Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8308

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
13/5377 en 13/6061
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Hoewel de Horecanota Rotterdam 2012-2016 niet ziet op aanvragen om opheffing van een sluitingsbevel, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster een beroep op dit nieuwe beleid kan doen. Bij de beoordeling van verzoeksters aanvraag om opheffing van de sluiting dient uit een oogpunt van gelijkheid en rechtszekerheid tot uitgangspunt te worden genomen dat ten tijde van die aanvraag en nadien bij ernstige geweldsincidenten nog slechts een sluiting kan plaatshebben voor de maximale duur van zes maanden. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat voor het met artikel 2.3.7 van de APV 2008 vergelijkbare artikel 4:6 van de Awb evenzeer geldt dat die bepaling – waaruit volgt dat bij een herhaalde aanvraag zogenoemde nova moeten worden gesteld – niet van toepassing is in de situatie dat het recht wordt gewijzigd, en dat een wijziging van beleid in dit verband moet worden aangemerkt als een wijziging van het recht (zie ABRvS 10 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0764). Omdat de onderhavige horeca-inrichting reeds vanaf 23 september 2011 is gesloten, was die termijn van zes maanden ten tijde van de aanvraag ruimschoots verstrekken. Onder die omstandigheid kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter verweerder in redelijkheid niet langer de onherroepelijkheid van het sluitingsbevel tot uitgangspunt nemen en kan het beperkte toetsingskader van artikel 2.3.7 van de APV 2008 niet worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 13/6061

ROT 13/5377 (hoofdzaak)

tussenuitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak van 24 oktober 2013 in de zaak tussen

[Verzoekster] handelend onder de naam [naam], te Rotterdam, verzoekster, tevens eiseres (verzoekster),

gemachtigde: mr. M.P.P.M. Weerts,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 31 januari 2013 (primaire besluit), strekkende tot:

  • -

    afwijzing van de aanvraag om opheffing van de op 23 september 2011 bevolen sluiting van horeca-inrichting [naam], gevestigd aan de [adres] te Rotterdam;

  • -

    buitenbehandelingstelling van de aanvraag voor een exploitatievergunning voor een horeca-inrichting op dit adres;

  • -

    weigering van een vergunning als bedoeld in de Drank- en Horecawet (DHW) voor een horeca-inrichting op dit adres;

  • -

    weigering van een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in de Wet op de kansspelen voor een horeca-inrichting op dit adres,

ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Voorts heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts zijn verschenen verzoekster en [naam], directeur van de vennootschap die de horeca-inrichting, gevestigd aan de [adres] te Rotterdam, verhuurt aan verzoekster.

Overwegingen

1.

In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.

Uit artikel 8:86, eerste lid, van de Awb volgt dat de voorzieningenrechter in het geval toepassing wordt gegeven aan die bepaling dezelfde uitspraakbevoegdheden heeft als de rechtbank. Dit houdt in dat ook in het kader van de toepassing van artikel 8:86 van de Awb, toepassing kan worden gegeven aan de artikelen 8:51a en 8:80a van de Awb (vgl. ABRvS 28 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3411).

3.

Bij besluit van 9 maart 2012 heeft verweerder zijn besluiten van 23 september 2011 gehandhaafd. Bij laatstgenoemde besluiten heeft verweerder de sluiting van de horeca-inrichting [naam] gevestigd aan de [adres] te Rotterdam, met onmiddellijke ingang en voor onbepaalde tijd bevolen, alsmede de voor deze horeca-inrichting aan [naam] verleende exploitatievergunning met onmiddellijke ingang en voor onbepaalde tijd ingetrokken. Aanleiding voor deze besluiten was een ernstig geweldsincident medio 2011 waarbij een zoon en een neef van [naam] twee overlastgevende klanten zwaar hebben mishandeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat zich in 2008 en 2011 eerder incidenten in of rond de horeca-inrichting hebben voorgedaan.

4.

Op 20 september 2012 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het daartegen door [naam] ingediende beroep (zaaknummers AWB 12/1268 HOREC-T2 en AWB 12/1685 HOREC-T2). De rechtbank heeft (onder meer) het beroep tegen het besluit van 9 maart 2012 gegrond verklaard en bepaald dat de exploitatievergunning wordt ingetrokken voor de duur van twaalf maanden. De sluiting voor onbepaalde tijd van de horeca-inrichting [naam] heeft de rechtbank in stand gelaten. Bij uitspraak van 8 januari 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van [naam] niet-ontvankelijk verklaard, zodat de uitspraak van de rechtbank van 20 september 2012 in rechte is komen vast te staan.

