Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8874

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
18-11-2013
Zaaknummer
C-10-409613 - HA ZA 12-848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een bewindvoerder kan geen andere vorderingen voor een onderbewindgestelde instellen dan vorderingen die betrekking hebben op goederen (zaken en vermogensrechten).

Eiseres om die reden niet-ontvankelijk in de vorderingen tot overplaatsing van medebewoner en het aanbieden van therapie. Seksueel misbruik door een medebewoner van een instelling voor geestelijk gehandicapten.

Mogelijk sprake van schending zorgplicht door de instelling. Op de instelling rust een verzwaarde stelplicht. Zij wordt in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken over de maatregelen die zij heeft getroffen teneinde te voorkomen dat de medebewoner zich schuldig zou maken aan het misbruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/409613 / HA ZA 12-848

Vonnis in verzet van 13 november 2013

in de zaak van

[eiseres], bewindvoerster over de goederen die (zullen) toebehoren aan [X],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. L.H. Poortman-de Boer,

tegen

de stichting

STICHTING ZUIDWESTER,

gevestigd te Middelharnis,

gedaagde,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Stichting Zuidwester genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 5 juli 2012,

  • -

    het herstelexploot van 20 juli 2012,

  • -

    het verstekvonnis van 29 augustus 2012,

  • -

    de verzetdagvaarding van 18 september 2012,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident,

  • -

    de schriftelijke pleidooien in het incident van beide partijen,

  • -

    het vonnis in incident van 17 april 2013,

  • -

    het tussenvonnis van 15 mei 2013,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 augustus 2013 en de in reactie daarop verzonden brieven van mr. Poortman-de Boer en mr. Arends.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is de moeder van [X] (hierna: [X])

2.2.

[X] is geboren op [geboortedatum]. Vanwege zuurstoftekort na de geboorte lijdt [X] aan een geestelijke handicap. [X] heeft een cognitief ontwikkelingniveau te vergelijken met dat van iemand tussen 3,5 en 6 jaar. De sociaal-emotionele ontwikkeling van [X] bevindt zich gemiddeld genomen op het niveau van een 2,5 jarige.

2.3.

Vanaf de leeftijd van negen jaar woont [X] in diverse instellingen van Stichting Zuidwester. Het betreffen 24-uurs voorzieningen voor mensen met een verstandelijke beperking.

2.4.

De heer [Y] (hierna: [Y]), geboren op [geboortedatum], die eveneens lijdt aan een verstandelijke beperking, verblijft sinds 1990/1991 vrijwillig in de woonvoorzieningen van Stichter Zuidwester. [X] en [Y] hebben (in ieder geval) tegelijkertijd verbleven op de locaties ‘De Hoeker’ en ‘Delta Boulevard’ (onderdelen van Hernesseroord). [X] en [Y] zijn nog steeds woonachtig in ‘Delta Boulevard’. In totaal verblijven op de locatie Hernesseroord ongeveer 250 personen en het terrein is ongeveer 40 hectares groot.

2.5.

[Y] had binnen de instelling een appartement met eigen voorzieningen. Op 10 juli 2007 is door een medewerker van Zuidwester geconstateerd dat [X] aanwezig was in de woonruimte van [Y].

2.6.

In een e-mailbericht (productie 15 bij verzetdagvaarding) van 14 augustus 2007 van [Z], teamleider bij Stichting Zuidwester, wordt voor zover relevant vermeld:

“(…) In de eerste week van juli dit jaar kwamen we zoals gewoonlijk bij [Y] langs op een onaangekondigd begeleidingsmoment. Tot onze verbazing was [Y] niet alleen op zijn kamer, maar had hij “visite” van [X]. Mede gezien het verleden van [Y] en zijn belangstelling voor jonge mannen, werd er direct een signaal afgegeven, naar de woning van [X]. (…)”

2.7.

Medewerkers van Stichting Zuidwester hebben zowel met [X] als met [Y] gesproken om zicht te krijgen op hetgeen is voorgevallen tijdens het in 2.6. genoemde bezoek. [Q], teamleider van [X], heeft in haar verslag (productie 16 bij verzetdagvaarding) van haar gesprek op 10 juli 2007 met [X] onder meer vermeld:

“(…) Hem gevraagd of er nog wel eens iets gebeurde, keek me met hele heldere ogen aan, er kwam zelfs een twinkeling in zijn ogen en vertelde mij, dat hij zijn broek moest laten zakken en dat deze cliënt dan op zijn billen sloeg. Vanwege de twinkeling in zijn ogen, vroeg ik hem of hij het lekker vond, ja antwoordde hij gelijk, mij lachend aankijken. (…)”

2.8.

