Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8464

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
C/10/ 335273 / HA ZA 09-2001
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weg-spoor-wegvervoer van Duitsland naar Nederland. Schade ontstaan na aflevering, doordat de afgeleverde chemicaliën niet conform de vermelding in de vrachtbrief in de twee compartimenten van de tankcontainer waren geladen, maar verkeerd om.

Vervoerder maakt op voorhand vrachtbrief op en duidt daarin aan in welke compartimenten welk product moet worden geladen. Dat is een laadinstructie ten behoeve van ondervervoerder en chauffeur. De chauffeur geeft deze instructie door aan het laadstation, maar deze wordt ten onrechte niet opgevolgd. Hierdoor is de compartimentaanduiding in de vrachtbrief na de belading geen correcte weergave van de feitelijke belading van de container.

CMR mist toepassing, omdat overeenkomst niet strekt tot vervoer over de weg. Duits wegvervoerrecht. § 412 lid 1 HGB legt de verantwoordelijkheid voor het vervoersgeschikt stuwen en laden van de te vervoeren zaken in het vervoermiddel op de afzender. Op grond van § 278 BGB worden fouten van het laadstation -hulppersoon van de afzender- aan de afzender toegerekend. Ingevolge §§ 408 - 414 HGB ligt de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de vrachtbrief in beginsel bij de afzender. Aan de vrachtbrief komt geen bijzondere bewijskracht toe nu deze niet door zowel de afzender als de vervoerder is ondertekend of gestempeld (§ 409 HGB jo. § 292 ZPO). Uit de Duitse wettelijke regeling volgt niet dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de inhoud van de vrachtbrief bij de vervoerder is komen te liggen, omdat deze onverplicht de vrachtbrief heeft opgemaakt. Dat de vervoerder in afwijking van het wettelijk systeem voor de juistheid van de inhoud van de vrachtbrief daarvan zou moeten instaan, is onvoldoende toegelicht. Naar Duits recht geen controleverplichting geschonden door de vervoerder. Voor een beroep op onrechtmatige daad naar Duits recht onvoldoende gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/68
NTHR 2014, afl. 1, p. 37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/ 335273 / HA ZA 09-2001

Vonnis van 23 oktober 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNIVAR PRODUCTS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. B.S. Janssen,

tegen

de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

[gedaagde] ,

gevestigd te Ludwigshafen, Duitsland,

gedaagde,

advocaat mr. J.F. van der Stelt.

Partijen zullen hierna Univar en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 23 december 2009,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties,

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan door partijen overgelegde pleitnota’s en de zijdens Univar overgelegde nadere productie;

  • -

    de akte van [gedaagde], met producties,

  • -

    de akte houdende overlegging producties tevens houdende akte uitlating producties van Univar, met producties,

  • -

    de akte uitlating producties van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eind 2007 heeft Univar aan het Nederlandse kantoor van [gedaagde] opdracht gegeven om een lading Butoxyl en een lading Polysolvan O., beide met een brutogewicht van ongeveer 10.000 kg, te vervoeren van Frankfurt in Duitsland naar Rotterdam Botlek. De desbetreffende transportopdracht van Univar, genummerd 127188 en gedateerd zowel 1 oktober 2007 als 19 november 2007, vermeldt als laadadres Celanese Chemicals Europe GmbH (hierna: Celanese) op Industriepark Höchst in Frankfurt, als laaddatum 4 december 2007, als afleveradres LBC Rotterdam (hierna: LBC) in Rotterdam Botlek en als losdatum ‘5-12-07 (not later than this)’. De transportopdracht verwijst naar de ADR en de openingstijden van het laadadres (6.00 - 18.00 uur) maar bevat geen bijzonderheden over de wijze waarop het vervoer dient te worden uitgevoerd.

2.2.

[gedaagde] heeft ARAS GmbH (hierna: Aras) opdracht gegeven om het vervoer van Frankfurt naar Mannheim te verrichten.

2.3.

[gedaagde] heeft ter zake van het vervoer over de weg van Frankfurt naar Mannheim een vrachtbrief opgemaakt waarop zij als afzender is vermeld. Daarop stond in machineschrift KTL Kombi‑Terminal Ludwigshafen vermeld als ontvanger en ‘Bestimmungsort’, maar laatstgenoemde vermelding is in handschrift doorgehaald en vervangen door ‘MANNHEIM DUSS’, en diezelfde woorden zijn onder de naam van de ontvanger geschreven. Onder ‘Anz./Verp. Kammer’ en ‘1. Inhalt der Sendung/2. Chem. techn. Bezeichnung 3. Auftragsnummer/4. Gefahrgutklassifizierung’ was ingevuld (latere handgeschreven aantekeningen terzijde gelaten):

“ 1 TW Polysolvan O

127188

Butoxyl

SAP-nr: 618341”

In een vak onderaan de vrachtbrief is -voor zover relevant- ingevuld:

“Polys. O = 81218928/2300937490 (K1)

Butoxyl = 81218930/2300937491 (K2)

Bitte bei Verzögerungen oder Unstimmigkeiten an der Be- oder Entladestelle sofort telefonisch melden // avisieren!!!!!”.

