Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8758

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
C/10/416598 / HA ZA 13-90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3:83 BW. Uitleg algemene voorwaarden: is onoverdraagbaarheid met goederenrechtelijke werking beoogd? Art. 3:83 lid 2 BW heeft geen relatieve werking in die zin dat de (goederenrechtelijke) onoverdraagbaarheid alleen kan worden ingeroepen door de schuldenaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 40
Burgerlijk Wetboek Boek 3 83
Burgerlijk Wetboek Boek 3 89
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/75
JOR 2013/356 met annotatie van Mr. B.A. Schuijling
NTHR 2014, afl. 1, p. 40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/416598 / HA ZA 13-90

Vonnis van 6 november 2013

in de zaak van

[curator/eiser] ,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gefailleerde BV],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. T.H.D. Struycken.

Partijen zullen hierna de curator en ABN AMRO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juni 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 oktober 2013, inclusief de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.

2.1.

[gefailleerde BV] (hierna: Eemhaven) beschikte – samen met aan haar gelieerde vennootschappen – over een kredietfaciliteit bij ABN AMRO. (Onder meer) Eemhaven heeft tot meerdere zekerheid van de terugbetaling van dit krediet ten behoeve van ABN AMRO (onder andere) een stil pandrecht verstrekt op bestaande en toekomstige vorderingen van Eemhaven.

2.2.

Eemhaven is op 29 juni 2011 in staat van faillissement verklaard. De curator is aangesteld als curator.

2.3.

Na datum faillissement zijn (in het kader van een doorstart) vermogensbestanddelen van Eemhaven overgedragen aan Nimbus B.V. Vorderingen van Eenhaven op derden zijn (door de curator) overgedragen aan een aan Nimbus B.V. gelieerde onderneming, waarbij ABN AMRO afstand heeft gedaan van haar (vermeende) pandrecht op die vorderingen. De koopprijs voor de vorderingen is – na aftrek van een boedelbijdrage – afgedragen aan ABN AMRO als (vermeend) pandhouder. De curator heeft daarbij het voorbehoud gemaakt – en ABN AMRO is daarmee akkoord gegaan – dat voor zover met betrekking tot één of meer van voornoemde vorderingen sprake zou zijn van een verpandingsverbod, ten aanzien van die vorderingen een (gedeeltelijke) terugbetaling aan de boedel moet plaatsvinden.

2.4.

Onder de overgedragen vorderingen bevinden zich vorderingen van Eemhaven op Odfjell Terminals (Rotterdam) B.V. (hierna: Odfjell), op Stork Industry Services B.V. (hierna: Stork) en op Cofely Noordwest B.V. (hierna: Cofely). De algemene voorwaarden van Odfjell, Stork en Cofely luiden – voor zover thans relevant – achtereenvolgens als volgt.

Ten aanzien van Odfjell:

“A.20

De wederpartij kan en mag haar rechten dan wel haar verplichtingen uit de overeenkomst noch geheel noch ten dele aan derden overdragen zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de opdrachtgever. De opdrachtgever is bevoegd, die goedkeuring te weigeren of er voorwaarden aan te verbinden. (…)

C.15.8

In verband met het vorenstaande is het de wederpartij verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever haar contractprijsvordering op de opdrachtgever ten dele of geheel te vervreemden (cederen) of te bezwaren (verpanden).”

Ten aanzien van Stork:

“Leverancier is niet bevoegd zonder schriftelijke toestemming van Stork de vorderingen die Leverancier ingevolge de overeenkomst op Stork heeft, te cederen aan derden of te verpanden.”

Ten aanzien van Cofely:

“20.1 Zonder schriftelijke toestemming van Cofely, is het Opdrachtnemer verboden de Opdracht of enig deel daarvan dan wel rechten of vorderingen uit hoofde van de Opdracht of de Overeenkomst aan derden over te dragen of te verpanden.”

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert – samengevat – veroordeling van ABN AMRO bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van € 641.000,98, vermeerderd met rente en kosten, inclusief nakosten.

3.2.

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De curator grondt zijn vordering op het volgende. Tot de vorderingen die zijn overgedragen en waarvan de koopprijs (ten dele) aan ABN AMRO ten goede is gekomen, behoren (tot een bedrag van € 1.098.921,61) vorderingen van Eemhaven op Odfjell, Stork en Cofely. Voor die vorderingen gelden, zo is de curator inmiddels gebleken, verpandingsverboden, zodat deze vorderingen niet onder het pandrecht van ABN AMRO vallen en ABN AMRO dus conform het door de curator gemaakte voorbehoud is gehouden (58,33% van dit bedrag, zijnde) € 641.000,98 aan de boedel terug te betalen.

