Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:7781

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
ROT 12/1024
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder weigert gemeentelijke monumentenstatus van een object in te trekken. Na de bestuurlijke lus volhardt verweerder in zijn standpunt dat het object de monumentenstatus blijft behouden. Nu op basis van een deskundig rapport dient te worden vastgesteld dat de belangrijke kenmerken van de redengevende omschrijving niet meer op het object van toepassing zijn en verweerder niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er desondanks nog goede redenen zijn op de status van het object als beschermd monment te behouden, is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat een bescherming van het object als gemeentelijk monument niet langer gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 12/1024

einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2013 in de zaak tussen

[eisers],

gemachtigde: mr. A.P. Cornelissen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goedereede, thans het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 24 januari 2012 (het bestreden besluit), waarbij hun bezwaar tegen het primaire besluit van 14 juli 2011 - bij welke verweerder heeft geweigerd de gemeentelijke monumentenstatus van [het object] in te trekken -, onder aanvulling van de motivering van het primaire besluit, ongegrond is verklaard.

In de tussenuitspraak van 6 december 2012 als bedoeld in artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank - samengevat - geoordeeld dat verweerder niet voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom in dit geval de gemeentelijke monumentenstatus van het object behouden dient te blijven. De rechtbank heeft verweerder daarbij in de gelegenheid gesteld de geconstateerde gebreken binnen zes weken te herstellen.

Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft op 10 januari 2013 het bestreden besluit aangevuld. Eisers hebben bij brief van 13 februari 2013 hun zienswijzen gegeven over verweerders wijze van herstel van het gebrek.

Partijen zijn bij brief van 24 juni 2013 geïnformeerd dat een andere rechter de behandeling van de zaak heeft overgenomen. Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven voor het afdoen van deze zaak door een andere rechter en het achterwege laten van de nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Voor de relevante feiten en de toepasselijke regelgeving verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft overwogen in de tussenuitspraak van 6 december 2012. Deze maakt deel uit van deze einduitspraak.

2.

In de tussenuitspraak van 6 december 2012 heeft de rechtbank erop gewezen dat de kern van een aanwijzing tot monument wordt gevormd door de zogenoemde redengevende omschrijving waarin kort gezegd de in het bijzonder te beschermen monumentale waarden van het aan te wijzen object zijn omschreven. Bij de aanwijzing in 2001 van het onderhavige object als beschermd gemeentelijk monument, wordt als redengevende omschrijving van het object vermeld: “Vrijstaande schuur op rechthoekige plattegrond tussen twee puntgevels, waar zich tevens de inrijdeuren bevinden. Staldeuren in langsgevel. Aanbouw tegen rechterlangsgevel. Voorts worden daarbij beschrijvingen gegeven van de gevels, vensters/deuren, het dak, bijzondere bijgebouwen en de groenaanleg. Daarnaast wordt als motivatie voor plaatsing van de redengevende beschrijving vermeldt: “Vrij gaaf. Karakteristiek voor streek/periode”.

De rechtbank heeft het vervolgens, mede in het licht van de uitgebreide rapportage van de deskundige van eisers, het Monumenten Advies Bureau (MAB), inclusief foto’s, onverklaarbaar geacht dat verweerder, in aansluiting op de adviezen van de monumentencommissie, heeft gesteld dat de redengevende omschrijving niet zou zijn veranderd. Met het verlenen van medewerking aan diverse door eisers aangevraagde vergunningen is de plaatselijk bekende traditionele architectuur veranderd. Belangrijke kenmerken van de redengevende omschrijving, waaronder de architectonische waarde, de ensemblewaarde en de regionale uniciteit, zijn (nagenoeg) niet meer op het object van toepassing. De schuur is door een ingrijpende renovatie wat betreft de verschijningsvorm met details verminkt geraakt en bezit nog zeer weinig authentieke onderdelen. In de schuur zijn, na een herbouw, slechts enkele fragmenten van de oude constructie opnieuw ingepast. De schuur is nu gaaf, de woning is er aangebouwd en er klopt van de uitvoerige beschrijving van de redenerende omschrijving van het object, inclusief het kavel, niet veel meer. De historische ensemblewaarde, zoals deze tot uitdrukking komt in de redengevende omschrijving, is anders nu het erf nog nauwelijks overeenkomt met dat van 2000. De erfinrichting heeft niets meer van doen met een historisch boerenerf, maar eerder met dat van een buitenhuis, met fraaie siertuinen, borders en lanen. Voorts is door de bouw van de woning aan de schuur de uniciteit van het complex teniet gegaan. De redengevende omschrijving is zo goed als volledig achterhaald.