2.4.

Op 4 december 2007 heeft een chauffeur van Aras zich op Industriepark Höchst gemeld met een lege (tank)container GRLU 238006-0. In de loop van dezelfde middag zijn de Butoxyl en Polysolvan in de compartimenten van de tankcontainer gepompt door werknemers of andere hulppersonen van Celanese. Van deze belading zijn door het laadstation vulrapporten (‘Füllscheine’) opgemaakt die erop wijzen dat 10,04 ton Butoxyl is geladen in compartiment 1 (‘Zeit Füllvorgang 16:24:42’), en 9,97 ton Polysolvan in compartiment 2 (‘Zeit Füllforgang 17:19:30’).

2.5.

Na de belading heeft de chauffeur van Aras in de vrachtbrief, voor zover relevant, de volgende handgeschreven vermeldingen opgenomen:

“1 TW Polysolvan O [handgeschreven:] 10,000 kg

127188

Butoxyl [handgeschreven:] 10,060 kg

SAP-nr: 618341

[handgeschreven:] Am laden Standzeit von 13.05-17.45.”

2.6.

De lading is op 5 of 11 december 2007 in Rotterdam afgeleverd bij LBC. Tijdens het vervoer is geen schade aan de lading ontstaan. Bij aflevering aan LBC werd de lading begeleid door een vrachtbrief waarop [gedaagde] als afzender is vermeld. Daarop stond in machineschrift LBC vermeld als ontvanger en losadres. Onder ‘Anz./Verp. Kammer

en ‘1. Inhalt der Sendung/2. Chem. techn. Bezeichnung 3. Auftragsnummer/

4. Gefahrgutklassifizierung’ was ingevuld:

“ 1 TW Polysolvan O [handgeschreven A:] 10,000

[handgeschreven B: (…) kamer 1]

127188

Butoxyl [handgeschreven B: (…) kamer 2]

SAP-nr: 618341 [handgeschreven A:] 10,260 kg”

Het handschrift aangeduid met A oogt gelijk aan het handschrift van de chauffeur bedoeld onder 2.5. Het handschrift aangeduid met B wijkt daarvan af. In het vak onderaan de vrachtbrief is -voor zover relevant- ingevuld:

“Polys. O = 81218928/2300937490 (K1)

Butoxyl = 81218930/2300937491 (K2)

Bitte bei Verzögerungen oder Unstimmigkeiten an der Be- oder Entladestelle sofort telefonisch melden // avisieren!!!!!”.

2.7.

In opdracht van Univar heeft LBC de Butoxyl en Polysolvan vanuit de container in kleine vaten/drums omgepakt. Vanuit tijdelijke opslag bij LBC zijn vaten Butoxyl en Polysolvan aan afnemers van Univar geleverd. Naar aanleiding van klachten van deze afnemers over het geleverde bleek na onderzoek dat Butoxyl was verpakt in de kunststof vaten bestemd voor het (licht oxiderende) Polysolvan en dat dit Polysolvan was verpakt in de stalen vaten bestemd voor Butoxyl. Univar heeft daarop de reeds verzonden vaten Butoxyl en Polysolvan teruggeroepen en de Polysolvan ter vaststelling van eventuele oxidatieschade laten bemonsteren, en beide producten in de juiste vaten laten ompakken. Univar begroot haar schade thans op € 100.000,--.

3 Het geschil

3.1.

Univar vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door Univar geleden schade;

  • -

    [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Univar van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de CMR-rente gerekend vanaf 17 juli 2008, althans vanaf 6 april 2009;

  • -

    [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Univar van de buitengerechtelijke kosten van € 952,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2009;

- [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Univar in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Univar stelt dat [gedaagde] enerzijds onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW, en anderzijds is tekortgeschoten in de nakoming van de vervoerovereenkomst, die in de visie van Univar wordt beheerst door de CMR en aanvullend door het Duitse recht.

Univar verwijt aan [gedaagde], verkort weergegeven, dat de vrachtbrief onjuiste ladinggegevens bevat, en dat de chauffeur na belading niet heeft geverifieerd welke lading in welk compartiment was geladen dan wel, indien een dergelijke controle niet mogelijk was, heeft nagelaten dit op de vrachtbrief aan te tekenen.