Op 11 juli 2007 heeft [A], persoonlijk begeleidster van [X], een gesprek met [X] gevoerd. In haar verslag van dit gesprek (productie 17 bij verzetdagvaarding) wordt onder meer vermeld:

“(…) [X] begon uit zichzelf te vertellen over zijn bezoekjes aan desbetreffende cliënt (…)

Gevraagd of de cliënt van hem een vriend was, waarop [X] antwoordde dat hij er liever niet meer naar toe wilde.

Gevraagd waarom hij er dan naar binnen ging? [X] zei dat hij dit moest van deze cliënt. Mijn vraag, als je er dan niet meer naar toe wil dan loop je toch gewoon door? [X] zei dit niet te durven, cliënt was zo groot en sterk. (…)”

2.9.

Stichting Zuidwester heeft besloten een intern onderzoek te verrichten naar het seksuele contact tussen [Y] en [X]. In het kader van dit onderzoek zijn zogenoemde taxatiegesprekken gevoerd met [X] en met [Y]. In het verslag van het taxatiegesprek met [X] van 17 juli 2007 (productie 18 bij verzetdagvaarding), opgesteld door behandelend psycholoog [B], wordt onder meer vermeld:

“(…) Het doel van het gesprek is om het vermoeden van een strafbaar feit te bevestigen of te verwerpen. De vraagstelling is of het seksueel contact tegen de wil van [X] heeft plaats gevonden. (…)

De seksuele contacten gebeuren “elke keer af en toe”

[X] herhaalt dat [Y] vieze seksspelletjes doet. [X] zegt “nee” te hebben gezegd, dat hij het vervelend vindt. “Ik ben eerst blij en dan boos, dan zeg ik uitscheiden en dan zegt [Y] stel je niet zo aan of zo”. [X] zegt: “Dat wil ik niet, ik ben nog maar een puber”. En wat zegt [Y] dan? [X]: “Je bent helemaal geen puber, of zo”. “Ik was één keer bang geweest, een paar keertjes, ook op de Hoeker”. (…) Hoe kan ik jou helpen vraag ik [X]. [X] zegt: “tegen [Y] zeggen dat hij het niet meer zal doen. (…)”

Beeldvorming tijdens het gesprek

Ik krijg de indruk dat de uitspraken van [X] over de seksuele handelingen betrouwbaar en consistent zijn. (…)”

2.10.

Op 11 oktober 2007 heeft een onderzoekscommissie van Stichter Zuidwester aan de hand van de taxatiegesprekken geconcludeerd dat sprake is geweest van een seksuele relatie die als ongewenst bestempeld kan worden. Op basis van de onderzoeksgegevens kan volgens de commissie niet geconcludeerd worden dat het seksuele contact tegen de wil van [X] heeft plaatsgevonden.

2.11.

[eiseres] heeft namens [X] op 4 januari 2008 aangifte bij de politie tegen [Y] gedaan van seksueel misbruik.

2.12.

Op 22 februari 2008 is [X] in een verhoorstudio van de politie gehoord door orthopedagoog [C]. Blijkens het proces-verbaal van het studioverhoor (productie 8 bij dagvaarding) heeft [X] tijdens dit verhoor samengevat – voor zover relevant – het volgende verklaard: [Y] heeft rare spelletjes hem gedaan. Dit is meerdere keren gebeurd, voor het eerst op De Hoeker en later op Delta Boulevard. [Y] heeft [X] naar binnen gelokt. [Y] heeft [X] beet gepakt en zijn broek naar beneden gedaan. [Y] heeft het geslachtsdeel van [X] met zijn handen vastgepakt en er kwam “wit spul” uit. [Y] heeft op de billen van [X] geslagen. [Y] is met zijn vinger in “het poepgat” van [X] gegaan. [X] vond het niet leuk, het deed pijn en hij voelde zich kwaad. [X] heeft dit vaak tegen [Y] gezegd en [Y] zei dan dat [X] zich niet aan moest stellen. [X] is een keer het huis van [Y] uitgevlucht en hij heeft [Y] een keer tegen zijn hoofd geslagen.

2.13.

In een ongedateerd verslag (onderdeel van productie 8 bij dagvaarding) van het studioverhoor van [C] wordt onder andere vermeld:

“(…) [X] maakt een kwetsbare indruk en kan m.i. niet zelf adequate oplossingen bedenken voor een probleem. (…) De verbeteringen die [X] geeft tijdens het verhoor verhogen de betrouwbaarheid van zijn verhaal. (…)”

2.14.

