Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8486

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
C/10/431738 / HA RK 13-789
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade; deelgeschil; verkeersongeval in België waarbij een Duits ingezetene is betrokken; rechtsmacht; relatieve bevoegdheid; toepasselijk recht; nationaliteit deskundige; (aanvullend) voorschot

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/22
JA 2014/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/10/431738 / HA RK 13-789

Beschikking van 30 oktober 2013

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. L.A.M.G. Wellen,

tegen

de vennootschap naar Belgisch recht

AXA BELGIUM N.V.,

gevestigd te Brussel (België),

verweerster,

advocaat mr. G.J. de Lange.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en AXA genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 9 augustus 2013 binnengekomen verzoekschrift, met producties;

  • -

    het verweerschrift, met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 9 oktober 2013.

2 De feiten

In het kader van dit deelgeschil staat tussen partijen, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Op 31 mei 2012 heeft op de A1 (E19) te België een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij enerzijds betrokken was [verzoekster], gezeten als passagier in de auto bestuurd door [persoon 1], gekentekend [kenteken 1], en anderzijds een Ford Transit, gekentekend [kenteken 2], tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij AXA.

2.2.

Aansluitend aan het ongeval is [verzoekster] vanwege onder meer pijnklachten aan de nek en de rug met een ambulance vervoerd naar het ziekenhuis AZ Klina te Brasschaat (België).

Naast nek- en rugpijnklachten ondervindt [verzoekster] sinds het ongeval ook pijnklachten aan hoofd, armen en schouders. Daarnaast heeft zij last van posttraumatische stressstoornisklachten en bewegingsangst.

2.3.

Voor het ongeval was [verzoekster] werkzaam als zelfstandig onderneemster. Sinds 1 november 2011 drijft zij een handelsagentuur in huishoudelijke artikelen, waaronder kookgerei van edelstaal. Sedert het ongeval heeft [verzoekster] niet meer gewerkt.

2.4.

[verzoekster] staat ingeschreven te[woonplaats]. Zij verblijft thans bij familie in Rotterdam.

2.5.

AXA heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. In dat kader heeft zij een bedrag van in totaal € 2.000,00 aan voorschotten onder algemene titel aan [verzoekster] betaald.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank om:

I. te beslissen dat een medische expertise in deze zaak in Nederland dient te geschieden door een Nederlandse medisch specialist, op basis van de IWMD-vraagstelling causaal verband bij ongeval en dat AXA de kosten van deze expertise voor haar rekening dient te nemen;

II. AXA te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 25.000,00 als aanvullend voorschot onder algemene titel op de definitieve schadevergoeding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking;

III. de kosten van het deelgeschil overeenkomstig art. 1019aa Rv te begroten op € 1.924,00, vermeerderd met het door [verzoekster] betaalde griffierecht en AXA te veroordelen tot betaling van deze kosten aan [verzoekster] binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking.

3.2.

AXA voert verweer en concludeert dat [verzoekster] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoeken, althans dat haar verzoeken moeten worden afgewezen.

3.3.

Op de standpunten van partijen zal de rechtbank hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voordat de rechtbank inhoudelijk op het geschil kan ingaan, is allereerst aan de orde de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van het onderhavige verzoek kennis te nemen en, zo ja, welk recht van toepassing is.

Rechtsmacht

4.2.

[verzoekster] stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen, aangezien zij haar werkelijk verblijf c.s. gewone verblijfplaats in Nederland (Rotterdam) heeft. AXA voert aan dat de Nederlandse rechter onbevoegd is van het verzoek kennis te nemen, aangezien [verzoekster] haar woonstede niet in Nederland doch in Duitsland heeft. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.

De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen, dient beantwoord te worden aan de hand van artikel 3 Rv. Hierin is, voor zover in deze zaak van belang, bepaald dat in zaken die bij verzoekschrift worden ingeleid de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft (artikel 3 aanhef en onder a Rv).

4.4.

Vooropgesteld wordt dat de begrippen ‘woonplaats’ en ‘gewone verblijfplaats’ in artikel 3 aanhef en onder a Rv dezelfde betekenis hebben als de gelijkluidende begrippen in artikel 2 Rv.

4.5.

Het begrip ‘woonplaats’ is de woonplaats naar Nederlands recht, zoals gedefinieerd in artikel 1:10 BW. Een natuurlijk persoon heeft op grond van artikel 1:10 lid 1 BW zijn woonplaats ‘te zijner woonstede’. Iemand heeft zijn woonstede, zo heeft de Hoge Raad al in 1880 bepaald, daar waar hij werkelijk woont met zijn gezin, waar hij de zetel van zijn fortuin heeft, zijn zaken behartigt, zijn goederen en eigendommen beheert, kortom: de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en tevens met het plan om, als dat doel is bereikt, terug te keren.

4.6.

Nu - naar volgt uit de eigen stellingen van [verzoekster] en de toelichting daarop ter zitting - [verzoekster] in Nederland geen woonstede heeft in voormelde zin, rijst de vraag of [verzoekster] wel een gewone verblijfplaats in Nederland (Rotterdam) heeft.

4.7.

In beginsel is het werkelijk verblijf in Nederland onvoldoende basis voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, indien sprake is van een woonstede elders. Echter, indien iemand in Nederland niet slechts zijn werkelijk verblijf heeft, maar dit verblijf bovendien kan gelden als zijn gewone verblijfplaats, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht toe, zelfs indien sprake is van een woonstede elders.

4.8.

Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ staat voor de maatschappelijke woonplaats van een persoon. Waar iemand gewone verblijfplaats heeft, is in hoge mate een kwestie van waardering van de feiten van het geval. Wel is een zekere duur van het verblijf vereist, zij het dat die duur van de aanvang af beperkt kan zijn.

