Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8197

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
C/10/398121 / HA ZA 12-262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzend vonnis in incident tot teruggave beslaggarantie. Verbod op nieuwe beslaglegging op schip of andere vermogensbestanddelen, ook buiten Nederland, voor dezelfde vordering. Voorlopig oordeel: beslag te Rotterdam op Russisch schip voor door Grieks recht beheerste vordering wegens levering bunkers was onrechtmatig, omdat de vordering niet naar Russisch recht kan worden vervolgd met verhaal op het schip. De bunkers zijn niet door of namens de rederij besteld, maar door of voor de tijdbevrachter. Het handelen van de kapitein ten tijde van de bunkerleveranties aan het schip levert geen rechtshandeling op waardoor de rederij als medeschuldenaar voor de bunkervordering is verbonden. Voor vorderingen op een derde laat het Russische recht slechts verhaal op het schip toe ingeval sprake is van een 'maritime lien' naar Russisch recht, en dat geval doet zich hier niet voor. Beslagverdrag, Rome I, CISG (Weens Koopverdrag) , Haags Vertegenwoordigingsverdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/398121 / HA ZA 12-262

Vonnis in incident van 18 september 2013

in de zaak van

de rechtspersoon naar het land van vestiging

JSC MURMANSK SHIPPING COMPANY,

gevestigd te Murmansk, Rusland,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A.J. van Steenderen,

tegen

de rechtspersoon naar het land van vestiging

LIDOIL-PETROIL TRADING COMPANY S.A.,

gevestigd te Monrovia, Liberia,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J.F. van der Stelt.

Partijen zullen hierna JSC en Lidoil genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, tevens houdende de provisionele vordering ex art. 223 Rv. bij wijze van (verkort) incident, met producties

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident, met producties

  • -

    de conclusie van repliek in het incident, met producties

  • -

    de conclusie van dupliek in het incident, met producties

  • -

    de akte uitlaten producties teven houdende akte overlegging producties, met producties

  • -

    de antwoordconclusie in het incident, met producties

  • -

    de rolbeslissing van 2 januari 2013, waarbij het houden van pleidooien wordt toegestaan

  • -

    de akte overlegging producties ten behoeve van pleidooi van JSC, met producties

  • -

    de bij gelegenheid van de pleidooien in het incident door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

JSC vordert als voorlopige voorziening voor de duur van het geding samengevat- dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

Lidoil veroordeelt de door The Steamship Mutual Underwriting Association (Bermuda) Ltd. op 2 november 2011 gestelde garantie ten bedrage van USD 325.386,44 binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis ter decharge te retourneren aan JSC via het kantoor van haar Rotterdamse raadslieden, op straffe van verbeurte van onmiddellijk opeisbare dwangsommen van € 10.000,-- per dag of dagdeel dat gedaagde hierin nalatig is, tot een maximum van € 350.000,--;

subsidiair

de omvang van de door The Steamship Mutual Underwriting Association (Bermuda) Ltd. op 2 november 2011 gestelde garantie ten bedrage van USD 325.386,44 matigt tot een in goede justitie te bepalen (maximum) bedrag van de garantie, door gedaagde te veroordelen voornoemde garantie binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis te retourneren aan JSC, via het kantoor van haar Rotterdamse raadslieden, tegen gelijktijdige inontvangstneming van een nieuwe, voor het overige gelijke, garantie tot het in goede justitie bepaalde (maximum) bedrag van de garantie;

alsmede primair en subsidiair

- bepaalt dat indien Lidoil niet binnen zes weken na betekening van dit vonnis aan haar veroordeling in het incident heeft voldaan, het te dezen te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte, waarbij Lidoil verklaart afstand te doen van al haar aanspraken onder de bankgarantie voornoemd, althans een in goede justitie te bepalen deel daarvan;

- Lidoil verbiedt om ten laste van JSC beslag te leggen op het m.s. “Pomorye” dan wel op enige andere vermogensbestanddelen van eiseres, zowel binnen als buiten Nederland, voor haar vordering dan wel een gedeelte hiervan, verband houdende met haar twee facturen met [referentienummer 1] (d.d. 29 juni 2011) en [referentienummer 2] (d.d. 18 augustus 2011) ter zake bunkerleveranties aan het m.s. “Pomorye” ter zake waarvan zij reeds in Rotterdam beslag deed leggen als vooromschreven;

- Lidoil veroordeelt in de kosten van het incident.


2.2. Lidoil voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

formele kwesties

2.4.

De rechtsmacht en bevoegdheid van deze rechtbank zijn niet in geschil, behoudens voor wat betreft het gevorderde beslagverbod. Lidoil voert in dit verband (pas bij dupliek in het incident) aan verkort weergegeven- dat aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt om een beslagverbod ook met betrekking tot het buitenland toe te wijzen.

Dit standpunt wordt verworpen. Hoewel de Nederlandse rechter uiteraard niet kan ingrijpen in een andere jurisdictie, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat de Nederlandse rechter indien deze daar aanleiding toe ziet desgevorderd aan de gedaagde in een in Nederland lopend geding een verbod oplegt om gedurende het geding (nogmaals) beslag te leggen ten laste van eiseres in Nederland of daarbuiten.

2.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft JSC voldoende processueel belang bij haar incidentele vordering tot teruggave van de garantie, op straffe van een dwangsom, althans matiging van de garantie. Het verweer van Lidoil op dit punt wordt verworpen.

Vast staat dat de P&I Club van JSC, The Steamship Mutual Underwriting Association (Bermuda) Ltd. (hierna: de P&I Club), bereid is gebleken om ter opheffing van het beslag, dat Lidoil op 1 november 2011 te Rotterdam heeft doen leggen op het aan JCS toebehorende zeeschip m.s. ‘Pomorye’, een garantie groot USD 325.386,44 ten gunste van Lidoil te stellen, en dit ook heeft gedaan. Op grond van de door JSC als productie 21 overgelegde stukken is voldoende aannemelijk dat de P&I Club van JSC tegenzekerheid verlangde in de vorm van een op haar rekening gestort deposito tot een gelijk bedrag. Als niet of onvoldoende betwist staat vast dat JSC zich tot het stellen van deze tegenzekerheid heeft verbonden.

Naar Lidoil terecht aanvoert, kan zonder vertaling niet met zekerheid uit het ten dele in de Russische taal gestelde laatste blad van productie 21 van JSC worden afgeleid dat JSC een tot zekerheid strekkende betaling aan de P&I Club heeft gedaan, zoals zij stelt. Nog daargelaten dat dit aan JSC’s gehoudenheid tot betalen niet afdoet, acht de rechtbank dit gelet op de wel begrijpelijke inhoud van het document wel aannemelijk. Op het document staat immers “Filiaal OAO Bank VTB (...) Moermansk” (bovenaan in letters en onderaan in een stempel), terwijl ook de namen van JSC, van de P&I Club (kennelijk als ‘Beneficiary’), van het schip en ook het bedrag van de tegenzekerheid erin zijn vermeld, en het document is gedateerd op 21 november 2011, dezelfde datum die met de hand is geschreven op de op 16 november 2011 door de P&I Club aan JSC gezonden ‘Debit note’.