In opdracht van Stichting Zuidwester is bij [X] in augustus 2009 een psychodiagnostisch onderzoek verricht door Praktijk Oogpunt (hierna: Oogpunt). In het ongedateerde rapport van GZ-psycholoog/orthopedagoog [D] van Oogpunt (productie 8 bij verzetdagvaarding) wordt onder meer vermeld:

“(…) [X] denkt en handelt sterk vanuit het hier en nu. Hij kan zich moeilijk een voorstelling maken van iets wat hij niet ziet of kent. Hij kan moeilijk verbanden leggen en is niet of nauwelijks in staat om het geleerde in de ene situatie toe te passen op een andere (generaliseren).

Zijn verbaal begrip is zwak te noemen. (…)

Zijn geheugen is zwak, zowel het korte als het lange termijn geheugen. Tegelijkertijd blijkt uit het diagnostisch gesprek dat beladen gebeurtenissen uit het verleden wel blijven ‘hangen’. Zijn sociaal inzicht is zeer beperkt. (…)

Op het gebied van emotionele ontwikkeling valt uit andere diagnostische middelen op dat [X] in het algemeen een zeer onzekere en angstige man is (…). Er lijkt sprake te zijn van een heel basaal gevoel van onveiligheid (…).

(…) Het ontbreekt hem aan kennis en vaardigheden m.b.t. omgaan met seksuele gevoelens, (seksuele) relaties onderhouden, vrijen met jezelf en/of met anderen (…). Misbruikervaringen, maar ook ervaringen op het gebied van pesten, geweld en overlijden van dierbaren roepen veel angst op bij [X]. (…) Nu is [X] niet geneigd om voor hem beangstigende prikkels te vermijden; hij zoekt ze juist op. Het opzoeken van dergelijke prikkels is voor [X] een manier op [rechtbank: om] zijn angsten te bezweren; de prikkels opzoeken in een poging ze de baas te worden. Deze strategie is niet alleen ‘niet-helpend’ maar ook zeer gevaarlijk. [X] heeft weinig inzicht in sociale situaties, overziet zijn eigen handelen en het handelen van anderen niet, kan (slechte) intenties van een ander niet doorzien en is gemakkelijk ‘om te kopen’ met spulletjes waar zijn (obsessief getinte) belangstelling naar uit gaat. Deze enorme kwetsbaarheid maakt [X] gemakkelijk opnieuw slachtoffer in verschillende situaties. (…)

Volgens afname van de SVLK is geen sprake van een posttraumatische stressstoornis t.g.v. het seksueel misbruik door een medecliënt in 2007, wel van enkele aan trauma gerelateerde klachten zoals angst voor zijn verkrachter en boosheid (…).

2.15.

Het Openbaar Ministerie heeft besloten tegen [Y] geen strafvervolging in te stellen. [eiseres] heeft tegen deze beslissing geklaagd in de zin van artikel 12 WvSv bij het gerechtshof te Den Haag (het hof).

2.16.

In het kader van de klaagschriftprocedure is een afschrift van het strafdossier aan de advocaat van [eiseres] verstrekt. [eiseres] heeft diverse stukken uit het strafdossier in het onderhavige geding overgelegd, waaronder een brief van psycholoog [E] namens Zuidwester van 9 juni 2008 aan de politie Rotterdam-Rijnmond (productie 15 bij dagvaarding) waarin wordt vermeld, voor zover relevant:

“(…) dhr [Y] functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. (…)

In het verleden is gesproken over pedofiele neigingen en drankmisbruik ([F], 1999). (…)”

2.17.

Voorts heeft [eiseres] een afschrift van een mutatierapport overgelegd van de politie Goeree-Overflakkee van 10 mei 1994, opgesteld door verbalisant [G] (productie 18 bij dagvaarding) waarin onder meer wordt vermeld:

“(…) Vervolgens contact opgenomen met [H] de vaste begeleider van [Y] op de woonunit van Hernesseroord aan de [adres]. Met hem voor 13.30 uur een afspraak gemaakt met [Y] Knops. In het gesprek met [Y] met z’n begeleider bleek dat [Y] inderdaad zich diverse malen had afgetrokken in het bijzijn van de jongens. (…) Het volgende afgesproken:

[H] bespreekt dit verhaal met de directie van Hernesseroord en zoekt naar nog intensievere begeleiding van [Y]. [Y] gaat een AIDStest doen. Ze proberen hem minder vrijheid te geven, Tevens zal hij medicatie krijgen, om zijn sexuele driften wat te laten afnemen.

De Politie stuurt [Y] weg als hij zich op vreemde plekjes ophoudt en te lang op een bankje zit en zeker in de buurt van kinderspeelplaatsen. Dit om [Y] tegen zich zelf te beschermen en hem niet de mogelijkheid te geven met kinderen aan te leggen. (…)”

2.18.

