Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:8008

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
C/10/423588 / HA ZA 13-455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslag; verklaringsprocedure. Is betaald in weerwil van het beslag? Kan de verklaring worden herroepen en gewijzigd? Faillissement geëxecuteerde na beslaglegging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475h
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 477a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 477b
Faillissementswet
Faillissementswet 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2014/10
JOR 2013/352 met annotatie van mr. A. Steneker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/423588 / HA ZA 13-455

Vonnis van 2 oktober 2013

in de zaak van

de vereniging

DE VERENIGING FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. J. Keizer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HERTEL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.M. van de Sande.

Partijen zullen hierna FNV en Hertel genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 juli 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 september 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.

2.1.

Op grond van een tussen FNV en [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) op 8 januari 2013 gesloten vaststellingsovereenkomst heeft FNV een vordering op [bedrijf 1]. De vaststellingsovereenkomst is vastgelegd in een in executoriale vorm uitgegeven proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland; de vordering is dus vatbaar voor executie.

2.2.

Ter inning van deze vordering heeft FNV op 5 maart 2013 beslag gelegd onder Hertel. Tussen Hertel en [bedrijf 1] gold met ingang van 1 januari 2012 een “Raamovereenkomst Inzake het inlenen van arbeidskrachten op afroep”, op basis waarvan – samengevat – Hertel flexibele arbeidskrachten inleende van [bedrijf 1]. In de raamovereenkomst is onder meer bepaald:

“Artikel 5.1

Wekelijks worden de door flexwerkers verantwoorde uren en eventuele onkostendeclaratie van alle bij [Hertel] werkzame flexwerkers (…) ter beschikking gesteld aan [[bedrijf 1]]. Eens per week wordt (…) het door [[bedrijf 1]] te berekenen bedrag bepaald. Dit bedrag wordt, wanneer de door [[bedrijf 1]] verzonden factuur binnen is in de 2e week na de afsluiting van de betreffende periode overgemaakt. (…) [[bedrijf 1]] zal facturen opstellen op naam van [Hertel]. Op de facturen zal zijn vermeld: (…)

- afzonderlijk vermeld bedrag G-rekening / bedrag vrije rekening (…)

De facturen zullen worden betaald door overschrijving volgens de in artikel 5.2 vermelde verdeling. (…)

Artikel 5.2

De betaling gebeurt op de navolgende wijze:

Overschrijven van 70% op de vrije rekening van [[bedrijf 1]] bij: Parkerhouse Finans (…)

Artikel 5.3

Overschrijving van 30% direct naar de G-rekening (…).

Artikel 6.1

Met het oog op de eventuele aansprakelijkheid van [Hertel] voor belastingen en premies die [[bedrijf 1]] en/of zijn medewerkers verschuldigd zijn, staat het [Hertel] vrij om op tijdstippen, die haar goeddunken, die maatregelen te treffen die zij nodig acht om die aansprakelijkheid te voorkomen en/of op afdoende wijze af te dekken. (…)”

2.3.

Op 19 maart 2013 heeft Hertel aan (de gemachtigde deurwaarder van) FNV geschreven:

“Naar aanleiding van uw Verklaring derdenbeslag met betrekking tot [[bedrijf 1]] kan ik u meedelen dat wij de openstaande gelden à € 47.255,52 hebben overgemaakt naar de G-rekening van de belastingdienst (…).

Na alle publiciteit, zowel in de krant als op het Internet, met betrekking tot de organisatie [bedrijf 1], heb ik inzake de WKA “Wet Keten Aansprakelijkheid” contact gezocht met de Belastingdienst Limburg. Zij gaven mij te kennen op de hoogte te zijn van de “De zaak [bedrijf 1]”. In dit soort situaties zie ik mij genoodzaakt de openstaande gelden direct over te maken naar de G-rekening van de Belastingdienst. Uw brief en mijn betaling zullen elkaar net hebben gekruist.”

2.4.

