Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8686

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
ROT 13/741 en ROT 13/6088
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:333, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet Bibob. Weigering Drank- en Horecawetvergunning en Exploitatievergunning omdat de eigenaar van het pand in verband wordt gebracht met overtreding van de Opiumwet. Verweerders hebben voldaan aan de in de jurisprudentie geformuleerde vergewisplicht. Geen sprake van strijd met de onschuldpresumptie. De veroordelingen in 1996 en 1999 mochten in het advies worden betrokken.

Wetsverwijzingen
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 13/741 en ROT 13/6088

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 november 2013 in de zaken tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. drs. G.A.C. Beckers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis, en

de burgemeester van de gemeente Maassluis, verweerders,

gemachtigde: mr. J. Schrijnemaekers.

Procesverloop

Bij besluiten van 11 mei 2012 (de primaire besluiten) hebben verweerders op grond van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) in samenhang met artikel 7 van die wet de door [naam] ([naam]) aangevraagde Drank- en Horecawetvergunning en Exploitatievergunning voor Showtime Maassluis B.V. (Showtime) voor de locatie Govert van Wijnkade 18-19-20 te Maassluis, geweigerd.

Bij besluit van 21 december 2012 (het bestreden besluit) zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 22 mei 2013 heeft de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat beperking van de kennisneming van het Bibob-advies, dat door verweerders bij brief van 11 maart 2013 aan de rechtbank is toegezonden, gerechtvaardigd is. Eiser heeft toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend.

Bij brief van 13 augustus 2013 heeft eiser onder verwijzing naar het per 1 juli 2013 in werking getreden gewijzigde artikel 28 van de Wet Bibob de rechtbank verzocht het Bibob-advies en de aanvullingen daarop aan het dossier toe te voegen en hem een afschrift daarvan te doen toekomen.

Bij brief van 10 september 2013 hebben verweerders verklaard geen bezwaar te hebben tegen inwilliging van het verzoek van eiser.

De rechtbank heeft het Bibob-advies en de aanvullingen daarop aan het dossier toegevoegd en een afschrift daarvan aan eiser gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerders zijn verschenen C.A. Boudesteijn en mr. P.H. Harent, bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser was ten tijde van de vergunningaanvragen eigenaar van het pand Govert van Wijnkade 18-19-20 te Maassluis en had dit pand verhuurd aan Showtime. Naar aanleiding van de aanvragen van [naam], bestuurder van Showtime Breda Holding B.V., de eigenaar van Showtime, gedaan op 24 mei 2011 en aangevuld op 15 september 2011 en 3 november 2011, en mede op advies van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Rotterdam Rijnmond (RIEC RR) hebben verweerders Bureau Bibob gevraagd een advies uit te brengen. Aanleiding hiervoor vormde het feit dat in september 2009 met betrekking tot het aan eiser toebehorende pand Scheldeweg 1b te Maassluis bestuursdwang is toegepast op grond van de Opiumwet (hierna: bestuursrechtelijke sluiting) en omdat vraagtekens werden gezet bij de financiering van de exploitatie van Showtime.

2.

Op 9 januari 2012 heeft Bureau Bibob advies uitgebracht. Bureau Bibob is van oordeel dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde beschikkingen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Bibob) en dat er ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde beschikkingen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob). Volgens bureau Bibob is sprake van een ernstig vermoeden dat eiser strafbare feiten heeft gepleegd. [naam] en Showtime staan in relatie tot die strafbare feiten omdat eiser vermogen heeft verschaft aan Showtime en in een zakelijk samenwerkingsverband tot haar staat. De strafbare feiten betreffen twee veroordelingen (in 1996 en 1999) vanwege handelen in strijd met de Opiumwet en één vermoeden van handelen in strijd met de Opiumwet. Dit vermoeden is gegrond op het feit dat op 8 september 2009 in het aan eiser toebehorend en door hem verhuurd bedrijfspand, Scheldeweg 1b te Maassluis, 97 kilo hennep is aangetroffen en in beslag genomen, en dat in het aangrenzende pand, Scheldeweg 1a te Maassluis, waar het bedrijf van eiser, Schelde Holding B.V. gevestigd is, in een bureaulade een groot aantal bankbiljetten ten bedrage van in totaal € 55.305,-- is aangetroffen en in beslag genomen. Daarnaast is sprake van 22 door de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) als verdacht aangemerkte transacties ten name van eiser in de periode van 28 december 2004 tot en met 22 september 2010 voor een bedrag van in totaal € 960.419,--, waarvan er 20 de indicatie witwassen of financiering van terrorisme hebben. De transacties leveren als zodanig geen concreet vermoeden van strafbare feiten op, maar wel sluiten de als verdacht aangemerkte transacties aan op de overige feiten en omstandigheden die doen vermoeden dat eiser heeft gehandeld in strijd met de Opiumwet, aldus het advies.

