Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8346

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-10-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
C/10/435002 / KG ZA 13-1064
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

De door gedaagde (sub 1) opgestelde verklaring over eisers is op te weinig gegevens gebaseerd en aldus onzorgvuldig tot stand gekomen hetgeen onrechtmatig is jegens eisers. Wel wordt een verbod gegeven om deze verklaring naar buiten te brengen, maar geen rectificatie van de inhoud, want er is geen onderzoek naar de juistheid van de inhoud van de verklaring mogelijk in deze procedure. Immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan het vereiste van spoedeisendheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/435002 / KG ZA 13-1064

Vonnis in kort geding van 25 oktober 2013

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRUDO LICHTTOREN B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. G.C. Vergouwen,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.F. van den Ende,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te Vlaardingen,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie

advocaat mr. M.A. de Vlieger.

Eisers (in conventie) zullen hierna worden aangeduid als Trudo, [eiser 2] en [eiser 3] en gezamenlijk als Trudo c.s. Gedaagde sub 1 zal hierna worden aangeduid als [gedaagde 1], gedaagde sub 2 als [gedaagde 2] en gedaagde sub 3 als [gedaagde 3]. Gedaagden sub 2 en 3 zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 2 oktober 2013, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 11 oktober 2013,

  • -

    de nadere producties en pleitnotities van Trudo c.s.,

  • -

    de producties en pleitnotities van [gedaagde 1],

  • -

    de conclusie van eis in reconventie, de producties en de pleitnotities van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van de inhoud van de door partijen overgelegde producties, kan in dit kort geding van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1.

Trudo is (via Trudo Holding B.V.) een dochtermaatschappij van Stichting Trudo, een woningcorporatie in Eindhoven. [eiser 2] is middellijk (via Trudo Holding B.V.) bestuurder van Trudo. [eiser 3] is bestuurder van Stichting Trudo.

2.2.

[gedaagde 1] is middellijk bestuurder (via Cheankirorol B.V.) en aandeelhouder (via Holding Thuis B.V.) van Art & Woonhotel De Lichttoren B.V., welke vennootschap met ingang van 16 augustus 2013 in staat van faillissement is verklaard.

2.3.

Trudo is eigenaar van het oude lichttorencomplex van Philips in Eindhoven. Tussen Art & Woonhotel De Lichttoren B.V. en Trudo is op enig moment een huurovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan Art & Woonhotel De Lichttoren B.V. een deel van bovengenoemd complex is gaan huren voor de exploitatie van een hotel. De (af)bouw van het hotel werd uitgevoerd door onder meer [X] (hierna: [X]) en [gedaagde 2].

2.4.

Tussen Trudo en [gedaagde 1]/Art & Woonhotel De Lichttoren B.V. zijn meerdere geschillen ontstaan bij de uitvoering van de onder 2.3 genoemde huurovereenkomst.

2.5.

Een e-mail van dhr. [Y] (hierna: [Y]) van [X] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] d.d. 27 juni 2011 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

-1- op 23-03-2011 is er een drie partijen overeenkomst getekend tussen trudo, [gedaagde 1] ([gedaagde 1]; opm vzr) en ons, hierin zijn een aantal afspraken vast gelegd welke ook [gedaagde 2] ([gedaagde 2]; opm vzr) betreffen.

(…)

-4- In de slot onderhandeling is een korting van 160k gegeven aan trudo om het risico beter op elkaar af te stemmen. [X] heeft hiermee ingestemd omdat anders de deal niet was doorgegaan. Wij gaan ervanuit dat [gedaagde 2] bereid is hierin mee te participeren.

(…)”

2.6.

Een door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] namens [gedaagde 2] ondertekende verklaring d.d. 13 maart 2013 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Verloop gebeurtenissen inzake valse facturen 100 K t.b.v. Bestuur/Directie TRUDO.

(…)

1. Op 23 maart 2011 werd een overeenkomst volbracht tussen Art&Woonhotel De Lichttoren BV (WH), [X] (…) en Trudo Lichttoren BV, vertegenwoordigd door (…) [eiser 2] en in zijn opdracht geregisseerd en getekend door [eiser 3].

De overeenkomst was mogelijk door de verkregen financiering van 6,4 mio euro voor Art&Woonhotel De Lichttoren BV., met welke deze alle crediteuren kon voldoen.