4.2.

ABN AMRO betwist gehouden te zijn tot terugbetaling van voornoemd bedrag aan de boedel. Zij betoogt:

  • -

    dat de algemene voorwaarden van Odfjell en Stork niet van toepassing zijn;

  • -

    dat de in de algemene voorwaarden van Odfjell, Stork en Cofely opgenomen verpandingsverboden alleen obligatoire werking hebben;

  • -

    dat op de bescherming van artikel 3:83 lid 2 BW alleen een beroep kan worden gedaan door Odfjell resp. Stork resp. Cofely, en niet door Eemhaven/de curator;

  • -

    dat de curator zijn recht heeft verwerkt een beroep te doen op de verpandingsverboden.

4.3.

Wat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden betreft wordt het volgende overwogen. Volgens ABN AMRO zijn de algemene voorwaarden van Odfjell en Stork niet van toepassing, omdat (i) Eemhaven bij het ondertekenen van de orderbevestigingen resp. inkoopopdracht waarin de algemene voorwaarden van Odfjell resp. Stork toepasselijk zijn verklaard niet rechtsgeldig was vertegenwoordigd en (ii) niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het van toepassing worden van algemene voorwaarden, waaronder terhandstelling. Dit betoog kan niet worden gevolgd. ABN AMRO stelt dat zij een pandrecht heeft op de vorderingen van Eemhaven die voortvloeien uit de overeenkomsten met Odfjell en Stork. De rechtsgeldige totstandkoming van deze overeenkomsten wordt in zoverre dus niet betwist. De rechtsgeldige totstandkoming van de overeenkomst als zodanig brengt in dit geval mee dat ook de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden rechtsgeldig is overeengekomen. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Het standpunt van ABN AMRO, dat de integrale overeenkomst rechtsgeldig is, doch niet wat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden betreft, wordt verworpen. Niet valt in te zien hoe in dit geval zou kunnen worden geconcludeerd dat het aanbod moet worden geacht te zijn aanvaard exclusief de van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. ABN AMRO gaat er ten onrechte van uit dat voor aanbod en aanvaarding van algemene voorwaarden andere uitgangspunten gelden dan voor andere elementen van een overeenkomst. In het midden kan voorts blijven of de algemene voorwaarden al dan niet aan Eemhaven ter hand zijn gesteld. Zoals de curator terecht betoogt en ABN AMRO ook onderkent, staat de mogelijkheid van vernietiging wegens het niet ter hand stellen van de algemene voorwaarden niet open voor een derde. Uitgegaan moet dus worden van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Odfjell, Stork en Cofely.

4.4.

Daarmee komt de rechtbank toe aan beoordeling van de vraag of het in die voorwaarden opgenomen verpandingsverbod goederenrechtelijke werking heeft, zoals de curator betoogt, of alleen obligatoire werking, zoals volgens ABN AMRO het geval is. Bij de beoordeling van die vraag zij het volgende vooropgesteld. Het staat de schuldeiser en schuldenaar in beginsel steeds vrij met elkaar overeen te komen dat een vermogensrecht niet overdraagbaar is. Een dergelijk beding heeft in de regel alleen obligatoire werking, in die zin dat een overdracht (of de vestiging van een beperkt recht) in weerwil van dit beding wanprestatie oplevert. Met betrekking tot (alleen) vorderingsrechten daarentegen kan de overdraagbaarheid ook met goederenrechtelijke werking worden uitgesloten (artikel 3:83 lid 2 BW). In dat geval is de vordering als zodanig niet-overdraagbaar; een overdracht in strijd met het beding levert niet alleen wanprestatie op, maar die overdracht is ook ongeldig. Een en ander geldt niet alleen voor overdracht van de vordering, maar ook voor de vestiging van een beperkt recht op die vordering (artikel 3:98 BW).

4.5.

Of, in het geval van vorderingsrechten, een uitsluiting (of beperking) van de vervreemdingsbevoegdheid goederenrechtelijke werking heeft, of dat partijen hebben willen volstaan met alleen een obligatoire uitsluiting van de vervreemdingsbevoegdheid, is een kwestie van uitleg. Die uitleg geschiedt aan de hand van het Haviltex-criterium en dus (in casu) niet op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van het in de overeenkomst tussen Stork, Odfjell resp. Cofely aan de ene kant en Eemhaven aan de andere kant opgenomen verpandingsverbod; het gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij zijn alle omstandigheden van het geval van betekenis, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

4.6.