[gedaagde] betwist onder meer dat zij uit onrechtmatige daad of wegens toerekenbare tekortkoming aansprakelijk is, en betwist dat ruimte bestaat voor toepassing van artikel 6:162 BW of de CMR op de grond dat uitsluitend het Duitse (interne) recht toepasselijk is. [gedaagde] voert onder meer aan dat de aflader, die als hulppersoon van Univar moet worden beschouwd, de tankcontainer in strijd met de laadinstructies in de door de chauffeur overhandigde vrachtbrief heeft beladen, en dat de chauffeur niet wist en niet kon controleren welke lading in welk compartiment was geladen. Ook voert [gedaagde] aan dat bij een deugdelijke controle bij aflevering door LBC, eveneens een hulppersoon van Univar, geen schade zou zijn ontstaan.

In reactie op dit verweer heeft Univar -onder meer- bestreden dat de chauffeur de vrachtbrief aan de aflader heeft overhandigd, betoogd dat de chauffeur van de bij de belading betrokken werknemers van de aflader moet hebben begrepen welk product in welk compartiment is geladen en voorts de vulrapporten van de belading moet hebben ontvangen.

Vervolgens heeft [gedaagde] deze stellingen gemotiveerd betwist.

4.2.

De rechtsmacht en bevoegdheid van deze rechtbank om van de vordering kennis te nemen zijn niet in geschil.

4.3.

De rechtbank zal de vordering eerst op de contractuele grondslag beoordelen.

de contractuele grondslag: het toepasselijke recht

4.4.

De CMR is dwingendrechtelijk van toepassing indien is voldaan aan de vereisten van artikel 1 lid 1 CMR. Het partijdebat over de toepasselijkheid van de CMR spitst zich toe op de vraag of sprake is van een ‘overeenkomst … tot het vervoer van goederen over de weg’ als bedoeld in artikel 1 lid 1 CMR, zoals Univar stelt. [gedaagde] bestrijdt dit, en wijst erop dat de transportopdracht geen aanwijzingen bevat over de vervoersmodaliteit. [gedaagde] betoogt dat het haar derhalve vrijstond om te kiezen voor multimodaal vervoer, en dat zij ervoor heeft gekozen om de tankcontainer van Frankfurt naar de DUSS-terminal in Mannheim over de weg te vervoeren, van Mannheim naar het Rail Service Center Rotterdam (hierna: RSC Rotterdam) in Rotterdam per spoor, en van RSC Rotterdam naar LBC over de weg. Zij betwist dat -zoals Univar bij pleidooi nog heeft geopperd- van stapelvervoer sprake is geweest.

De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om Univar te volgen in haar standpunt dat de overeenkomst strekte tot internationaal vervoer over de weg. Daartoe volstaat niet dat de opdracht strekte tot aflevering kort na inontvangstneming, zoals Univar betoogt. Ook indien juist is dat beide partijen begrepen dat vervoer over de weg sneller is dan -ook- per spoor, volgt hieruit niet dat de overeenkomst strekte tot vervoer over de weg, zolang tijdige aflevering ook met gebruikmaking van spoorvervoer mogelijk was. In dit verband merkt de rechtbank op dat zij er met Univar van uitgaat dat op 5 december 2007 is afgeleverd, zoals nader te bespreken in r.o. 4.10. Dat Univar er, naar zij bij pleidooi heeft aangevoerd, van uitging dat over de weg zou worden vervoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

4.5.

Pas na de pleidooien heeft Univar nog aangevoerd dat de CMR toepasselijk is uit hoofde van een door partijen gedane rechtskeuze, als bedoeld in artikel 3 lid 1 -van het hier toepasselijke- EVO. Zij stelt dat voor het onderhavige vervoer een CMR-vrachtbrief is afgegeven op [gedaagde]-papier, en dat de verwijzing naar de CMR op deze vrachtbrief illustreert dat [gedaagde] een rechtskeuze doet voor de CMR, welke rechtskeuze door Univar niet is weersproken, met als gevolg dat de CMR op de vervoerovereenkomst tussen partijen van toepassing is.

[gedaagde] voert aan dat dit een nieuwe stelling is die het beoogde bestek van de aktewisseling na pleidooi te buiten gaat, dat deze stellingen niet vast staan en dat zij buiten beschouwing dienen te blijven omdat [gedaagde] daarop niet heeft kunnen reageren.

Dit standpunt van [gedaagde] impliceert dat zij de door Univar laattijdig gestelde rechtskeuze wenst te bestrijden. Een nadere toelichting van [gedaagde] op dit punt acht de rechtbank echter niet nodig, omdat de hier bedoelde stellingen van Univar niet de conclusie kunnen dragen dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan die voldoet aan de maatstaven van artikel 3 EVO.

