Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:7738

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
10/700009-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft, onder invloed van alcohol en drugs, in de nacht van 4 op 5 januari 2013 opzettelijk op een uiterst brute en volstrekt zinloze wijze zijn vriendin tijdens een ruzie gedood en aldus aan een 44-jarige vrouw haar kostbaarste bezit - het leven - ontnomen. De verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning eerst meerdere malen met zijn vuist tegen diverse lichaamsdelen geslagen, waarna hij naar de keuken is gegaan om een grillpan te pakken waarmee hij het slachtoffer vervolgens meerdere malen op/tegen het hoofd heeft geslagen. Ten slotte heeft de verdachte - terwijl het slachtoffer buiten bewustzijn op de grond lag en de verdachte in de veronderstelling verkeerde haar reeds te hebben dood geslagen - de kleding en het lichaam van het slachtoffer in brand gestoken teneinde zijn sporen te wissen, waarna het slachtoffer uiteindelijk tengevolge van voormelde combinatie van factoren is overleden.

Gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/700009-13

Datum uitspraak: 3 oktober 2013

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. T.R. Hüpscher te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2013.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 (impliciet primair: moord) en 3 ten laste gelegde (in meerdaadse samenloop);

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar.

AANLEIDING ONDERZOEK

Op zaterdag 5 januari 2013, omstreeks 04:57 uur, krijgt de politie een melding van brand in een woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam. Ter plaatse gekomen wordt de toegangsdeur van het portiek geopend door een getuige. De politie ziet bij pand 284 veel rook in de woning en ruikt een sterke brandlucht. Er wordt meerdere malen op de deur en de ramen gebonkt waarop geen reactie komt. Om 05.07 uur komt de brandweer ter plaatse. Zij forceren de toegangsdeur van de woning en er gaan vervolgens drie brandweerlieden naar binnen. Om 05.12 uur komen de brandweerlieden weer naar buiten. Zij delen mede dat er een persoon in de woning aanwezig is maar dat medische hulpverlening niet meer nodig is.

De politie betreedt de woning en in de woonkamer op de vloer naast de salontafel wordt het levenloze lichaam aangetroffen van een vrouw van wie later blijkt dat zij in leven was genaamd: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna: het slachtoffer.

DE VASTSTAANDE FEITEN

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten, nu deze feiten door de officier van justitie, noch door de verdediging zijn weersproken.

Tijdens het onderzoek ter plaatse is er contact met een getuige die verklaart dat het slachtoffer in het weekeinde het café The Buccaneer bezocht. Naar aanleiding van deze verklaring wordt een onderzoek ingesteld in dit café. Een getuige aldaar verklaart dat het slachtoffer op 5 januari 2013, omstreeks 01:00 uur, het café had verlaten in het gezelschap van [persoon 1] en [bijnaam verdachte].

Bij de woning van het slachtoffer wordt gesproken met de ter plaatse gekomen [getuige] die verklaart dat zij op zaterdag 5 januari 2013, tot omstreeks 02:15 uur, met het slachtoffer en [bijnaam verdachte] in café The Buccaneer was. Toen zij naar huis ging zijn het slachtoffer en [bijnaam verdachte] ook weggegaan.

Ter plaatse van het misdrijf meldt zich de bovenbuurvrouw van het slachtoffer. Zij verklaart dat zij zaterdag 5 januari 2013 tussen 02:30 uur en 02:45 uur gebonk uit de woning van het slachtoffer hoorde komen.

Op camerabeelden van de centrale hal van het flatgebouw is te zien dat op 5 januari 2013 om 02:21 uur het latere slachtoffer samen met een man bij de flat komt en dat beiden naar boven gaan. Deze man verlaat diezelfde nacht om 02:50 uur het flatgebouw.

Ter plaatse van het misdrijf meldt zich een man genaamd[verdachte]. [verdachte] wordt herkend als de vriend van het slachtoffer die [bijnaam verdachte] wordt genoemd.[verdachte] wordt vervolgens overgebracht naar het politiebureau om een getuigenverklaring af te leggen. Tijdens dit overbrengen verklaart[verdachte] dat hij een relatie had met het slachtoffer en dat hij haar op vrijdag 4 januari 2013 nog had gezien en dat hij woorden met haar had gehad. Er wordt daarbij gezien dat[verdachte] mank loopt en wonden aan zijn vingers heeft.

Naar aanleiding van deze bevindingen en de opmerkingen van [verdachte] wordt contact opgenomen met de officier van Justitie die vervolgens beveelt om[verdachte] als verdachte aan te houden.

DE VERKLARINGEN VAN DE VERDACHTE

De verdachte is achtereenvolgens op 5 januari 2013, op 6 januari 2013, op 11 januari 2013, op 16 januari 2013 en ten slotte op 5 april 2013 door de politie gehoord.

Tijdens deze verhoren heeft de verdachte op hoofdpunten telkens consistent en gedetailleerd verklaard. Zo heeft de verdachte tijdens het eerste verhoor op 5 januari 2013 verklaard dat in de woning ruzie ontstond met [slachtoffer], dat zij op enig moment zijn mes van de tafel heeft gepakt, dat hij dat mes uit haar handen heeft geslagen, dat hij haar met zijn rechter vuist hard in het gezicht heeft geslagen waarna een worsteling ontstond, dat hij een grillpan heeft gepakt en haar daarmee een paar keer op het hoofd heeft geslagen waarna[slachtoffer] stil op de grond bleef liggen. De verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens voelde of zij nog een hartslag had en nog ademde. Omdat hij niets meer voelde en hoorde, dacht hij dat [slachtoffer] dood was. Vervolgens heeft de verdachte verklaard dat hij een stuk karton van de tafel heeft gepakt en dit met zijn witte aansteker in brand heeft gestoken en dit brandende stuk karton naast [slachtoffer] op de grond heeft laten vallen, omdat hij zijn sporen wilde wissen. Tevens heeft de verdachte verklaard dat hij in de keuken de rechter knop van het gasstel heeft opengedraaid om zijn sporen te wissen. In alle daarop volgende verhoren - met uitzondering van die van 11 januari 2013 nu tijdens dit verhoor in het geheel niet is gesproken over de gebeurtenissen in de nacht van 4 op 5 januari 2013 - is de verdachte bij deze lezing van het gebeurde gebleven, in die zin dat hij steeds opnieuw heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geslagen (met een pan) en dat hij haar in brand heeft gestoken.

