Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8588

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
10/750109-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Partiële nietigheid dagvaarding. In vereniging faciliteren prostitutie twee minderjarige meisjes en bezit cocaïne. Overschrijding redelijke termijn gecompenseerd door vermindering op te leggen straf. Gevangenisstraf gelijk aan voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750109-11 [Promis]

Parketnummer vordering TUL VV: 22/002992-11

Datum uitspraak: 24 oktober 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[woonplaats], [adres],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. E. Manders en raadsvrouw mr. A. Stoop, beiden advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzittingen van 23 en 25 september 2013 en 10 oktober 2013, waarbij de officier van justitie mr. R.J.P. Lambrichts, verdachte en zijn raadslieden hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. R.J.P. Lambrichts heeft gerekwireerd tot:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gerekwireerd tot afwijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling.

GELDIGHEID DAGVAARDING

De officier van justitie heeft ten laste gelegd dat de verdachte “een ander ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling” dan wel dat de verdachte “ten aanzien van die ander enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handelingen”.

De rechtbank begrijpt de woorden “dan wel” aldus, dat de officier van justitie heeft bedoeld een keuze voor te leggen uit de twee in artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) omschreven strafbare feiten.

Voorts leest de rechtbank de tenlastelegging zo, dat de gedachtestreepjes alleen een feitelijke uitwerking betreffen van de “ten aanzien van die ander ondernomen handelingen”, zoals opgenomen in het formele deel van de tenlastelegging. De gedachtestreepjes betreffen dus niet de feitelijke uitwerking van “een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling”.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de dagvaarding, waar het betreft het “een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen”, beantwoordt aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Naar het oordeel van de rechtbank komt aan het begrip ‘ertoe brengen’ onvoldoende zelfstandige feitelijke betekenis toe en dient dit begrip in de tenlastelegging nader te worden geconcretiseerd omdat anders niet duidelijk is op welke wijze het slachtoffer ertoe zou zijn gebracht zich beschikbaar te stellen voor prostitutiewerkzaamheden en verdachte aldus niet weet waartegen hij zich heeft te verdedigen. Nu de feitelijkheden waaruit dat ‘ertoe brengen’ zou hebben bestaan niet nader in de tenlastelegging zijn omschreven, is de dagvaarding ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 in zoverre partieel nietig.

BEVOEGDHEID RECHTBANK

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

SCHORSING VAN DE VERVOLGING

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde feit.

Enerzijds biedt het dossier aanknopingspunten dat de verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, ten aanzien van het in de tenlastelegging genoemde slachtoffer betrokken is geweest bij handelingen waardoor dat slachtoffer zich beschikbaar zou hebben gesteld tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, alsmede dat de verdachte daaruit voordeel heeft getrokken. Anderzijds ontbreekt het bewijs dat dit binnen de ten laste gelegde periode heeft plaatsgevonden.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze dat:

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) ander(en), genaamd [slachtoffer I] (geboren [geboortedatum]),

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of

meer seksuele handeling(en), met of voor een derde tegen betaling,

dan wel ten aanzien van die [slachtoffer I] (een) ander(en), genaamd [slachtoffer I]

(geboren [geboortedatum]),

enige handeling(en), heeft ondernomen, welke handelingen bestonden uit het

- het (laten) plaatsen van één of meer afbeelding(en) van (een) perso(o)n(en)

(als ware het afbeelding(en) van die [slachtoffer I]) en/of profielen op het

internet en/of als ware die [slachtoffer I] meerderjarig en/of beschikbaar

voor prostitutiewerkzaamheden (teneinde klanten te werven voor de

prostitutie) en/of

- die [slachtoffer I] (laten) onderbrengen (huisvesten) en/of laten verblijven

in één of meer woning(en) en/of

- (daarbij) (daartoe) die [slachtoffer I] voorzien van instructies betreffende

werkwijze en/of te rekenen tarieven en/of

- begeleiden en/of vervoeren van die [slachtoffer I] van naar en/of naar van klanten