Artikel 3 EVO vereist immers een rechtskeuze van beide partijen. Een uitdrukkelijke rechtskeuze door beide partijen is gesteld noch gebleken. In de door Univar gezonden en door [gedaagde] uitgevoerde transportopdracht, die in dit geval als de neerlegging van de overeenkomst moet worden aangemerkt, valt geen rechtskeuze te lezen, zodat ook niet kan worden gezegd dat de rechtskeuze voldoende duidelijk blijkt uit de bewoordingen van de overeenkomst.

Univar doelt op de voor de aflevering aan LBC opgestelde vrachtbrief (zie r.o. 2.6). Nu deze geruime tijd na het sluiten van de overeenkomst is opgesteld, kan een verwijzing naar de CMR in deze vrachtbrief niet als een rechtskeuze in de zin van artikel 3 lid 1 EVO worden verstaan. Evenmin kan worden aangenomen dat met het aankruisen van dit vakje op de vrachtbrief door [gedaagde] een rechtskeuze na het sluiten van de overeenkomst is beoogd, als bedoeld in artikel 3 lid 2 EVO. Uit de stukken komt immers niet naar voren dat [gedaagde] deze verwijzing daadwerkelijk als voorstel voor een rechtskeuze heeft beoogd en deze als zodanig onder de aandacht van Univar heeft gebracht. Sterker nog, de stukken bevatten geen aanwijzingen dat Univar deze vrachtbrief vóór of ten tijde van de aflevering heeft gezien.

Bij gebreke van een voldoende duidelijk voorstel tot het doen van een rechtskeuze kan geen sprake zijn van een stilzwijgende aanvaarding daarvan, zoals door Univar betoogd.

Nu [gedaagde] in de procedure steeds het standpunt heeft gehuldigd dat de CMR toepassing mist, is ook van een processuele rechtskeuze voor de CMR geen sprake.

4.6.

Bij deze stand van zaken moet het recht dat de overeenkomst beheerst worden gevonden door toepassing van artikel 4 EVO. Toepassing van de leden 1 en 4 van deze bepaling leiden tot toepasselijkheid van het Duitse recht, nu [gedaagde] als vervoerder haar hoofdvestiging heeft in Duitsland en ook de plaats van inlading in Duitsland was gelegen. Of Univar jegens [gedaagde] recht heeft op schadevergoeding wegens schending van verplichtingen onder de vervoerovereenkomst, zal derhalve naar Duits recht moeten worden beoordeeld.

Partijen hebben vanaf de conclusie van antwoord ook de inhoud en toepassing van het Duitse recht betrokken bij het bepalen van hun standpunten.

4.7.

Voor toepasselijkheid van de Allgemeine Deutsche Spediteurbedingungen (hierna: ADSp), zoals door [gedaagde] betoogd, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding. Dat de toepasselijkheid van de ADSp op enig moment in verband met het sluiten van de vervoerovereenkomst tussen partijen aan de orde is geweest -mondeling dan wel schriftelijk- is gesteld noch gebleken. Dat op de onder 2.3 bedoelde vrachtbrief voor het wegvervoer binnen Duitsland een hokje is aangevinkt waarnaast naar de ADSp wordt verwezen, is niet voldoende om Univar aan toepasselijkheid van die voorwaarden te verbinden, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat deze vrachtbrief -die kennelijk alleen tussen [gedaagde] en Aras is gebruikt voor het Duitse wegvervoertraject- op enig moment een rol heeft gespeeld jegens Univar.

Het beroep van [gedaagde] op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 23 ADSp kan om deze reden geen ingang vinden.

Het door Univar aan [gedaagde] gemaakte verwijt

4.8.

Univar verwijt [gedaagde] met inachtneming van het Duitse recht dat zij twee op haar rustende verplichtingen heeft geschonden.

Univar voert als eerste tekortkoming aan dat [gedaagde] bij het opmaken van de vrachtbrief een fout heeft gemaakt door daarop in strijd met de waarheid te vermelden dat Polysolvan in compartiment 1 was geladen en Butoxyl in compartiment 2 van de tankcontainer. Indien een vervoerder onverplicht een vrachtbrief opstelt, dient hij er in de visie van Univar voor in te staan dat de daarop vermelde gegevens juist zijn. De juistheid van de vrachtbrief is zeker bij het vervoer van chemicaliën cruciaal, nu de producten -naar [gedaagde] als vervoerder weet- worden uitgeslagen op basis van de vrachtbrief, aldus Univar.

Als tweede tekortkoming voert Univar aan dat [gedaagde] als vervoerder naar Duits recht de verplichting heeft om haar bedrijfsvoering zo in te richten dat zij in staat is de aard en de wijze van belading van de lading te controleren. Zelfs als zou blijken dat de vervoerder daartoe geen mogelijkheid heeft gehad, hetgeen wordt betwist, dan nog dient de vervoerder dit op de vrachtbrief te noteren, hetgeen niet is gebeurd, aldus Univar.

4.9.