In het strafdossier van [Y] bevindt zich een handgeschreven notitie (productie 16 bij dagvaarding) waarvan de opsteller onbekend is. In die notitie wordt onder meer vermeld:

“(…) 1993 in Brielle woonde ook [Y] → moest weg ook seksuele contacten.

5 mensen in 5 jaar gemeld. (…)”

2.19.

Het hof heeft het beklag van [eiseres] afgewezen bij beschikking van 5 april 2011 (productie 12 bij dagvaarding). In deze beschikking wordt onder meer vermeld:

“(…) Naar het oordeel van het hof kan, na bestudering van de stukken en gehoord hetgeen in raadkamer door klaagster naar voren is gebracht, worden vastgesteld dat er sprake is van een zeer ernstige verdenking dat beklaagde zich jegens de geestelijk gehandicapte zoon van klaagster meermalen heeft schuldig gemaakt aan seksueel misbruik, hetgeen een ernstige inbreuk betekent op de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid bij het slachtoffer. (…)

12. Beklaagde is niet door de politie gehoord, terwijl uit het dossier blijkt dat de officier van justitie naar aanleiding van voormelde brief van psycholoog [E], de politie opdracht heeft gegeven beklaagde, eventueel met behulp van een orthopedagoog, als verdachte te horen in een studioverhoor. Het hof acht het onbegrijpelijk waarom geen gehoor is gegeven aan deze opdracht, te meer nu uit de stukken blijkt dat beklaagde meer registraties heeft staan wegens seksueel overschrijdend gedrag in het verleden. (…)

13. (…) Hoewel naar het oordeel van het hof het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat om een bevel tot nader onderzoek te rechtvaardigen, acht het hof na afweging van alle in het geding zijnde belangen, mede gelet op het inmiddels verstreken tijdsverloop, het thans alsnog bevelen van een zodanig onderzoek niet meer opportuun.

14. Het hof acht in casu - met name met betrekking tot de door haar genoemde en thans nog bestaande omstandigheden - het indienen van een klacht bij de klachtencommissie van de Stichting Zuidwester en eventueel het bewerkstelligen van een contactverbod, de meest aangewezen weg voor klaagster. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. a) voor recht zal verklaren dat Stichting Zuidwester aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is geweest van het seksueel misbruik genoemd in de dagvaarding, alsmede voor schade die het gevolg is van het uitblijven van adequate nazorg;

b) Stichting Zuidwester zal veroordelen [Y] binnen 2 maanden na het te wijzen vonnis, over te plaatsen naar een andere (afdeling binnen haar) instelling opdat [X] niet meer met [Y] geconfronteerd kan worden, een en ander onder verbeurte van een dwangsom groot € 250,- voor iedere dag waarop Stichting Zuidwester in gebreke blijft hem over te plaatsen;

c) Stichting Zuidwester zal veroordelen tot betaling van:

a) immateriële schadevergoeding van € 10.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2003;

b) materiële schadevergoeding ter zake

buitengerechtelijke incassokosten van € 2.500,--

overige schade van € 500,--

d) Stichting Zuidwester zal veroordelen om binnen 4 weken na het te wijzen vonnis [X] therapie aan te bieden die geschikt is om trauma’s te verwerken zoals een EMDR therapie, met veroordeling van Stichting Zuidwester in de kosten van die therapie;

e) Stichting Zuidwester zal veroordelen in de kosten van het geding en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eiseres] heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd.