[bedrijf 1] is op 21 mei 2013 in staat van faillissement verklaard.

3 Het geschil

3.1.

FNV vordert – samengevat – veroordeling van Hertel bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 47.255,52, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, te vermeerderen met nakosten.

3.2.

Het verweer van Hertel strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van FNV bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Hertel heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van FNV reeds moet worden afgewezen, omdat het door haar ten laste van [bedrijf 1] gelegde beslag als gevolg van het faillissement van [bedrijf 1] op de voet van artikel 33 van de Faillissementswet (Fw) is vervallen. FNV heeft dat betwist. Hierover wordt het volgende overwogen.

4.2.

Op zichzelf is juist dat, zoals Hertel betoogt, het faillissement van [bedrijf 1] tot gevolg heeft dat het door FNV ten laste van [bedrijf 1] onder Hertel gelegde beslag vervalt (artikel 33 Fw), zodat FNV in beginsel geen aanspraak maken op betaling door Hertel van de eventueel onder het beslag vallende vordering(en). De strekking van het betoog van FNV is evenwel dat [bedrijf 1] ten tijde van de beslaglegging door FNV een vordering op Hertel had van € 47.255,52 en dat Hertel dat bedrag in weerwil van het beslag aan de belastingdienst heeft betaald. Voor zover dat betoog juist is, moet in beginsel – er wordt hier geabstraheerd van de vraag of Hertel ten opzichte van de boedel bevoegd was aan de belastingdienst te betalen – worden aangenomen dat de betreffende vordering als gevolg van de betaling teniet is gegaan en dus niet onder het faillissementsbeslag valt. Ten opzichte van FNV geldt in dat geval daarentegen dat die betaling op grond van artikel 475h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet aan haar kan worden tegengeworpen, en zij (op die grond) Hertel buiten het faillissement van [bedrijf 1] om kan aanspreken alsnog aan haar te betalen. Om te beoordelen of voornoemd betoog van FNV juist is, is het noodzakelijk de door Hertel afgelegde verklaring te beoordelen. Om die reden zal de rechtbank dan ook ondanks het intussen opgetreden faillissement van [bedrijf 1] de door Hertel afgelegde verklaring beoordelen.

4.3.

Hertel heeft kennelijk op 19 april 2013 de door haar op 19 maart 2013 afgelegde verklaring herroepen en gewijzigd. Op de comparitie van partijen heeft Hertel deze verklaring verwoord als volgt. Ten tijde van de beslaglegging was Hertel € 47.255,52 verschuldigd aan [bedrijf 1]. Op grond van de met [bedrijf 1] gesloten raamovereenkomst is Hertel bevoegd 30% van deze vordering te betalen op de G-rekening van [bedrijf 1]. De overige 70% van de vordering moet Hertel betalen (niet aan [bedrijf 1], maar) aan Deutsche Bank, nu de vordering van [bedrijf 1] op Hertel openbaar is verpand aan Deutsche Bank. Daarbij beroept Hertel zich op een opschortingsrecht, zowel op grond van artikel 6:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als op grond van de raamovereenkomst.

Volgens Hertel heeft zij in de paniek rondom de berichten op internet en in de kranten over [bedrijf 1] ten tijde van de beslaglegging, de onderhavige vordering aan de belastingdienst betaald, en heeft zij thans geconstateerd dat zij dat onverschuldigd heeft gedaan. Het betoog van Hertel komt er aldus op neer dat de vordering van [bedrijf 1] op Hertel nog geheel openstaat, doch niet (op grond van het door FNV gelegde beslag) aan FNV ten goede komt.

4.4.

FNV heeft in de eerste plaats betwist dat het Hertel vrij stond haar verklaring te herroepen en te wijzigen. Volgens FNV is Hertel aan de verklaring van 19 maart 2013 gebonden, temeer omdat zij ingevolge die verklaring een betaling heeft gedaan (aan de belastingdienst). Dit betoog wordt verworpen.

4.5.

