Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8589

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
10/019785-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhaaloproeping. Na dagvaarding werd het onderzoek geschorst. Ter nadere terechtzitting blijkt dat verdachte tussentijds nogmaals is gedagvaard voor hetzelfde feit, hiervoor in eerste aanleg is veroordeeld en tegen dat vonnis in hoger beroep is. Geen inhaaldagvaarding of ne bis in idem (artikel 68 Sr). Volgt opnieuw schorsing van het onderzoek teneinde de onherroepelijke uitkomst van de tweede vervolging af te wachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Strafrecht

Parketnummer: 10/019785-12

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 03 oktober 2013.

Tegenwoordig zijn:

mr. F. van Laanen, politierechter,

mr. M.L.M. Kuiper, officier van justitie en

D.M.A. Muskens, griffier.

De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, genaamd:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Algerije) op [geboortedatum verdachte],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande

is niet verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.R. Kok, advocaat te Rotterdam.

De raadsman verklaart door de niet-verschenen verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd deze ter terechtzitting te verdedigen. De politierechter stemt daarmee in. De raadsman licht desgevraagd door de politierechter, zakelijk weergegeven, toe dat de afwezigheid van de verdachte hem geen aanleiding geeft tot het doen van enig verzoek. De verdachte heeft ervoor gekozen zelf niet te verschijnen wegens zijn vreemdelingenrechtelijke status.

De politierechter beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen, omdat dit ter terechtzitting van 16 mei 2012 is geschorst door de politierechter mr. Stalenberg en de samenstelling van de rechtbank derhalve bij de hervatting is gewijzigd.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De politierechter stelt ambtshalve op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van 16 mei 2012, zoals hiervan blijkt uit het proces-verbaal van deze zitting, het volgende aan de orde. Verdachte is gedagvaard, onder parketnummer 10-019785-12, om op 16 mei 2012 terecht te staan voor de politierechter in de Rechtbank Rotterdam ter zake, kort gezegd, het op 26 januari 2012 te Rotterdam verblijven, wetende dat hij ongewenst vreemdeling is (artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht). De politierechter heeft toentertijd een onderzoek ter terechtzitting geschorst, op die dag, betreffende deze verdachte en (kennelijk) een vervolging wegens een op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht geënte tenlastelegging. In de aanhef van het proces-verbaal van de desbetreffende zitting staat een ander, de politierechter thans onbekend parketnummer 10/020678-12, maar gelet op het voorgaande en nu het proces-verbaal van die terechtzitting zich in het onderhavige dossier bevindt, lijkt het erop dat het het onderzoek naar aanleiding van die dagvaarding betreft. De politierechter heeft destijds het onderzoek, op vordering van de officier van justitie, voor onbepaalde tijd geschorst, waarbij hij de stukken in haar handen heeft gesteld. Het doel hiervan was het door haar kunnen verrichten van nader onderzoek naar o.a. de terugkeermogelijkheden van verdachte en het toevoegen van daaruit voortkomende stukken aan het dossier. De politierechter heeft toentertijd voorts bepaald dat de verdachte tegen de nadere terechtzitting dient te worden opgeroepen. Uit hetgeen de officier van justitie blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat verdachte eerder die week terechtstond voor twee andere op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht geënte tenlasteleggingen en dat het onderzoek ter terechtzitting in die zaken eveneens en om dezelfde reden is geschorst. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 16 mei 2012 bovendien gesuggereerd dat de drie zaken later gelijktijdig worden behandeld. In het onderhavige dossier zijn nadien geen inhoudelijke stukken betreffende 'o.a. de terugkeermogelijkheden' gevoegd.

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie, d.d. 5 september 2013, verdachte betreffend, blijkt dat verdachte op 9 januari 2013 door de politierechter in de Rechtbank Rotterdam tot een jaar gevangenisstraf is veroordeeld voor, kort gezegd, het driemaal in Nederland verblijven, wetende dat hij ongewenst vreemdeling is (artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht). Verdachte heeft hiertegen op 12 augustus 2013 een rechtsmiddel aangewend en het vonnis van de politierechter is kennelijk niet onherroepelijk. Het eerste feit zou zijn gepleegd op 26 januari 2012 te Rotterdam en het proces-verbaal draagt nummer PL17P0 2012228520. Het parketnummer van de drie zaken is uiteindelijk 10-662404-12 en de andere twee zaken, met oorspronkelijk andere parketnummers, zijn ter terechtzitting hierbij gevoegd. 

Verdachte is thans opgeroepen om terecht te staan voor de zaak onder parketnummer 10-019785-12. Het dossier dat hieraan ten grondslag ligt, draagt nummer PL17P0 2012228520.

De politierechter stelt de officier van justitie en de raadsman in de gelegenheid zich naar aanleiding van het voorgaande uit te laten.

De officier van justitie voert het woord en vordert dat de politierechter haar niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Zij is van opvatting dat het eerste feit van de tenlastelegging op de dagvaarding met parketnummer 10-662404-12 hetzelfde feit is als het feit waarvoor de verdachte nu is opgeroepen. Dit betekent dat de verdachte al is veroordeeld voor het onderhavige feitencomplex. De onderhavige vervolging is in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman van de verdachte voert het woord en verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik heb hoger beroep ingesteld tegen het vonnis met parketnummer 10-662404-12. Dit is nog aanhangig. De onderhavige zaak is eigenlijk een tweede behandeling van de zaak in eerste aanleg. Dit is in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Ik verzoek u de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vervolging.

De politierechter constateert dat de zaak met parketnummer 10-662404-12 nog niet onherroepelijk is, aangezien de verdachte hiertegen in hoger beroep is gegaan en dit nog aanhangig is. Een vervolging is dus niet in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel als vervat in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. De politierechter wijst de vordering respectievelijk het verzoek strekkende tot niet-ontvankelijkheid daarom af.

