Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8159

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
10/682192-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

art. 246 Sr. Dwang. Steunbewijs. Betrouwbaarheid aangeefster. Aanranding door fysiotherapeut

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 3

parketnummer: 10/682192-13 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum] 1964,

wonende aan de[adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. A.C. de Bakker, advocaat te Zwijndrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 oktober 2013, waarbij de officier van justitie mr. W.B.J. ten Have, verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 11 maart 2013 in Dordrecht [slachtoffer] heeft gedwongen om ontuchtige handelingen te dulden, door haar armen/lichaam met zijn penis aan te raken;

subsidiair: toen en daar opzettelijk schennis van de eerbaarheid heeft gepleegd door zich met een ontbloot geslachtsdeel in een behandelkamer van een fysiotherapiepraktijk in aanwezigheid van [slachtoffer] te bevinden.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Voor het bewijs baseert de officier van justitie zich onder meer op de aangifte van [slachtoffer], de getuigenverklaring van [getuige 1], de getuigenverklaring van [getuige 2] en de verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de . verklaring van de aangeefster niet voor het bewijs kan worden gebruikt, nu deze op essentiële punten vaag en te ongedetailleerd is en de waarneming van de aangeefster voorts gekleurd is door haar “prepositionele” (de rechtbank begrijpt: predispositionele) houding. Uitsluiting van haar verklaring leidt er toe dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat niet van dwang kan worden gesproken en tot slot heeft hij aangevoerd dat opzet niet kan worden bewezen, ook niet in voorwaardelijke zin.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Motivering bewezenverklaarde

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal van politie wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

- De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 oktober 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik heb op 11 maart 2013 als fysiotherapeut [slachtoffer] behandeld. Zij lag tijdens de behandeling op haar rug met haar armen boven haar hoofd. Ik stond boven haar hoofdzijde tijdens de behandeling. Tijdens deze behandeling droeg ik geen onderbroek. Na afloop van de behandeling is mevrouw [slachtoffer] heel boos geworden en zij heeft tegen mij geschreeuwd. Ze heeft ook aan mij gevraagd of ik getrouwd was en daar heb ik op geantwoord. Ik heb haar die middag een Whatsapp-bericht gestuurd. De volgende dag heb ik de papieren met betrekking tot de doorverwijzing van mevrouw [slachtoffer] bij haar in de brievenbus gegooid.

- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 12 maart 2013, nummer PL1850 2013022875-1 opgenomen als pagina’s 54-64 in het proces-verbaal met dossiernummer PL1850 2013022875 d.d. 28 maart 2013, van politie regio Zuid-Holland-Zuid, doorgenummerd van 1 tot en met 103, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van aangeefster:

Waar kom je aangifte van doen?

-Van een fysiotherapeut die dingen deed die niet horen. Hij stond bloot achter mij en heeft met zijn geslachtsdeel tegen mijn lichaam aangezeten. Dit deed hij tijdens de behandeling. Toen ik op de tafel lag. Hij stond achter mij.

Hoe weet je dat het zijn geslachtsdeel was?

-Omdat ik mij gisteren heb omgedraaid en het zelf heb gezien. Ik heb hem daar ook op aangesproken. Tegen wie doe je aangifte?

-Tegen [verdachte]

(…)

Waar is dit gebeurd?

-In zijn praktijk[adres en woonplaats] in Dordrecht.

Wanneer is het gebeurd?

-Gisteren op maandag 11 maart 2013 tussen 15:00 uur en 16:00 uur.

(…)

Hoe was het met het zicht?

- Ik kan hem niet zien. Hij staat achter mij.

Als hij jou behandelt, wat voel jij dan?

-Dat hij met zijn handen aan het plukken en trekken was. De eerste keer voelde ik aan de achterzijde niets, maar de keren erna voelde ik wel wat. Ik dacht eerst dat het zijn buik was. Ik voelde zijn buik dan bij mijn onderarmen.

(…)

Bij de voor laatste twee behandelingen had ik al een naar gevoel. Ik heb dat zelfs aan mijn vriendin verteld.

Kan je dat nare gevoel omschrijven?

-Eigenlijk omdat ik zijn lichaam tegen mijn onderarmen voelde. Toen ik dat voelde dacht ik bij me zelf, "Is dat nou zijn geslachtsdeel?" (…)

Wat voelde je van zijn buik?

-Het was bloot.

Hoe weet je dat je bloot voelde?

