Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8733

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
C/10/137403 / HA ZA 00-985
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwaringsprocedure. Bodemverontreiniging. Aansprakelijkheid. Art. 75 Wet bodembescherming (Wbb). Verjaring. Ongerechtvaardigde verrijking. Onrechtmatige daad. Cessie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2014/45 met annotatie van H.J. Bos
JBO 2014/76 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/137403 / HA ZA 00-985

Vonnis van 16 oktober 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Willemstad, Curaçao,

eiseres,

advocaat mr. R.M. van Opstal,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R.W. van Harmelen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 mei 2013, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 juli 2013, alsmede de toen overgelegde pleitnotitie;

  • -

    de akte na comparitie van de gemeente.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Het betreft hier de vrijwaringsprocedure bij een bodemzaak waarin op 20 juli 2011 eindvonnis is gewezen, welk eindvonnis inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan. Ingevolge dat vonnis en een later getroffen schikking is door [eiseres] aan de Staat

€ 936.167,41 betaald in verband met, kort gezegd, door [eiseres] veroorzaakte bodemverontreiniging en aansprakelijkheid ex art. 75 Wbb. De vordering in de vrijwaring is gebaseerd op een onrechtmatige daad maar primair, naar ter comparitie nader werd toegelicht en uitgewerkt, op ongerechtvaardigde verrijking.

2.2

Ter comparitie is gebleken dat [eiseres] niet heeft bedoeld een vordering ex art. 843a Rv in te dienen; zij wijst de rechtbank slechts op het door de gemeente niet overleggen van stukken en wacht de consequenties af. Een separate beslissing behoeft daarop dus niet genomen te worden.

2.3

De gemeente heeft zich beroepen op verjaring, zowel van de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad als van die uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. [eiseres] bestrijdt dat beroep gemotiveerd.

verjaring ongerechtvaardigde verrijking

2.3.1

Voor wat betreft de ongerechtvaardigde verrijking faalt het beroep op verjaring. De rechtbank baseert dat oordeel op de volgende overwegingen.

Vast staat, dat de gemeente de grond van NS heeft gekocht (waarbij de levering al heeft plaatsgevonden in 1992, hoewel de overeenkomst in 1995 is gesloten), wetende dat deze verontreinigd was, dat het terrein vervolgens gesaneerd is, hetgeen tot september 1996 heeft geduurd, dat de Staat een Rijksbijdrage heeft vastgesteld en tenslotte dat de Staat met de gemeente de ongerechtvaardigde verrijking (becijferd op fl. 1,3 miljoen) heeft verrekend in 1999, in die zin dat de gemeente dat bedrag aan de Staat heeft betaald. De saneringskosten heeft de Staat ex art. 75 Wbb deels verhaald op [eiseres] in voormelde bodemprocedure. De vordering van NS jegens (de rechtsvoorganger van) [eiseres] uit hoofde van de huurovereenkomst is verjaard.

Vast staat ook, dat de achtergrond van de aankoop van het terrein door de gemeente gelegen was in de wens van de gemeente om de Kop van Zuid te ontwikkelen, dat in dat verband het bestemmingsplan is gewijzigd en dat de inmiddels gesaneerde grond uiteindelijk is verkocht voor ruim € 19 miljoen.

2.3.2

Uitgangspunt dient te zijn, dat de verjaringstermijn begint te lopen zodra [eiseres] bekend was met de verrijking. [eiseres] heeft ter zitting gesteld en de gemeente heeft niet, zeker niet gemotiveerd, betwist (ook niet in de akte, die zij speciaal met het oog op dit aspect mocht nemen en heeft genomen) dat [eiseres] op zijn vroegst op 23 juni 1999 (toen de Staat met de gemeente een bedrag aan ongerechtvaardigde verrijking verrekend heeft) op de hoogte was van de omstandigheid dat de gemeente verrijkt was. Dat toen de omvang van die verrijking onduidelijk was doet niet ter zake; evenmin is, in dit opzicht, relevant of deze verrijking al dan niet als ongerechtvaardigd is aan te merken.

Voor 23 juni 1999 was voor geen van de betrokkenen duidelijk en kon aan [eiseres] in redelijkheid dus ook niet bekend zijn of en hoe de financiële verhouding tussen de Staat en de gemeente ten gevolge van deze sanering geregeld zou worden.