JSC had derhalve ten gevolge van het door Lidoil gelegde beslag en de daarvoor in de plaats getreden garantie tot een bedrag van USD 325.386,44 niet de vrije beschikking over haar vermogen, en reeds daarin is het voldoende en spoedeisende belang bij teruggave dan wel matiging van de garantie gelegen.

2.6.

JSC heeft niet toegelicht welk belang zij heeft bij haar incidentele vordering dat het eventueel toewijzende vonnis in het incident, ingeval Lidoil daaraan niet binnen zes weken na betekening van dit vonnis aan haar veroordeling in het incident heeft voldaan, in de plaats zal treden van een akte waarin Lidoil verklaart afstand te doen van al haar aanspraken onder de bankgarantie althans van een in goede justitie te bepalen deel daarvan. Bij gebreke van voldoende stellingen op dit punt kan deze vordering niet worden toegewezen.

2.7.

De overige gevraagde voorlopige voorzieningen hangen samen met de hoofdvordering. Zij zijn ook gericht op voorzieningen die voor de duur van de aanhangige hoofdzaak kunnen worden gegeven.

2.8.

Uit het bovenstaande volgt dat aan de formele vereisten genoemd in artikel 223 Rv is voldaan. Gelet daarop moeten de provisionele vorderingen van JSC inhoudelijk worden beoordeeld.

Uit de aard van dit incident volgt dat hetgeen hieronder wordt overwogen en geoordeeld een voorlopig karakter heeft en niet verbindend is voor hetgeen in de hoofdzaak zal worden overwogen en beslist.

inhoudelijke beoordeling

2.9.

JSC grondt haar provisionele vorderingen op de stelling dat Lidoil onrechtmatig heeft gehandeld jegens JSC door op 1 november 2011 te Rotterdam beslag te leggen op de aan JSC toebehorende en onder Russische vlag varende ‘Pomorye’ (hierna ook: het schip) tot zekerheid van verhaal van vorderingen die Lidoil stelt te hebben wegens twee onbetaald gebleven bunkerleveranties.

JSC voert daartoe –samengevat- het volgende aan. JSC heeft geen bunkers van Lidoil gekocht of geleverd gekregen. De bewuste leveringen zijn haar ook niet ten goede gekomen. Het is Seafront Marine S.A. (hierna: Seafront) geweest die, kennelijk ten behoeve van Pacific Bulk Carriers Inc. (hierna: Pacific Bulk), aan wie het schip door JSC in de relevante periode in tijdbevrachting was gegeven, bij Lidoil bunkers heeft besteld. Seafront heeft deze bestellingen niet namens JSC gedaan, en was ook niet bevoegd om JSC te vertegenwoordigen. Er is geen schijn gewekt dat Seafront namens JSC mocht optreden, laat staan dat zodanige schijn aan JSC kan worden toegerekend. JSC heeft ook geen onbevoegdelijk in haar naam gesloten overeenkomst bekrachtigd. Evenmin is door of namens JSC een (mede)debiteurschap ter zake van de bunkerleveranties aan zich getrokken. Nu JSC geen debiteur is van de vorderingen van Lidoil en deze niet kunnen worden verhaald op het schip, is het beslag onrechtmatig gelegd.

2.10.

Lidoil betwist de stellingen van JSC op samengevat- de navolgende gronden.

Primair heeft Seafront twee maal bevoegdelijk namens JSC bunkers besteld bij Lidoil ten behoeve van het schip. Ook uit de onweersproken- orderbevestigingen blijkt dat de koopovereenkomsten worden aangegaan met (onder meer) de eigenaren van het schip. De koopovereenkomsten zijn dus gesloten met JSC en zij dient Lidoil te betalen voor de geleverde bunkers.

Subsidiair, voor het geval de bestellingen onbevoegdelijk namens JSC zijn gedaan, is dit gebrek geheeld doordat JSC de transacties heeft bekrachtigd doordat de kapitein, bevoegdelijk handelend als vertegenwoordiger van de rederij, de ‘bunker delivery notes’ heeft ondertekend en daarop het scheepsstempel heeft geplaatst. Door dit handelen van de kapitein is in ieder geval de aan JSC toerekenbare schijn gewekt dat JSC de transacties bekrachtigde.

Meer subsidiair, in het geval dat niet JSC maar Seafront of de tijdbevrachter als koper heeft te gelden, heeft JSC zich als (mede)debiteur voor de vorderingen van Lidoil verbonden doordat de kapitein, als vertegenwoordiger van de rederij, de ‘bunker delivery notes’ heeft ondertekend en daarop het scheepsstempel heeft geplaatst. JSC heeft daarmee in ieder geval de schijn gewekt dat zij als (mede)debiteur verantwoordelijkheid voor de vorderingen op zich nam.

Verder subsidiair, voor het geval JSC niet als debiteur van de vorderingen kan worden beschouwd, zijn deze vorderingen naar het toepasselijk recht in ieder geval op het schip verhaalbaar.

Op al deze gronden is het beslag op het schip niet onrechtmatig, aldus Lidoil.

2.11.

Nu de gestelde onrechtmatige beslaglegging in Nederland heeft plaatsgevonden, wordt de vraag naar de onrechtmatigheid van het gelegde beslag door het Nederlandse recht beheerst.

Niet in geschil is dat het beslag naar Nederlands recht -met inbegrip van het Beslagverdrag 1952- onrechtmatig is indien de vordering waarvoor het beslag is gelegd, niet bestaat of niet kan worden vervolgd. Dit laatste geval doet zich onder meer voor indien het scheepsbeslag niet kan worden vervolgd omdat het toepasselijke recht geen verhaal op het schip toestaat (vgl. HR 9 december 2011, NJ 2012, 243).

Het partijdebat over de onrechtmatigheid spitst zich toe op de vraag of JSC debiteur is van de bunkervorderingen waarvoor Lidoil beslag heeft gelegd en op de vraag of -indien dit niet zo is- de bunkervorderingen van Lidoil op de derde die (wel) haar contractuele wederpartij is naar het toepasselijke recht op het schip van JSC kunnen worden verhaald.

2.12.

Lidoil heeft aan het beslag twee koopovereenkomsten ten grondslag gelegd. Partijen zijn het erover eens dat er twee koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen waarbij Lidoil als verkoper van bunkers is opgetreden. Om te kunnen beoordelen of deze koopovereenkomsten zijn gesloten met JSC, zoals Lidoil betoogt maar JSC betwist, moet eerst worden onderzocht naar welk recht het antwoord op deze vraag moet worden gevonden.