De respectievelijke verpandingsverboden zijn opgenomen in de algemene voorwaarden van Stork, Odfjell en Cofely. Dit zijn, net als Eemhaven zelf, alle professionele partijen. Gesteld noch gebleken is dat Eemhaven aan de ene kant en Stork, Odfjell en Cofely aan de andere kant hebben gesproken over de relevante (hierboven onder 2.4 geciteerde) bepalingen. Gelet op die omstandigheden ligt in de rede aan de respectievelijke verpandingsverboden een geobjectiveerde uitleg te geven. Bij die geobjectiveerde uitleg neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen onder 4.4 is overwogen, namelijk dat ten aanzien van alle vermogensrechten de mogelijkheid bestaat de overdraagbaarheid in obligatoire zin uit te sluiten of te beperken, en dat alleen voor vorderingsrechten deze uitsluiting of beperking ook (eventueel) goederenrechtelijke werking heeft. Gelet op het systeem van de wet, en het feit dat een schuldenaar in het algemeen met het overeenkomen van een (vervreemdings- en)verpandingsverbod de bedoeling zal hebben niet (zonder nadere overeenkomst) geconfronteerd te worden met een andere dan de door hem verkozen schuldeiser, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in beginsel voor de hand ervan uit te gaan dat Stork, Odfjell en Cofely hebben beoogd, en Eemhaven daarmee akkoord is gegaan, de mogelijkheid van verpanding van de vordering met goederenrechtelijk effect uit te sluiten. Eemhaven had belang kunnen hebben bij alleen een obligatoire werking van het beding – bijvoorbeeld in verband met door haar aan derden verstrekte of te verstrekken zekerheden –, maar de rechtbank acht dit mogelijke belang bij de uitleg van het verpandingsverbod niet doorslaggevend. Feit is dat alleen Stork, Odfjell en Cofely belang hadden bij het bedingen van het verpandingsverbod. Het verbod is ook niet voor niets opgenomen in hun algemene voorwaarden. Dat zijn belangrijke aanwijzingen dat bij de uitleg van het beding in beginsel moet worden uitgegaan van het (verderstrekkende) doel dat zij met het beding hebben, en niet van een mogelijk minder vergaande werking van het beding in het belang van Eemhaven. Uiteraard kan het beding en de werking ervan, mede in het kader van de financiële positie van de schuldeiser en het belang dat hij heeft bij vervreemding of verpanding van zijn vorderingen, een punt van overleg tussen schuldenaar en schuldeiser zijn, met als resultaat dat (toch) van een beding met alleen obligatoire werking moet worden uitgegaan. Dat overleg kan eventueel ook in een later stadium plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat de schuldeiser op dat moment een concreet belang krijgt bij vervreemding of verpanding van reeds bestaande of toekomstige vorderingen op de schuldenaar (bijvoorbeeld omdat de schuldeiser op het bestaan van verpandingsverboden wordt aangesproken door zijn kredietverschaffer die een stil pandrecht op vorderingen heeft bedongen). Gesteld noch gebleken is echter dat dit overleg (op enig moment) heeft plaatsgevonden tussen Stork, Odfjell resp. Cofely enerzijds en Eemhaven (althans, na haar faillissement, de curator) anderzijds. De rechtbank oordeelt dan ook dat de respectievelijke verpandingsverboden goederenrechtelijke werking hebben. Daaraan doet niet af dat, althans in hoeverre het gebruik van de bewoordingen “verboden” (algemene voorwaarden Odfjell en Cofely) en “niet bevoegd” (algemene voorwaarden Stork), gekoppeld aan de bewoordingen “zonder schriftelijke toestemming van”(algemene voorwaarden Odfjell, Stork en Cofely) wijst in de richting van (de bedoeling van) (alleen) een obligatoire werking van het beding, zoals ABN AMRO bepleit. Zoals hiervoor aan de orde kwam ligt juist gelet op de wettelijke mogelijkheid die Odfjell, Stork en Cofely hebben om de verpanding van de vordering met goederenrechtelijk effect te verbieden voor de hand uit te gaan van een beding met goederenrechtelijke werking, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat deze partijen, al dan niet na overleg met Eenhaven, hebben willen volstaan met alleen een obligatoire werking van het beding. Het enkele gebruik van voornoemde bewoordingen is niet een dergelijke duidelijke aanwijzing.

4.7.