Nu de dagvaarding dateert van 20 april 2000 is deze dus binnen de verjaringstermijn (van 5 jaar) uitgebracht.

verjaring onrechtmatige daad

2.4

Voor zover sprake is van een separate vordering uit onrechtmatige daad is deze wel verjaard. Nu is gedagvaard op 20 april 2000 en de verjaring niet is gestuit komt het er immers op aan of [eiseres] van de beweerde onrechtmatige daad op de hoogte was voor 19 april 1995.

2.4.1

Ter comparitie heeft [eiseres] verduidelijkt dat de door haar bedoelde onrechtmatige daad daarin gelegen is, dat de gemeente de vervuilde grond (in 1992) om niet heeft verkregen en daarna (in 1995) de koopovereenkomst zo heeft ingevuld dat een ander, te weten [eiseres], voor de saneringskosten zou opdraaien, doordat zij de grond heeft aangemeld in het kader van de IBS; [eiseres] wijst daarbij op de twee wegenleer, die de gemeente, in haar visie, had dienen te weerhouden van de aanmelding in het kader van de IBS.

2.4.2

Wat daarvan zij, de aanmelding onder de IBS, de verwerving van de grond en het standpunt van de Staat en de gemeente dat [eiseres] aansprakelijk was voor de saneringskosten dateren van 1992 en waren toen ook al bij [eiseres] bekend. De brief van de Landsadvocaat die de gemeente bij conclusie van dupliek heeft genoemd, waarin [eiseres], in het kader van die IBS-melding, aansprakelijk is gesteld, dateert immers van 1992. Hoewel zij daartoe (ter comparitie) in de gelegenheid was, heeft [eiseres] niet betwist dat zij die brief destijds heeft ontvangen. In die situatie ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de omstandigheid dat de gemeente die brief niet tijdig in het geding heeft gebracht consequenties te verbinden.

Dat betekent, dat [eiseres] van de cruciale omstandigheden op de hoogte was vóór 19 april 1995. Dat zij toen niet wist hoe een en ander cijfermatig zou uitpakken doet daarbij niet ter zake, naar vaste jurisprudentie is kennis van de omvang van de schade niet vereist. Evenmin is van belang wat precies de inhoud van de koopovereenkomst was. Het springende punt, te weten dat de gemeente de grond had gekocht terwijl [eiseres] door de Staat voor de verontreiniging daarvan in het kader van de IBS aansprakelijk werd gehouden, was immers wel bekend.

2.4.3

Voor wat betreft de positie van NS als verhuurder geldt het volgende. Op zichzelf heeft [eiseres] gelijk waar zij stelt dat het NS was die als eigenaar/verhuurder in de eerste plaats jegens haar aanspraak kon maken op sanering van de grond, los van een sanering van overheidswege. Vast staat echter dat die vordering van NS al in januari 1995 gecedeerd is aan de gemeente. Dat betekent, dat niet ter zake doet dat [eiseres] aanvankelijk niet wist of NS dan wel de gemeente haar wederpartij was en evenmin dat kennelijk pas geruime tijd na de levering van de grond een en ander tussen de gemeente en NS naar behoren juridisch is afgewikkeld. Op 19 april 1995 was de situatie immers, ook formeel en juridisch, zoals die feitelijk al sedert 1992 leek te zijn, te weten dat de gemeente de wederpartij van [eiseres] was.

Dat betekent, dat de separate onrechtmatige daad, wat daarvan ook zij, buiten beschouwing kan blijven en nog slechts de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking nadere bespreking behoeft.

inhoudelijk- ongerechtvaardigde verrijking

2.5

De stelling dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking bij de gemeente ten koste van [eiseres] is in feite gebaseerd op een economisch redelijkheidsargument. [eiseres] vindt het onredelijk dat de gemeente de kosten van de sanering, die een noodzakelijke investering vormden in een zeer lucratief gebleken stadsontwikkelingsproject op de Kop van Zuid, niet voor eigen rekening neemt. [eiseres] miskent daarbij echter de contouren van de juridische figuur waarop zij zich baseert; voor ongerechtvaardigde verrijking is immers niet alleen nodig dat sprake is van verrijking, maar ook dat blijkt van een daarmee corresponderende verarming en van het ontbreken van een rechtvaardiging, bijvoorbeeld in een overeenkomst of in de wet.