Het staat de derde-beslagene in beginsel vrij een afgelegde verklaring te herroepen, behoudens – voor zover hier van belang – het geval dat deze zijn recht heeft verwerkt zich erop te beroepen dat hij een onjuiste verklaring heeft afgelegd. Achtergrond hiervan is onder meer dat een derde-beslagene door het beslag niet in een nadeliger positie moet worden gebracht. Dat brengt onder meer mee dat de derde-beslagene, voor zover hij, als geen beslag was gelegd, tegenover zijn crediteur ([bedrijf 1]) zou hebben kunnen terugkomen op zijn mededeling, (ook) tegen de beslaglegger kan terugkomen op zijn verklaring. In beginsel moet er dus van worden uitgegaan dat Hertel haar verklaring kon herroepen en wijzigen. Dat is alleen anders als, zoals FNV stelt, aangenomen moet worden dat Hertel door de betaling aan de belastingdienst van de vordering van [bedrijf 1] op haar het recht heeft verwerkt haar verklaring te herroepen en wijzigen. Of dat het geval is, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval. Daarbij zij vooropgesteld dat, anders dan FNV betoogt, het enkele feit dat Hertel aan de belastingdienst heeft betaald hiervoor niet voldoende is. De onderhavige situatie onderscheidt zich op relevante punten van de door FNV aangehaalde situatie – die in de literatuur wel is genoemd als voorbeeld van een geval waarin de derde zijn recht heeft verwerkt de verklaring te herroepen – waarin de derde-beslagene overeenkomstig zijn verklaring aan de beslaglegger betaalt. In die situatie kan worden aangenomen dat aan de geëxecuteerde is betaald (in de zin van artikel 477b lid 1 Rv), zodat de beslagene, voor zover hij (achteraf) meent dat er (bijvoorbeeld) geen vordering was, of de vordering aan een derde (bijvoorbeeld een pandhouder) betaald moest worden, het aan de beslaglegger (onverschuldigd) betaalde moet terugvorderen van de geëxecuteerde. De betaling aan de belastingdienst kan evenwel niet worden aangemerkt als een betaling aan [bedrijf 1], nu geen rechtsgrond is gesteld of gebleken op grond waarvan FNV aan de belastingdienst moest betalen en er ook anderszins geen gronden zijn aan te nemen dat het als een betaling aan de geëxecuteerde moet worden aangemerkt. Hertel zal desgevraagd gehouden te zijn nog een keer te betalen, en wel aan degene die aanspraak kan maken op het door Hertel verschuldigde bedrag – FNV als beslaglegger, Deutsche Bank als pandhouder of [bedrijf 1] (in de zin van de failliete boedel). De betaling aan de belastingdienst leidt er in die zin dus slechts toe – zoals Hertel ook onderkent – dat Hertel deze als onverschuldigd terug zal moeten vorderen. Daarbij is niet relevant of Hertel intussen al dan niet aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling door de belastingdienst; bewerkstelligen dat die terugbetaling uiteindelijk plaatsvindt is aan Hertel. FNV staat daar buiten.

4.6.

De voor de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking overige relevante omstandigheden zijn dat, zoals Hertel heeft betoogd, de eerste verklaring en de daarmee samenhangende betaling aan de belastingdienst zijn ingegeven door paniek aan de zijde van Hertel als gevolg van negatieve berichtgeving omtrent [bedrijf 1] en inlichtingen en advies die vervolgens van de belastingdienst zijn ontvangen, alsmede dat Hertel reeds binnen een maand is teruggekomen op haar verklaring, terwijl gesteld noch gebleken is dat FNV tussen de verklaring van 19 maart en de herroeping van die verklaring op 19 april nadeel heeft geleden doordat Hertel in eerste instantie een onjuiste verklaring heeft afgelegd. Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat Hertel niet het recht heeft verwerkt om op haar verklaring terug te komen.

4.7.