De officier van justitie voert het woord andermaal en vordert schorsing van het onderzoek ter terechtzitting teneinde te wachten op behandeling van de zaak met parketnummer 10-662404-12 in hoger beroep.

De raadsman van verdachte voert het woord en verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik verzet mij tegen de aanhouding. De zaak is al een keer aangehouden, het Gerechtshof Den Haag heeft in een vrij recent arrest besloten om de verdachte schuldig te verklaren zonder strafoplegging, de Rechtbank Rotterdam heeft dit eerder ook al gedaan. Ik ben als het ware bezig met het opruimen van alle zaken die tegen verdachte lopen. Ik heb een aantal verweren in deze zaak, die wil ik inhoudelijk behandelen.

De officier van justitie persisteert in haar vordering tot aanhouding van de zaak.

De politierechter overweegt op grond van de bovenstaande gang van zaken dat in de thans ter beoordeling voorliggende zaak met parketnummer 10-019785-12, na een eerste dagvaarding, nu een oproeping voor een nadere terechtzitting heeft plaatsgevonden ter zake van hetzelfde feit als waarop een tussentijds uitgebrachte dagvaarding (namelijk de (tweede) dagvaarding met parketnummer 10-662404-12) betrekking heeft. Dit terwijl die eerdere, thans ter beoordeling voorliggende dagvaarding waarop een eerste onderzoek ter terechtzitting is gevolgd, nog niet tot een onherroepelijke einduitspraak heeft geleid. Er is als het ware sprake van een inhaaloproeping.

Het is niet aan deze politierechter om te overwegen of de (tweede) dagvaarding onder parketnummer 10-662404-12 wat betreft het daar eerste feit (van 26 januari 2012) een zogenoemde inhaaldagvaarding betreft, te weten een dagvaarding die wordt uitgebracht ter zake van hetzelfde feit als waarop een reeds eerder uitgebrachte dagvaarding betrekking heeft, terwijl die eerdere dagvaarding waarop een onderzoek ter terechtzitting is gevolgd, nog niet tot een onherroepelijke einduitspraak heeft geleid. Noch, indien zulks het geval is, of hierop een sanctie moet volgen. Deze beoordeling was immers voorbehouden aan de politierechter toentertijd oordelend in die zaak. In diens vonnis ligt besloten dat hij het een of het ander niet van oordeel was en deze politierechter mag niet treden in dat oordeel. Nu dat vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan, is dit oordeel thans aan het hof voorbehouden, indien het in hoger beroep arrest wijst. De politierechter overweegt echter wel dat de dagvaarding met parketnummer 10-019785-12, op grondslag waarvan hij thans nog recht moet doen, geen inhaaldagvaarding is - dit was hoe dan ook de eerste dagvaarding voor dit feit - zodat reeds hierom de ontvankelijkheid van de officier van justitie, althans in verband met de rechtspraak van de Hoge Raad over inhaaldagvaardingen en thans, niet aan de orde is.

De politierechter is van oordeel dat het onderzoek ter terechtzitting dient te worden geschorst. Hij overweegt hiertoe ten eerste dat dit in het belang van een goede rechtsbedeling noodzakelijk is teneinde de onherroepelijke uitkomst af te wachten van de (tweede) vervolging onder oorspronkelijk parketnummer 10-662404-12. Indien het hof tot een inhoudelijke beoordeling van dat bij hem voorliggende dossier komt en tot niet-ontvankelijkheid concludeert omdat naar zijn oordeel sprake is van een inhaaldagvaarding die tot deze sanctie noopt, dan zou een inhoudelijke beoordeling nu door de politierechter van de hier voorliggende zaak, wat de uitkomst ervan ook zou zijn, niet problematisch zijn. Indien echter hetzij het hof niet tot een inhoudelijke beoordeling van het bij hem voorliggende dossier komt en het veroordelend vonnis van de andere politierechter dus kracht van gewijsde krijgt, hetzij het hof wel tot een inhoudelijke beoordeling van de bij hem voorliggende zaak komt, een of ander terwijl de politierechter de hier voorliggende zaak nu inhoudelijk behandelt, dan ontstaat de onwenselijke situatie dat er dubbele, eventueel tegenstrijdige en al dan niet onherroepelijke inhoudelijke oordelen komen over hetzelfde feit. Ten tweede overweegt de politierechter dat het onderzoek en de toevoeging van stukken zoals benoemd door de politierechter ter terechtzitting van 16 mei 2012 nog niet hebben plaatsgevonden.

De politierechter, het vorenstaande overwegend en gehoord de officier van justitie en de raadsman:

- schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd teneinde:

a) de onherroepelijke uitkomst (in hoger beroep en eventueel cassatieberoep) af te wachten van de vervolging onder oorspronkelijk parketnummer 10-662404-12 en hieromtrent de noodzakelijke stukken toe te voegen aan het dossier;

b) het door de politierechter op 16 mei 2012 benoemde onderzoek te verrichten en hieromtrent stukken toe te voegen aan het dossier;

  • -

    stelt de stukken met deze doelen in handen van de officier van justitie;

  • -

    beveelt de oproeping van verdachte en van de raadsman tegen de nadere terechtzitting;

  • -

    geeft de griffier opdracht om een afschrift van dit proces-verbaal ter informatie te zenden aan de griffier van het Gerechtshof te Den Haag met vermelding in een begeleidende brief dat dit proces-verbaal onder de aandacht wordt gebracht wegens het appel van verdachte tegen parketnummer 10-662404-12.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat is vastgesteld en ondertekend door de politierechter en door de griffier.