-Huid op huid voel je wel.

Wat voelde je precies?

-Hij was bij mij aan het trekken en ik voelde steeds zijn huid langs mijn onderarmen gaan.

Wat maakte het voor jou in jouw gedachten, van voel ik nou zijn geslachtsdeel?

-Ik weet wel hoe dat voelt. Maar omdat ik het niet kon geloven ging ik twijfelen. (…)

(…)

Op 5 maart 2013 ben je voor het eerst gaan merken dat er iets mis was, klopt dat?

-Ja. Ik voelde huid en dacht volgens mij is het zijn geslachtsdeel en dan wuif je het weg, van Nee dat kan niet. Ik ben mij gaan aankleden en ben weggegaan. Die dinsdag heb ik al tegen mijn man en vriendin gezegd, dat ik geen prettig gevoel erbij had, dat hij steeds maar achter mij stond en ik hem niet kon zien.

Hoe is het de laatste keer gegaan?

-Eigenlijk weer precies hetzelfde. Toen dacht ik op een gegeven moment, dit is gewoon niet goed. Ik bleef liggen en twijfelde heel erg tijdens de behandeling. Ik lag op mijn rug en heb mij toen hij klaar was, heel snel omhoog gehesen, ik zag toen zijn blote geslachtsdeel. Ik zag dat zijn piel stijf was.

(…)

Hoe was zijn piel tijdens de behandeling?

-Toen heb ik ook een stijve piel gevoeld.

Hoe weet je nou dat zijn piel stijf was?

-Dat voel je als het tegen je huid aankomt, ik voel best het verschil tussen een stijve en een slappe piel.

(…)

Ik lag op mijn rug en draaide mij heel snel om. Ik wilde zo snel omdraaien, omdat ik wilde zien hoe hoog de tafel stond en of het wel kon wat ik zag. Ik ging zitten en ik zag dat hij nog ontbloot was.

(…)

Hoe reageerde hij?

-Hij deed niet gelijk zijn piel weg. Alsof hij het niet door had dat hij zo bloot was.

Ik zei: "Wat doe jij nou?". "Is dit niet raar wat je doet?".

En toen zei hij alleen maar: "Ja, Ja, dat is het wel".

(…)

Ik zei dat dit geen normaal gedrag was. "Nee, nee", zei hij toen. Ik zei: "Doe je dat bij al je patiënten?" Ik zei:" Ik ben gewoon een patiënt van jou". Hij zei: "Nee, nee dat doe ik niet bij al mijn patiënten". Ik zei: "Waarom dan wel bij mij, dat is toch niet normaal?" Hij zei: "Nee, nee sorry, dat is niet normaal." Hij zei: "Het zal nooit meer gebeuren". (…) Ik zei: “Nooit meer gebeuren, ik kom hier nooit meer terug". Hij vroeg mij toen of ik een andere fysio wilde. Ik zei dat ik dat wilde. Hij zei dat hij voor een nieuwe overdracht ging zorg dragen. (…) Ik vroeg hem: ": Jij bent toch getrouwd", waarop hij "ja" zei. Ik zei tegen hem: "Je weet toch dat ik ook getrouwd ben". Dat wist hij en hij zei nog een keer: "Sorry, sorry". (…)

Buiten heb ik gelijk mijn man gebeld. (…) Ik heb toen ook nog mijn vriendin [getuige 1] gebeld.

Gisteren toen ik thuis was, heb ik nog een Whats-app van hem gekregen. Hier stond in:

" Ik heb een verwijzing voor je geregeld . Zal deze morgen met een overdracht voor ander fysiotherapeut bij je in de bus gooien. Dan kun je zelf een andere therapeut uitzoeken. Nogmaals mijn oprechte excuses. Gr. [verdachte]"

Dit is een Whats-app, gestuurd van telefoonnummer +[telefoonnummer]. Op maandag 11 maart 2013 om 16:19 uur gestuurd. Dit bericht is door ons verbalisanten van de telefoon van aangeefster gelezen en letterlijk overgenomen.

- Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] d.d. 25 maart 2013, nummer PL1850 2013022875-18, opgenomen als pagina’s 66-70 in voornoemd eindproces-verbaal van politie regio Zuid-Holland-Zuid, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van aangeefster:

-Hij heeft achter mij gestaan, want dat heb ik gevoeld. Toen ik mij omdraaide, normaal had hij meer tijd, dat hij niet zijn shirt en broek goed heeft kunnen doen. Want de broek zat echt halverwege de schaamstreek wat ik gezien heb. Zijn piel kwam daarboven uit. Ik heb zijn piel niet helemaal gezien.