De conclusie is dat Hertel haar verklaring mocht herroepen en wijzigen. Daarmee komt de rechtbank toe aan toetsing van die (gewijzigde) verklaring.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt Hertel zich terecht op het standpunt dat zij alleen bevrijdend kan betalen aan de pandhouder. Daarbij kan in het midden blijven of Hertel een deel van de vordering kan voldoen door betaling op de G-rekening van [bedrijf 1]. Immers, voor zover dat niet het geval is, moet worden aangenomen dat ook dit deel van de vordering onder het pandrecht van Deutsche Bank valt. Het gaat hier met andere woorden om een omstandigheid die alleen van belang is in de relatie tussen Hertel en de pandhouder.

Dat de vordering van [bedrijf 1] op Hertel openbaar is verpand aan Deutsche Bank volgt uit de raamovereenkomst, bezien in samenhang met de door [bedrijf 1] aan Hertel ingevolge deze raamovereenkomst verstuurde facturen. Hertel heeft betoogd dat bij de totstandkoming van de raamovereenkomst expliciet is besproken dat (de rechtsvoorganger van) Deutsche Bank een pandrecht had op (onder meer) de vorderingen van [bedrijf 1] op Hertel, en dat om die reden in de raamovereenkomst is bepaald (in artikel 5.2) dat de vordering betaald moet worden op de rekening van [bedrijf 1] bij de rechtsvoorganger van Deutsche Bank. Dit wordt bevestigd door het feit dat op de facturen van [bedrijf 1] staat vermeld:

“Onze vordering op u is door ons verpand aan Deutsche Bank AG, kantoor Amsterdam (…). Rechtsgeldige betaling kan uitsluitend geschieden door (…) te betalen aan Deutsche Bank AG (…).”

4.9.

FNV heeft betoogd dat de beoogde verpanding niet is geslaagd, omdat in de algemene voorwaarden van Hertel, die op de raamovereenkomst van toepassing zijn, een verpandingsverbod is opgenomen. Dit betoog faalt. Weliswaar kan de mogelijkheid van verpanding worden uitgesloten door een beding tussen de schuldeiser en de schuldenaar (artikel 3:83 BW), maar kennelijk is dat tussen Hertel en [bedrijf 1] niet overeengekomen. Zoals Hertel terecht heeft betoogd, is in de raamovereenkomst bepaald dat de raamovereenkomst voorgaat op de algemene voorwaarden. Nu in de raamovereenkomst is bepaald (zie hiervoor) dat de vordering van [bedrijf 1] op Hertel openbaar is verpand aan Deutsche Bank, is Hertel er kennelijk mee akkoord gegaan dat is afgeweken van het in haar algemene voorwaarden opgenomen verpandingsverbod.

4.10.

De conclusie is dat Hertel – behoudens de eventuele mogelijkheid 30% van de vordering op de G-rekening van [bedrijf 1] te storten, welke mogelijkheid voor de beoordeling van de onderhavige kwestie niet van belang is – alleen bevrijdend kan betalen aan de pandhouder, Deutsche Bank. Het recht van de pandhouder gaat vóór het verhaalsrecht van FNV en gesteld noch gebleken is dat er een overschot is. Hertel is dan ook niet gehouden een bedrag aan FNV te betalen; van een betaling in weerwil van het beslag is geen sprake. De vordering van FNV wordt dus afgewezen.

4.11.

Wat de kostenveroordeling betreft wordt het volgende overwogen. In het feit dat Hertel aanvankelijk een onjuiste verklaring heeft afgelegd ziet de rechtbank geen aanleiding Hertel in de proceskosten te veroordelen. Uit het debat tussen partijen volgt dat FNV het ook met de gewijzigde verklaring niet eens was. Aangenomen moet dan ook worden dat ook als direct een juiste verklaring was afgelegd, een procedure zou zijn gevolgd. FNV zal dan ook als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hertel worden begroot op:

- griffierecht € 1.836,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal €  3.624,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt FNV in de proceskosten, aan de zijde van Hertel tot op heden begroot op € 3.624,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2013.

[2148/1729]