en/of naar plaatsen voor het verrichten van die seksuele handeling(en) en/of

- maken van afspraken en/of (telefonisch) onderhouden van contacten met

mededader(s) en/of (potentiële) (prostitutie) klanten voor die [slachtoffer I]

en/of

- die [slachtoffer I] controleren ten aanzien van de hoogte van haar

verdiensten en/of ten aanzien van de, door die [slachtoffer I] (te )

verrichte(n) prostitutiewerkzaamheden en/of (daarbij) (voortdurend) onder

toezicht/controle (laten) houden van die [slachtoffer I] en/of

- aannemen en/of behouden van (een deel van) de betalingen en/of verdiensten

van die [slachtoffer I],

(in elk geval) zijnde (telkens) handelingen waarvan hij en/of zijn mededader(s)

wist/wisten of redelijkerwijs moest/moesten vermoeden dat die [slachtoffer I]

zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksueledie handeling(en) met of voor een derde tegen betaling,

terwijl die [slachtoffer I] de leeftijd van achttien jaren nog niet had

bereikt;

en/of

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit één of meer seksuele handeling(en)

van [slachtoffer I] (geboren [geboortedatum]) met of voor een

derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer I] de leeftijd van achttien

jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte en of één of meer van

zijn mededader(s) (telkens) (een deel van) de verdiensten van die [slachtoffer I]

uit prostitutiewerkzaamheden ontvangen en/of zich toegeëigend;

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) ander(en), genaamd [slachtoffer H] (geboren [geboortedatum]),

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of

meer seksuele handeling(en), met of voor een derde tegen betaling,

dan wel ten aanzien van die [slachtoffer H] (een) ander(en), genaamd [slachtoffer H]

(geboren [geboortedatum]),

enige handeling(en), heeft ondernomen, welke handelingen bestonden uit het

- het (laten) plaatsen van één of meer afbeelding(en) van (een) perso(o)n(en)

(als ware het afbeelding(en) van die [slachtoffer H]) en/of profielen op het

internet en/of als ware die [slachtoffer H] meerderjarig en/of beschikbaar voor

prostitutiewerkzaamheden (teneinde klanten te werven voor de prostitutie)

en/of

- die [slachtoffer H] (laten) onderbrengen (huisvesten) en/of laten verblijven

in één of meer woning(en) en/of

- (daarbij) (daartoe) die [slachtoffer H] voorzien van instructies betreffende de

werkwijze en/of te rekenen tarieven en/of

- begeleiden en/of vervoeren van die [slachtoffer H] van naar en/of naar van klanten

en/of naar plaatsen voor het verrichten van die seksuele handeling(en) en/of

- maken van afspraken en/of (telefonisch) onderhouden van contacten met een

mededader(s) en/of (potentiële) (prostitutie) klanten voor die [slachtoffer H]

en/of

- die [slachtoffer H] controleren ten aanzien van de hoogte van haar verdiensten

en/of ten aanzien van de, door die [slachtoffer H] (te )verrichte(n)

prostitutiewerkzaamheden en/of (daarbij) (voortdurend) onder

toezicht/controle (laten) houden van die [slachtoffer H] en/of

- aannemen en/of behouden van (een deel van) de betalingen en/of verdiensten

van die [slachtoffer H],

(in elk geval) zijnde (telkens) handelingen waarvan hij en/of zijn mededader(s)

wist/wisten of redelijkerwijs moest/moesten vermoeden dat die [slachtoffer H]

zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksueledie handeling(en) met of voor een derde tegen betaling,

terwijl die [slachtoffer H] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

en/of

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit één of meer seksuele handeling(en)

van [slachtoffer H] (geboren [geboortedatum]), met of voor een derde tegen

betaling, terwijl die [slachtoffer H] de leeftijd van achttien jaren nog niet had

bereikt, immers heeft hij, verdachte en of één of meer van zijn mededader(s)