4.9.

De stelling van [verzoekster] dat zij sedert het ongeval niet meer zelfstandig kan wonen en voor haar (persoonlijke) verzorging afhankelijk is van derden en dat zij om die reden ten tijde van de indiening van het verzoek gedurende reeds geruime tijd feitelijk in Rotterdam op het adres van haar oom en tante verbleef (en nog altijd verblijft en ook de komende periode nog zal (moeten) verblijven) is door AXA niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken.

4.10.

Voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien brengen de rechtbank tot het oordeel dat voldoende is gebleken dat [verzoekster] ten tijde van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland (Rotterdam). Mitsdien komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek rechtsmacht toe.

Relatieve bevoegdheid

4.11.

Ingevolge artikel 262 Rv is in zaken die bij verzoekschrift worden ingeleid de rechter van de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de verzoeker bevoegd. Met de betwisting van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (door AXA) is slechts de internationale competentie betwist en niet tevens de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank. Nu [verzoekster] haar werkelijk verblijf in Rotterdam heeft, is de rechtbank Rotterdam bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Toepasselijk recht

4.12.

De vraag welk recht van toepassing is dient te worden beantwoord aan de hand van het Haagse Verdrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118). Aangezien het ongeval in België heeft plaatsgevonden en gesteld noch gebleken is dat sprake is van omstandigheden die leiden tot toepassing van de uitzonderingsbepalingen van voormeld verdrag, is ingevolge de in artikel 3 van voormeld verdrag neergelegde hoofdregel Belgisch recht van toepassing. Overigens, zulks staat tussen partijen ook niet ter discussie.

4.13.

Daarmee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het deelgeschil.

Deskundige

4.14.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat er in het kader van - kort gezegd - de schadeafwikkeling in deze zaak op enig moment een medische expertise zal moeten plaatsvinden. AXA heeft zich bereid verklaard de kosten van deze expertise voor haar rekening te nemen, hetgeen ook in de rede ligt nu zij aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend.

4.15.

[verzoekster] heeft verzocht te bepalen dat de medische expertise in deze zaak in Nederland dient te geschieden, door een Nederlandse medisch specialist, op basis van de IWMD-vraagstelling causaal verband bij ongeval. Dit enerzijds vanwege de fysieke belasting voor [verzoekster] van een reis naar België en anderzijds vanwege het feit dat de communicatie met een Nederlandse medisch deskundige beter zal verlopen en een Nederlandstalig rapport begrijpelijker zal zijn, aldus [verzoekster].

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak een in België werkzame deskundige dient te worden benoemd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.17.

Daargelaten de toepasselijkheid van de procesregels uit het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (het formele procesrecht), dient het bestaan en de aard van het letsel en de schade die voor vergoeding in aanmerking komt volgens het Belgische recht plaats te vinden (vide artikel 8 van het Haags Verkeersongevallenverdrag).

4.18.

De werkwijze in België om het bestaan en de aard van het letsel, het causaal verband met het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade (rechtens) vast te stellen is (wezenlijk) anders dan in Nederland. Een deskundige die werkzaam is in België zal in het algemeen beter op de hoogte zijn van de in België geldende professionele standaard dan een Nederlandse deskundige. De algemeen geformuleerde stellingen van [verzoekster] tegen een medische expertise door een Belgisch deskundige zijn onvoldoende zwaarwegend om anders te oordelen. Gesteld noch gebleken is dat in België geen deskundige op het onderhavige terrein te vinden is (die bovendien voldoende vrijstaat in deze zaak). Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Voorschot

4.19.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de verzochte beslissing met betrekking tot de verzochte (aanvullende) bevoorschotting, niet, althans onvoldoende, bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. Met (aanvullende) bevoorschotting wordt immers geen einde gemaakt aan het meningsverschil tussen partijen over het bestaan en de aard van het letsel en de schade die voor vergoeding in aanmerking komt, welk meningsverschil klaarblijkelijk in de weg staat aan (verdere) buitengerechtelijke onderhandelingen en het bereiken van een overeenkomst. Het verzoek om AXA tot betaling van een voorschot te veroordelen zal dan ook reeds om die reden worden afgewezen.

Kosten

4.20.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.21.

Aan het voorgaande doet niet af dat, indien en voor zover juist, het Belgische recht niet de mogelijkheid kent van vergoeding van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand, zoals door AXA is gesteld. Immers, dat Belgisch recht van toepassing is laat onverlet de toepasselijkheid van de procesregels uit het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (het formele procesrecht), waaronder artikel 1019aa lid 1 Rv.

4.22.

[verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 1.924,00, vermeerderd met het griffierecht. Anders dan AXA is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek. Voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen moet sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Een dergelijk misbruik acht de rechtbank niet aanwezig.

4.23.

[verzoekster] heeft gesteld dat in totaal 10 uren aan de zaak zijn besteed. Dat tijdsbeslag en het gehanteerde uurtarief (zijnde € 150,00 exclusief 6% kantoorkosten en BTW) komen de rechtbank niet onevenredig respectievelijk onredelijk voor. De rechtbank begroot de kosten mitsdien op € 1.924,00, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 274,00, in totaal dus € 2.198,00.

4.24.

Nu AXA aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend, zal zij in de hiervoor genoemde kosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

Begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 2.198,00.

5.2.

Veroordeelt AXA tot betaling aan [verzoekster] van de kosten van deze procedure, welke zijn begroot op € 2.198,00, zulks binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking.

5.3.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2013.1

1 801/2537