2. Ten tijde van het op schrift stellen van alle punten van de overeenkomst door [gedaagde 1] van WH werd deze benaderd door de directeur van SK, de heer [Y] met de navolgende mededeling:

“Aan het einde van alle onderhandelingen had Trudo aan de heer [Y] uitgesproken de expliciete eis van betaling van € 100 K (Ex BTW) door SK aan Trudo, bedoeld voor directie en bestuur van Trudo. Indien die eis niet ingewilligd zou worden, zou gehele overeenkomst zoals die nu vastligt, door Trudo geblokkeerd worden.” [Y] deelde [gedaagde 1] mede, de eis geaccepteerd te hebben, aldus zou betalen aan Trudo/[eiser 2]/[eiser 3] het door Trudo gefactureerde bedrag ad € 100 K ex BTW voor “tegemoetkoming onkosten Lichttoren”.

(…)

3. [Y] deelde [gedaagde 1] mede, met de eis van Trudo akkoord gegaan te zijn ervan uitgaande/hopende dat [gedaagde 1] en andere leveranciers met hem deze post zouden delen. Met andere leverancier bedoelde hij expliciet de firma [gedaagde 2] (…) en de [Z] (…).

(…)

5. Het was volgens SK, zo medegedeeld aan [gedaagde 1], uitdrukkelijk niet gewenst dat deze regeling in de bewust hierboven genoemde overeenkomst opgenomen zou worden. Het was een onderhands gebeuren t.b.v. potjes voor bestuur en directie/[eiser 2] en [eiser 3] van Trudo.

6. WH/[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn met de regeling akkoord gegaan om te vermijden dat WH mogelijk door Trudo failliet gemaakt zou worden, waardoor WH een toen bestaande schuld aan [gedaagde 2] van € 550 K niet zou kunnen voldoen (…). WH en [gedaagde 2] hadden geen andere keuze gezien de stelligheid, waarmee Trudo bij monde van SK de eis stelde.

7. Aldus is geschied en heeft WH € 40 K en [gedaagde 2] eveneens een factuur van € 40 K plus 19% BTW aan SK betaald getiteld “tegemoetkoming onkosten Lichttoren”. Onkosten die niet in bouwtechnische zin en/of andere fysieke diensten zijn uitgevoerd en/of gemaakt zijn (…)”.

2.7.

Een e-mail van [gedaagde 1] aan [eiser 2] en [eiser 3] d.d. 19 maart 2013 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Tot mijn grote spijt heeft Trudo het faillissement van mijn prachtige hotel aangevraagd, dit terwijl u herhaaldelijk is medegedeeld dat een oplossing met onze bank voorhanden is.

Graag verzoek ik u het faillissementsrekest uiterlijk op donderdag 21 maart 2013 schriftelijk in te trekken; mij van die schriftelijke intrekking een kopie te zenden; en met mij in gesprek te komen.

Doet u dat niet, dan zal ik bijgevoegde verklaring aan uw Raad van Commissarissen sturen (…)”.

2.8.

Een brief van [Y] (van [X]) aan Art & Woonhotel De Lichttoren d.d. 17 mei 2013 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Wij zijn het met de reactie van Trudo (brief AKD (…) d.d. 21-03-2013) eens, het moge duidelijk zijn dat wij ons niet kunnen vinden in hetgeen jij en de heer [gedaagde 3] stellen in het verslag van d.d. 13-03-2013 (…)”.

2.9.

Bij brieven d.d. 29 juli 2013 heeft [gedaagde 1] (onder meer) de verklaring van 13 maart 2013 (zie 2.6 hiervoor) verzonden aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Centraal Fonds Volkshuisvesting, Aedes Vereniging van Woningcorporaties en de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties.

Naar aanleiding daarvan heeft bovengenoemd ministerie een integriteitsonderzoek naar (de bestuurders van) Trudo, althans de Stichting Trudo ingesteld.

2.10.

Trudo c.s. heeft aangifte gedaan tegen [gedaagde 1] bij het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft daarop een strafrechtelijk onderzoek naar [gedaagde 1] ingesteld.

2.11.