(telkens) (een deel van) de verdiensten van die [slachtoffer H] uit

prostitutiewerkzaamheden ontvangen en/of zich toegeëigend;

hij

op of omstreeks 06 september 2011 te Rotterdam,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,1 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het overzicht van de bewijsmiddelen en de voor het bewijs redengevende inhoud daarvan is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Handelingen waardoor het slachtoffer zich beschikbaar heeft gesteld voor prostitutie

De raadsvrouw heeft betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers handelingen heeft ondernomen waardoor die slachtoffers zich beschikbaar zouden stellen voor de prostitutie. De verdachte verkeerde immers in de veronderstelling dat de slachtoffers zich sowieso beschikbaar stelden voor prostitutie en dat dit op geen enkele wijze samenhing met zijn handelen.

De rechtbank verwerpt dit betoog.

Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 250ter Sr, de voorloper van artikel 273f Sr, heeft die bepaling, voor zover van toepassing op minderjarigen, onder meer tot doel het beschermen van minderjarigen tegen prostitutie. Onder prostitutie dient in dit verband te worden verstaan het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verrichten van seksuele handelingen met derden (vgl. Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1988/1989, 21 027, nr. 3, blz. 8).

Met genoemd doel is onverenigbaar de stelling dat ten aanzien van een minderjarige die al in de prostitutie werkzaam is of is geweest geen handelingen zouden kunnen worden ondernomen waardoor deze in de prostitutie belandt. Voor een dergelijke opvatting biedt de wet geen aanknopingspunt, terwijl zij ook in het licht van de bescherming die de wetgever de minderjarige – zelfs zijns of haars ondanks – heeft willen geven, niet kan worden aangenomen. De rechtbank werkt dit hieronder nader uit.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ten aanzien van meerderjarigen instemming met het zich laten prostitueren niet in de weg hoeft te staan aan bewezenverklaring van mensenhandel, indien één van de dwangmiddelen, thans genoemd in artikel 273f, eerste lid, onder 1°, Sr is toegepast. De omstandigheid dat het slachtoffer voorafgaand aan de toepassing van zo’n dwangmiddel reeds werkzaam was als prostitué(e), vormt op zich geen aanwijzing inzake vrijwilligheid en is dan ook geen beletsel voor een bewezenverklaring.

Tot het ontbreken van vrijwilligheid behoort ook het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Een beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is aldus voldoende om het gedwongen karakter van de prostitutie aan te nemen.

De wetgever gaat blijkens de wetsgeschiedenis ten aanzien van minderjarige slachtoffers uit van de gedachte dat er per definitie sprake is van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, hetgeen één van de dwangmiddelen is die bij een bewezenverklaring van mensenhandel ten aanzien van meerderjarige personen een rol kan spelen. Ten aanzien van minderjarige slachtoffers vormen de in artikel 273f, eerste lid, onder 1°, Sr genoemde middelen dan ook geen bestanddeel van de delictsomschrijving. De toenmalige Minister van Justitie heeft in de Nota naar aanleiding van het Eindverslag (vgl. Kamerstukken II 1990/1991, 21 027, nr. 8, blz. 2) het volgende opgetekend: “De leeftijdsgrens berust op de overtuiging van de wetgever dat in het algemeen aan de exploitatie van minderjarigen misbruik van uit feitelijke verhoudingen voorvloeiend overwicht inherent is.” Uitgangspunt is dat bij zeer jeugdige personen een zekere rijpheid die de betrokkene in staat stelt de gevolgen van zijn handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen veelal nog niet aanwezig is (vgl. Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1988/1989, 21 027, nr. 3, blz. 8). De aanduiding ‘zeer jeugdige personen’ is later door de Minister ingevuld als: minderjarigen (vgl. Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 5, blz. 4). Op vragen van de CDA-fractie antwoordt de Minister in deze zelfde nota dat ten aanzien van personen beneden de leeftijd van achttien jaren geen sprake is van een vrijwillige keuze voor de prostitutie (vgl. Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 5, blz. 4).