[X] is seksueel misbruikt door [Y]. Uit de diverse verklaringen die [X] heeft afgelegd, in het bijzonder tegenover de politie, blijkt dat [X] het seksueel contact niet wilde, dat hij pijn had en dat hij er boos van werd. Het initiatief is van [Y] uitgegaan en [X] kon daar vanwege zijn beperkingen geen weerstand tegen bieden. Het misbruik is waarschijnlijk in 2002 aangevangen. [eiseres] weet dit omdat [X] tegen [eiseres] heeft gezegd dat het al plaatsvond voordat zijn neefje op [geboortedatum] werd geboren. Daarnaast heeft [X] verklaard dat het niet alleen op Delta Boulevard gebeurde, maar ook (daarvoor) in De Hoeker. Stichting Zuidwester heeft onrechtmatig jegens [X] gehandeld omdat zij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om hem te beschermen tegen seksueel misbruik door [Y] en omdat zij onvoldoende nazorg heeft geboden. Enerzijds had Stichting Zuidwester meer oog moeten hebben voor de kwetsbaarheid van [X] vanwege zijn handicap en omdat hij op 9-jarige leeftijd ook al slachtoffer was geworden van seksueel misbruik door een medebewoner van Stichting Zuidwester. [X] heeft [Y] jarenlang kunnen bezoeken zonder dat dit werd opgemerkt. Anderzijds had Stichting Zuidwester meer oog moeten hebben voor de risico’s van een persoon zoals [Y]. Stichting Zuidwester was op de hoogte van het zedenverleden van [Y]. Stichting Zuidwester heeft [Y] in 1993 overgeplaatst naar een andere instelling vanwege seksuele contacten. Het was Stichting Zuidwester bekend dat [Y] pedofiele neigingen heeft met een seksuele voorkeur voor jongens. Stichting Zuidwester had een risico-inventarisatie moeten maken en specifieke beschermingsmaatregelen voor medebewoners moeten treffen. Daarentegen had [Y] een zelfstandige woonruimte en vond er slechts tweemaal per week een contactmoment plaats. Stichting Zuidwester heeft geen protocollen of beleidsregels opgesteld ten aanzien van het voorkomen en/of signaleren van seksueel misbruik. [X] heeft schade geleden als gevolg van het seksueel misbruik, hij is aangetast in zijn persoon. Er zijn grote veranderingen in het gedrag van [X] waargenomen. Bovendien is het een feit van algemeen bekendheid dat slachtoffers van seksueel misbruik schade lijden, ook iemand met een handicap als [X]. Uit het rapport van Schuitemaker blijkt dat bij [X] aan trauma gerelateerde klachten zijn geconstateerd. [eiseres] vordert een bedrag van € 10.000,-- aan smartengeld.

Stichting Zuidwester is in de nazorg tekortgeschoten omdat zij geen aangifte tegen [Y] heeft gedaan, [Y] niet heeft overgeplaatst naar een andere (afdeling binnen de) instelling en omdat zij [X] heeft onthouden van een behandeling waarmee hij zijn trauma had kunnen verwerken. [eiseres] vordert materiële schade in de vorm van kosten rechtsbijstand en overige kosten. [X] kwam aanvankelijk niet in aanmerking voor gefinancierde rechtshulp en hij heeft (via [eiseres]) een bedrag van € 7.500,-- aan advocaatkosten voldaan in verband met het onderhavig geschil. Het is redelijk een derde deel van deze kosten toe te schrijven als kosten in de zin van artikel 6:96 BW. Voorts heeft [eiseres] kosten moeten maken ten behoeve van [X] zoals reiskosten in verband met de klaagschriftprocedure en onderhavig geschil. Het is redelijk deze kosten te begroten op € 500,--.

3.2.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eiseres] toegewezen behoudens een deel van de materiële schade, de buitengerechtelijke kosten zijn namelijk gematigd tot een bedrag van € 904,--, en voorts is de opgelegde dwangsom gematigd tot € 100,-- per dag met een maximum van € 50.000,--. Stichting Zuidwester is veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 601,17, en in de nakosten.

3.3.

Stichting Zuidwester vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eiseres] alsnog worden afgewezen. Stichting Zuidwester voert daartoe het volgende aan:

[eiseres] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen omdat deze voortvloeien uit de zorgovereenkomst tussen Stichting Zuidwester en [X]. Alleen een mentor of curator zou dergelijke vorderingen mogen instellen, en dat is [eiseres] niet.

Het seksueel contact met [Y] heeft niet tegen de wil van [X] plaatsgevonden. Dit is af te leiden uit de verslagen van de eerste gesprekken die [X] met medewerkers van Stichting Zuidwester heeft gevoerd. [X] heeft tegen [Q] en [I] verteld dat hij het seksuele contact prettig vond en had daarbij een twinkeling in zijn ogen. [X] heeft zijn verklaring later bijgesteld nadat hij met anderen had gesproken. [X] heeft de emoties van [eiseres] overgenomen.

Er is sprake geweest van een seksuele relatie die Stichting Zuidwester als ongewenst heeft bestempeld omdat zij niet weet wat de gevolgen van het seksuele contact voor [X] zijn.