Op 14 september 2013 is in het Eindhovens Dagblad op de voorpagina een artikel gepubliceerd met de titel “Diepgaand conflict rond Art Hotel”. Dat artikel wordt op de pagina’s 4, 5 en 7 vervolgd onder de titel “Van droomhotel tot dure nachtmerrie”. Dit artikel luidt voor zover hier van belang:

“(…) Eerder dit jaar deed Trudo-directeur [eiser 2] aangifte van bedreiging en smaad door [gedaagde 1]. Naar die zaak loopt een landelijk onderzoek van justitie, waarbij ook gekeken wordt naar de aantijging van [gedaagde 1] dat Trudo en de hoofdaannemer [X] zich bezondigd zouden hebben aan een ‘dubieuze transactie’.

(…)

[gedaagde 1] had de Rabobank echter bereid gevonden tot een extra financiering van 6,4 miljoen euro. Daarmee konden alle schuldeisers worden betaald, zoals ook (…) [gedaagde 2] (…). De afspraken werden op 23 maart 2011 getekend (…). Onderdeel van de overeenkomst was dat [X] ‘tezamen met [gedaagde 2]’ voor zes ton borg zouden staan bij de Rabobank. In het aparte contract van de bank daarover kwam de naam van [gedaagde 2] echter niet meer terug. [X]-directeur [Y] wilde de gedeeltelijke borgstelling met [gedaagde 2] alsnog regelen. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zouden daarvoor ieder 40.000 euro aan [X] moeten betalen. Trudo zou anders de hele deal alsnog afblazen, zou hen zijn meegedeeld. Dat had het vroegtijdige einde van het hotel betekend. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] betaalden daarom de rekeningen die ze kregen van [X] voor twee keer 40.000 euro. De bouwfirma had ‘tegemoetkoming onkosten Lichttoren’ en ‘bouwwerkzaamheden Lichtpleingebouw’ op de facturen staan. ‘Valse facturen’ die onder druk zijn betaald, meent [gedaagde 1] (…). [eiser 2] was in maart naar de politie gestapt om aangifte doen van bedreiging en smaad. [gedaagde 1] had in een brief op 13 maart de 80.000 die hij en [gedaagde 2] hadden betaald omschreven als ‘een onderhands gebeuren t.b.v. potjes voor bestuur en directie/[eiser 2] en [eiser 3] van Trudo’ (…)”.

2.12.

Een brief van [gedaagde 2] aan Trudo d.d. 27 september 2013 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

[gedaagde 2] en haar directie nemen hierbij afstand van de gehele verklaring d.d. 13 maart 2013 en dus ook van de door u bezwaarlijk geachte passages. [gedaagde 2] en haar directie waren bij de litigieuze gespreken en/of mededelingen, waaraan in de verklaring gerefereerd wordt, niet aanwezig en kunnen verklaring daarover dan ook niet onderschrijven (…)”.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Trudo c.s. vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1) [gedaagde 1] en [gedaagden] ieder te gelasten om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis Trudo c.s. een lijst te verstrekken met daarop alle personen en instanties met wie de informatie als opgenomen in de verklaring van 13 maart 2013 is gedeeld,

2) [gedaagde 1] en [gedaagden] ieder te gelasten om binnen diezelfde termijn aan alle personen en instanties aan wie de verklaring van 13 maart 2013 is verstrekt, onder afschrift aan Trudo c.s., de navolgende schriftelijke verklaring te sturen, dan wel enige andere door de voorzieningenrechter te redigeren rectificatie:

“Op last van de voorzieningenrechter te Rotterdam bericht ik u als volgt:

eerder heb ik ten onrechte, o.a. in een schriftelijke verklaring van 13 maart 2013, Trudo en haar directeuren [eiser 2] en [eiser 3] in verband gebracht met valse facturen. Ten onrechte is in de door mij ondertekende verklaring gesteld dat die facturen onder druk van Trudo moesten worden betaald en potjes zouden betreffen ten behoeve van het bestuur en directie van Trudo (lees: diezelfde heren [eiser 2] en [eiser 3]). Door ondertekening en (het faciliteren van) verspreiding van die verklaring is ten onrechte de indruk gewekt dat de heren [eiser 2] en [eiser 3] zich in privé, dan wel in hoedanigheid van directeur, lieten betalen in het kader van de afwikkeling van een zakelijk geschil met Art & Woonhotel Lichttoren B.V. Alle door mij in verband hiermee geuite of ondersteunde beschuldigingen zijn echter onjuist.”