Het een ander tot prostitutie brengen en het ondernemen van enige handeling waarvan de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de ander daardoor in de prostitutie belandt, wordt zonder meer gekwalificeerd als mensenhandel, indien die ander minderjarig is. De wil van de betrokkene is niet relevant (Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 5, blz. 11). Ten aanzien van de leeftijdsgrens heeft de Minister van Justitie voorts als zijn visie vermeld dat een persoon die zich tot prostitutie laat brengen, een beslissing neemt die verstrekkende gevolgen heeft. Een minderjarige heeft in het algemeen te weinig inzicht en ervaring om deze gevolgen te kunnen overzien (en) om bewust de levensloop van een prostitué(e) te kiezen. De Minister van Justitie heeft daarbij onderkend dat leeftijdsgrenzen altijd enigszins arbitrair zijn en dat er misschien enkele jeugdigen van zestien of zeventien jaar zijn die de stap in de prostitutie weldoordacht zouden maken, maar dat de hier aan de orde zijnde wetgeving dient te zijn afgestemd op hetgeen in het algemeen van een minderjarige kan worden verwacht. De Minister zet vervolgens nogmaals uiteen dat de leeftijdsgrens op de overtuiging van de wetgever berust dat in het algemeen aan de exploitatie van prostitutie van minderjarigen misbruik van uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht inherent is. Het betreft dus niet een veronderstelling van de wetgever die kan worden weerlegd, aldus de Minister. (vgl. Nota naar aanleiding van het Eindverslag, Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 8, blz. 2.)

Gelet op de wetsgeschiedenis als hiervoor weergegeven is er naar het oordeel van de rechtbank in het geval van minderjarige slachtoffers altijd sprake van een beperking van de keuzevrijheid, zodat in het geval van minderjarige slachtoffers de eventuele omstandigheid dat het slachtoffer heeft ingestemd met de prostitutiewerkzaamheden dan wel reeds eerder in de prostitutie heeft gewerkt, nimmer in de weg kan staan aan een bewezenverklaring.

Overigens en hier ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat naar het oordeel van de rechtbank uit de wetsgeschiedenis niet volgt dat slechts sprake zou kunnen zijn van “een ander ertoe brengen” dan wel “enige handeling ondernemen … waardoor het slachtoffer zich – kort gezegd – beschikbaar stelt voor prostitutiewerkzaamheden” indien sprake is van een beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer.

Anders gezegd: een beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk om in voorkomende gevallen te kunnen komen tot een bewezenverklaring van “een ander ertoe brengen” dan wel “enige handeling ondernemen” als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 5°, Sr.

Voordeel trekken

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte geen voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van de slachtoffers, nu hij in feite slechts een reële vergoeding ontving voor het verblijf van de slachtoffers in zijn woning.

De rechtbank verwerpt ook dit betoog.

De rechtbank leidt uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 273f Sr af dat ook de enkele afdracht van met prostitutiewerkzaamheden verdiende gelden als voordeel moet worden aangemerkt in de zin van artikel 273f Sr (Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1997/1998, 25 437, nr. 5, p. 23). Of er daadwerkelijk voordeel is genoten in die zin dat er winst is behaald, is dus niet relevant. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk voordeel heeft genoten uit de prostitutiewerkzaamheden van de slachtoffers.

Medeplegen

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte vrijgesproken zou moeten worden van het medeplegen van mensenhandel, omdat de eventueel door verdachte verrichte handelingen volstrekt onvoldoende zijn om van medeplegen te kunnen spreken.

