Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8774

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
C-10-428274 - HA ZA 13-705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Relatieve bevoegdheid. Woonplaats in de zin van artikel 1:14 BW. Stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/428274 / HA ZA 13-705

Vonnis in incident van 6 november 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EMZ ADVIES B.V.,

gevestigd te Sneek,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.D. Postma,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WEB HOLDINGS B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M. Snoek.

Partijen zullen hierna EMZ en WEB genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 mei 2013 met producties;

  • -

    herstelexploot van 18 juni 2013;

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vordering in de hoofdzaak

EMZ legt aan haar vordering ten grondslag dat WEB is gehouden tot nakoming van haar betalingsverplichting jegens EMZ voortvloeiend uit de akte(n) van levering c.q. de koopovereenkomst met betrekking tot de aandelen die EMZ hield in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Independent Marine Consultants & Superveyors B.V. EMZ vordert dat de rechtbank WEB veroordeelt tot betaling aan EMZ van:

  • -

    € 67.105,00, samengesteld uit de koopsom van € 27.105,00 en de contractuele boete van € 40.000,00, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;

  • -

    buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    proceskosten en de nakosten.

3 Het geschil in het incident

3.1.

WEB vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering van WEB kennis te nemen en de zaak te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, met veroordeling van EMZ in de kosten van het incident. EMZ voert hiertegen verweer.

3.2.

WEB betwist dat zij op het adres[adres] (verder: het adres) haar kantoor c.q. filiaal heeft gevestigd. Het adres is het woonadres van mevrouw [X], die uiteindelijk belanghebbende van WEB is. Het adres dient ten aanzien van WEB slechts als inschrijvingsadres. Er worden geen werkzaamheden of activiteiten vanaf het adres verricht. Om die reden zijn er op dat adres “geen aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen” zoals bedoeld in artikel 1:14 BW. Van kantoor houden in die zin dat het betreffende kantoor het centrum van beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden zou vormen, is geen sprake.

3.3.

EMZ heeft gesteld dat WEB op het adres haar kantoor c.q. filiaal heeft gevestigd, en dat deze rechtbank derhalve bevoegd is om kennis te nemen van haar vordering.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Op grond van artikel 99 lid 1 Rv is in beginsel bevoegd de rechter van de woonplaats van gedaagde, tenzij de wet anders bepaalt. De woonplaats dient te worden bepaald aan de hand van het bepaalde in de artikelen 1:10-15 BW. Op grond van artikel 1:10 lid 2 BW heeft een rechtspersoon zijn woonplaats ter plaats waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft. Blijkens het door EMZ als productie 1 bij de dagvaarding overgelegde uittreksel van het handelsregister heeft WEB zijn statutaire zetel te Den Haag.

4.2.

EMZ beroept zich kennelijk op de toepassing van artikel 1:14 BW. Een rechtspersoon kan meer dan één woonplaats hebben, nu in voornoemd artikel is bepaald dat een persoon die een kantoor of een filiaal houdt ten aanzien van de aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen mede aldaar woonplaats heeft.

4.3.

EMZ heeft de stelling ter zake de bevoegdheid van rechtbank Rotterdam onderbouwd door te wijzen op het register van de Kamer van Koophandel, waaruit expliciet blijkt dat WEB haar “bezoekadres” heeft in Papendrecht.

4.4.

WEB stelt dat het adres slechts het woonadres is van een natuurlijk persoon, te weten de uiteindelijke belanghebbende van WEB. WEB stelt voorts dat zij een houdstermaatschappij is en dat het adres niet het centrum van de activiteiten van WEB is.

4.5.

WEB heeft deze stellingen onvoldoende onderbouwd. Het gegeven dat WEB een houdstermaatschappij is laat onverlet de mogelijkheid dat het woonadres van de “uiteindelijke belanghebbende” het centrum van de activiteiten is, zeker nu datzelfde adres ook de woonplaats is van de enig bestuurder, tevens aandeelhouder. Dit geldt te meer nu ook uit productie 3 bij de dagvaarding volgt dat WEB opereert vanuit, althans kantoor houdt, te Papendrecht.

4.6.

Tegen deze achtergrond had van WEB verwacht mogen worden haar beroep op de relatieve onbevoegdheid specifieker te onderbouwen, bijvoorbeeld door aan te geven vanuit welk adres WEB haar activiteiten dan wel ontplooit.

4.7.

De incidentele vordering zal dus worden afgewezen en WEB zal worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vordering van WEB af;

5.2.

veroordeelt WEB in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van EMZ vastgesteld op € 452,00 aan salaris voor de advocaat;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

5.4.

verwijst de zaak naar de rol van 18 december 2013 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.

[1287 / 1980]