5.

Op 5 november 2012 heeft verzoekster aanvragen ingediend om een exploitatievergunning, een DHW-vergunning en een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in de Wet op de kansspelen voor de horeca-inrichting, “[naam]” gevestigd aan de [adres] te Rotterdam. Omdat voor deze horeca-inrichting een sluitingsbevel voor onbepaalde tijd van toepassing is heeft verweerder deze aanvragen tevens opgevat als een verzoek om opheffing van dit sluitingsbevel. Gelet op de eerdere betrokkenheid van verzoekster bij de exploitatie van [naam] en omdat zij had aangegeven dat zij qua soort exploitatie de eerdere wijze van exploitatie wilde voortzetten, vreesde verweerder dat de openbare orde ter plaatse wederom onder druk zou komen te staan. Verweerder heeft daarom het verzoek om opheffing van het sluitingsbevel geweigerd. Omdat verzoekster feitelijk niet over de horeca-inrichting kon beschikken heeft verweerder voorts de aanvraag om een exploitatievergunning buiten behandeling gelaten. De andere aanvragen zijn in samenhang hiermee afgewezen. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het advies van kamer I van de Algemene bezwaarschriftencommissie (de commissie) overgenomen. De commissie heeft verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren omdat er onvoldoende garanties zijn dat de geschiedenis die heeft geleid tot sluiting zich niet zal herhalen. Daarbij heeft de commissie onder meer in aanmerking genomen dat de betrokkenheid van verzoekster als leidinggevende en beheerder in horeca-inrichting [naam] niet tot haar voordeel strekt, dat haar verklaring dat zij de zaak geheel anders zal gaan aanpakken onvoldoende garanties biedt en dat uit de politierapportage volgt dat de situatie rond de [straat] weliswaar enigszins is verbeterd, maar zeer labiel is.

6.

Verzoekster betoogt dat zij in strijd met artikel 4:7 van de Awb voorafgaande aan het primaire besluit om het sluitingsbevel niet te op te heffen niet in de gelegenheid is gesteld een zienswijze te geven en zij evenmin daaraan voorafgaand inzage heeft gekregen in de adviezen die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Hoewel dit betoog slaagt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om daar gevolgen aan te verbinden. Verzoekster heeft in de bezwaarfase de gelegenheid gehad zich schriftelijke en mondeling over dit besluit uit te laten. Voorts is zij in het bezit gesteld van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het gebrek is derhalve in bezwaar hersteld (vgl. ABRvS 9 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC9032).

7.1.

Verzoekster betoogt dat verweerder handelt in strijd met artikel 4:84 van de Awb, door de aanvraag om opheffing van de sluiting niet te toetsen aan de Horecanota Rotterdam 2012-2016, die voor een geval als het onderhavige slechts voorziet in een sluiting voor de duur van maximaal zes maanden. Zij wijst er in dit verband voorts op dat de Horecanota Rotterdam 2012-2016 bij overname van het bedrijf door een nieuwe horecaondernemer tot uitgangspunt neemt dat de stappenplannen in het handhavingsarrangement worden teruggebracht naar de startsituatie, teneinde de volgende ondernemer niet te belasten met de “erfenis” van zijn voorgangers.

7.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanvragen die hebben geleid tot het bestreden besluit zijn gedaan op 5 november 2012. Gelet op artikel 7:3 van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV 2012), die op 1 januari 2013 in werking is getreden, moet de aanvraag van verzoekster om opheffing van de op 23 september 2011 bevolen sluiting van horeca-inrichting [naam], gevestigd aan de [adres] te Rotterdam en haar aanvraag voor een exploitatievergunning voor een horeca-inrichting op dit adres worden beoordeeld aan de hand van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2008 (de APV 2008) en geldt dit evenzeer voor de rechtsmiddelen die zijn gericht tegen de afwijzing van die aanvraag en de heroverweging daarvan.

7.3.