Hoeveel heb je gezien van de piel?

-Een centimeter of 7.

Je zei dat de piel stijf stond, hoe kwam het dat die stijf stond? Was dat door een erectie of dat de piel uit de broeksband kwam?

-Dat was wel een erectie.

- Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 13 maart 2013, nummer PL1850 2013022875-6, opgenomen als pagina’s 83-87 in voornoemd eindproces-verbaal van politie regio Zuid-Holland-Zuid, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van getuige:

Wat kan je vertellen wat je hebt gehoord van [slachtoffer]?

-Volgens mij was het rond vier uur dat ze uit fysiotherapie kwam. Dit was 11 maart 2013.

Ik had haar ergens anders een whatsapp over gestuurd en zij gaf mij het volgende antwoord terug:

"Ik had toch rotidee over fysio achter me. Hij staat net in blote piel achter me, ben me kapot geschrokken".

(…)

Je hebt haar gebeld, hoe klonk ze aan de telefoon?

-Ze was wel aardig over haar toeren.

Wat weet jij wat hij heeft gedaan?

-Hij stond achter haar tijdens de behandeling. Hij was met haar bezig. Ze vertelde mij dat ze iets voelde, waarvan ze uit ging dat het zijn buik was, maar ook weer niet. De laatste keer wilde ze gewoon weten wat ze nou voelde en toen heeft ze zich omgedraaid en zag dat de man met zijn piemel uit zijn broek stond. (…)

Ze vertelde, dat ze al scheldend van de tafel was gekomen, dat ze had gezegd, ben je gek geworden. Dat hij had gezegd, het zal niet meer gebeuren. Ook vertelde ze dat ze had gezegd, dat ze wel naar een andere fysiotherapeut ging. Ze had hem gezegd dat hij getrouwd was en of hij dat bij alle patiënten had gedaan.

4.3.2

Nadere bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid van de aangeefster

Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat deze verklaringen 1) op essentiële punten vaag en te ongedetailleerd zijn, 2) vooral over de twijfels van aangeefster over haar waarnemingen gaan, 3) niet herleidbaar gebaseerd zijn op feitelijke waarnemingen en 4) mogelijk zijn ingegeven door een predispositionele houding van aangeefster. Voor zover de rechtbank hierover anders oordeelt, verbindt de raadsman aan dit laatste argument ook een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een deskundige om te onderzoeken of er op die grond aan de waarneming van de aangeefster getwijfeld dient te worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer in alle facetten en wijst het voorwaardelijk verzoek af. Ten aanzien van de eerste drie argumenten overweegt zij dat aangeefster helder, eenduidig en begrijpelijk heeft verklaard over de redenen waarom zij tot het einde van de behandeling op 11 maart 2013 heeft gewacht om bevestiging te krijgen voor haar waarnemingen middels tast. De twijfels die aangeefster over haar gevoel – in de zin van zintuiglijke waarneming – had, zijn voorstelbaar en werden vervolgens weggenomen op het moment dat zij zag wat zij had gevoeld: ongeveer 7 centimeter van de ontblote, stijve penis van verdachte. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan het door aangeefster waargenomen huid op huid contact. Ten aanzien van het laatste argument stelt de rechtbank vast dat het procesdossier geen begin van een redelijk aanknopingspunt biedt voor de stelling van de verdediging dat er bij aangeefster sprake is van een zodanige psychische gesteldheid dat vermoed kan worden dat haar waarnemingen zijn ingebeeld of anderszins niet overeenkomen met de realiteit. In de twee opmerkingen van haar echtgenoot die de raadsman aan zijn stelling ten grondslag legt, ligt zo’n aanknopingspunt in ieder geval niet besloten en de redenering van de raadsman ontbeert verder elke vorm van feitelijke ondersteuning. Nader onderzoek naar enige vorm van predispositie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet noodzakelijk.

Steunbewijs

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal en overweegt daartoe het volgende.