[gedaagde] betwist het door Univar gestelde. Zij voert -onder verwijzing naar het vonnis van deze rechtbank in de vrijwaringsprocedure tussen [gedaagde] en de ‘curator’ in het faillissement van Aras (zaak- en rolnummer 358005 / HA ZA 10‑2086)- aan dat het Duitse recht op de afzender de verplichting legt om de container te beladen en dat de vrachtbrief onder verantwoordelijkheid van de afzender (hier Univar) wordt opgemaakt. [gedaagde] betwist dat zij enige op haar rustende verplichting heeft geschonden en betwist het causaal verband. Voorts stelt zij dat van eigen schuld van Univar sprake is, enerzijds door het handelen van de aflader, Celanese, en anderzijds door de gebrekkige ingangscontrole bij LBC ten tijde van de aflevering in Rotterdam. Deze partijen zijn als Erfüllungsgehilfe c.q. hulppersonen van Univar te beschouwen en hun handelen komt voor rekening van Univar, aldus [gedaagde].

De verdere feitelijke inkadering

4.10.

Na pleidooi heeft [gedaagde] desgevraagd nadere stukken overgelegd waaruit aannemelijk wordt dat geen grensoverschrijdend vervoer over de weg heeft plaatsgevonden, maar dat van Mannheim tot Rotterdam per spoor is vervoerd. Daartegenover heeft Univar onvoldoende feitelijke aanknopingspunten aangevoerd die wijzen op de juistheid van haar eigen standpunt dat uitsluitend over de weg is vervoerd. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat het vervoer is verlopen zoals door [gedaagde] gesteld en onderbouwd: van Frankfurt naar de DUSS-terminal in Mannheim over de weg, van Mannheim naar RSC Rotterdam in Rotterdam per spoor, en van RSC Rotterdam naar LBC over de weg.

De rechtbank volgt [gedaagde] echter niet in haar standpunt dat op 11 december 2007 is afgeleverd, voor welk standpunt op zichzelf steun is te vinden in het door LBC op de vrachtbrief geplaatste datumstempel. Univar stelt dat op 5 december 2007 is afgeleverd aan LBC, en dit standpunt vindt steun vindt in productie 4 bij conclusie van repliek. Dit betreft een e-mailbericht van [gedaagde] aan Univar van 6 december 2007 met als onderwerp ‘Laden bij Celanese 10 MT Butoxyl & 10 MT Polysolvan’. Daarin schrijft [gedaagde], refererend aan het opdrachtnummer van Univar, over moeilijkheden die zij de dag tevoren heeft ondervonden met het afkoppelen van de container voor de ‘bovenstaande lading’, en dat zij extra kosten zal berekenen voor de tijd verstreken tussen aankomst (om 15.00 uur) en vertrek (rond 17.30 uur) bij LBC. Nu dit bericht door [gedaagde] zelf verstuurd is op 6 december 2007 en concrete aanwijzingen bevat dat is afgeleverd op 5 december 2007, weegt dit zwaarder dan het hiervoor bedoelde datumstempel van LBC op de vrachtbrief, waarvan niet is toegelicht wanneer en onder welke omstandigheden dit op het document is geplaatst. De rechtbank gaat daarom uit van aflevering op 5 december 2007.

4.11.

Beide partijen merken de onder 2.3 en 2.6 genoemde vervoersdocumenten aan als vrachtbrieven (‘Frachtbriefe’ in de zin van § § 407 e.v. HGB). De rechtbank zal partijen daarin volgen.

Niet in geschil is dat de op deze vrachtbrieven weergegeven product- en compartimentaanduidingen daarop door [gedaagde] zijn vermeld nog voordat de tankcontainer is beladen. Gelet op de plaatsing op het document, nabij andere instructies aan de chauffeur, verstaat de rechtbank deze vermelding als een instructie aan de ondervervoerder Aras of de chauffeur over de wijze waarop de container moest worden beladen (en niet als een weergave door [gedaagde] van de wijze waarop de container feitelijk is beladen).

4.12.

Univar heeft betoogd dat de chauffeur beladingsinstructies geeft aan het laadadres, in die zin dat hij bepaalt en aan het laadstation opgeeft welk product in welk compartiment moet worden geladen, en dat het laadstation de instructies van de chauffeur opvolgt. In haar laatste akte heeft Univar nog gesteld dat de aflader -naar zij pas toen stelde: niet Celanese maar haar hulppersoon Infraserv- niet reeds vooraf hoort welke lading in welk compartiment moet worden geladen, maar dat de chauffeur mondeling aan het laadpersoneel opgeeft in welk compartiment wat moet worden beladen.