Nu de advisering van de monumentencommissie, zowel in bezwaar als in beroep, op belangrijke onderdelen niet duidelijk is geweest en niet op een deugdelijke motivering berust, had verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet - zonder meer - op de adviezen van de monumentencommissie mogen baseren en heeft verweerder niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom in dit geval de gemeentelijke monumentenstatus van het object behouden dient te blijven. Omdat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat verweerder in staat moet worden geacht alsnog binnen niet al te lange termijn een voldoende draagkrachtige motivering ter zake van de monumentenstatus van het object te kunnen leveren, heeft de rechtbank aanleiding gezien verweerder de gelegenheid te bieden om, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

3.

De rechtbank heeft nu te beoordelen of verweerder in zijn brief van 10 januari 2013 zijn bestreden besluit alsnog voldoende heeft gemotiveerd en daarmee de gebreken heeft hersteld.

3.1

De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat de monumentencommissie in haar reactie van 21 december 2012 op de tussenuitspraak geen reden heeft gezien het eerder uitgebrachte advies te herzien.

3.2

Vervolgens heeft verweerder bij brief van 10 januari 2013, zonder zich daarbij inhoudelijk over de reactie van de monumentencommissie van 21 december 2012 uit te laten, op basis van de systematiek in de waarderingsmatrix van de Stichting Dorp, Stad & Land, een nadere motivering van de waardering op relevante aspecten verstrekt.

- Cultuurhistorisch gezien acht verweerder het gebouw geschiedkundig voor de streek en regio van belang. Het gaat hier om bescherming van een schuur, karakteristiek voor de streek in de periode 1800 - 1850, met een historische waarde.

- Architectonisch gezien acht verweerder de bouwstijl goed herleidbaar tot een erkende plaatselijk bekende architectuur. Door de vernieuwing is niet de stijl en de plaatselijke architectuur verdwenen. De authentieke waarde van de schuur acht verweerder niet veranderd. De redengevende omschrijving voor dit object is vooral gericht op de schuur in zijn verschijningsvorm en niet op fragmenten uit de constructie.

- Wat betreft de situering merkt verweerder op dat de bedrijfsschuur mede door zijn omvang markant zichtbaar is in het buitengebied en de herkenbaarheid als “voormalig” land- en tuinbouwcomplex feitelijk vrijwel ongewijzigd is. Juist door het verwijderen van twee kleine bijgebouwen heeft de schuur volgens verweerder op het perceel eerder meer accent gekregen dan minder.

- Technisch gezien hebben de restauraties niet alleen tot verlies van details geleid maar ook een structureel behoud gewaarborgd.

Op basis hiervan is verweerder van mening het verzoek van eisers op goede gronden te hebben afgewezen.

4.

In hun zienswijze stellen eisers het onbegrijpelijk te vinden dat de monumentencommissie opnieuw de waarde van de matrix ter discussie heeft gesteld en heeft geweigerd op basis daarvan een herbeoordeling te maken. Met het herstelbesluit, dat zonder steun van enig deskundigenadvies tot stand is gekomen, achten eisers voorts het motiveringsgebrek niet hersteld.

5.

De rechtbank overweegt dat zij in haar tussenuitspraak heeft geoordeeld dat verweerder, wanneer een verzoek om intrekking van de gemeentelijke monumentenstatus wordt gedaan, zal moeten (her)beoordelen of de score uit de redengevende omschrijving, gebaseerd op de meergenoemde matrix, nog steeds actueel is. Hoewel verweerder heeft erkend dat aan de hand van de waarderingsmatrix een herbeoordeling kan worden gemaakt en de monumentencommissie haar advies van 21 oktober 2011 mede op basis van dezelfde matrix heeft gebaseerd, maakt de rechtbank uit het advies van de monumentencommissie van 21 december 2012 op dat zij zich (ter zake van de waarderingsmatrix) niet kan vinden in de tussenuitspraak van 6 december 2012.

5.1

De rechtbank begrijpt uit de brief van verweerder van 10 januari 2013 dat hij zich niet (volledig) kan verenigen met de monumentencommissie, nu hij wel aan de hand van de waarderingsmatrix een nadere motivering heeft verstrekt. Deze motivering, die zonder de expertise van een deskundige tot stand is gekomen, bevat naar het oordeel van de rechtbank evenmin een deugdelijke grondslag op basis waarvan in dit geval de gemeentelijke monumentenstatus van het object behouden dient te blijven.