3) [gedaagde 1] en [gedaagden] ieder te gelasten om de onder 2) weergegeven rectificatie tevens te doen plaatsen in de eerst mogelijke zaterdageditie van het Eindhovens Dagblad,

4) [gedaagde 1] en [gedaagden] ieder te gelasten om per direct iedere rechtstreekse dan wel middellijke poging om Trudo, [eiser 2] of [eiser 3] verder nog in verband te brengen met beschuldigingen als bedoeld in de verklaring van 1 maart 2013 te staken en gestaakt te houden,

5) [gedaagde 1] en [gedaagden] ieder te gelasten om het door de voorzieningenrechter jegens ieder van hen uitgesproken oordeel met betrekking tot de punten 1) t/m 4) stipt na te komen, op straffe van een (voor iedere gedaagde afzonderlijke) dwangsom van € 2.500,-- per overtreding en

€ 1.000,-- voor iedere dag dat die overtreding voortduurt (met een door de voorzieningenrechter vast te stellen redelijk maximum),

6) om [gedaagde 1] en [gedaagden] hoofdelijk, althans [gedaagde 1], te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.000,--, dan wel enig ander in goede justitie te bepalen bedrag, aan ieder van de eisers, bij wijze van voorschot op de vergoeding van immateriële schade,

alles onder hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagden] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en -voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagden] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagden] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) Trudo c.s. op grond van art. 843a Rv (hoofdelijk) te veroordelen, met dien verstande dat volledige voldoening door één of meerdere partij(en) de andere partij(en) zal bevrijden, om binnen drie (3) dagen te rekenen vanaf de datum van dit vonnis aan [gedaagde 2] afschriften, uittreksel en/of kopieën te verstrekken van:

alle onderliggende relevante bescheiden met betrekking tot (i) de door [X] in het kader van het Art- en Woonhotel in de Lichttoren te Eindhoven aan Trudo verleende korting (en/of bijdrage) van € 160.000,-- (of een benaderend bedrag), zoals die door [X] in haar e-mail van 27 juni 2011 is omschreven en door Trudo c.s. is bevestigd, en (ii) de factuur van [X] aan [gedaagde 2] van 12 juli 2011 ad € 40.000,--, in ieder geval betreffende:

 alle door Trudo en/of [X] verzonden, ontvangen en/of opgemaakte (credit)facturen en betaalbewijzen, zowel fysiek als digitaal opgeslagen, waaruit blijkt dat [X] aan Trudo aangaande het Woon- en Arthotel Eindhoven een korting (en/of bijdrage) heeft verleend van € 160.000,-- (of een benaderend bedrag),

 alle tussen Trudo en [X] gevoerde correspondentie, zowel fysiek als digitaal opgeslagen, over (i) de door [X] aan Trudo aangaande het Woon- en Arthotel Eindhoven verleende korting (en/of bijdrage) van € 160.000,-- (of een benaderend bedrag) en (ii) de factuur van [X] aan [gedaagde 2] van 12 juli 2011 ad € 40.000,--,

alles op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom ineens van € 50.000,-- te vermeerderen met een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag dat Trudo c.s. in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen,

2) Trudo c.s. te veroordelen in de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

Trudo c.s. voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Met betrekking tot het -door [gedaagde 1] en [gedaagden] betwiste- spoedeisend belang bij haar vorderingen stelt Trudo c.s. dat zij schade lijdt door de -in haar ogen- onjuiste en lasterlijke beschuldigingen van [gedaagde 1], dat [gedaagde 1] niet stopt met die beschuldigingen en dat zij haar reputatie zo snel mogelijk wil herstellen. Daarmee heeft Trudo c.s. het spoedeisend belang bij haar (hoofd)vorderingen onder 1) tot en met 4) (zie 3.1) genoegzaam aannemelijk gemaakt.

5.2.

Bij de beoordeling van het geschil tussen partijen stelt de voorzieningenrechter voorop dat het gevorderde onder 2) tot en met 4) (zie 3.1) een beperking vormt op het in art. 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van [gedaagde 1] en [gedaagden] op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan ingevolge het tweede lid van artikel 10 EVRM slechts worden beperkt, indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde 1] en/of [gedaagden] onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 BW.

[gedaagden]

5.3.