Nu het gaat om de koop en verkoop van roerende zaken tussen partijen die in verschillende staten gevestigd zijn, en alle in aanmerking komende landen (Griekenland, Liberia, Rusland en Nederland) zijn aangesloten bij het Weens Koopverdrag (Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980, hierna: CISG), is dit verdrag op grond van artikel 1 aanhef en onder a CISG op de door Lidoil gesloten koopovereenkomsten van toepassing. Naar bij de pleidooien is gebleken, bestaat tussen partijen geen overeenstemming over het buiten toepassing laten van de CISG.

Ingevolge artikel 7 lid 2 CISG geldt aanvullend het recht dat krachtens de regels van internationaal privaatrecht van toepassing is. Het toepasselijk internationaal privaatrecht moet worden gevonden in de Rome I Vo (Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst), nu de koopovereenkomsten zijn gesloten na 17 december 2009.

Behoudens ingeval zou blijken dat Lidoil en haar koper een rechtskeuze hebben gedaan als bedoeld in artikel 3 Rome I Vo, volgt uit artikel 4 lid 1 aanhef en onder a Rome I Vo dat koopovereenkomsten als de onderhavige worden beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. Niet in geschil is dat Lidoil haar gewone verblijfplaats heeft in Griekenland. In beginsel -tenzij zal blijken van een geldige rechtskeuze, bijvoorbeeld in algemene voorwaarden- zal de rechtbank uitgaan van aanvullende toepasselijkheid van het Griekse recht op de koopovereenkomsten. Een nauwere band met een ander land als bedoeld in artikel 4 lid 3 Rome I Vo is niet gesteld of gebleken.

2.13.

De artikelen 14 tot en met 24 CISG vereisen voor de totstandkoming van koopovereenkomsten, samengevat en voor zover relevant, dat een aanbod (een tot een of meer bepaalde personen gericht voorstel tot het sluiten van een overeenkomst waaruit blijkt dat de aanbieder de wil heeft gebonden te zijn indien zijn voorstel wordt aanvaard), dat de wederpartij heeft bereikt, door deze wederpartij wordt aanvaard door middel van een verklaring of een gedraging waaruit blijkt dat hij met het aanbod instemt, welke aanvaarding op haar beurt de aanbieder moet hebben bereikt.

Artikel 11 CISG neemt als uitgangspunt dat een koopovereenkomst niet door middel van geschrift behoeft te worden gesloten of bewezen. Ingevolge artikel 12 CISG blijven artikel 11, artikel 29 of Deel II CISG echter buiten toepassing, wanneer een van de partijen haar vestiging heeft in een verdragsluitende staat die een verklaring heeft afgelegd ingevolge artikel 96 CISG.

Een dergelijke verklaring is afgelegd door de Sovjet-Unie, en overgenomen door de Russische Federatie, en luidt (in een vertaling van de Verenigde Naties):

“In accordance with articles 12 and 96 of the Convention, the Union of Soviet Socialist Republics declares that any provision of article 11, article 29 or Part II of the Convention that allows a contract of sale or its modification or termination by agreement or any offer, acceptance or other indication of intention to be made in any form other than in writing does not apply where any party has his place of business in the Union of Soviet Socialist Republics.”.

Voorts kunnen voor de onderhavige zaak relevant zijn de artikelen 7 lid 1 CISG (maatstaven voor uitleg van het verdrag), artikel 8 CISG (uitleg van wilsverklaringen van partijen) en artikel 9 CISG (gebondenheid aan partij- en branchegebruiken).

2.14.

Binnen dit juridisch kader moet worden beoordeeld of tussen JSC en Lidoil koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen. Voor zover zich daarbij vragen van vertegenwoordiging voordoen, kan ook het Verdrag betreffende het toepasselijk recht op vertegenwoordiging (14 maart 1987, Trb. 1987, 138, hierna: het Haags Vertegenwoordigingsverdrag) van belang zijn.

2.15.

Vast staat dat de eerste bestelling is gedaan op 16 juni 2011 en strekte tot levering van 450 mt IFO aan de ‘Pomorye’ te Ceuta, Spanje, verricht op 20 juni 2011 en dat de tweede bestelling is gedaan op 3 augustus 2011 en strekte tot levering van 50 mt MGO aan het schip te Fujairah, Verenigde Arabische Emiraten, verricht op 5 augustus 2011. Partijen zijn het er ook over eens dat de beide bestellingen feitelijk zijn gedaan door [persoon 1].

In het procesdossier bevindt zich een e-mail van 16 juni 2011 van “SEAFGR” waarin “[persoon 1]” - naar inmiddels vaststaat [persoon 1]- verzoekt om een prijs voor 450 mt IFO 380, enkele dagen later te Ceuta door het schip in te nemen. Dit document valt gelet op artikel 14 lid 2 CISG te duiden als een uitnodiging tot het doen van een aanbod. Op deze e-mail is gereageerd door “LPTC/Anastasis Pagonis” (naar de rechtbank begrijpt en door Lidoil bij pleidooi niet is bestreden: (een vertegenwoordiger van) Lidoil) met, waarschijnlijk eveneens per e-mail, een prijsopgave en het verzoek om “confirmation”. Deze mededeling behelst een aanbod van Lidoil als bedoeld in artikel 14 lid 1 CISG.

Hoe feitelijk op dit aanbod is gereageerd is onduidelijk. Nu echter niet in geschil is dat Lidoil op 17 juni 2011 een orderbevestiging tot Seafront heeft gericht voor de door ‘[persoon 1]’ gevraagde hoeveelheid tegen de in het aanbod genoemde prijs, en beide partijen uitgaan van het bestaan van een overeenkomst, neemt de rechtbank aan dat het gedane aanbod op enig moment is aanvaard.

2.16.

Het aanbod dat is gedaan voor de levering van 50 mt MGO te Fujairah ontbreekt in het procesdossier. Wel is er een kort bericht van ‘[persoon 1]’ vanaf het e-mailadres van Seafront aan Lidoil d.d. 3 augustus 2011 dat voor zover relevant luidt “We confirm for 50 mts - Pomorye at Fujairah”. Mede gelet op de orderbevestiging van Lidoil aan Seafront d.d. 4 augustus 2011 voor levering van 50 mt MGO te Fujairah is voorshands aannemelijk dat eerstgenoemd bericht de aanvaarding behelst van een eerder door Lidoil gedaan aanbod. Van Lidoil wordt verwacht dat zij -ter vollediger voorlichting van de rechtbank over de feiten- bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak dit aanbod overlegt.

2.17.

