Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8678

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
436060 / HA RK 13-953
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk voor zover gebaseerd op eerdere verzoekschriften. Wrakingsverzoek voor het overige afgewezen. In het telefoongesprek van de rechter met de kandidaat-notaris – waarin de rechter zou hebben gezegd dat de samenleving tussen verzoekster en X volgens haar al twaalf jaar geleden is beëindigd – heeft de rechter niet haar eigen mening weergegeven, maar het standpunt van de betrokken notaris. De kandidaat-notaris heeft de rechter kennelijk verkeerd begrepen in deze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 24 oktober 2013

Zaaknummer: 10/436060

Rekestnummer: HA RK 13-953

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

strekkende tot wraking van mr. C.H. Kemp-Randewijk, kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, sector kanton (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Op 13 augustus 2013 heeft verzoekster een verzoekschrift ingediend tot ontslag van BBKN (dhr. [naam bewindvoerder]) als bewindvoerder over de gelden en goederen van haar levensgezel/partner [X] (kenmerk 2323253 GZ VERZ 13-2292).

Op 5 september 2013 is door de griffie van Kanton 2 aan verzoekster een ontvangstbevestiging gestuurd en is haar medegedeeld dat haar verzoek in kopie is doorgezonden naar de bewindvoerder dhr. [naam bewindvoerder] met het verzoek om daarop een reactie te geven.

Op 26 september 2013 is door de griffie van Kanton 2 aan verzoekster bericht dat de bewindvoeder dhr. [naam bewindvoerder] heeft laten weten dat er een kennelijk verandering is opgetreden met betrekking tot het samenlevingscontract tussen verzoekster en de heer [X] en dat de kantonrechter nader onderzoek zal verrichten.

Op 27 september 2013 is door verzoekster inzage verzocht in de brief d.d. 6 september 2013 van de bewindvoerder dhr. [naam bewindvoerder].

Op 1 oktober 2013 is door de griffie van Kanton 2 aan verzoekster bericht dat haar medio oktober 2013 door de kantonrechter nader zal worden medegedeeld in hoeverre zij kan worden aangemerkt als belanghebbende in het bewindsdossier van de heer [X].

Op 3 oktober 2013 is door de griffie van Kanton 2 aan verzoekster bericht dat de kantonrechter haar uiterlijk 1 november 2013 nader zal berichten en dat een verklaring van een bij de zaak betrokken kandidaat-notaris [naam kandidaat-notaris] naar het oordeel van de kantonrechter van beperkte waarde is, omdat [naam kandidaat-notaris] [X] niet heeft gezien, zodat er niet gesproken kan worden van een eigen constatering.

Op 9 oktober 2013 is door het secretariaat van de wrakingkamer het wrakingsverzoek gedateerd 5 oktober 2013 van verzoekster ontvangen.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek.

Verzoekster alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zal worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 15 oktober 2013 met zeven bijlagen.

Ter zitting van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht van 17 oktober 2013, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen verzoekster, de rechter en [naam] namens de heer [naam bewindvoerder] van Beschermingsbewindkantoor Nederland (hierna BBKN).

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van het dossier BM 3289.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Er is sprake van jarenlange vooringenomenheid bij de Rechtbank Rotterdam Sector Kanton en ook van vooringenomenheid bij kantonrechter C.H. Kemp-Randewijk, mede door hetgeen zij heeft bevestigd op 2 oktober 2013 tegen Verzijl notarissen. In tegenstelling tot hetgeen het Gerechtshof ’s-Gravenhage bij beschikking d.d. 15 december 2010 (zaaknr. 200.055.848/01 zaaknr rechtbank 1022568 VZ VERZ 09-4982) heeft beslist, heeft genoemde kantonrechter de lotsverbondenheid tussen mijn partner en mijzelf, die nog immer bestaat, reeds vanaf de benoeming in 2002 van (voormalig) bewindvoerder Stichting de Rotonde niet willen erkennen. Na het ontslag door het Hof van deze voormalige bewindvoerder is met ingang van 15 december 2010 BBKN op dezelfde wijze verder gegaan met het negeren van onze op notariële akten gebaseerde rechtspositie. BBKN noemt mij een “zelfbenoemd” partner. Naar het oordeel van het Hof is er sprake van een relatie tussen mijn partner [X] en mijzelf die vergelijkbaar is met een relatie zoals die tussen echtgenoten bestaat. De notariële samenlevingsregeling, de akte van hypotheekverlening, het bewijs van eigendom alsmede het testament van mij en mijn partner dhr. [X] dienen erkend en gerespecteerd te worden door kantonrechter C.H. Kemp-Randewijk en de sector Kanton in plaats van deze steeds te negeren en te ontkennen.

