivering. Voor zover de advocaat van de minderjarige heeft gesteld dat de motivering niet deugdelijk is, verwijst de kinderrechter naar hetgeen hierna is overwogen met betrekking tot de noodzaak van een gesloten machtiging.

Schending van de hoorplicht.

Daarnaast heeft de advocaat van de minderjarige gesteld dat de stichting op grond van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg de minderjarige had moeten horen alvorens het indicatiebesluit te nemen.

Op grond van artikel 7 van de Wjz ligt aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wjz, een aanvraag van een cliënt ten grondslag.

Op grond van artikel 7, zesde lid, aanhef en onder b, van de Wjz, kan de stichting in afwijking van het eerste lid van artikel 7 van de Wjz een besluit nemen zonder een aanvraag daartoe, indien het besluit strekt tot verblijf niet zijnde een verblijf bij pleegouder en een machtiging wordt verzocht.

Op grond van artikel 34, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg, komt het indicatiebesluit niet tot stand dan nadat over een ontwerp daarvan in ieder geval overleg is gepleegd met de aanvrager en met degene wiens instemming is vereist op grond van artikel 7 van de Wjz.

Op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. de gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

Op grond van artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Awb kan het bestuursorgaan toepassing van artikel 4:8 van de Awb achterwege laten voor zover de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Gesteld noch gebleken is dat de stichting de minderjarige heeft gehoord alvorens zij het indicatiebesluit heeft genomen. Hoewel aan het indicatiebesluit geen aanvraag ten grondslag ligt en artikel 34, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg dus geen toepassing vindt, was de stichting niettemin op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb gehouden om de minderjarige in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Dat de vereiste spoed zich hiertegen verzette, zoals bedoeld in artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Awb, heeft de stichting niet gesteld. Aan de schending van de hoorplicht verbindt de kinderrechter echter geen rechtsgevolgen, nu de minderjarige en zijn advocaat tijdens zowel de zitting van 27 september 2013 als die van 16 oktober 2013 de gelegenheid hebben gehad hun bedenkingen tegen het indicatiebesluit naar voren te brengen.

Ontbreken van instemmingsverklaring voor overplaatsing

Verder heeft de advocaat van de minderjarige gesteld dat de gedragswetenschapper niet heeft ingestemd met het nieuwe plan van aanpak van 15 oktober 2013 en evenmin met de overplaatsing van de minderjarige van De Vaart naar Harreveld. Bovendien ontbeert de instemmingsverklaring de vereiste objectiviteit, nu zij is opgesteld door een psycholoog in dienst van de stichting.

Op grond van artikel 29b, vijfde lid, van de Wjz behoeft de verklaring, bedoeld in het vierde lid van de Wjz, de instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

Niet is gebleken dat na 25 september 2013 nog een nieuw of gewijzigd plan van aanpak is vastgesteld. De stelling van de advocaat van de minderjarige dat de gedragswetenschapper had moeten instemmen met het plan van aanpak van 15 oktober 2013 behoeft dus geen bespreking.

Bij brief van 26 september 2013 heeft de gedragswetenschapper, als jeugdpsycholoog verbonden aan de stichting, ingestemd met de verklaring van de stichting dat opneming en verblijf van de minderjarige in een voorziening van gesloten jeugdzorg noodzakelijk is. Daarmee is voldaan aan het wettelijke vereiste zoals neergelegd in laatstgenoemde bepaling van de Wjz. De stelling van de advocaat van de minderjarige dat de gedragswetenschapper eveneens had moeten instemmen met een overplaatsing van De Vaart naar het - naar gesteld - strengere regime van Harreveld, vindt geen steun in de wet. Ook de stelling van de advocaat dat de instemmingsverklaring de vereiste objectiviteit ontbeert, nu zij is opgesteld door een aan de stichting verbonden gedragswetenschapper, treft geen doel.

Verwezen wordt naar het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 6 augustus 2008, LJN: BE9979.

Geen noodzaak tot gesloten plaatsing

Tot slot heeft de advocaat van de minderjarige gesteld dat er sterke aanwijzingen zijn dat er sprake is van psychiatrische problematiek bij de minderjarige. Tot op heden heeft hij echter geen psychiater gesproken. Daarnaast is gebleken dat binnen Harreveld geen persoonlijkheidsonderzoek naar de minderjarige kan worden gedaan.