In het dossier bevindt zich een aangifte van de aangeefster die zij heeft gedaan de dag na de aanranding. De aangeefster heeft bij de politie een consistente, gedetailleerde verklaring afgelegd over hetgeen haar is overkomen op 11 maart 2013. Twee weken later is aangeefster wederom gehoord en heeft zij haar aangifte bevestigd. Bovendien zijn er twee getuigen gehoord, te weten [getuige 2], de echtgenoot van de aangeefster en mevrouw [getuige 1], een vriendin van de aangeefster. Deze getuigen hebben de aangeefster gesproken vlak nadat zij de behandelkamer van verdachte had verlaten. De getuigen bevestigen de verklaring van aangeefster. Zij verklaren1 dat de aangeefster over haar toeren was op het moment dat zij hen sprak. De getuigen bevestigen bovendien de verklaring van aangeefster dat zij bij eerdere behandelingen een onaangenaam gevoel heeft gehad. De aangeefster heeft verklaard dat zij eerder, in ieder geval op 5 maart 2013, het onaangename gevoel had huid op huid contact te voelen tussen haar armen en mogelijk de penis van verdachte. Wat zij eerder vermoedde maar in ieder geval op 11 maart had ervaren, werd vervolgens bevestigd toen zij na de behandeling op 11 maart 2013 snel van de behandeltafel overeind kwam en daar verdachte zag staan terwijl een deel van zijn stijve penis uit zijn broek stak.

De verklaring van aangeefster vindt voorts bevestiging in het gedrag van verdachte naderhand en het ontbreken van een redelijke verklaring van verdachte daarvoor. Zonder ook maar een enkele tegenwerping of poging tot herstel van zijn kant heeft verdachte binnen luttele uren alles in het werk gesteld om de behandeling van aangeefster aan een andere fysiotherapeut over te dragen. De enkele stelling van verdachte dat er kennelijk sprake was van een vertrouwensbreuk is voor dat handelen onvoldoende redengevend en ook overigens onbegrijpelijk in het licht van zijn eigen verklaring dat hij volstrekt niet heeft begrepen wat de reden was dat aangeefster zo boos op verdachte was geworden.

Uit het dossier komt voorts naar voren dat verdachte de aangeefster kort nadat zij de behandelkamer heeft verlaten een sms’je heeft gestuurd waarin hij zijn “oprechte excuses” aanbiedt. Deze excuses laten zich moeizaam verklaren, te meer nu verdachte stelt dat hem pas bij het tweede verhoor bij de politie duidelijk is geworden welk verwijt aangeefster hem maakt. De rechtbank acht dit overigens onaannemelijk, aangezien verdachte heeft erkend dat tijdens de escalatie aan de orde is geweest dat aangeefster en verdachte getrouwd zijn. Dit moet verdachte het idee gegeven hebben dat er sprake was van een seksueel verwijt.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het gedrag van verdachte – zijn verontschuldigingen aanbieden, geen pogingen doen om een mogelijk misverstand te bespreken of uit de wereld te helpen en de behandeling van aangeefster binnen een etmaal over te dragen – zich niet laten verklaren door de omstandigheid dat er sprake was van een voor verdachte onbegrijpelijke en niet kenbare misvatting aan de zijde van aangeefster. Wel laat dit gedrag zich verklaren door de omstandigheid dat aangeefster verdachte had betrapt op aanstootgevend gedrag.

Dwang

Met betrekking tot het verweer dat niet bewezen kan worden dat er sprake was van dwang, overweegt de rechtbank dat van door een feitelijkheid dwingen tot het dulden van handelingen als in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht bedoeld sprake is indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan.

Aangeefster lag, zo heeft verdachte erkend, op haar rug op een behandeltafel en kon verdachte op dat moment niet zien. Verdachte heeft haar onder deze omstandigheden onverhoeds benaderd, zodat zij zich hiertegen niet kon verzetten en zo door verdachte werd gedwongen die handeling – het brengen van zijn ontblote penis tegen haar armen – te dulden. De verdediging miskent in haar verweer dat aangeefster haar armen had kunnen weghalen het onverhoedse en heimelijke karakter van het handelen van verdachte. De ten laste gelegde dwang kan worden bewezen.