Uit de verklaringen van de in de feiten 2 en 3 genoemde slachtoffers volgt dat zij beiden voor verdachte gingen werken in de prostitutie en dat zij een deel van hun verdiensten aan hem moesten afstaan. Verdachte heeft bij het op touw zetten van deze werkzaamheden de hulp van [medeverdachte A] gevraagd en gekregen. Zo werd door hen beiden onderling besproken hoe een en ander in zijn werk gaat, hoe de advertenties moesten worden gemaakt en geplaatst op het internet, de meisjes werden door beiden gekeurd en er werden prijsafspraken gemaakt. Verdachte verschafte de meisjes onderdak en zijn woning werd ook gebruikt voor de ontvangst van klanten. Voorts heeft [medeverdachte B] verklaard dat het slachtoffer van feit 2 (hierna: [slachtoffer I]) in die periode op verzoek van de [medeverdachte A] een keer naar een klant is vervoerd met zijn, [medeverdachte B]’s, auto en dat verdachte en [medeverdachte A] daar bij aanwezig waren. Het geld dat [slachtoffer I] die keer heeft verdiend, werd onder alle betrokkenen verdeeld.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een duidelijke taakverdeling, van een nauwe en bewuste samenwerking en van een gezamenlijke uitvoering. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het voorgaande wel sprake van medeplegen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

2

MENSENHANDEL, GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD

3

MENSENHANDEL, GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD

EN

MENSENHANDEL, MEERMALEN GEPLEEGD

4

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2 ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een aantal dagen meermalen schuldig gemaakt aan het in vereniging faciliteren van prostitutie door twee minderjarige meisjes. Deze meisjes werden geholpen met huisvesting, er zijn foto's gemaakt van de meisjes en deze foto’s zijn ten behoeve van klantenwerving op internet geplaatst. Ook zijn de meisjes geïnstrueerd over de werkwijze en de te hanteren tarieven voor seksuele handelingen. Er werden afspraken gemaakt met klanten voor de meisjes, de meisjes werden begeleid en vervoerd naar afspraken en tevens werd de woning van verdachte ter beschikking gesteld voor de ontvangst van klanten door de meisjes. Verdachte heeft voorts geprofiteerd van de opbrengsten die de meisjes hadden uit de seksuele handelingen die zij tegen betaling verrichtten.

Dit zijn zeer ernstige feiten en mede door het handelen van de verdachte is op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van deze jonge meisjes.

Daarnaast heeft de verdachte ongeveer een gram cocaïne opzettelijk aanwezig gehad in zijn woning. Het aanwezig hebben van cocaïne is een misdrijf en het is een feit van algemene bekendheid dat deze stof een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 augustus 2013, waaruit blijkt dat verdachte al eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer ter zake van een zedendelict. Omdat deze veroordelingen dateren van geruime tijd geleden, zal de rechtbank dit niet in strafverzwarende zin laten meewegen bij het bepalen van de straf.

De verdediging heeft betoogd dat de redelijke termijn is overschreden, wat in de visie van de verdediging in ieder geval dient te leiden tot matiging van de op te leggen straf. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende. De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Wat betreft de berechting van de onderhavige zaak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De verdachte is op 6 september 2011 in verzekering gesteld, vanaf welke datum de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Op 24 oktober 2013 wordt het eindvonnis gewezen, waardoor een periode van ruim twee jaar is verstreken na aanvang van de termijn, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de termijn zouden kunnen rechtvaardigen. De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat de verhoren door de rechter-commissaris in juni 2012 waren afgerond en dat na de regiezitting van 6 juli 2012 niet is gebleken van enige activiteit in deze zaak. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf (HR 17 juni 2008, LJN BD2578). Deze regel zal ook in de onderhavige zaak worden toegepast.

Gelet op de beperkte duur dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel en de geringe hoeveelheid cocaïne die de verdachte in zijn bezit had, zal de rechtbank fors afwijken van de door de officier van justitie geëiste straf.

Alles afwegend wordt een vrijheidsstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden geacht. De verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 168 dagen en het bevel tot voorlopige hechtenis, dat bij een eerdere beslissing is geschorst, zal worden opgeheven.