2.5.1

Ook als [eiseres] gelijk heeft dat sprake was van een verrijking (hetgeen de gemeente gemotiveerd betwist) moet haar vordering stranden op de andere vereisten. Als wordt uitgegaan van een verrijking staat vast dat deze voor het overgrote deel niet is toe te schrijven aan de sanering, maar aan de wijziging van het bestemmingsplan. Het stond de gemeente vrij het bestemmingsplan te wijzigen en de betreffende grond aan te kopen. Wat er zij van het feitelijk gegeven dat wijziging van de bestemming tot waardevermeerdering van de betrokken percelen grond heeft geleid, [eiseres] gaat dat niet aan.

De (relatief beperkte) verrijking als gevolg van de sanering is door de gemeente reeds met de Staat afgerekend; daar komt bij dat met die verrijking niet de verarming van [eiseres] correspondeert en dat sprake is van een rechtvaardiging van die verarming (en de daarmee eventueel wel corresponderende verrijking). De rechtbank licht dat als volgt toe.

2.5.2

De gemeente verkreeg inderdaad gesaneerde grond, die meer waard is dan vervuilde grond, en het is ook juist dat de kosten van die sanering voor het overgrote deel niet door haar, maar door de Staat zijn gedragen; de rechtbank zal er, veronderstellenderwijs, vanuit gaan dat per saldo de sanering aanvankelijk tot een verrijking van de gemeente heeft geleid. De gemeente heeft echter aan de Staat de, volgens de Staat, daardoor ontstane verrijking ad ca. fl. 1,3 miljoen al in 1999 vergoed; dat toen, voor dat bedrag, tussen beide overheden finaal is afgewikkeld staat als zodanig tussen partijen vast.

De Staat heeft destijds het risico van verhaal van de saneringskosten op [eiseres] genomen. De positie van de gemeente is niet gewijzigd door het vonnis in de hoofdzaak en dus ook niet door de verarming van [eiseres] die is ontstaan toen [eiseres] daaraan voldeed. Voor zover de gemeente verrijkt was, was zij dat evenzeer als de vordering van de Staat tegen [eiseres] was afgewezen. Causaal verband tussen de verarming van [eiseres] en de (eventuele) verrijking van de gemeente ontbreekt dus.

2.5.3

De verarming van [eiseres] die de basis van haar stellingen vormt is gelegen in de geldsom die zij, tengevolge van het vonnis in de hoofdzaak (en de aanvullende schikking), betaald heeft aan de Staat. Deze betaling is gedaan omdat [eiseres] aansprakelijk is voor (een deel van) de saneringskosten. [eiseres] is immers verantwoordelijk voor (een deel van) de verontreiniging en de wetgever huldigt nu al vele jaren het principe -en heeft dat ook in de wet neergelegd- dat de vervuiler betaalt, hetgeen ertoe leidt dat de Staat, die in het algemeen belang vervuilde grond saneert, (een deel van) de betrokken kosten conform de geldende wetgeving (IBS en Wbb) op degene verhaalt die aansprakelijk is voor het ontstaan van de verontreiniging. Of aan de op dat punt geldende regels was voldaan, was inzet van de hoofdzaak. De (eventuele) verrijking van de Staat en de verarming van [eiseres] die daaruit voortvloeit is dus, naar in rechte is uitgemaakt, gerechtvaardigd.

Voor wat betreft het bedrag dat ingevolge de schikking is betaald volgt die rechtvaardiging uit de schikkingsovereenkomst.

2.5.4

Of de sanering destijds uit een oogpunt van volksgezondheid urgent was of niet doet voor dit alles niet ter zake.

2.6

Het voorgaande leidt ertoe, dat de vordering in al haar onderdelen afgewezen wordt.

[eiseres] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten veroordeeld (het liquidatietarief wordt gebaseerd op het uiteindelijk gevorderde bedrag van € 936.167,74).

3 De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente bepaald op € 3.396,54 aan vast recht en op € 7.740,= aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor wat de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2013.106/427