Uit de artikelen 18 en 23 CISG volgt dat de relevante overeenkomsten tot stand kwamen op het moment dat de aanvaarding Lidoil had bereikt. Denkbaar is dat uit gewoonte of gebruik geldend tussen de contracterende partijen, in de internationale handel of in de desbetreffende handelsbranche volgt dat de overeenkomst pas tot stand kwam met het verzenden van de opdrachtbevestiging door Lidoil, maar daarover zijn geen relevante stellingen ingenomen.

2.18.

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat [persoon 1] was verbonden aan Seafront, te Pireaus, Griekenland. De aanvankelijke betwisting door Lidoil op dit punt, voor zover al gehandhaafd, wordt als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Lidoil zelf beroept zich immers op een verzoek om een prijsopgave door [persoon 1], verzonden vanaf een e-mailadres van Seafront, en deze zijn uiteindelijk uitgemond in aan ditzelfde e-mailadres gerichte orderbevestigingen en facturen geadresseerd aan (ook) Seafront.

2.19.

In geschil is of [persoon 1]/Seafront de overeenkomsten namens JSC is aangegaan. JSC stelt dat dit niet zo is. Zij stelt geen contacten met [persoon 1] of Seafront te hebben en aan te nemen dat Seafront optrad voor Pacific Bulk, die het schip in de bewuste periode in tijdbevrachting had. Zij wijst erop dat de e-mails waarin Seafront vraagt om een prijsopgave niet verwijzen naar JSC of anderszins erop duiden dat namens de eigenaren van het schip wordt gehandeld.

Lidoil betwist slechts dat Seafront optrad namens Pacific Bulk en dat Pacific Bulk het schip in tijdbevrachting had, zodat van de juistheid van de overige stellingen van JSC op dit punt wordt uitgegaan. Ook ter gelegenheid van de pleidooien in het incident heeft Lidoil desgevraagd geen concrete feitelijke stellingen ingenomen die erop neerkomen dat [persoon 1]/Seafront in verband met de in r.o. 2.15 en 2.16 bedoelde communicatie heeft aangegeven dat zij handelde in naam van de eigenaren van het schip c.q. JSC, of anderszins heeft doen blijken dat zij deze vertegenwoordigde bij het aangaan van de koopovereenkomsten. In deze zin kan niet voor juist worden gehouden dat Seafront de bestellingen “namens JSC” heeft gedaan, zoals Lidoil in het beslagrekest heeft gesteld.

Dat de bunkers bestemd waren voor en moesten worden afgeleverd aan een aan JSC toebehorend schip, leidt niet -althans niet zonder bijkomende omstandigheden- tot een ander oordeel. Lidoil moest als ervaren bunkerleverancier begrijpen dat het niet altijd de eigenaar zelf is die bunkers bestelt voor een zeeschip. Dat zij dit ook feitelijk begreep blijkt reeds uit de omstandigheid dat zij de koper in de betreffende orderbevestigingen aanduidt als “Seafront Marine SA/Vessel/Master/Owners/Managers/Operators/Charterers”, en haar facturen richt aan “m/v Pomorye (...) Master and/or Owners and/or Charterers and/or Managers and/or Agents and/or Seafront Marine SA” (waarbij de namen van het schip en Seafront dikgedrukt zijn).

2.20.

Lidoil voert echter aan dat juist uit de vermelding van Owners als kopers in de opdrachtbevestigingen, in verbinding met het -op zichzelf onbestreden- uitblijven van protest daartegen, blijkt dat de overeenkomst met (onder meer) JSC als koper is tot stand gekomen.

JSC betwist dit, en voert aan dat Lidoil door het standaard vermelden van allerlei mogelijkerwijs bij een schip betrokkenen op een orderbevestiging niet eenzijdig kan bewerkstelligen dat JSC als koper of debiteur aan de koopovereenkomst(en) is gebonden, zeker niet nu deze bevestiging niet aan JSC is verzonden en haar ook niet anderszins heeft bereikt.

Het betoog van JSC treft doel.

Waar onvoldoende feitelijke grondslag is gebleken voor het oordeel dat [persoon 1]/Seafront een aanbod tot het aangaan van een koopovereenkomst heeft gedaan of aanvaard namens JSC, zou de orderbevestiging gelet op het toepasselijk juridisch kader hoogstens tot contractuele (mede)verbondenheid van JSC kunnen leiden indien deze haar had bereikt, door JSC was opgevat als een aanbod om zich als koper aan de daarin omschreven transactie te binden en zij dit aanbod had aanvaard. Die aanvaarding diende bovendien, gelet op de door (inmiddels) de Russische Federatie bij artikel 12 CISG afgelegde verklaring, schriftelijk te geschieden om rechtsgeldig te zijn. Dat deze omstandigheden zich voordoen is niet gesteld of gebleken.

2.21.

Per saldo is voldoende aannemelijk geworden dat JSC niet -in eigen naam of anderszins- de twee koopovereenkomsten met Lidoil heeft gesloten, zoals JSC stelt. Dat Seafront (dan wel [persoon 1]) bij het aangaan van de koopovereenkomsten heeft gehandeld in naam van JSC, zoals Lidoil stelt, is niet voldoende met feitelijke stellingen onderbouwd en komt evenmin uit de stukken naar voren.

Nu er niet van kan worden uitgegaan dat Seafront/Ul-Haq namens JSC bestellingen heeft gedaan, treft het primaire verweer van Lidoil -dat JSC aan de koopovereenkomsten is gebonden omdat zij bij het sluiten daarvan bevoegdelijk werd vertegenwoordigd door Seafront/Ul-Haq- geen doel. Nu op diezelfde grond feitelijk geen sprake is geweest van onbevoegde vertegenwoordiging, behoeft het subsidiaire verweer dat dit gebrek is geheeld door bekrachtiging of schijn van bekrachtiging geen beoordeling.

De rechtbank gaat er derhalve in het navolgende van uit dat de koopovereenkomsten niet -in eerste instantie- in naam van JSC zijn gesloten.

2.22.

Vervolgens dient -meer subsidiair- te worden beoordeeld of JSC zich als (mede)schuldenaar onder de koopovereenkomsten heeft verbonden doordat de in haar dienst zijnde kapitein van het schip de ‘bunker delivery notes’ heeft ondertekend en daarop het scheepsstempel heeft geplaatst.

JSC stelt -samengevat- dat de ‘bunker delivery notes’ enkel moeten worden begrepen als een bewijs van ontvangst van de ingenomen bunkers, en dat de ondertekening daarvan gelet op de omstandigheden van het geval niet kon of mocht worden opgevat als een uiting van een wil van de rederij om gebonden te zijn aan de onderliggende koopovereenkomst, althans om zich te verbinden tot betaling van de koopprijs. Zij voert ook aan dat de kapitein ook niet bevoegd was om een dergelijke rechtshandeling namens JSC te verrichten.

Lidoil betwist dit standpunt en voert aan dat de kapitein, als vertegenwoordiger van de rederij, met zijn handelen JSC heeft verbonden althans in ieder geval de schijn heeft gewekt dat JSC als schuldenaar althans medeschuldenaar verantwoordelijkheid voor de vorderingen op zich nam.

