Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8759

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
C/10/417603 / HA ZA 13-142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3:83 BW. Uitleg algemene voorwaarden: is onoverdraagbaarheid met goederenrechtelijke werking beoogd? Art. 3:83 lid 2 BW heeft geen relatieve werking in die zin dat de (goederenrechtelijke) onoverdraagbaarheid alleen kan worden ingeroepen door de schuldenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/417603 / HA ZA 13-142

Vonnis van 6 november 2013

in de zaak van

[curator/eiser],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ADMITEL B.V.,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. T.H.D. Struycken.

Partijen zullen hierna de curator en ABN AMRO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 juni 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 oktober 2013, inclusief de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.

2.1.

Admitel B.V. beschikte – samen met aan haar gelieerde vennootschappen – over een kredietfaciliteit bij ABN AMRO. (Onder meer) Admitel B.V. heeft tot meerdere zekerheid van de terugbetaling van dit krediet ten behoeve van ABN AMRO (onder andere) een stil pandrecht verstrekt op bestaande en toekomstige vorderingen van Admitel B.V.

2.2.

Op 23 april 2012 heeft (Actode Credit Management B.V. namens) ABN AMRO het pandrecht op de vorderingen die Admitel B.V. had op Jumbo Supermarkten B.V. (hierna: Jumbo) openbaar gemaakt. Daarbij is Jumbo verzocht de openstaande vorderingen van Admitel B.V. te (blijven) betalen op de bankrekening van Admitel B.V. bij ABN AMRO.

2.3.

Admitel B.V. is op 1 mei 2012 in staat van faillissement verklaard. De curator is aangesteld als curator.

2.4.

Sinds de datum van het faillissement is door Jumbo € 43.738,54 voldaan op openstaande vorderingen van Admitel B.V. Jumbo heeft betaald op de bankrekening van Admitel B.V. bij ABN AMRO. ABN AMRO heeft voornoemd bedrag in mindering gebracht op de schuld van Admitel B.V. aan ABN AMRO.

2.5.

Op de verhouding tussen Admitel B.V. en Jumbo waren de algemene voorwaarden van Jumbo van toepassing. Hierin is (in artikel 15) bepaald:

artikel 15 - cessieverbod – verrekening (…)

15.2

Leverancier zal zijn aanspraken op Opdrachtgever niet cederen of verpanden.”

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert  samengevat - veroordeling van ABN AMRO bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van € 43.738,54, vermeerderd met rente en kosten, inclusief nakosten.

3.2.

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is of de (inmiddels betaalde) vorderingen van Admitel B.V. op Jumbo onder het pandrecht van ABN AMRO vallen – en dus, of ABN AMRO zich (gelijk zij heeft gedaan) op de opbrengst van die vorderingen kan verhalen, dan wel of die opbrengst in de boedel valt. De curator stelt dat dit laatste het geval is, nu Jumbo een verpandingsverbod heeft bedongen, zodat de door ABN AMRO beoogde verpanding ongeldig is. ABN AMRO betoogt primair dat het verpandingsverbod alleen obligatoire werking heeft, en subsidiair dat alleen Jumbo een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 3:83 lid 2 BW.

4.2.

Bij de beoordeling van de vordering van de curator zij het volgende vooropgesteld. Het staat de schuldeiser en schuldenaar in beginsel steeds vrij met elkaar overeen te komen dat een vermogensrecht niet overdraagbaar is. Een dergelijk beding heeft in de regel alleen obligatoire werking, in die zin dat een overdracht (of de vestiging van een beperkt recht) in weerwil van dit beding wanprestatie oplevert. Met betrekking tot (alleen) vorderingsrechten daarentegen kan de overdraagbaarheid ook met goederenrechtelijke werking worden uitgesloten (artikel 3:83 lid 2 BW). In dat geval is de vordering als zodanig niet-overdraagbaar; een overdracht in strijd met het beding levert niet alleen wanprestatie op, maar die overdracht is ook ongeldig. Een en ander geldt niet alleen voor overdracht van de vordering, maar ook voor de vestiging van een beperkt recht op die vordering (artikel 3:98 BW).

4.3.