Ook [gedaagde] gaat ervan uit dat de chauffeur aan de aflader heeft opgegeven welk product in welk compartiment moest worden geladen, zij het dat zij meent dat dit is geschied door overhandiging van de vrachtbrief, en niet (uitsluitend) mondeling. Partijen zijn het erover eens dat de aflader zich naar deze instructies moest richten.

Gesteld noch gebleken is dat de chauffeur aan de aflader onjuiste beladingsinstructies heeft doorgeleid, in die zin dat de door de chauffeur gegeven instructies afweken van de laadinstructie op de vrachtbrief. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat de chauffeur aan de aflader dezelfde beladingsinstructie heeft gegeven als die welke op de vrachtbrief stond vermeld. Of deze instructie mondeling is verstrekt of door middel van overhandiging van de vrachtbrief aan de aflader, kan in het midden blijven.

Vast staat dat de belading feitelijk door Celanese of haar hulppersoon Infraserv is verricht, en als onvoldoende gemotiveerd betwist staat eveneens vast dat het product dat in compartiment 1 moest worden geladen in compartiment 2 is geladen, en omgekeerd. Dit blijkt ook uit de door Univar overgelegde ‘Füllscheine’ die door de aflader zijn opgesteld (zie onder 2.4).

Een en ander voert tot de constatering dat aan de aflader -ongeacht of dit Celanese was of haar te elfder ure opgevoerde hulppersoon Infraserv- door de chauffeur correcte laadinstructies zijn gegeven die door het laadstation moesten worden opgevolgd, maar dat deze door de aflader niet correct zijn opgevolgd. Het niet stroken van de vrachtbrief met de wijze van belading vindt dus feitelijk zijn oorsprong in een onjuist handelen van de aflader.

4.13.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om, zoals Univar lijkt te doen, aan te nemen dat de chauffeur van Aras wist dat de twee chemicaliën niet conform de laadinstructie in de container waren geladen.

Daarvoor is onvoldoende dat -naar op zichzelf niet in geschil is- tussen het beladen van het eerste en het tweede product enige tijd is verstreken, zoals ook blijkt uit de tijdstippen vermeld op de vulrapporten. Dat de chauffeur (dus) op grond van mondelinge contacten met het laadpersoneel moet hebben geweten welk product als eerste in de tankcontainer is geladen, is niet met verdere feitelijke stellingen uitgewerkt, zoals van Univar na het gemotiveerde verweer van [gedaagde] op dit punt mocht worden verwacht.

Onvoldoende voor de hier bedoelde wetenschap van de chauffeur is ook dat de aflader het gewogen ladinggewicht aan de chauffeur heeft opgegeven, en dat de chauffeur de handgeschreven gewichtsaanduidingen heeft opgenomen in het vervoersdocument, zoals tussen partijen vast staat. Dat zou wellicht anders zijn indien het handgeschreven gewicht op de vrachtbrief precies overeenkwam met het gewicht vermeld in de door de aflader opgemaakte vulrapporten. In dat geval zou in die overeenkomst een aanwijzing kunnen worden gevonden dat deze vulrapporten aan de chauffeur zijn overhandigd (zoals Univar betoogt maar [gedaagde] betwist). Dit geval doet zich echter niet voor.

Voor het toelaten van bewijslevering op dit punt ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding, nu de stellingen van Univar onvoldoende concreet en specifiek zijn om zich te lenen voor bewijslevering. Zeker na de uitdrukkelijk betwisting van [gedaagde] dat de vulrapporten aan de chauffeur zijn overhandigd, en na de vragen van de rechtbank bij pleidooi over de feitelijke gang van zaken bij belading, lag het op de weg van Univar om nader feitelijk uit te werken dat, hoe en door wie de vulrapporten door de aflader aan de chauffeur zijn gesteld. Dit heeft zij nagelaten.

Bij deze stand van zaken kan er niet van worden uitgegaan dat de vulrapporten aan de chauffeur zijn overhandigd.

Juridische inkadering

4.14.

Zoals reeds in voornoemd vonnis in de vrijwaringsprocedure is overwogen, legt het hier toepasselijke Duitse wegvervoerrecht (§ 412 lid 1 HGB) -behoudens ingeval uit de omstandigheden van het geval of de gebruiken anders voortvloeit, hetgeen hier niet is gesteld of gebleken- de verantwoordelijkheid voor het vervoersgeschikt stuwen en laden van de te vervoeren zaken in het vervoermiddel op de afzender. In dit geval rustte dus op Univar de verplichting om de chemicaliën in de tankcontainer te laden en te stuwen. Zij heeft aan deze verplichtingen kennelijk uitvoering gegeven door Celanese tot belading te instrueren. Daarmee werd Celanese in de verhouding tussen Univar en [gedaagde] de hulppersoon van Univar in de zin van § 278 BGB.

4.15.