Niet in geschil is dat [gedaagden] de verklaring van 13 maart 2013 niet heeft verspreid, terwijl zij vóór het verspreiden door [gedaagde 1] afstand heeft genomen van de inhoud van deze verklaring. De vorderingen tegen [gedaagden]moeten reeds daarom worden afgewezen. Trudo zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

[gedaagde 1]

5.4.

Met betrekking tot de totstandkoming en de verspreiding van de in het geding zijnde verklaring van 13 maart 2013 heeft [gedaagde 1] ter zitting in het onderhavige kort geding toegelicht dat, toen hij in 2011 bezig was de overeenkomst met onder meer Trudo d.d. 23 maart 2011 op te stellen, [Y] van [X] naar hem toe is gekomen en hem het verhaal heeft verteld zoals hij heeft opgenomen in de verklaring van 13 maart 2013. Het verhaal van [Y] in combinatie met de facturen van [X] aan [gedaagde 2] ad € 47.6000,-- met de omschrijving ‘Tegemoetkoming onkosten Lichttoren’ en aan Art & Woonhotel De Lichttoren ad € 47.600,-- met de omschrijving ‘Bouwwerkzaamheden Lichtpleingebouw’, terwijl tegenover die facturen geen feitelijke werkzaamheden hebben gestaan, deden bij [gedaagde 1] het vermoeden van onregelmatigheden ontstaan. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij die onregelmatigheden pas in 2013 naar buiten heeft gebracht door toezending daarvan aan de onder 2.8 genoemde instanties, omdat hij voor die tijd zijn bedrijf nog kon redden en een faillissement kon afwenden.

5.5.

[gedaagde 1] heeft de ernstige beschuldigingen tegen Trudo c.s. (‘valse facturen’ en ‘een onderhands gebeuren t.b.v. potjes voor bestuur en directie/[eiser 2] en [eiser 3] van Trudo’) op zeer weinig gegevens gebaseerd. Bovendien had [Y] per brief van 17 mei 2013 (zie 2.8) reeds laten weten zich niet te herkennen in de verklaring van 13 maart 2013. Niettemin heeft [gedaagde 1] op 29 juli 2013 op deze gebrekkige gegevens de instanties ingelicht (zie 2.9). Aldus heeft [gedaagde 1] onrechtmatig jegens Trudo c.s. gehandeld.

5.6.

Het voorgaande brengt niet zonder meer met zich dat [gedaagde 1] gehouden is tot rectificatie, zoals gevorderd. In het kader van dit kort geding kan immers niet worden vastgesteld dat de inhoud van de in de verklaring van 13 maart 2013 geuite beschuldigingen onjuist en daarmee onrechtmatig is. Daartoe is nader feitenonderzoek noodzakelijk. De onderhavige kort geding procedure leent zich niet voor nader onderzoek naar de feiten en dus naar de juistheid van de in de verklaring van 13 maart 2013 geuite beschuldigingen. Dat onderzoek zal zo nodig in een bodemprocedure moeten plaatsvinden. Daar komt bij dat in het op dit moment lopende integriteitsonderzoek naar (de bestuurders van) Trudo c.s. (zie 2.9) reeds onderzoek wordt gedaan naar de juistheid van voornoemde beschuldigingen.

5.7.

Tegen de achtergrond van het voorgaande is er op dit moment geen plaats voor veroordeling van [gedaagde 1] om aan alle personen en instanties aan wie de verklaring van 13 maart 2013 is verstrekt een rectificatie (met de door Trudo c.s. gevorderde tekst of een andere tekst) te zenden. Het zal immers van de uitkomst van bovengenoemd integriteitsonderzoek afhangen of er grond is voor het verzenden van een dergelijke rectificatie. Naar voorlopig oordeel kan thans niet worden vooruitgelopen op de uitkomst van dat onderzoek.

5.8.

Er is evenmin reden [gedaagde 1] te veroordelen een lijst te verstrekken met daarop alle personen en instanties aan wie de informatie, als opgenomen in de verklaring van 13 maart 2013, ter beschikking is gesteld. Tussen partijen staat vast dat de advocaat van [gedaagde 1] bij (confraternele) brief d.d. 8 oktober 2013 aan de advocaat van Trudo c.s. heeft bericht dat hij die informatie alleen heeft verstrekt aan de onder 2.9 genoemde instanties. Trudo c.s. heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan voldoende aannemelijk is dat [gedaagde 1] die informatie aan nog meer personen en /of instanties heeft verstrekt. De omstandigheid dat die instanties de bedoelde informatie vervolgens verder hebben verspreid, ligt naar voorlopig oordeel buiten de invloedsfeer van [gedaagde 1].