Op 11 juli 2013 is de minderjarige vrijwillig geplaatst op een open groep van de crisisopvang Vlinderveen te Spijkenisse. Op 12 juli 2013 is die plaatsing beëindigd vanwege seksueel ontremd gedrag van de minderjarige. Vervolgens is de minderjarige op 27 augustus 2013 geplaatst op een open groep van Rijnhove te Alphen aan de Rijn. Ook deze plaatsing is beëindigd vanwege zelfbepalend en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de minderjarige. Op 27 september 2013 is de minderjarige geplaatst binnen de gesloten voorziening De Vaart in Sassenheim. Ook daar heeft de minderjarige zelfbepalend en (seksueel) overschrijdend gedrag vertoond. Daarop is besloten de minderjarige op 3 oktober 2013 over te plaatsen naar het Anker in Harreveld. In Harreveld heeft de minderjarige vanwege zijn opstandig gedrag reeds in afzondering gezeten en tot op heden volgt hij een aangepast trajectprogramma. Tevens is besloten om de minderjarige over te plaatsen van de groep Kompas 1 naar de groep Kompas 2 waar meer ruimte is voor een individuele benadering. Een persoonlijkheidsonderzoek naar de minderjarige is nog niet gestart vanwege onduidelijkheid over de financiering daarvan.

De kinderrechter is voldoende gebleken dat de minderjarige ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en dat het vanwege het zelfbepalende gedrag van de minderjarige tot op heden niet is gelukt die belemmeringen binnen een open setting weg te nemen. In geschil is evenwel de vraag of de minderjarige binnen de gesloten jeugdzorg de zorg en aandacht krijgt of kan krijgen die hij nodig heeft. Om antwoord te krijgen op die vraag dient naar het oordeel van de kinderrechter zo snel mogelijk onderzocht te worden wat de oorzaak is van het zelfbepalend en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de minderjarige, alsmede welke behandeling de minderjarige hiervoor nodig heeft. Onenigheid tussen de betrokken instanties over de financiering van dit onderzoek mag geen reden zijn om hier nog langer mee te wachten. Daarnaast zal snel duidelijk moeten worden of de psychiatrische instelling De Fjord, aan wie de situatie van de minderjarige is voorgelegd, behandelmogelijkheden voor de minderjarige ziet. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan echter niet reeds de conclusie worden getrokken dat bij de minderjarige sprake is van (psychiatrische) problematiek die niet binnen de gesloten jeugdzorg adequaat behandeld of begrensd kan worden. Het verzoek van de raad om de machtiging voor gesloten jeugdzorg te verlenen zal daarom worden toegewezen. De kinderrechter zal de duur van de machtiging evenwel beperken tot een periode van vier maanden om tussentijds de uitkomsten van voormelde onderzoeken te kunnen beoordelen en om te bezien of opname en verblijf in een voorziening van gesloten jeugdzorg nog steeds noodzakelijk zijn.

Verzoek om schadevergoeding

Voor een behandeling van het verzoek van de advocaat van de minderjarige om de stichting te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding voor de dagen die de minderjarige - naar gesteld - ten onrechte op De Vaart heeft verbleven, bestaat in de onderhavige procedure geen ruimte (zie het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 19 juli 2011, LJN: BR2401). Datzelfde geldt voor de stelling van de advocaat van de minderjarige dat in Harreveld onrechtmatig dwangmiddelen zijn toegepast.

Op grond van de overgelegde stukken en de afgelegde verklaringen is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling, zoals gesteld in artikel 1:254, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, aanwezig zijn en dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Nu reeds op het verzoek van de raad om verlening van een machtiging tot plaatsing in een voorziening van gesloten jeugdzorg is beslist, zal het gelijkluidende verzoek van de stichting worden afgewezen.

De beslissing

Stelt de minderjarige onder toezicht tot 13 juni 2014 met benoeming van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, tot stichting in de zin van de Wet op de jeugdzorg.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst toe met ingang van 18 oktober 2013 het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven tot 18 februari 2014.

Wijst af het verzoek van de stichting tot het verlenen van een machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven.

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat het verhoor van de minderjarige, zijn advocaat, de belanghebbenden en de stichting in deze zaak zal plaatsvinden op een nader door de griffier te bepalen zittingsdatum, welk datum in elk geval gelegen zal zijn vóór 18 februari 2014.

Verzoekt de stichting uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zittingsdatum de kinderrechter de verzochte rapportage, het indicatiebesluit, de verklaring omtrent de gronden en de instemming daarmee van de gedragswetenschapper, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht te doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. de Gans, kinderrechter, in bijzijn van mw. P. Thakoerdat, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.