In het verlengde van deze beslissing zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen arrest d.d. 29 februari 2012 van het Gerechtshof te

’s-Gravenhage is de verdachte veroordeeld  voor zover van belang  tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd vóór het wijzen van het arrest waarbij de voorwaardelijke straf werd opgelegd.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling daarom moet worden afgewezen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 57, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft de in de feiten 1, 2 en 3 opgenomen zinsnede “(een) ander(en), genaamd … ertoe heeft gebracht” tot en met “met of voor een derde tegen betaling”;

verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 168 (honderdachtenzestig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst af de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij arrest d.d. 29 februari 2012 van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

en mrs. G.J. Schiffers-Hanssen en C.M.A.T. van der Geest, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 oktober 2013.

Door afwezigheid is mr. Schiffers-Hanssen buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 24 oktober 2013:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) ander(en), genaamd [slachtoffer N] (geboren [geboortedatum]),

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of

meer seksuele handeling(en), met of voor een derde tegen betaling,

dan wel ten aanzien van die [slachtoffer N],

enige handeling(en), heeft ondernomen, welke handelingen bestonden uit het

- die [slachtoffer N] (laten) onderbrengen (huisvesten) en/of laten verblijven in

één of meer woning(en) en/of

- ( daarbij) (daartoe) die [slachtoffer N] voorzien van instructies betreffende de

werkwijze en/of te rekenen tarieven en/of

- maken van afspraken en/of (telefonisch) onderhouden van contacten met

mededader(s) en/of (potentiële) (prostitutie) klanten voor die [slachtoffer N]

en/of

- die [slachtoffer N] controleren ten aanzien van de hoogte van haar verdiensten

en/of ten aanzien van de, door die [slachtoffer N] (te )verrichte(n)

prostitutiewerkzaamheden en/of (daarbij) (voortdurend) onder

toezicht/controle (laten) houden van die [slachtoffer N] en/of

- aannemen en/of behouden van (een deel van) de betalingen en/of verdiensten

van die [slachtoffer N];

(in elk geval) (telkens) handelingen waarvan hij en/of zijn mededader(s)

wist/wisten of redelijkerwijs moest/moesten vermoeden dat die [slachtoffer N]

zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handeling(en),

- terwijl die [slachtoffer N] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

en/of

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit één of meer seksuele handeling(en)

van [slachtoffer N] (geboren [geboortedatum]), met of voor een derde tegen

betaling, terwijl die [slachtoffer N] de leeftijd van achttien jaren nog niet had

bereikt, immers heeft hij, verdachte en of één of meer van zijn mededader(s)

(telkens) (een deel van) de verdiensten van die [slachtoffer N] uit

prostitutiewerkzaamheden ontvangen en/of zich toegeëigend;

(artikel 273F lid 1 onder 5 en/of 8 jo lid 2 jo artikel 47 van het Wetboek van

Strafrecht)

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) ander(en), genaamd [slachtoffer I] (geboren [geboortedatum]),

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of

meer seksuele handeling(en), met of voor een derde tegen betaling,

dan wel ten aanzien van die [slachtoffer I],

enige handeling(en), heeft ondernomen, welke handelingen bestonden uit het

- het (laten) plaatsen van één of meer afbeelding(en) van (een) perso(o)n(en)

(als ware het afbeelding(en) van die [slachtoffer I]) en/of profielen op het

internet en/of als ware die [slachtoffer I] meerderjarig en/of beschikbaar

voor prostitutiewerkzaamheden (teneinde klanten te werven voor de

prostitutie) en/of

- die [slachtoffer I] (laten) onderbrengen (huisvesten) en/of laten verblijven

in één of meer woning(en) en/of

- ( daarbij) (daartoe) die [slachtoffer I] voorzien van instructies betreffende

werkwijze en/of te rekenen tarieven en/of

- begeleiden en/of vervoeren van die [slachtoffer I] van en/of naar klanten

en/of naar plaatsen voor het verrichten van die seksuele handeling(en) en/of

- maken van afspraken en/of (telefonisch) onderhouden van contacten met

mededader(s) en/of (potentiële) (prostitutie) klanten voor die I.S.C.