Artikel 2.3.7 van de APV 2008 luidt:

“1. De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien:

a. die openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

b. die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;

c. een van de in artikel 2.3.6, tweede lid, genoemde situaties zich voordoet.

(…)

3.

Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door verweerder worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

(…)”

De voorzieningenrechter voegt hier aan toe dat artikel 2:30 van de APV 2012 inhoudelijk niet verschilt van artikel 2.3.7 van de APV 2008.

7.4.

In de Horecanota Rotterdam 2012-2016, die van kracht is geworden op 26 juli 2012, is op blz. 71 ter zake van ernstige geweldincidenten voorzien in sluiting van het horecapand voor de maximale duur van zes maanden. Volgens het voorheen geldende beleid, opgenomen in het bij de Horecanota Rotterdam 2007-2011 behorende Handhavingsarrangement, was bij geweldsincidenten een sluiting van de horeca-inrichting voor onbepaalde tijd mogelijk.

7.5.

Hoewel de Horecanota Rotterdam 2012-2016 niet ziet op aanvragen om opheffing van een sluitingsbevel, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster een beroep op dit nieuwe beleid kan doen. Bij de beoordeling van verzoeksters aanvraag om opheffing van de sluiting dient uit een oogpunt van gelijkheid en rechtszekerheid tot uitgangspunt te worden genomen dat ten tijde van die aanvraag en nadien bij ernstige geweldsincidenten nog slechts een sluiting kan plaatshebben voor de maximale duur van zes maanden. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat voor het met artikel 2.3.7 van de APV 2008 vergelijkbare artikel 4:6 van de Awb evenzeer geldt dat die bepaling – waaruit volgt dat bij een herhaalde aanvraag zogenoemde nova moeten worden gesteld – niet van toepassing is in de situatie dat het recht wordt gewijzigd, en dat een wijziging van beleid in dit verband moet worden aangemerkt als een wijziging van het recht (zie ABRvS 10 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0764). Omdat de onderhavige horeca-inrichting reeds vanaf 23 september 2011 is gesloten, was die termijn van zes maanden ten tijde van de aanvraag ruimschoots verstrekken. Onder die omstandigheid kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter verweerder in redelijkheid niet langer de onherroepelijkheid van het sluitingsbevel tot uitgangspunt nemen en kan het beperkte toetsingskader van artikel 2.3.7 van de APV 2008 niet worden toegepast. Dit betoog slaagt daarom. Voor het overige behoeft het geen bespreking.

8.

Gelet op het vorenstaande had verweerder het verzoek om opheffing van het sluitingsbevel moeten toewijzen.

9.

Nog daargelaten dat de aanvraag om een exploitatievergunning zonder het bieden van een hersteltermijn voor het aanleveren van ontbrekende gegevens niet op de voet van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling kan worden gesteld, brengt het vorenstaande met zich dat verweerder een inhoudelijke beslissing op die aanvraag zal moeten nemen. Uit een oogpunt van proceseconomie kan dit geschieden bij een nieuwe beslissing op bezwaar. Ook de vergunningaanvragen in het kader van de DHW en Wet op de kansspelen zullen inhoudelijk opnieuw moeten worden beoordeeld.

10.

De voorzieningenrechter zal verweerder de gelegenheid geven om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de geconstateerde gebreken te herstellen door een nader standpunt in te nemen of opnieuw te beslissen op de bezwaren. Indien verweerder daartoe niet wenst over te gaan dient verweerder dat binnen twee weken na verzending van deze uitspraak aan de rechtbank kenbaar te maken. Indien en nadat verweerder gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen, krijgt verzoekster nog de gelegenheid om daarop binnen vier weken te beslissen.

11.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat verweerder zich met name ter zake van het verzoek om een exploitatievergunning nog inhoudelijk zal moeten buigen over de vraag of die moet worden verleend. In dit verband zal verweerder deze aanvraag in het kader van de door hem te verrichten heroverweging alsnog moeten toetsen aan de in artikel 2.3.6, tweede lid, van de APV 2008 opgenomen weigeringsgronden. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

12.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ter zake van het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

13.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten in het kader van de voorziening. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

14.

De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht in de hoofdzaak nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af,

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan verzoekster,

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Bergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Voor zover op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist staat tegen deze tussenuitspraak geen rechtsmiddel open.