2.23.

Voor zover het standpunt van Lidoil -zoals verwoord als subsidiair verweer bij antwoord in het incident- aldus moet worden begrepen dat pas op het moment dat de kapitein de ‘delivery notes’ tekende (voor het eerst en wel met JSC) een koopovereenkomst tot stand kwam, wordt het verworpen omdat het niet valt te rijmen met haar orderbevestigingen en hetgeen reeds over de totstandkoming van de overeenkomsten is komen vast te staan, zoals hierboven overwogen. Daaruit volgt dat de leveringshandelingen werden verricht ter uitvoering van reeds gesloten overeenkomsten, waarbij JSC op dat moment nog geen partij was.

2.24.

Uitgangspunt moet zijn, gelet op al het voorgaande, dat voorafgaand aan beide leveringen reeds een koopovereenkomst was gesloten, waarbij JSC geen partij was. Vanaf de conclusie van dupliek in het incident gaan beide partijen er -naar de rechtbank begrijpt- van uit dat in dit scenario de tijdbevrachter, Pacific Bulk, als koper moet worden beschouwd.

Aan de betwisting van Lidoil dat JSC met Pacific Bulk een overeenkomst van tijdbevrachting heeft gesloten, gaat de rechtbank voorbij. JSC heeft onder meer overgelegd een vastlegging door een makelaar van de tussen JSC en Pacific Bulk gemaakte bevrachtingsafspraken, een bericht aan Pacific Bulk waarin JSC de bevrachtingsovereenkomst opzegt, diverse -hieronder te bespreken stukken waarin de kapitein tot uitdrukking brengt dat het schip onder tijdbevrachting vaart bij Pacific Bulk en een verklaring van een vertegenwoordiger van Pacific Bulk waaruit ditzelfde naar voren komt. Hieruit wordt het standpunt van JSC voldoende aannemelijk en daar stelt Lidoil met haar betwisting onvoldoende tegenover.

2.25.

Beoordeeld moet worden of de kapitein, handelend als vertegenwoordiger van JSC, te Ceuta respectievelijk Fujairah, ten overstaan van de partijen die aldaar -direct of indirect in opdracht van Lidoil- feitelijk de bunkers afleverden, moet worden geacht jegens Lidoil een rechtshandeling te hebben verricht waarvan het gevolg is dat JSC medeschuldenaar is geworden onder de (met Pacific Bulk gesloten) koopovereenkomsten, zoals Lidoil bepleit.

2.26.

Voor wat betreft de feitelijke gang van zaken te Ceuta gaat de rechtbank, op grond van de processtukken en de verklaringen van de partijen ter gelegenheid van de pleidooien, van het navolgende uit.

2.26.1.

Op 20 juni 2011 is door Oil Marketing & Oil Trading Intl. (Europe) S.A. (hierna: OMT), die daartoe opdracht had gekregen van OW Bunker Spain S.L. (hierna: OW), die op haar beurt opdracht had gekregen van Lidoil, met behulp van het bunkerschip ‘Sea Dweller’ bunkerolie geleverd aan de ‘Pomorye’, die afgemeerd lag te Ceuta.

2.26.2.

Na voltooiing van de aflevering heeft de bemanning van de ‘Sea Dweller’ aan de kapitein van de ‘Pomorye’ een ‘Bunker delivery note’ ter ondertekening voorgehouden, waarop links bovenaan was ingevuld:

“Buyer: Ship/Master/Owner/Operator/Charterer and OW Bunker Spain SL”

en waarop na vermelding van de specificaties van het ingenomen product was voorgedrukt:

“Received on board the stated quantities to be used as bunker in commercial shipping, together with representativas and Marpol samples

Capitan/[persoon 2]

Master/Chief Engineer Oil Marketing & Trading Intl. (Europe) SA

[ruimte voor handtekeningen en stempels]

We acknowledge receipt of the above product in accordance with buyers requirements.

(…)

This Delivery/Sale is subject tot the General Terms & Conditions of Oil Marketing & Trading Int’l (Europe) S.A.”.

2.26.3.

Voor of na aanbieding van de ‘bunker delivery note’ aan de kapitein is van de zijde van de ‘Sea Dweller’ daarop een stempel geplaatst dat luidt:

“No disclaimer stamp of any type or form will be accepted on this bunkering certificate nor should any such stamp apply, alter, change or waive seller’s maritime lien against the vessel or waive the vessel’s ultimate responsibility for the debt incurred through this transactions.”.

2.26.4.

Op de voor handtekening en stempel zijdens de ‘Pomorye’ bestemde plaats heeft de kapitein het navolgende stempel geplaatst:

“This vessel is operating under a Time Charter with Messrs __[handgeschreven, rb.:] Pacific Bulk Carrier___

pursuant to which neither the Charter nor any Agent has Authority to incur lien against this vessel for any supplies or Services whatsoever.

Signed: master mv”,

en vervolgens het scheepsstempel met de scheepsnaam en de naam van JSC en zijn handtekening.

2.26.5.

Van de zijde van de ‘Sea Dweller’ werd deze ondertekening van de ‘bunker delivery note’ geweigerd, en onder dreiging met beslaglegging is een nieuw exemplaar getekend waarop het in 2.26.4 geciteerde stempel ontbrak, onder gelijktijdige overlegging van een op het briefhoofd van JSC gestelde verklaring die inhoudt:

“To whom it may concern

This is to place of record that following bunkers supplied to m.v. Pomorye (…) at Ceuta anchorage on 20th June 2011 were ordered by vessel’s time charterers Pacific Bulk Carriers Inc. (…) in accordance with bunker delivery note no. 0367 DD 20-Jun-2011.”.

Deze verklaring is van de zijde van de ‘Sea Dweller’ voorzien van haar scheepsstempel en handtekening.

2.27.

Voor wat betreft de feitelijke gang van zaken te Fujairah gaat de rechtbank, op grond van de processtukken en de verklaringen van de partijen ter gelegenheid van de pleidooien, van het navolgende uit.

2.27.1.

Op 5 augustus 2011 is door Akron Trade and Transport (hierna: Akron), die daartoe opdracht had gekregen van Lidoil, met behulp van het bunkerschip ‘Lara’ bunkerolie geleverd aan de ‘Pomorye’, toen afgemeerd te Fujairah.

2.27.2.

Na voltooiing van de aflevering is door Akron of de ‘Lara’ aan de kapitein van de ‘Pomorye’ een ‘Bunker delivery note’ ter ondertekening voorgehouden, waarop onder de handgeschreven aanduidingen van de hoeveelheid en de specificaties van het geleverde product stond voorgedrukt:

“Suppliers confirmation

We declare that the Fuel Characteristics and Quantity of the product supplied are correct and in conformity with (…) Marpol Annex VI”

gevolgd door de handtekening van [persoon 3] als ‘Cargo Officer’ ‘For: Akron Trade & Transport’ en het scheepsstempel van de Lara.