Op grond van § 278 BGB kunnen fouten van Celanese als hulppersoon van Univar aan Univar worden toegerekend. Gesteld noch gebleken is dat Univar niet heeft ingestemd met de inschakeling door Celanese van Infraserv -voor zover daarvan sprake is geweest- met als gevolg dat Univar ook voor eventuele fouten van Infraserv -die onder deze omstandigheden ook als hulppersoon van Univar moet worden beschouwd- als voor eigen fouten moet instaan. (Vgl. Palandt, Bürgerliches Gesetzbuch, § 278 Rdnr 1 en 9)

4.16.

Nu vast staat dat de chauffeur (hulppersoon voor [gedaagde]) over de wijze van belading instructies heeft gegeven aan het laadpersoneel van Celanese dan wel Infraserv (hulppersoon voor Univar) die het laadpersoneel moest opvolgen maar niet heeft opgevolgd, moet in verbinding met het voorgaande worden geconcludeerd dat Celanese dan wel Infraserv bij de nakoming van Univars verplichtingen tot belading uit hoofde van § 412 lid 1 HGB een fout heeft gemaakt die voor rekening van Univar komt.

De verdere beoordeling

4.17.

Univar verwijt [gedaagde] dat de vrachtbrief onjuistheden bevatte. Wanneer [gedaagde] als vervoerder onverplicht de vrachtbrief opmaakt, moet zij er voor instaan dat de inhoud ervan juist is, aldus Univar.

Voor zover Univar bedoelt dat de in r.o. 4.11 bedoelde laadinstructie van meet af aan onjuist was, is dit verwijt onvoldoende toegelicht om doel te kunnen treffen.

4.18.

Univar betoogt -met verwijzing naar een advies van [X] Rechtanwälte van 27 maart 2012- dat [gedaagde] heeft in te staan voor de juistheid van de inhoud van de vrachtbrief omdat [gedaagde] (en niet de afzender) de vrachtbrief opstelde en tevoren invulde, en dat daarom [gedaagde] aansprakelijk is voor de gevolgen van de omstandigheid dat de inhoud van de vrachtbrief na het beladen onjuist werd door de verwisseling van de compartimenten bij de belading.

Het Duitse vervoerrecht is geregeld in de vierde afdeling van het vierde boek van het HGB, §§ 407 - 452d. Derhalve dient in beginsel aan de hand van die wettelijke regeling onderzocht te worden of [gedaagde] als vervoerder aansprakelijk is voor de gevolgen van de onjuiste vermelding in de vrachtbrief van de compartimenten waarin de vervoerde partijen waren beladen.

Ingevolge §§ 408 - 414 HGB ligt de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de vrachtbrief in beginsel bij de afzender.

Ingevolge § 409 HGB komt aan een vrachtbrief bewijs ‘bis zum Beweis des Gegenteils’ toe (dat wil ingevolge § 292 ZPO zeggen: een voor ontkrachting of weerlegging vatbaar wettelijk bewijsvermoeden; bewijs behoudens tegenbewijs) indien deze door zowel de afzender als de vervoerder is ondertekend of gestempeld. In dit geval is echter, naar uit de stukken blijkt en tussen partijen niet in geschil is, de vrachtbrief niet door of vanwege Univar als afzender ondertekend of gestempeld.

Evenmin is gesteld of gebleken dat de vrachtbrief door of vanwege [gedaagde] is ondertekend of gestempeld nadat de belading had plaatsgevonden. Er doet zich dus niet de situatie voor dat (de chauffeur van de ondervervoerder Aras van) [gedaagde] als vervoerder uitdrukkelijk heeft getekend of gestempeld voor de juistheid van de vermeldingen in de vrachtbrief van de compartimenten waarin de beide partijen waren beladen.

Daarom volgt uit de Duitse wettelijke regeling niet dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de inhoud van de vrachtbrief bij [gedaagde] is komen te liggen.

Gelet op deze wettelijke regeling is het advies van [X], dat de vervoerder die onverplicht een vrachtbrief opmaakt voor de juistheid van de inhoud daarvan moet instaan, bij gebreke van een onderbouwing van dit standpunt met verwijzingen naar de Duitse wet, rechtspraak of literatuur, onvoldoende begrijpelijk en overtuigend om een ander oordeel te rechtvaardigen.

Hierop stuit dit betoog van Univar af.

4.19.

Voor zover Univar betoogt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de nadelige gevolgen van de onjuiste vermeldingen in de vrachtbrief, omdat [gedaagde] diende te controleren of de beladingshandelingen van Celanese of Infraserv overeenstemden met de vermeldingen in de vrachtbrief, gaat dat betoog eraan voorbij dat het Duitse recht geen specifieke verplichting voor de vervoerder kent om de juistheid van de beladingshandelingen vanwege de afzender te verifiëren (afgezien van controle met het oog op de veiligheid gedurende het vervoer). Uit § 412 (1) HGB volgt veeleer het tegendeel.