Of, in het geval van vorderingsrechten, een uitsluiting (of beperking) van de vervreemdingsbevoegdheid goederenrechtelijke werking heeft, of dat partijen hebben willen volstaan met alleen een obligatoire uitsluiting van de vervreemdingsbevoegdheid, is een kwestie van uitleg. Die uitleg geschiedt aan de hand van het Haviltex-criterium en dus (in casu) niet op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van het in de overeenkomst tussen Jumbo en Admitel B.V. opgenomen verpandingsverbod; het gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij zijn alle omstandigheden van het geval van betekenis, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

4.4.

Het verpandingsverbod is opgenomen in de algemene voorwaarden van Jumbo. Jumbo en Admitel B.V. zijn beide professionele partijen. Gesteld noch gebleken is dat Admitel B.V. en Jumbo hebben gesproken over de onderhavige bepaling. Gelet op die omstandigheden ligt in de rede aan het verpandingsverbod een geobjectiveerde uitleg te geven. Bij die geobjectiveerde uitleg neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen onder 4.2 is overwogen, namelijk dat ten aanzien van alle vermogensrechten de mogelijkheid bestaat de overdraagbaarheid in obligatoire zin uit te sluiten of te beperken, en dat alleen voor vorderingsrechten deze uitsluiting of beperking ook goederenrechtelijke werking kan hebben. Gelet op het systeem van de wet, en het feit dat een schuldenaar in het algemeen met het overeenkomen van een (vervreemdings- en) verpandingsverbod de bedoeling zal hebben niet (zonder nadere overeenkomst) geconfronteerd te worden met een andere dan de door hem verkozen schuldeiser, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in beginsel voor de hand ervan uit te gaan dat Jumbo heeft beoogd, en Admitel B.V. daarmee akkoord is gegaan, de mogelijkheid van verpanding van de vordering met goederenrechtelijk effect uit te sluiten. Admitel B.V. had belang kunnen hebben bij alleen een obligatoire werking van het beding – bijvoorbeeld in verband met door haar aan derden verstrekte of te verstrekken zekerheden –, maar de rechtbank acht dit mogelijke belang bij de uitleg van het verpandingsverbod niet doorslaggevend. Feit is dat alleen Jumbo belang had bij het bedingen van het verpandingsverbod. Het verbod is ook niet voor niets opgenomen in de algemene voorwaarden van Jumbo. Dat zijn belangrijke aanwijzingen dat bij de uitleg van het beding in beginsel moet worden uitgegaan van het (verderstrekkende) doel dat Jumbo met het beding heeft, en niet van een mogelijk minder vergaande werking van het beding in het belang van Admitel B.V. Uiteraard kan het beding en de werking ervan, mede in het kader van de financiële positie van de schuldeiser en het belang dat hij heeft bij vervreemding of verpanding van zijn vorderingen, een punt van overleg tussen schuldenaar en schuldeiser zijn, met als resultaat dat (toch) van een beding met alleen obligatoire werking moet worden uitgegaan. Dat overleg kan eventueel ook in een later stadium plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat de schuldeiser op dat moment een concreet belang krijgt bij vervreemding of verpanding van reeds bestaande of toekomstige vorderingen op de schuldenaar (bijvoorbeeld omdat de schuldeiser op het bestaan van verpandingsverboden wordt aangesproken door zijn kredietverschaffer die een stil pandrecht op vorderingen heeft bedongen). Gesteld noch gebleken is echter dat dit overleg (op enig moment) heeft plaatsgevonden tussen Jumbo en Admitel B.V. of, na haar faillissement, de curator. De rechtbank oordeelt dan ook dat het verpandingsverbod goederenrechtelijke werking heeft. Daaraan doet niet af dat, althans in hoeverre het gebruik van de bewoordingen “zal” in artikel 15 van de algemene voorwaarden wijst in de richting van (de bedoeling van) (alleen) een obligatoire werking van het beding, zoals ABN AMRO bepleit. Zoals hiervoor aan de orde kwam, ligt juist - gelet op de wettelijke mogelijkheid die Jumbo heeft om de verpanding van de vordering met goederenrechtelijk effect te verbieden - voor de hand uit te gaan van een beding met goederenrechtelijke werking, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat Jumbo, al dan niet na overleg met Admitel B.V., heeft willen volstaan met alleen een obligatoire werking van het beding. Het enkele gebruik van het werkwoord “zullen” (in plaats van “kunnen”) is niet een dergelijke duidelijke aanwijzing.