3.

Bij brief van 31 januari 2012 hebben verweerders [naam] op de hoogte gesteld van het voornemen de gevraagde vergunningen te weigeren en hem in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Verweerders hebben een afschrift van deze brief aan eiser gezonden. Bij brief van 6 februari 2012 heeft eiser gereageerd op de brief van 31 januari 2012 en zich erover beklaagd dat verweerders zonder enig voorbehoud zeer privacygevoelige informatie over zijn persoon aan [naam] hebben verstrekt, zonder dat zij deze gewezen hebben op zijn wettelijke geheimhoudingsplicht. Hiermee hebben verweerders volgens eiser een ernstige en verwijtbare inbreuk gemaakt op zijn internationaalrechtelijk en grondwettelijk beschermde privacy. Naar aanleiding van voormelde brief van 6 februari 2012 heeft op 22 februari 2012 een gesprek plaatsgevonden, waarvan het verslag op 1 maart 2012 digitaal aan eisers gemachtigde is gezonden. Bij brief van 4 maart 2012 heeft eiser zijn zienswijze ingediend. Naar aanleiding hiervan hebben verweerders Bureau Bibob op 13 maart 2012 verzocht om een aanvullend advies. Op 18 april 2012 en 9 mei 2012 heeft Bureau Bibob aanvullende adviezen uitgebracht. De conclusie van het advies van 9 januari 2012 is in stand gebleven. Naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaarschrift en aanvullend bezwaarschrift heeft verweerder Bureau Bibob om een reactie verzocht. Bureau Bibob heeft op 17 september 2012 nogmaals een aanvullend advies uitgebracht. Ook dit aanvullend advies heeft niet geleid tot een wijziging van de conclusie in het advies van 9 januari 2012.

4.

Verweerders hebben aan de bestreden besluiten het advies van de commissie voor de bezwaarschriften (de commissie) ten grondslag gelegd. De commissie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevolgde procedure zorgvuldig is geweest en dat de feiten de conclusies van het advies kunnen dragen. De commissie heeft in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding gezien de deskundigheid van Bureau Bibob in twijfel te trekken en/of verweerders te adviseren de beslissingen te herzien. De commissie merkt daarbij op dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de exacte inhoud van de Bibob-adviezen.

5.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij stelt – zeer kort weergegeven – dat verweerder zijn recht op privacy heeft geschonden en dat verweerder zich ten onrechte heeft gebaseerd op de adviezen van Bureau Bibob.

6.

De rechtbank overweegt als volgt.

7.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het besluit op het bezwaar tegen de weigering van de exploitatievergunning niet door de burgemeester, maar door het college van burgemeester en wethouders is ondertekend. Bij brief van 26 september 2013 heeft de burgemeester laten weten dit besluit voor zijn rekening te nemen. Daarmee is dit bevoegdheidsgebrek hersteld. Eiser is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

8.1

Eiser betoogt dat verweerders artikel 28, tweede lid onder a, van de Wet Bibob hebben geschonden door zeer gedetailleerde belastende informatie aangaande zijn persoon te verstrekken aan [naam]. Dit levert volgens eiser tevens schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daar komt bij dat verweerders onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij in eerste instantie hebben verzuimd [naam] op zijn geheimhoudingsplicht te wijzen. Desgevraagd is namens eiser ter zitting verklaard dat eiser met dit betoog het principe van respect voor privacy onder de aandacht wil brengen, en in dat verband van de rechtbank een uitspraak wenst over de verhouding tussen de motiveringsplicht van het bestuursorgaan en het privacybelang, maar dat het betoog niet een op vernietiging van het bestreden besluit gerichte beroepsgrond betreft.