Williams en/of

- die [slachtoffer I] controleren ten aanzien van de hoogte van haar

verdiensten en/of ten aanzien van de, door die [slachtoffer I] (te )

verrichte(n) prostitutiewerkzaamheden en/of (daarbij) (voortdurend) onder

toezicht/controle (laten) houden van die [slachtoffer I] en/of

- aannemen en/of behouden van (een deel van) de betalingen en/of verdiensten

van die [slachtoffer I];

(in elk geval) (telkens) handelingen waarvan hij en/of zijn mededader(s)

wist/wisten of redelijkerwijs moest/moesten vermoeden dat die [slachtoffer I]

zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handeling(en),

terwijl die [slachtoffer I] de leeftijd van achttien jaren nog niet had

bereikt;

en/of

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit één of meer seksuele handeling(en)

van [slachtoffer I] (geboren [geboortedatum]) met of voor een

derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer I] de leeftijd van achttien

jaren nog niet had bereikt, immers heeft hij, verdachte en of één of meer van

zijn mededader(s) (telkens) (een deel van) de verdiensten van die [slachtoffer I]

uit prostitutiewerkzaamheden ontvangen en/of zich toegeëigend;

(artikel 273F lid 1 onder 5 en/of 8 jo lid 2 jo artikel 47 van het Wetboek van

Strafrecht)

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) ander(en), genaamd [slachtoffer H] (geboren [geboortedatum]),

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of

meer seksuele handeling(en), met of voor een derde tegen betaling,

dan wel ten aanzien van die [slachtoffer H],

enige handeling(en), heeft ondernomen, welke handelingen bestonden uit het

- het (laten) plaatsen van één of meer afbeelding(en) van (een) perso(o)n(en)

(als ware het afbeelding(en) van die [slachtoffer H]) en/of profielen op het

internet en/of als ware die [slachtoffer H] meerderjarig en/of beschikbaar voor

prostitutiewerkzaamheden (teneinde klanten te werven voor de prostitutie)

en/of

- die [slachtoffer H] (laten) onderbrengen (huisvesten) en/of laten verblijven

in één of meer woning(en) en/of

- ( daarbij) (daartoe) die [slachtoffer H] voorzien van instructies betreffende de

werkwijze en/of te rekenen tarieven en/of

- begeleiden en/of vervoeren van die [slachtoffer H] van en/of naar klanten en/of

naar plaatsen voor het verrichten van die seksuele handeling(en) en/of

- maken van afspraken en/of (telefonisch) onderhouden van contacten met

mededader(s) en/of (potentiële) (prostitutie) klanten voor die [slachtoffer H]

en/of

- die [slachtoffer H] controleren ten aanzien van de hoogte van haar verdiensten

en/of ten aanzien van de, door die [slachtoffer H] (te )verrichte(n)

prostitutiewerkzaamheden en/of (daarbij) (voortdurend) onder

toezicht/controle (laten) houden van die [slachtoffer H] en/of

- aannemen en/of behouden van (een deel van) de betalingen en/of verdiensten

van die [slachtoffer H];

(in elk geval) (telkens) handelingen waarvan hij en/of zijn mededader(s)

wist/wisten of redelijkerwijs moest/moesten vermoeden dat die [slachtoffer H]

zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handeling(en),

terwijl die [slachtoffer H] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

en/of

hij

in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 01 januari 2011

te Rotterdam , althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens),

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit één of meer seksuele handeling(en)

van [slachtoffer H] (geboren [geboortedatum]), met of voor een derde tegen

betaling, terwijl die [slachtoffer H] de leeftijd van achttien jaren nog niet had

bereikt, immers heeft hij, verdachte en of één of meer van zijn mededader(s)

(telkens) (een deel van) de verdiensten van die [slachtoffer H] uit

prostitutiewerkzaamheden ontvangen en/of zich toegeëigend;

(artikel 273F lid 1 onder 5 en/of 8 jo lid 2 jo artikel 47 van het Wetboek van

Strafrecht)

hij

op of omstreeks 06 september 2011 te Rotterdam,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,1 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2/C Opiumwet)