5.9

Op grond van het voorgaande is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment evenmin plaats voor het plaatsen van een rectificatie in het Eindhovens Dagblad. Uit de op 14 september 2013 in die krant verschenen artikelen blijkt dat de betreffende redacteur/journalist zich baseert op uitlatingen van een ander en dat hij/zij hoor- en wederhoor heeft toegepast, hetgeen Trudo c.s. ook heeft erkend. Op voorhand is derhalve niet aannemelijk dat [gedaagde 1] de verklaring van 13 maart 2013 aan (een medewerker van) het Eindhovens Dagblad ter beschikking heeft gesteld.

5.10.

Nu, zoals reeds overwogen, de totstandkoming en het verspreiden van de verklaring van 13 maart 2013 op zichzelf als onzorgvuldig moet worden aangemerkt en nu eerdergenoemd integriteitsonderzoek nog niet is afgerond en niet op de uitkomst van dat onderzoek vooruit kan worden gelopen, is wel aanleiding [gedaagde 1] te veroordelen om, zoals gevorderd, iedere rechtstreekse dan wel middellijke poging om Trudo, [eiser 2] of [eiser 3] verder nog in verband te brengen met beschuldigingen als bedoeld in de verklaring van 13 maart 2013 te staken en gestaakt te houden totdat in een eventuele bodemprocedure is beslist of totdat het integriteitsonderzoek is afgerond.

Dwangsom

5.11.

Trudo c.s. vordert aan de hoofdveroordeling(en) een dwangsom te verbinden van

€ 1.000,-- voor iedere dag dat [gedaagde 1] in strijd met die veroordeling(en) handelt, waarmee Trudo c.s. er kennelijk vanuit gaat dat overtreding van het vonnis een voortdurende handeling betreft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan een overtreding van de veroordeling tot het staken en gestaakt houden van pogingen om Trudo c.s. in verband te brengen met de beschuldigingen als bedoeld in de verklaring van 13 maart 2013 niet als een voortdurende handeling worden aangemerkt. Het verstrekken door [gedaagde 1] van informatie aan bijvoorbeeld een journalist voor een (kranten)artikel, moet als een eenmalige -in de ogen van Trudo c.s. schadelijke- handeling worden gezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding een dwangsom € 10.000,--, derhalve hoger dan gevorderd, per overtreding van dit vonnis op te leggen. Het totaal aan te verbeuren dwangsommen zal worden gemaximeerd op € 100.000,--.

Voorschot vergoeding immateriële schade

5.12.

Trudo c.s. vordert voorts een voorschot op de vergoeding van immateriële schade ad € 5.000,-- aan elk van eisers. Een geldvordering kan voor toewijzing in kort geding in aanmerking komen, indien met redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat toewijzing van die vordering in een bodemprocedure zal volgen. Voorts geldt dat terughoudendheid geboden is, mede met het oog op het restitutierisico, en dat dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Het spoedeisend belang is een noodzakelijk en apart te toetsen vereiste.

5.13.

Trudo c.s. heeft in het geheel niets gesteld met betrekking tot het -door [gedaagde 1] betwiste- spoedeisend belang bij deze vordering. Reeds om die reden is de vordering ter zake vergoeding van immateriële schade niet toewijsbaar.

Proceskosten

5.14.

Tussen Trudo c.s. en [gedaagde 1] worden de proceskosten gecompenseerd, nu deze partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Voor zover afgifte van (een afschrift van) deze bescheiden bij wijze van voorlopige voorziening wordt gevorderd, moet eveneens sprake zijn van een spoedeisend belang.

6.2.

Met de stelling dat zij met betrekking tot de factuur van [X] van

€ 40.000,-- (excl. btw) in de lopende (strafrechtelijke) onderzoeken wordt betrokken en dat in dat verband verscheidene verhoren plaatsvinden, heeft [gedaagden] het -door Trudo c.s. betwiste- spoedeisend belang bij haar vordering tot exhibitie genoegzaam aannemelijk gemaakt.