2.27.3.

Op de ‘Bunker delivery note’ stond voorts voorgedrukt:

“Master’s/Chief Engineer’s acknowledgement

We acknowledge receipt of the above product and confirm that samples were taken, sealed and numbered as follows: (…)”

waaronder de kapitein van de ‘Pomorye’ het navolgende stempel heeft geplaatst:

“This vessel is operating under a Time Charter with Messrs __[handgeschreven: Pacific Bulk Carrier]___

pursuant to which neither the Charter nor any Agent has Authority to incur lien against this vessel for any supplies or Services whatsoever.

Signed: master mv [handgeschreven, rb.:] Pomorye”,

en ook het scheepsstempel met de scheepsnaam en de naam van JSC en zijn handtekening.

2.27.4.

Te Fujairah is niet tegen dit laatste stempel geprotesteerd.

2.28.

De vraag ligt voor of de bovengenoemde verklaringen en gedragingen van de kapitein van de ‘Pomorye’ ertoe strekten dat JSC toetrad tot de aan de levering ten grondslag liggende koopovereenkomsten tussen Lidoil en Pacific Bulk, althans anderszins een betalingsverplichting op zich nam voor de geleverde bunkers, en JSC mitsdien jegens Lidoil is verbonden door dit handelen van de kapitein.

Daarbij rijst opnieuw de voorvraag naar welk recht deze vragen moeten worden beantwoord.

Nu geen sprake is van het door JSC en Lidoil aangaan van een koopovereenkomst acht de rechtbank de CISG in dit kader niet van toepassing. Het toetreden tot een bestaande overeenkomst c.q. als medeschuldenaar op zich nemen van een betalingsverplichting is naar zijn aard wel een contractuele verbintenis. Het recht dat (bestaan en inhoud van) een dergelijke verbintenis beheerst, dient daarom in beginsel te worden gevonden door toepassing van de Rome I Vo.

Uit artikel 10 lid 1 Rome I Vo volgt dat het bestaan en de geldigheid van een overeenkomst of van een bepaling daarvan worden beheerst door het recht dat ingevolge de verordening toepasselijk zou zijn, indien de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn.

2.29.

Indien er voor de toepassing van de verordening veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat JSC zich vrijwillig als medeschuldenaar heeft verbonden, en dat Lidoil deze verbondenheid heeft aanvaard, dan moet eerst worden beoordeeld of JSC en Lidoil in dit verband een rechtskeuze hebben gedaan als bedoeld in artikel 3 Rome I Vo.

Lidoil heeft het standpunt ingenomen dat een dergelijke rechtskeuze -voor het Engelse recht- is gedaan in de door OMT gehanteerde algemene voorwaarden (kennelijk de algemene voorwaarden van Oil Marketing and Trading International FZC te Fujairah, overgelegd als productie 12 bij conclusie van antwoord in het incident) die in de te Ceuta ondertekende ‘bunker delivery note’ van toepassing zijn verklaard.

Dit -door JSC bestreden- standpunt wordt verworpen.

Een tussen Lidoil en JSC geldende rechtskeuze moet overeenkomstig artikel 3 Rome I Vo uitdrukkelijk zijn gedaan, of duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Aan deze eis voldoet niet een rechtskeuze die besloten zou liggen in een voorgedrukte verwijzing op een ‘bunker delivery note’ van een hulppersoon van een hulppersoon van Lidoil, naar de algemene voorwaarden van weer een andere partij, die niet alleen -naar niet in geschil is- niet aan JSC ter hand zijn gesteld maar ook inhoudelijk niet zien op rechten en verplichtingen van Lidoil of JSC. Bedoelde voorwaarden strekken blijkens hun inhoud tot het reguleren van de door Oil Marketing and Trading International FZC met haar klanten aangegane overeenkomsten tot verkoop van bunkerolie.

Zeer twijfelachtig is dus of tussen JSC en Lidoil enige werking kan toekomen aan de op het ontvangstbewijs genoemde algemene voorwaarden. De enkele vermelding van de voorwaarden op het document houdt geen geldige rechtskeuze conform artikel 3 Rome I Vo in. Aldus bestaat geen aanleiding nader te onderzoeken of tussen JSC en Lidoil daarover overeenstemming hebben bereikt, en tot welk resultaat een geldige rechtskeuze naar Engels recht zou hebben geleid.

2.30.

Bij gebreke van een rechtskeuze is artikel 4 Rome I Vo van toepassing. Uit artikel 4 lid 2 Rome I Vo volgt dat de door Lidoil gestelde contractuele verbintenis van JSC -die als gezegd niet kan worden beschouwd als het aangaan van een koopovereenkomst, en evenmin elders in lid 1 van artikel 4 Rome I Vo wordt genoemd- wordt beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. In dit geval moest JSC, de partij die zich vrijwillig als medeschuldenaar zou hebben verbonden, de kenmerkende prestatie verrichten. Aldus wordt de vraag naar bestaan en inhoud van de door Lidoil gestelde verbintenis van JSC beheerst door het recht van de Russische Federatie, waar JSC haar gewone verblijfplaats heeft.

2.31.

Uit artikel 2 aanhef en onder g Rome I Vo volgt dat de verordening niet van toepassing is op de vraag naar de bevoegdheid van de kapitein om JSC te binden. Op die vraag is evenmin van toepassing het Haags Vertegenwoordigingsverdrag, omdat dit blijkens artikel 2 aanhef en onder f ervan niet van toepassing is op de vertegenwoordiging door een scheepskapitein in de uitoefening van zijn functie.

Beide partijen hebben desgevraagd bij pleidooi aangegeven niet te weten welk recht op de relatie tussen kapitein en rederij van toepassing is, en ook niet welke nationaliteit de kapitein heeft. Lidoil heeft aangegeven te vermoeden dat Russisch recht tussen JSC en de kapitein zou gelden. Voorshands acht de rechtbank aannemelijk dat de kapitein, [persoon 4] (vgl. producties 3 en 9 bij dagvaarding), de Russische nationaliteit heeft. De ‘fixture recap’ die deel uitmaakt van productie 1 bij dagvaarding vermeldt ook: “nationality/number of officers: Russian 10”. De rechtbank zal er van uit gaan dat de rechtsverhouding tussen kapitein en reder door Russisch recht wordt beheerst, en dat ook de vraag naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de kapitein naar Russisch recht moet worden beoordeeld.

2.32.

Over de inhoud van het Russische recht zijn door partijen verschillende stukken overgelegd.