Stichting Zuidwester betwist dat het seksuele contact vanaf 2002 heeft plaatsgevonden, dit blijkt nergens uit. [X] heeft geen besef van tijd en zijn verklaringen geven geen eenduidig beeld van wanneer de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

Stichting Zuidwester betwist dat zij haar zorgplicht jegens [X] heeft geschonden. [eiseres] draagt van die stelling de bewijslast. Stichting Zuidwester is bekend met de kwetsbaarheid van [X] en geeft hem intensieve begeleiding. Vanwege de beperkingen en het daarmee gepaard gaande agressieve gedrag is [X] al sinds 1999 in zijn vrijheden beperkt. Er was geen enkele reden om aan te nemen dat er ook vrijheidsbeperkende maatregelen moesten worden genomen om [X] te beschermen tegen het gevaar van seksueel misbruik. Het is niet vastgesteld dat [X] op 9-jarige leeftijd seksueel is misbruikt door een 12-jarige medebewoner. Voor zover het voorval heeft plaatsgevonden, is sprake van jonge verstandelijk gehandicapte kinderen die nauwelijks een seksuele moraal hebben noch een besef van wat zij aan het doen zijn. Stichting Zuidwester was ermee bekend dat [Y] een pedoseksuele voorkeur voor jongens heeft en dat hij grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond. Dit betekent niet dat [Y] al zijn vrijheden kunnen of moeten worden ontnomen. Stichting Zuidwester was niet bekend met het gevaar dat [Y] een medebewoner seksueel zou misbruiken. Er is nauwlettend en veelvuldig toezicht op [Y] gehouden. In juli 2007 vond meerdere keren per dag een controlemoment tussen het personeel en [Y] plaats. Vanwege de geheimhoudingsplicht kan Stichting Zuidwester geen informatie verstrekken over medicatiegebruik van [Y] of andere informatie met betrekking tot de zorg van [Y]. Er is beleid opgesteld en geïmplementeerd ter voorkoming van seksueel misbruik binnen de instelling. Stichting Zuidwester is niet tekortgeschoten in de nazorg. Er was geen aanleiding om aangifte tegen [Y] te doen nu geen sprake was van een seksueel contact tegen de wil van [X]. De begeleiding van [Y] is na het voorval gewijzigd. Er vinden meer contactmomenten met [Y] plaats en hij heeft een andere woning. Aan [X] is EMDR-therapie aangeboden. Die therapie was niet zinvol, hetgeen blijkt uit de overgelegde rapportage (productie 30 bij verzetdagvaarding). Het verplaatsen van [Y] is een grote inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en is een ultimum remedium. [eiseres] heeft niet gesteld dat de verhuizing van [Y] een oplossing voor de gestelde problemen van [X] zou zijn. Stichting Zuidwester betwist dat [X] schade heeft geleden als gevolg van het seksuele contact. De gedragsproblemen die [X] heeft, vloeien voort uit zijn verstandelijke beperkingen. Voorts wordt de hoogte van het gevorderde smartengeld betwist, [eiseres] heeft die vordering onvoldoende onderbouwd. Subsidiair is Stichting Zuidwester geen dader van seksueel misbruik en de gebruikelijke schadevergoedingen zijn niet op haar van toepassing. De gevorderde materiële schade is onvoldoende onderbouwd.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Stichting Zuidwester in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

Ontvankelijkheid [eiseres]

4.2.

voert als bewindvoerster ex artikel 1:431 BW, het beheer over de goederen die [X] toebehoren of zullen toebehoren in de toekomst. Het begrip ‘goederen’ dient te worden opgevat in de zin van artikel 3:1 BW, dat wil zeggen: alle zaken en alle vermogensrechten. Ingevolge artikel 3:6 BW zijn vermogensrechten onder meer rechten die er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen.

4.3.

De door [eiseres] ingestelde vorderingen tot vergoeding van materiële en immateriële schade (zie 3.1. onderdeel c) vertegenwoordigen een vermogensrechtelijk belang en vormen derhalve een onderdeel van de onder bewind gestelde goederen.

[eiseres] zal in deze vorderingen worden ontvangen. De gevorderde verklaring voor recht (zie 3.1. onderdeel a) hangt zo nauw samen met de vordering onder c, dat [eiseres] hierin eveneens wordt ontvangen.

4.4.

Mede gelet op hetgeen in het vonnis in incident is overwogen (zie r.o. 4.3.), wordt geoordeeld dat de vorderingen b en d (zie hiervoor 3.1.) geen vermogensrechtelijk belang vertegenwoordigen. De vordering tot het aanbieden van therapie op kosten van Stichting Zuidwester ziet niet primair om het kosteloos ondergaan van de therapie, maar om herstel van de gestelde gezondheidsschade. Wat betreft de vordering tot verplaatsing [Y] is reeds overwogen dat het er klaarblijkelijk niet zozeer om gaat dat Zuidwester de verhuiskosten van [Y] voor haar rekening neemt, maar dat [X] niet langer met [Y] wordt geconfronteerd.