6.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat art. 843a Rv geen algemeen inzagerecht schept. Om “fishings expeditions” te voorkomen, dient de partij die op grond van deze bepaling informatie verlangt, de inhoud van de gevraagde gegevens voldoende concreet te omschrijven. [gedaagden] heeft ter zitting haar vordering tot het overleggen van stukken nader gespecificeerd, in die zin dat zij afschrift vraagt van de betalingsbewijzen en facturen die betrekking hebben op de betaling van € 160.000,-- van [X] aan Trudo en van de door Trudo c.s. genoemde ‘verifieerbare afspraken’ die betrekking hebben op de betaling van € 40.000,-- van [gedaagde 2] aan [X].

6.4.

Voor wat betreft de betalingsbewijzen en de facturen die betrekking hebben op de betaling van € 160.000,-- van [X] aan Trudo, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die stukken voldoende gespecificeerd zijn en daarmee voldoende ‘bepaald’ zijn in de zin van art. 843a Rv.

6.5

Voorshands is echter onvoldoende aannemelijk dat [gedaagden] rechtmatig belang bij inzage/afschrift van de bedoelde betalingsbewijzen heeft. Trudo c.s. heeft immers erkend dat zij de betaling van € 160.000,-- van [X] heeft ontvangen, zodat voorshands niet valt in te zien welk belang [gedaagden] nog heeft bij inzage in/afschrift van de betreffende betalingsbewijzen.

6.6

Met betrekking tot de factuur/facturen die aan de betaling van € 160.000,-- ten grondslag ligt/liggen, blijkt uit de e-mail van [Y] d.d. 27 juni 2011 aan [gedaagde 2] (zie 2.5) dat destijds aan [gedaagde 2] is medegedeeld dat het bedrag van € 160.000,-- een aan Trudo gegeven korting betrof ‘om het risico beter op elkaar af te stemmen’ en dat die korting is gegeven om te voorkomen dat Trudo de gehele deal (de overeenkomst van 23 maart 2011) zou blokkeren. [gedaagden] stelt dat [X] thans niet wil bevestigen dat een korting van € 160.000,-- aan Trudo is verleend en dat Trudo zich thans op het standpunt stelt dat zij met betrekking tot dat bedrag van € 160.000,-- niet heeft gedreigd ‘de deal’ te blokkeren. [gedaagden] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat uit de factuur/facturen die aan de betaling van € 160.000,-- ten grondslag ligt/liggen kan worden afgeleid of Trudo al dan niet heeft gedreigd ‘de deal te blokkeren’. Daarmee is voorshands onvoldoende aannemelijk dat [gedaagden] (voldoende) rechtmatig belang heeft bij afgifte daarvan.

6.7.

Met betrekking tot de door Trudo c.s. genoemde ‘verifieerbare afspraken’ die betrekking hebben op de betaling van € 40.000,-- van [gedaagde 2] aan [X], heeft Trudo c.s. ter zitting toegelicht dat die afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd, zodat zij daarvan geen stukken kan overleggen. Tegen die achtergrond is voorshands onvoldoende aannemelijk dat ‘bepaalde bescheiden’ in de zin van art. 843a Rv bestaan, zodat de vordering zal worden afgewezen.

6.8.

Op grond van het voorgaande zal de vordering in reconventie worden afgewezen. [gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Trudo c.s.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter,

in conventie

7.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om na betekening van dit vonnis rechtstreekse dan wel middellijke pogingen om Trudo, [eiser 2] of [eiser 3] in verband te brengen met beschuldigingen als bedoeld in de verklaring van 13 maart 2011 te staken en gestaakt te houden, totdat in een bodemprocedure is beslist of totdat het onder 2.8 genoemde integriteitsonderzoek is afgerond, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per overtreding, met een maximum van € 100.000,--,

7.2.

veroordeelt Trudo c.s. in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 589,-- aan griffierecht en op € 816,-- aan salaris voor de advocaat,

7.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.4.

compenseert de proceskosten tussen Trudo c.s. en [gedaagde 1] aldus, dat deze partijen ieder de eigen kosten dragen,

7.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

7.6.

wijst de vorderingen af,

7.7.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Trudo c.s. begroot op € 816,-- aan salaris voor de advocaat,

7.8.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2013 door mr. R.P. Broeders, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Bosch, griffier.