Bij conclusie van dupliek in het incident heeft Lidoil een ongedateerde Legal opinion van Law Firm [persoon 6] overgelegd. Vervolgens heeft JSC bij akte uitlaten producties een opinie van [bedrijf 2], met bijlagen, overgelegd. Daarop heeft Lidoil een opinie van [bedrijf 1] overgelegd, eveneens met bijlagen. Tenslotte heeft JSC voorafgaand aan het pleidooi nog een Engelse vertaling van enige bepalingen van de Russische Merchant Shipping Code overgelegd.

Voor zover deze stukken zien op de vraag of een overeenkomst van koop tussen (de kapitein namens) JSC en Lidoil tot stand is gekomen op het moment dat de kapitein van de ‘Pomorye’ de bunker delivery note ondertekende, missen zij relevantie. De bunkers waren immers reeds door Lidoil aan Seafront (al dan niet handelend namens Pacific Bulk) verkocht, en werden aan het schip geleverd ter vervulling van de uit die verkoop voortvloeiende leveringsverplichting. Het gaat er hier slechts om of bij de levering een medeschuldenaarschap van JSC is ontstaan.

2.33.

In dit verband is van belang dat uit de overgelegde opinies, en met name ook de geciteerde of aangehechte bepalingen van het Russische Burgerlijk Wetboek, valt af te leiden dat ook naar Russisch recht rechten en verplichtingen worden geschapen, gewijzigd of beëindigd als gevolg van eenzijdige, tweezijdige of meerzijdige ‘transactions’, een begrip dat lijkt overeen te komen met het Nederlandsrechtelijke begrip ‘rechtshandelingen’. Voor het sluiten van een overeenkomst, zo bepaalt artikel 154 van het Russische Burgerlijk Wetboek, is een uiting van de overeenstemmende wil van twee partijen noodzakelijk (de wetstekst is overgelegd bij het advies van [persoon 5]). Meer in het bijzonder komt een overeenkomst tot stand door aanbod en aanvaarding, zo blijkt uit de wetsartikelen geciteerd door [persoon 6] en [persoon 6]. [persoon 6] voegt daaraan toe dat de essentialia van de overeenkomst ook voldoende bepaalbaar moeten zijn.

Het gaat er dus om te bepalen of in de r.o. 2.26.1 tot en met 2.26.5 respectievelijk 2.27.1 tot en met 2.27.4 aangehaalde feiten de rechtshandelingen van aanbod en aanvaarding zijn te herkennen, aldus dat daarin de overeenstemmende wil van JSC en Lidoil tot uitdrukking is gebracht dat JSC zou toetreden tot de koopovereenkomsten c.q. zich als medeschuldenaar naast Seafront (dan wel Pacific Bulk) verbond tot het betalen van de prijs van de bunkers.

Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat zowel de feitelijke bunkerleveranciers als de kapitein zich rekenschap gaven van de kans dat in de toekomst zou kunnen worden gepoogd de bunkervorderingen op het schip te verhalen, maar de voor het welslagen van dit standpunt van Lidoil benodigde aanbod en aanvaarding -van medegebondenheid van JSC onder de respectieve koopovereenkomsten- valt hieruit niet af te leiden. Uit de door JSC geplaatste stempels en het te Ceuta afgegeven protest lijkt veeleer te volgen dat JSC juist niet de wil had enige verbondenheid ter zake van door de bevrachter aangegane transacties op zichzelf of haar schip te laden.

2.34.

Slotsom op dit punt is dat JSC niet uit hoofde van enige overeenkomst gehouden is tot betaling van de onbetaalde bunkerfacturen van Lidoil.

2.35.

Hetgeen over en weer over ongerechtvaardigde verrijking is gezegd, behoeft geen beoordeling, nu door Lidoil bij pleidooi uitdrukkelijk is aangegeven dat zij zich in dit incident niet beroept op ongerechtvaardigde verrijking.

2.36.

Aldus resteert te beoordelen de verder subsidiaire positie van Lidoil dat de bunkervorderingen in ieder geval naar het ingevolge 10:160 lid 4 BW toepasselijke recht op het aan JSC toebehorende schip verhaalbaar zijn.

De toepasselijkheid van deze bepaling is niet in geschil. Uit artikel 10:160 lid 4 BW volgt, dat de vorderingen van Lidoil op Seafront (dan wel Pacific Bulk als haar principaal) alleen in Nederland verhaalbaar zijn op het schip indien deze vorderingen zowel ingevolge het recht van Rusland -de staat waar het schip te boek staat- als ingevolge het recht dat de vorderingen beheerst -het recht van Griekenland- op het schip kunnen worden verhaald. Voorts moet een eventueel aan de orde zijnd verhaalsrecht naar vreemd recht inpasbaar zijn in het Nederlandse rechtstelsel.

2.37.

Aan het standpunt van JSC, dat de rechtbank niet aan beoordeling van deze vragen kan toekomen omdat Lidoil geen stellingen van deze strekking in het beslagrekest heeft ingenomen, gaat de rechtbank voorbij. Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat Lidoil in deze procedure ter rechtvaardiging van het gelegde beslag ook andere gronden aanvoert dan die welke zij aan haar verzoek tot verlof tot beslaglegging had aangevoerd.

2.38.

De rechtbank zal eerst beoordelen of de bunkervorderingen naar Russisch recht op het schip kunnen worden verhaald. JSC stelt dat dit niet zo is, Lidoil bepleit het tegendeel.

2.39.

Voor het eerst bij akte uitlaten producties heeft JSC -naar aanleiding van het beroep op artikel 10:160 lid 4 BW van Lidoil bij conclusie van dupliek in het incident- betoogd dat de vordering van Lidoil naar Russisch recht niet verhaalbaar is op de ‘Pomorye’. Zij heeft ter onderbouwing van dit standpunt het advies van [persoon 6] overgelegd.

JSC stelt, en uit dit advies komt naar voren, dat een vordering onder Russisch recht bij gebreke van een contractuele band tussen de crediteur en de scheepseigenaar slechts op het schip verhaalbaar is ingeval sprake is van een maritime lien. Een maritime lien naar Russisch recht vloeit voort uit de wet in een beperkt aantal, in de wet opgesomde gevallen, en bunkerleveranties vallen daar niet onder, aldus JSC in navolging van [persoon 6].

2.40.

Lidoil heeft in reactie hierop bij antwoordconclusie in het incident onder verwijzing naar de opinie van [persoon 5] haar reeds bij conclusie van dupliek in het incident onder verwijzing naar de opinie van [persoon 6] ingenomen standpunt herhaald, dat JSC als gevolg van het door de kapitein ondertekenen van de bunkerontvangstbewijzen uit (koop)overeenkomst hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van de bunkers, met verhaalbaarheid op het schip naar Russisch recht tot gevolg. Ook bij pleidooi heeft Lidoil betoogd (samengevat) dat de vordering van Lidoil naar Russisch recht op het schip verhaalbaar is, omdat de kapitein door middel van ondertekening van de ontvangstbewijzen ook de eigenaar heeft gebonden, zodat beiden aansprakelijk zijn jegens de bunkerleverancier.