8.2

De bestuursrechter is slechts gehouden tot een beoordeling van het beroep voor zover daarmee een actueel en reëel belang gediend is en is niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis die een belanghebbende aan een aspect van de zaak hecht. De rechtbank zal daarom het in 8.1 weergegeven betoog van eiser verder buiten bespreking laten.

9.1

Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte blind is gevaren op de adviezen van Bureau Bibob.

9.2

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, onder meer de uitspraak van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2910), mag het bestuursorgaan in beginsel op een advies van het Bureau Bibob afgaan. Het moet zich er wel van vergewissen dat het advies en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en uitgevoerd en de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval, indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden, in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

9.3

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerders ten onrechte de conclusie van Bureau Bibob hebben onderschreven. Verweerders hebben voldaan aan de in de jurisprudentie geformuleerde vergewisplicht. Zij zijn niet slechts afgegaan op het advies van 9 januari 2012, maar hebben Bureau Bibob naar aanleiding van de zienswijze en de bezwaren van eiser meerdere malen om een aanvulling verzocht. Voorts hebben zij zich mede gebaseerd op de bestuursrechtelijke sluiting en het advies van RIEC RR.

10.1

Eiser heeft voorts betoogd dat de sepotbeslissing ter zake van het aantreffen van hennep in het door hem verhuurde pand vanwege de gronden waarop deze berust dient te worden gelijkgesteld aan een onherroepelijke vrijspraak. Doordat verweerders eiser op grond van vermoedens toch zijn blijven aanmerken als verdachte is sprake van strijd met de onschuldpresumptie zoals verankerd in artikel 6 EVRM.

10.2

Dit betoog faalt. Niet gebleken is dat eiser door verweerders wordt aangemerkt als verdachte. Omdat het strafrechtelijk onderzoek tegen eiser onvoldoende bewijs opleverde is het openbaar ministerie niet tot vervolging overgegaan. De feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het vermoeden dat eiser in relatie staat tot de op 8 september 2009 gepleegde overtreding van de Opiumwet zijn door verweerders niet op zichzelf, maar slechts in combinatie met de twee veroordelingen, de bestuursrechtelijke sluiting, de verdachte financiering en de verdachte transacties in de besluitvorming meegenomen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 18 juli 2007, ECLI:NL:RVS:BA9799) is een strafrechtelijk sepot op zichzelf niet doorslaggevend, temeer wanneer andere gegevens betrokkene in verband brengen met soortgelijke feiten. Niet gebleken is dat verweerders ervan uitgaan dat eiser schuldig is ter zake van de op 8 september 2009 gepleegde overtreding, zodat van schending van de onschuldpresumptie geen sprake is. Daaraan doet niet af dat eiser heeft verzocht om vervolging, en dat op dit verzoek afwijzend is beslist.

11.1

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerders de veroordelingen in 1996 en 1999 niet bij de besluitvorming hebben mogen betrekken.

11.2

Dit betoog faalt. Het Bureau Bibob ontleent zijn gegevens aan justitiële registraties. De vermelding van strafbare feiten in die justitiële registraties wordt na een bepaald tijdsverloop verwijderd. Na dat tijdsverloop wordt een strafbaar feit als zodanig derhalve niet in het onderzoek door het Bureau Bibob betrokken. De veroordelingen van 1996 en 1999 waren ten tijde van het bestreden besluit nog niet uit de justitiële registraties verwijderd en niet gebleken is dat zij op dat moment niet meer in de justitiële registraties mochten worden vermeld. De veroordelingen in 1996 en 1999 mochten dus in het advies worden betrokken. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de onder 9.2 vermelde uitspraak van 12 juni 2013 van de Afdeling.

12.

Het beroep is ongegrond.

13.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. H. Bedee en

mr. J.M.M. Bancken, leden, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.