4.5.

Het voorgaande brengt mee dat de door ABN AMRO beoogde verpanding van de betreffende vorderingen ongeldig is, en dat de opbrengst van de betreffende vorderingen dus in de boedel valt. ABN AMRO heeft echter (subsidiair) betoogd dat alleen de schuldenaar (Jumbo) een beroep kan doen

“op de bescherming die een beding als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW beoogt te bieden. (…) De schuldeiser, en in zijn plaats de curator in het faillissement van de schuldeiser, kan derhalve geen beroep doen op een beding als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW.”

4.6.

Zoals hiervoor aan de orde kwam leidt een verpandingsverbod als het onderhavige ertoe dat de vordering niet-verpandbaar is, en dat de door ABN AMRO beoogde verpanding dus niet geldig is. Deze ongeldigheid treedt van rechtswege in; er hoeft geen beroep op te worden gedaan. De ongeldigheid ziet niet op de rechtshandeling van de verpanding, maar houdt verband met het gegeven dat de vordering als zodanig niet-verpandbaar is. Daarom ook gaat niet op de verwijzing naar artikel 3:40 lid 2 BW. De door ABN AMRO beoogde uitleg van artikel 3:83 lid 2 BW is in strijd met het systeem van de wet en kan aanleiding geven tot allerhande discussies over de vraag wie de rechthebbende is van de vordering en wie op die vordering een beperkt recht heeft – en dus tot onzekerheid over de vraag aan wie de schuldenaar bevrijdend kan betalen. Daarbij moet worden bedacht dat de ongeldigheid niet absoluut is; het staat schuldenaar en schuldeiser – en, zo nodig, in het faillissement van de schuldeiser, in zijn plaats de curator – vrij (nader) overeen te komen dat (bepaalde) vorderingen wél overdraagbaar of verpandbaar zijn. Dit kan zo nodig ook achteraf. In casu is dat niet gebeurd; het enkele feit dat Jumbo de vorderingen heeft betaald aan ABN AMRO kan niet worden aangemerkt als een (nadere) overeenkomst tussen Jumbo en Admitel B.V. (de curator) op grond waarvan de betreffende vorderingen alsnog verpandbaar zijn. Admitel B.V. noch de curator is hierbij immers betrokken geweest.

De door ABN AMRO naar voren gebrachte omstandigheid dat het verpandingsverbod primair het belang van de schuldenaar dient, kan wel op andere wijze tot uitdrukking komen. Zo zal de schuldeiser (Admitel B.V.) zich er in voorkomend geval jegens de schuldenaar (Jumbo) niet op kunnen beroepen dat de laatste de vordering ten onrechte heeft betaald aan degene aan wie de schuldeiser de vordering heeft willen verpanden. Niet omdat sprake is van “relatieve nietigheid”, zoals ABN AMRO betoogt, maar omdat dat (in beginsel) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.7.

De conclusie is dat de vorderingen van Admitel B.V. op Jumbo niet onder het pandrecht van ABN AMRO vallen. ABN AMRO heeft de bedragen die Jumbo ingevolge deze vorderingen na de datum van het faillissement heeft betaald op de rekening van Admitel B.V. dan ook ten onrechte verrekend met haar vordering op Admitel B.V. ABN AMRO moet deze bedragen afdragen aan de curator.

4.8.

De hoogte van voornoemde door Jumbo na datum faillissement betaalde bedragen staat niet ter discussie. Het gaat om een bedrag van € 43.738,54. In zoverre is de vordering van de curator toewijsbaar. Ook de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding is toewijsbaar.

4.9.

ABN AMRO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding €  76,71

- griffierecht 842,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal €  2.706,71

De nakosten zijn toewijsbaar als in het dictum van het vonnis vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt ABN AMRO om aan de curator te betalen een bedrag van € 43.738,54 (drieënveertigduizend zevenhonderdachtendertig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 22 januari 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 2.706,71,

5.3.

veroordeelt ABN AMRO in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ABN AMRO niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.

2148/1729/2309