Voor zover Univar betoogt dat uit de bepaling in de vrachtbrief “Bitte bei (...) Unstimmigkeiten an der Be- oder Entladestelle sofort telefonisch melden /// avisieren!!!!!” zodanige controleplicht volgt, verwerpt de rechtbank dat betoog, om de volgende redenen. Zoals gezegd, levert deze vrachtbrief geen bewijsvermoeden op ten aanzien van de belichaming van de vervoerovereenkomst, omdat deze niet overeenkomstig het bepaalde in §§ 408 en 409 HGB is tot stand gekomen en ondertekend of gestempeld. De aangehaalde tekst vormt, veeleer dan een beding tussen Univar en [gedaagde], een instructie van [gedaagde] aan haar ondervervoerder of chauffeur om met haar, [gedaagde], contact op te nemen indien deze zou merken dat er iets niet klopt. Echter, niet is gesteld of aannemelijk geworden dat de chauffeur van Aras daadwerkelijk had opgemerkt dat de partijen chemicaliën bij de belading waren verwisseld. Voor het overige verwijst de rechtbank naar r.o. 4.13.

Dat een wegvervoerder naar Duits gehouden is zijn bedrijfsvoering zo in te richten dat op ieder moment de aard en wijze van belading kan worden gecontroleerd, zoals Univar stelt, is onvoldoende om in afwijking van het voorgaande de conclusie te rechtvaardigen dat [gedaagde] althans de chauffeur op enig hier relevant moment een controle te verrichten.

Deze stellingen kunnen de vordering derhalve evenmin dragen.

Onrechtmatige daad

4.20.

Univar heeft nog -aanvankelijk als primaire, maar later naar de rechtbank begrijpt als alternatieve grondslag- aangevoerd dat [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW aansprakelijk is. Zij voert hiertoe aan dat de voor [gedaagde] ingeschakelde chauffeur nalatig is geweest ter zake van zijn verplichting om de wijze van belading van de tankcontainer te controleren, althans om op de vrachtbrief een bemerking te maken waaruit bleek dat hij zodanige controle niet had kunnen verrichten.

[gedaagde] bestrijdt ook deze grondslag van de vordering, en voert aan dat het Nederlandse recht toepassing mist, nu de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (hierna: WCOD) naar toepasselijkheid van het Duitse recht leidt.

4.21.

Nu de vordering uit onrechtmatige daad nauw is verbonden met de tussen partijen gesloten vervoerovereenkomst, die het Duitse recht wordt beheerst (zie r.o. 4.6), zal de rechtbank op grond van artikel 5 WCOD ook op de vordering uit onrechtmatige daad het Duitse recht toepassen.

4.22.

De rechtbank gaat er van uit dat ook naar Duits recht in beginsel -eventuele (al dan niet vervoerrechtelijke) samenloopbepalingen daargelaten- ruimte bestaat voor aansprakelijkheid uit ‘unerlaubte Handlung’ (het Duitse equivalent van onrechtmatige daad) naast aansprakelijkheid wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een contractuele verbintenis. Naar de rechtbank begrijpt, vormt een schending van een contractuele verbintenis naar Duits recht slechts dan een ‘unerlaubte Handlung’ als bedoeld in § 823 BGB, indien de feiten die de tekortkoming opleveren op zich zelf staand, de verbintenissen uit de vervoerovereenkomst weggedacht, voldoen aan de omschrijving van een onrechtmatige daad (zie Palandt, Bürgerliches Gesetzbuch, Einf v § 823 Rn 2-5). Nu Univar echter geen andere gedragingen aan [gedaagde] verwijt dan het niet behoorlijk vervullen van [gedaagde] verbintenissen onder de vervoerovereenkomst, strandt daarop het beroep van Univar op onrechtmatige daad.

Conclusie

4.23.

Nu de hoofdvorderingen niet kunnen slagen, zullen deze worden afgewezen. De verdere verweren van [gedaagde], onder meer ten aanzien van de vorderingsgerechtigdheid en eigen schuld, behoeven geen beoordeling.

De vorderingen tot vergoeding van rente en kosten moeten delen in het lot van de hoofdvorderingen.

4.24.

Univar zal als in de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde]. Deze worden begroot op € 8.974,-- (€ 262,-- voor vast recht en € 8.712,-- voor salaris van de advocaat (6 punten x € 1.452,-- per punt)). Hoewel de vordering als een vordering van onbepaalde waarde is ingesteld, blijkt uit de conclusie van repliek dat het belang van de zaak € 100.000,-- beloopt. Gelet hierop en gelet op de omvang van het processueel debat knoopt de rechtbank daarom voor het liquidatietarief aan bij tariefgroep V.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Univar in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 8.974,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013.

1885/1928