5.1.1

In dit verband overweegt de rechtbank de visie van het (gemeentelijk) monumentenbeleid, om waarden te waarborgen in de vorm van “Behoud door Ontwikkeling”, in beginsel te kunnen onderschrijven. Het behoud van monumenten is immers vrijwel niet mogelijk zonder restauratie en verbetering. In de onderhavige kwestie is de plaatselijk bekende traditionele architectuur door het verlenen van medewerkingen aan vergunningen echter zodanig veranderd dat - kort gezegd - van een historisch casco met historische constructies en gevels nagenoeg geen sprake meer is. Bovendien volgt uit de tussenuitspraak dat de redengevende omschrijving zo goed als volledig is achterhaald. Dat de schuur markant zichtbaar is in het buitengebied, zoals verweerder (wederom) uitvoerig (op basis van zijn eigen deskundigheid) in zijn nadere motivering benadrukt, wordt evenmin door de rechtbank ontkend. Van belang is echter in dit geval de vraag of een gebouw nog goed herkenbaar is als een historisch gebouw met een authentieke constructie. Voorts was voor de regio het vrijstaande karakter van de schuur een bijzonder kenmerk, welk kenmerk door de woning aan de schuur vast te bouwen is komen te vervallen. Met zijn nadere motivering heeft verweerder al de constateringen van de rechtbank in haar tussenuitspraak, die er kort gezegd op neerkomen dat ter zake van de situering de uniciteit aanwijsbaar is aangetast en de ensemblewaarde is verminderd alsmede dat er onmiskenbaar sprake is van een verminking van de architectuur, niet afdoende aannemelijk kunnen maken dat er desondanks nog goede redenen zijn om de status van het object als beschermd monument te behouden.

5.1.2

De redenering van verweerder, dat de redengevende omschrijving vooral gericht is op de verschijningsvorm en niet zo zeer op details, kan de rechtbank niet onderschrijven, omdat de subcategorie “verminking” wel degelijk over details gaan. Onder verwijzing naar het advies van het MAB is vastgesteld dat nagenoeg alle details die in de redengevende omschrijving zijn genoemd, zijn verdwenen. Dat, aldus verweerder, de ensemblewaarde juist vergroot zou zijn omdat de bijgebouwen zouden zijn verdwenen, kan de rechtbank evenmin volgen. In de redengevende omschrijving worden de bijgebouwen juist als bijzonder aangemerkt. Daarnaast merkt de rechtbank op dat verweerder zich niet heeft uitgelaten over de omstandigheid dat de schuur oorspronkelijk los van de woning was gebouwd. Evenmin wordt iets gezegd over de situatie dat het boerenerf ingrijpend is veranderd in een moderne tuin. Verweerder volhardt slechts in zijn standpunt dat de schuur dan wel het kavel zijn monumentwaarde heeft behouden.

6.

In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder met zijn heroverweging van 10 januari 2013 er niet in is geslaagd het motiveringsgebrek van het bestreden besluit voldoende te herstellen.

7.

Gelet hierop is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. Gelet op de, tegengesteld aan de overwegingen van de tussenuitspraak, standvastige opstelling van verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet opnieuw de gelegenheid dient te krijgen om de motivering te herstellen. Teneinde het geschil definitief te beslechten, ziet de rechtbank in dit specifieke geval derhalve aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Nu op basis van het verhandelde ter zitting en de gedingstukken, waaronder het deskundige rapport van het MAB, dient te worden vastgesteld dat de belangrijke kenmerken van de redengevende omschrijving (nagenoeg) niet meer op het object van toepassing zijn, en verweerder (ook in zijn heroverweging) niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er desondanks nog goede redenen zijn om de status van het object als beschermd monument te behouden, is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat een bescherming van het object als gemeentelijke monument niet langer gerechtvaardigd is. De rechtbank zal het verzoek van eisers tot het intrekken van de gemeentelijke monumentenstatus van het object daarom toewijzen.

8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

9.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2124,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze van 13 februari 2013 met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, zoals aangevuld bij brief van 10 januari 2013,

  • -

    herroept het primaire besluit,

  • -

    bepaalt dat de gemeentelijke monumentenstatus van het object op grond van artikel 9 van de Erfgoedverordening wordt ingetrokken,

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 156,- vergoedt,

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2124,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ‘t Laar, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Vermaat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.