Gezien het voorgaande is [eiseres] niet bevoegd de vorderingen onder b en d namens [X] in te stellen. De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling van deze vordering dus niet toe. Voor dit deel van de vorderingen zal [eiseres] niet-ontvankelijk worden verklaard.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

Er is sprake geweest van seksuele handelingen tussen [X] en [Y]. Partijen twisten over de vraag of dit contact al dan niet vrijwillig was. Op basis van de overgelegde stukken, in het bijzonder het proces-verbaal van het studioverhoor en het verslag van het taxatieverhoor, wordt als vaststaand aangenomen dat de seksuele handeling tegen de wil van [X] hebben plaatsgevonden. [X] heeft onder meer verklaard dat hij tegen [Y] heeft gezegd dat hij het seksuele contact niet wilde, en hij heeft verklaard dat hij pijn en boosheid heeft ervaren. Voorts kan uit de verklaringen van [X] worden afgeleid dat hij geen weerstand durfde c.q. kon bieden aan de “uitnodigingen” van [Y] en dat hij niet meer naar [Y] toe wil gaan. Het studioverhoor en het taxatiegesprek zijn afgenomen door orthopedagoog [C] respectievelijk psycholoog [B] en zij hebben de verklaring van [X] betrouwbaar geacht. Er is geen aanleiding om aan dit oordeel te twijfelen.

4.6.

Het verweer dat [X] zijn verklaring later zou hebben aangepast nadat hij met anderen had gesproken, wordt verworpen. Stichting Zuidwester heeft niet onderbouwd wie met ‘anderen’ wordt bedoeld behoudens [eiseres]. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat zij het weekend na 10 juli 2007 met [X] heeft gesproken over het seksueel misbruik. Uit het verslag van het gesprek van [I] op woensdag 11 juli 2007 kan reeds worden afgeleid dat [X] het seksuele contact niet wilde. Hij heeft toen immers verteld dat hij ‘liever niet meer’ naar [Y] toe wilde gaan en dat hij niet door durfde te lopen wanneer [Y] hem binnen vroeg omdat [Y] ‘zo groot en sterk’ is. Gezien het korte tijdsverloop en het feit dat niet is gesteld dat [X] is beïnvloed door iemand anders dan [eiseres], valt niet in te zien waarom dat deel van zijn verklaring op 11 juli 2007 onbetrouwbaar zou zijn.

Uit de door [Q] en [I] geconstateerde ‘twinkeling in de ogen’ bij [X] kan niet de conclusie worden getrokken dat het seksuele contact vrijwillig was, gelet op de verstandelijke beperkingen van [X]. De vraagstelling aan [X] of hij het seksuele contact ‘prettig’ of ‘lekker’ vond is suggestief geweest.

4.7.

Partijen twisten over de vraag gedurende welke periode het misbruik heeft plaatsgevonden. [X] heeft tegen [B] gezegd dat het ‘elke keer af en toe’ gebeurde. Voorts heeft hij tegen [C] verklaard dat het in Brielle nog niet plaatsvond, maar wel in De Hoeker en Delta Boulevard. Gelet hierop wordt overwogen dat het misbruik verscheidene malen heeft plaatsgevonden. Nu [X] in 2007 is verhuisd van De Hoeker naar Delta Boulevard zal er vanuit worden gegaan dat het misbruik plaatsvond vanaf 1 januari 2007. De stelling van [eiseres] dat het misbruik reeds vanaf 2002 plaatsvond is onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.

Zorgplicht

4.8.

Op Stichting Zuidwester rust als zorginstelling, gezien de verhoogde kwetsbaarheid van de bij haar verblijvende personen met een verstandelijke beperking, een (ongeschreven) bijzondere zorgplicht ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van personen met een verstandelijke beperking die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Deze zorgplicht houdt in dat Stichting Zuidwester alle inspanningen moet verrichten die redelijkerwijze van haar kunnen worden gevergd teneinde een veilig woonklimaat te bieden. Dit brengt met zich dat Stichting Zuidwester gehouden is er zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, op toe te zien dat aan haar toevertrouwde cliënten geen schade wordt toegebracht door derden, waaronder andere cliënten. Dit betreft een inspanningsverplichting die op haar rust. Het enkele feit dat [Y] [X] seksueel heeft misbruikt, maakt nog niet dat Stichting Zuidwester haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden.

4.9.

Hoever het toezicht van Stichting Zuidwester behoort te gaan en welke maatregelen ter voorkoming van het toebrengen van schade van Stichting Zuidwester mogen worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij van belang zijn de aard en de ernst van het gevaar, bestaande in de kans op een inbreuk op de gezondheid en veiligheid van de personen met een verstandelijke beperking die aan de zorg van Stichting Zuidwester zijn toevertrouwd, de te verwachten schade, de grootte van de kans dat die schade zich verwezenlijkt, de voorzienbaarheid van het gevaar en de schade en de kosten van voorzorgsmaatregelen.