Opzet

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad omdat hij “zich van geen kwaad bewust was” en aldus niet willens en wetens heeft gehandeld (pleitnota, 64 en 69) en hij door de keuze om geen onderbroek te dragen niet de aanmerkelijk kans heeft willen aanvaarden dat aangeefster zijn geslachtsdeel kon voelen of zien (pleitnota, 73). Dit verweer faalt omdat het, ook in zijn eigen onderbouwing, uitgaat van de stelling van verdachte dat hetgeen aangeefster heeft verklaard onjuist is. Verdachte ontkent immers dat hij – al dan niet per ongeluk – zijn penis tegen de armen van aangeefster heeft aangedrukt. Op grond van de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen en gegeven overwegingen neemt de rechtbank echter de lezing van aangeefster tot uitgangspunt en is zij van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met opzet het slachtoffer aan de ontuchtige handeling heeft onderworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

(primair)

hij op of omstreeks 11 maart 2013 te Dordrecht door geweld en/of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen

tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk

het aanraken met zijn penis van de armen, althans het lichaam van die [slachtoffer],

waarbij het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging

met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) er uit

heeft/hebben bestaan dat

-hij die [slachtoffer] op een behandeltafel/massagetafel, althans behandelplaats

plaats heeft laten nemen en/of

-hij die [slachtoffer] zodanig heeft gepositioneerd dat zij hem, verdachte niet kon

zien en/of

-hij die ontuchtige handeling(en) onverhoeds heeft uitgevoerd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

FEITELIJKE AANRANDING VAN DE EERBAARHEID.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat aan verdachte een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis wordt opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij in verregaande mate rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is aangevoerd dat bij een straftoemeting rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De carrière van verdachte zal bij een veroordeling beëindigd zijn.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tijdens zijn werk als fysiotherapeut schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij een patiënte door haar heimelijk met zijn penis aan te raken. Door de positie waarin de patiënte zich op de behandeltafel bevond, was zij weerloos en onwetend en werd zij door verdachte gedwongen om deze handeling te dulden.

Verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze misbruik gemaakt van zijn positie als fysiotherapeut. Voor de medische relatie tussen behandelaar en patiënt is het noodzakelijk dat de patiënt zich in vertrouwen geestelijk en/of lichamelijk bloot durft te geven aan de behandelaar. Dat vertrouwen heeft verdachte op grove wijze beschaamd en daarmee niet alleen aangeefster, maar de gehele medische behandelpraktijk schade berokkend. Verdachte heeft voorts met zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat zulk gedrag schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers en leidt tot gevoelens van maatschappelijke onrust.

In de regel wordt voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid een gevangenisstraf voor de duur van drie tot zes maanden als uitgangspunt gehanteerd, afhankelijk van de ernst van de handelingen. De rechtbank zal als strafverzwarende omstandigheid bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte het feit heeft gepleegd in zijn hoedanigheid als fysiotherapeut, met alle kwalijke gevolgen voor het vertrouwen in medische beroepsbeoefenaars van dien. Als strafverminderende omstandigheid neemt de rechtbank in aanmerking dat de veroordeling naar verwachting een grote impact zal hebben op het carrièreverloop van verdachte.

De rechtbank heeft wat de persoon van de verdachte betreft gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 september 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de adviesrapportage van Reclassering Nederland van 3 juli 2013.

Door de reclassering is geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht, een meldingsgebod en een behandelverplichting. In de persoon van verdachte, zijn houding ter terechtzitting en de strekking van het rapport ziet de rechtbank aanleiding om het advies tot het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel naast zich neer te leggen. Verdachte onderkent zijn problematiek niet en staat niet open voor behandeling.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie en het advies van de reclassering onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit. De rechtbank acht naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De hieraan te verbinden proeftijd dient als extra waarschuwing voor verdachte om, gezien zijn beroep, zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden.

8 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 80 (tachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

een trainingsbroek, broek met groene bies bij onderschenen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter, mr. M. van Kuilenburg en mr. K. Helmich, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2013 te Dordrecht door geweld en/of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen

tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk

het aanraken met zijn penis van de armen, althans het lichaam van die [slachtoffer],

waarbij het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging

met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) er uit

heeft/hebben bestaan dat

-hij die [slachtoffer] op een behandeltafel/massagetafel, altahans behandelplaats

plaats heeft laten nemen en/of

-hij die [slachtoffer] zodanig heeft gepositioneerd dat zij hem, verdachte niet kon

zien en/of

-hij die ontuchtige handeling(en) onverhoeds heeft uitgevoerd;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 maart 2013 te Dordrecht zich opzettelijk oneerbaar op

een niet openbare plaats, te weten een behandelkamer van een

fysiotherapiepraktijk, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl

daarbij [slachtoffer] haars ondanks tegenwoordig was.

1 Getuigenverhoor van [getuige 2] d.d. 13 maart 2013, pag. 78 – 82 van het eindproces-verbaal