De stelling dat bij gebreke van een contractuele band met de scheepseigenaar slechts een verhaalsrecht op het schip kan indien de Russische wet aan de betrokken vordering een maritime lien verbindt, hetgeen niet het geval is voor bunkervorderingen, laat JSC zowel in haar antwoordconclusie als bij pleidooi onweersproken. Zoals JSC bij pleidooi heeft aangegeven, gaat ook het advies van [bedrijf 1] niet in op de mogelijkheid van een lien of een ander bijzonder buitenlands verhaalsrecht.

2.41.

Uit de inhoud van de overgelegde adviezen naar Russisch recht leidt de rechtbank af dat het Russische recht geen lien verbindt aan bunkervorderingen als de onderhavige, en dat naar Russisch recht voor het overige slechts vorderingen op de scheepseigenaar kunnen worden verhaald op het schip.

Hetgeen Lidoil over Russisch recht aanvoert, raakt aan de reeds ontkennend beantwoorde vraag of een JSC uit contract aansprakelijk is, en niet aan de nu nog voorliggende vraag of Lidoil naar Russisch recht bunkervorderingen op een derde (zoals hier de koper/tijdbevrachter) kan verhalen op het aan JSC toebehorende schip, zodat de rechtbank dit betoog als niet relevant passeert.

2.42.

De slotsom op dit punt is dat Lidoil voor haar bunkervorderingen op een derde (Seafront dan wel Pacific Bulk) naar Russisch geen verhaal kan nemen op het aan JSC toebehorende schip. Hetgeen partijen over het cumulatief op de vraag naar de verhaalbaarheid toepasselijke Griekse recht naar voren hebben gebracht, kan niet afdoen aan de conclusie dat verhaal op het schip in Nederland niet kan worden vervolgd, zodat de stellingen over het Griekse recht geen beoordeling behoeven.

2.43.

Uit al het voorgaande volgt dat de (contractuele) vordering van Lidoil op JSC waarvoor beslag is gelegd op het schip summierlijk ondeugdelijk is gebleken, terwijl voorts aannemelijk is geworden dat Lidoil haar beslag op het schip niet kan vervolgen met verhaal, omdat het toepasselijke Russische recht geen verhaal op het schip van JSC toestaat voor Lidoils bunkervorderingen op een derde (Seafront dan wel Pacific Bulk).

In verbinding met hetgeen in r.o. 2.11 is overwogen volgt hieruit dat het beslag onrechtmatig is gelegd.

2.44.

Voor de provisionele vorderingen van JSC betekent dit het navolgende.

2.45.

De primair gevorderde veroordeling tot teruggave van de -ter opheffing van het beslag- gestelde garantie op straffe van verbeurte van een dwangsom is toewijsbaar als in het dictum vermeld, nu deze niet anders is bestreden dan met de hiervoor verworpen of gepasseerde formele en materiële verweren.

Aan de subsidiaire vordering tot matiging van de garantie komt de rechtbank niet toe.

2.46.

De vordering dat het vonnis, bij niet-tijdige nakoming van de hoofdveroordeling in de plaats zal treden van de van Lidoil vereiste rechtshandeling zal worden afgewezen op de gronden vermeld in r.o. 2.6.

2.47.

Ook het gevorderde beslagverbod zal worden toegewezen.

Lidoil heeft bij conclusie van antwoord in het incident bestreden dat JSC bij deze vordering voldoende belang heeft. Zij heeft daartoe aangevoerd dat Lidoil met aanvaarding van de garantietekst reeds impliciet heeft bevestigd niet nogmaals beslag te zullen leggen op de Pomorye of andere vermogensbestanddelen van JSC. Dat argument verliest echter zijn gewicht zodra de garantie conform de in dit vonnis te geven veroordeling zal zijn teruggegeven. Ook heeft Lidoil aangegeven dat uit het Beslagverdrag 1952 voortvloeit dat Lidoil niet nogmaals in een verdragsstaat beslag kan leggen op de Pomorye of haar zusterschepen. Uit dit standpunt vloeit voort dat Lidoil voor wat betreft bedoelde verdragsstaten redelijkerwijs geen bezwaar kan hebben tegen toewijzing van deze vordering. Nu de rechtbank niet ondenkbaar acht dat Lidoil in enig andere jurisdictie nogmaals beslagpogingen zal ondernemen, zal de rechtbank zekerheidshalve deze vordering -voor de duur van dit geding- toewijzen.

2.48.

Lidoil zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. Hoewel als uitgangspunt bij kostenveroordelingen in incidenten -voor zover zij niet strekken tot betaling van een concreet bedrag- het tarief voor zaken met een onbepaalde waarde wordt toegepast, te weten € 452 per punt, maakt de rechtbank in het onderhavige geval gebruik van de haar toekomende vrijheid om een hoger tarief toe te passen vanwege de complexiteit van het incident. Voor het toe te passen tarief sluit de rechtbank daarom aan bij de hoogte van het bedrag van de te retourneren bankgarantie, hetgeen leidt tot toepassing van tarief VI ad € 2.000,-- per punt.

De proceskosten in het incident aan de zijde van JSC worden begroot op € 9.000,-- voor advocaatkosten (4,5 punten (provisionele eis, repliek, akte met bijzondere inhoud, akte zonder bijzondere inhoud en pleidooi) x € 2.000,--).

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

veroordeelt Lidoil de door The Steamship Mutual Underwriting Association (Bermuda) Ltd. op 2 november 2011 gestelde garantie ten bedrage van USD 325.386,44 binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis ter decharge te retourneren aan JSC via het kantoor van haar Rotterdamse raadslieden, op straffe van verbeurte van onmiddellijk opeisbare dwangsommen van € 10.000,-- per dag of dagdeel dat Lidoil hierin nalatig is, tot een maximum van € 350.000,--;

3.2.

verbiedt Lidoil om ten laste van JSC beslag te leggen op het m.s. ‘Pomorye’ dan wel op enige andere vermogensbestanddelen van JSC, zowel binnen als buiten Nederland, voor haar vordering dan wel een gedeelte hiervan, verband houdende met haar twee facturen met [referentienummer 1] (d.d. 29 juni 2011) en [referentienummer 2] (d.d. 18 augustus 2011) ter zake bunkerleveranties aan het m.s. ‘Pomorye’ ter zake waarvan zij reeds in Rotterdam beslag deed leggen als vooromschreven;

3.3.

veroordeelt Lidoil in de kosten van het incident, aan de zijde van JSC tot op heden begroot op € 9.000,--,

3.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in de hoofdzaak

3.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 oktober 2013 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. van Zelm van Eldik, mr. K.F. Haak en mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2013.