4.10.

Van een schending van de bijzondere zorgplicht zou sprake kunnen zijn indien Stichting Zuidwester geen of te weinig oog had voor het gevaar van seksueel overschrijdend gedrag jegens [X] of indien de concrete situatie bij Stichting Zuidwester noopte tot het nemen van specifieke (beleids)maatregelen, die Stichting Zuidwester vervolgens niet heeft genomen.

4.11.

Stichting Zuidwester moest in verhoogde mate rekening houden met het gevaar van seksueel grensoverschrijdend gedrag van [Y] gelet op het volgende.

Bij Stichting Zuidwester was bekend dat [Y] seksuele driften met pedofiele neigingen heeft en dat hij in het verleden seksueel grensoverschrijdend gedrag tegenover andere (jonge) jongens heeft vertoond. In 1994 heeft een medewerker van Stichting Zuidwester met de politie besproken dat [Y] intensiever zou worden begeleid, dat hij minder vrijheden zou krijgen en dat hij medicatie zou krijgen om zijn seksuele driften te doen afnemen. Dat [Y] in 1993 een woonvoorziening in Brielle moest verlaten vanwege seksuele contacten, zoals [eiseres] stelt, wordt als vaststaand aangenomen. Stichting Zuidwester heeft ter comparitie verklaard: ”ik zeg niet dat het niet waar is, maar ik weet er niet van” en daarmee heeft zij haar verweer tegen de stelling van [eiseres], onvoldoende onderbouwd, terwijl dat wel op haar weg lag. De woonvoorziening in Brielle vormt immers een onderdeel van Stichting Zuidwester zodat aangenomen mag worden dat zij dit heeft geadministreerd of in ieder geval had moeten administreren.

Bewijslast en verzwaarde stelplicht.

4.12.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast op [eiseres] rust van de stelling dat Stichting Zuidwester onvoldoende maatregelen heeft getroffen om [X] te beschermen tegen seksueel misbruik door [Y].

Tegelijkertijd kan van Stichting Zuidwester worden verlangd dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting dat zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht, om [eiseres] daarmee aanknopingspunten te bieden voor eventuele bewijslevering. Stichting Zuidwester moet geacht worden de beschikking te hebben over de informatie met betrekking tot de eventuele maatregelen die zij jegens [Y] heeft getroffen ter voorkoming en herhaling van seksueel misbruik. Stichting Zuidwester heeft zich tot nu toe beroepen op haar geheimhoudingsplicht jegens [Y]. Dit beroep disculpeert Stichting Zuidwester niet van haar verzwaarde stelplicht. Het eventueel niet (kunnen) voldoen aan die verzwaarde stelplicht zou dan ook voor haar risico komen. Stichting Zuidwester heeft zich tot nu toe in algemene zin op het standpunt gesteld dat [Y] intensief en nauwkeurig is begeleid, doch dit is niet, althans onvoldoende, geconcretiseerd en onderbouwd.

4.13.

Stichting Zuidwester zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte nader te onderbouwen welke inspanningen zij heeft verricht teneinde te voorkomen dat [Y] zich binnen de instelling aan seksueel misbruik schuldig zou maken en alle informatie waarover zij in redelijkheid kan beschikken, over te leggen. [eiseres] zal daarop mogen reageren.

4.14.

Aan de hand van de akte hiervoor onder 4.13. vermeld zal de rechtbank beoordelen of Stichting Zuidwester aan haar verzwaarde stelplicht heeft voldaan. Indien zij hieraan heeft voldaan, zal worden beoordeeld of [eiseres] wordt toegelaten te bewijzen dat Stichting Zuiwester in haar zorgplicht is tekortgeschoten. Indien wordt geoordeeld dat Stichting Zuidwester niet heeft voldaan aan haar verzwaarde stelplicht, dan staat vast dat sprake is van schending van de hiervoor omschreven zorgplicht. In dat geval zal de rechtbank vervolgens een oordeel geven over de gevorderde schadevergoeding.

4.15.

De rechtbank geeft partijen in overweging, te meer nu op diverse geschilpunten is beslist, alsnog een minnelijke regeling te treffen. Daartoe kan op verzoek van partijen een comparitie van partijen worden bepaald.

4.16.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

- verwijst de zaak naar de rol van 11 december 2013 voor nemen van een akte door Stichting Zuidwester zoals overwogen in r.o. 4.13.;

- verstaat dat [eiseres] daarop zal mogen reageren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, mr. I. Bouter en mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013.1

1 2457