Het voorgaande brengt mee dat de door ABN AMRO beoogde verpanding van de betreffende vorderingen ongeldig is. ABN AMRO heeft echter (subsidiair) betoogd dat alleen de schuldenaar (Odfjell, Stork resp. Cofely) een beroep kan doen

“op de bescherming die een beding als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW beoogt te bieden. (…) De schuldeiser, en in zijn plaats de curator in het faillissement van de schuldeiser, kan derhalve geen beroep doen op een beding als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW.”

4.8.

Zoals hiervoor aan de orde kwam leidt een verpandingsverbod als het onderhavige ertoe dat de vordering niet-verpandbaar is, en dat de door ABN AMRO beoogde verpanding dus niet geldig is. Deze ongeldigheid treedt van rechtswege in; er hoeft geen beroep op te worden gedaan. De ongeldigheid ziet niet op de rechtshandeling van de verpanding, maar houdt verband met het gegeven dat de vordering als zodanig niet-verpandbaar is. Daarom ook gaat niet op de verwijzing naar artikel 3:40 lid 2 BW. De door ABN AMRO beoogde uitleg van artikel 3:83 lid 2 BW is in strijd met het systeem van de wet en kan aanleiding geven tot allerhande discussies over de vraag wie de rechthebbende is van de vordering en wie op die vordering een beperkt recht heeft – en dus tot onzekerheid over de vraag aan wie de schuldenaar bevrijdend kan betalen. Daarbij moet worden bedacht dat de ongeldigheid niet absoluut is; het staat schuldenaar en schuldeiser – en, zo nodig, in het faillissement van de schuldeiser, in zijn plaats de curator – vrij (nader) overeen te komen dat (bepaalde) vorderingen wél overdraagbaar of verpandbaar zijn. Dit kan zo nodig ook achteraf. In casu is dat niet gebeurd. De door ABN AMRO naar voren gebrachte omstandigheid dat het verpandingsverbod primair het belang van de schuldenaar dient, kan wel op andere wijze tot uitdrukking komen. Zo zal de schuldeiser (Eemhaven) zich er in voorkomend geval jegens de schuldenaar (Odfjell, Stork en Cofely) niet op kunnen beroepen dat de laatste de vordering ten onrechte heeft betaald aan degene aan wie de schuldeiser de vordering heeft willen verpanden. Niet omdat sprake is van “relatieve nietigheid”, zoals ABN AMRO betoogt, maar omdat dat (in beginsel) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.9.

Anders dan ABN AMRO betoogt komt de curator dus wel degelijk een beroep toe op artikel 3:83 lid 2 BW. Dit is slechts anders als, zoals ABN AMRO stelt, de curator zijn recht hiertoe heeft verwerkt. ABN AMRO stelt in dat kader dat ook de curator zich niet heeft gehouden aan de in de algemene voorwaarden opgenomen uitsluiting van de vevreemdingsbevoegdheid, nu de curator immers de betreffende vorderingen heeft overgedragen aan een derde. Het beroep op rechtsverwerking wordt verworpen. Bij de overdracht van de vorderingen door de curator aan een derde, waarbij de verkoopopbrengst van die vorderingen voor een groot deel aan ABN AMRO ten goede is gekomen, hebben de curator en ABN AMRO afspraken gemaakt voor het geval voor (een deel van) de betreffende vorderingen een verpandingsverbod zou gelden. Die afspraak is inzet van de onderhavige procedure. ABN AMRO staat overigens buiten de kwestie of de beoogde overdracht van de onderhavige vorderingen door de curator aan de aan Nimbus B.V. gelieerde vennootschap is geslaagd. Dit is immers een kwestie tussen die vennootschap en de curator, en die kwestie is in de onderhavige procedure niet aan de orde.

4.10.

De conclusie is dat ABN AMRO conform de met de curator gemaakte afspraak is gehouden een terugbetaling te doen aan de boedel. De hoogte van het aldus verschuldigde bedrag staat niet ter discussie. Het gaat om een bedrag van € 641.000,98. In zoverre is de vordering van de curator toewijsbaar. Ook de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding is toewijsbaar.

4.11.

ABN AMRO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding €  76,71

- griffierecht 1.474,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal €  6.710,71

De nakosten zijn toewijsbaar als in het dictum van het vonnis vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt ABN AMRO om aan de curator te betalen een bedrag van € 641.000,98 (zeshonderdéénenveertigduizend euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 9 januari 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 6.710,71,

5.3.

veroordeelt ABN AMRO in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ABN AMRO niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.

2148/1729/2309