Ter zitting heeft verzoekster concreet de navolgende wrakingsgronden naar voren gebracht:

2.1.1

De rechter heeft beslissingen genomen zonder verzoekster daarover als belanghebbende te horen.

Verzoekster heeft de rechter eerder gewraakt. Er is teveel gebeurd om nog door één deur te kunnen. Verzoekster heeft behoefte om met een schone lei te beginnen en verzoekt om een andere rechter.

De rechter heeft zich op 2 oktober 2013 in een telefoongesprek tegenover de kandidaat-notaris [naam kandidaat-notaris] uitgelaten over het feit dat volgens haar de samenleving tussen verzoekster en [X] al twaalf jaar geleden is beëindigd.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

3. De beoordeling van de onder 2.1.1. genoemde wrakingsgrond: de ontvankelijkheid

3.1

Verzoekster heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij in 2013 in de procedures met kenmerken 1411096 VZ VERZ 13-54, betreffende een verzoek om machtiging tot vervanging van een keukenkozijn en 1414209 GZ VERZ 13-302, betreffende een verzoek tot machtiging voor werkzaamheden van de mentor, niet als belanghebbende is gehoord.

Ten aanzien van procedure met kenmerk 1411096 VZ VERZ 13-54 is reeds eerder door verzoekster een wrakingsverzoek tegen mr. Kemp-Randewijk ingediend. Door de wrakingskamer is hieromtrent op 8 juli 2013 uitspraak gedaan. (zaaknummer: 10/425474 rekestnummer: HA RK 13-502)

In het thans voorliggende verzoek tot wraking van dezelfde rechter worden geen nieuwe feiten of omstandigheden voorgedragen, die na het eerste verzoek tot wraking aan verzoekster bekend zijn geworden. Dit tweede verzoek kan daarom niet in behandeling worden genomen. Verzoekster is in zoverre niet-ontvankelijk in haar verzoek.

3.3

Voor zover de wrakingsgrond ziet op procedure 1414209 GZ VERZ 13-302 geldt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het middel is derhalve toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat uitspraak wordt gedaan door een rechter die jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans aan een partij die dienaangaande bestaande vrees heeft die objectief gerechtvaardigd is. Wraking van een rechter kan daarom alleen worden verzocht zolang de zaak nog bij die rechter in behandeling is. Is er eenmaal een eindbeslissing genomen, dan is de behandeling geëindigd.

Vast staat dat de rechter in voornoemde procedure heeft beslist bij beschikking van 18 april 2013. Daarmee is de behandeling van dat verzoek door de rechter beëindigd. Nu de rechter de zaak niet meer behandelde op het moment dat het verzoek tot wraking werd gedaan, kan verzoekster dientengevolge in zoverre niet worden ontvangen in haar wrakingsverzoek.

4 De beoordeling van de onder 2.1.2 en 2.1.3 genoemde wrakingsgronden.

4.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing als vorenbedoeld opleveren. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

Het verzoek is mitsdien ongegrond.

De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt.

Het enkele feit dat verzoekster reeds eerder een (afgewezen) verzoek heeft gedaan om de betreffende rechter te wraken, levert onvoldoende aanwijzing op voor de vrees dat bij deze rechter sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid jegens verzoeker.

Voor wat betreft de onder 2.1.3 genoemde wrakingsgrond heeft de rechter ter zitting uiteengezet dat zij in het betreffende telefoongesprek met de kandidaat-notaris niet haar eigen mening heeft weergegeven, maar het standpunt van de betrokken notaris [naam notaris]. De wrakingskamer overweegt dat de kandidaat-notaris de rechter blijkbaar verkeerd heeft begrepen in dezen. Voornoemde wrakingsgrond kan derhalve evenmin leiden tot twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter.

4.2

Tenslotte merkt de wrakingkamer op dat de onvrede van verzoekster over de gang van zaken in de hoofdprocedure zal moeten worden opgelost. Het wrakingsmiddel is er niet voor om een (reeds jarenlang durende) kwestie, die in een hoofdprocedure thuis hoort, te beslechten.

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van verzoekster is dat de hoofdprocedure thans zo spoedig mogelijk wordt voortgezet en tot een beslissing leidt.

Daartegen kan dan desverlangd door haar een door de wet gegeven rechtsmiddel worden aangewend.

5 De beslissing

verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar wrakingsverzoek, voor zover het verzoek gebaseerd is op de verzoekschriften met kenmerk 1411096 VZ VERZ 13-54 en 1414209 GZ VERZ 13-302;

wijst het verzoek tot wraking van mr. C.H. Kemp-Randewijk voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven op 24 oktober 2013 door mr. P.W. van Baal, voorzitter, mr. E.D. Rentema en mr. H. Lokven-van der Meer, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-