Eerst ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd niet op waarheid berusten. De verdachte stelt dat hij die verklaringen, met name over het in brand steken van [slachtoffer], onder druk heeft afgelegd, omdat hij: “gek werd in dat celletje”. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] uitsluitend in één sessie van 4 tot 8 klappen met zijn vuist in haar gezicht heeft geslagen, omdat zij hem probeerde te steken en hem met een pan tegen de ribben sloeg. Daarna heeft hij de pan in de keuken gezet, zijn handen gewassen, zijn tas met spullen gepakt en is hij, zonder nog te hebben onderzocht hoe [slachtoffer] eraan toe was, weggegaan. De verdachte ontkent ter terechtzitting dat hij [slachtoffer] meerdere malen met een pan op/tegen het hoofd heeft geslagen, haar vervolgens in brand heeft gestoken en een knop van het gasfornuis heeft open gedraaid.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de verdachte in het geheel niet heeft onderbouwd waaruit de druk bestond die op hem door de verbalisanten zou zijn uitgeoefend teneinde hem te bewegen een bekennende verklaring af te leggen. Voorts blijkt uit de verhoren niet dat op de verdachte ontoelaatbare druk is uitgeoefend. Weliswaar heeft het eerste verhoor van 5 januari 2013, waarvan de letterlijk uitgewerkte tekst zich in het dossier bevindt, ruim 4 uur geduurd en is de verdachte tijdens dit verhoor – waarin hij aanvankelijk ontkent bij de dood van [slachtoffer] betrokken te zijn geweest – bij herhaling voorgehouden dat zijn verhaal niet klopt en dat hij de waarheid moet vertellen, echter dit levert geen ontoelaatbare druk op. Evenmin blijkt uit de verhoren dat door de verbalisanten aan de verdachte bepaalde toezeggingen zijn gedaan in ruil voor een bekennende verklaring.

Uit de verhoren komt juist naar voren dat de verbalisanten geen informatie uit het onderzoek aan de verdachte hebben verstrekt, maar open vragen hebben gesteld waarop de verdachte telkens informatie heeft verschaft. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij de rechter knop van het gasstel heeft opengedraaid en is door de brandweer inderdaad de meest rechtse knop (van de vier knoppen) van het gasfornuis in volledig geopende stand aangetroffen. Gelet hierop is de conclusie gerechtvaardigd dat de verdachte over daderwetenschap beschikte.

Daarbij komt nog dat de verdachte niet uitsluitend meerdere malen tegenover de politie heeft verklaard dat en op welke wijze hij[slachtoffer] in brand heeft gestoken. Ook ten overstaan van de rechter-commissaris, de psychiater, de psycholoog en de reclassering heeft de verdachte dit verklaard en heeft de verdachte op geen enkel moment deze verklaring ingetrokken of gewijzigd. Zo heeft de verdachte op de vraag van de rechter-commissaris of hij mevrouw [slachtoffer] in de brand heeft gestoken toen zij op de grond lag, verklaard: “Ik heb een papier in mijn handen gehad en aangestoken en …ja.”.

De verklaringen die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd worden derhalve als zijnde volstrekt ongeloofwaardig terzijde gesteld.

BEWIJSVERWEER TEN AANZIEN VAN FEIT 1

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1, overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde pleitnotities, het verweer gevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs van dit feit dient te worden vrijgesproken, aangezien de verdachte ontkent de brand te hebben gesticht en de brand kan zijn ontstaan doordat het slachtoffer, dat nog leefde toen de verdachte haar woning verliet, heeft getracht een sigaret op te steken. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de doodsoorzaak van het slachtoffer niet is komen vast te staan, maar dat de aangetroffen concentraties van allerlei stoffen in het lichaam van het slachtoffer (zoals ethanol, lorazepam, cocaïne etc. en de combinatie daarvan) mogelijk het intreden van de dood kunnen verklaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals hiervoor reeds is overwogen houdt de rechtbank de verdachte aan zijn tegenover de politie afgelegde bekennende verklaringen, onder andere inhoudende dat hij met zijn witte aansteker een stuk karton in brand heeft gestoken, dat hij dit brandende stuk karton naast[slachtoffer] op de grond heeft laten vallen en dat hij zag dat haar jas direct in brand stond.

Bovendien past deze verklaring van de verdachte bij hetgeen in het Aanvullend brandtechnisch onderzoek d.d. 2 september 2013 wordt gerelateerd, namelijk:

“Geconcludeerd kan worden dat deze onderzoeksresultaten aangeven dat het veel waarschijnlijker is dat de brand is ontstaan door een stuk papier aan te steken met een aansteker dan doordat de brand is ontstaan door een brandende sigarettenpeuk, al dan niet in combinatie met gemorste jenever, dan wel een soortgelijke sterke drank.”.

Het eerste deel van het verweer van de raadsman omtrent de oorzaak van de brand, wordt derhalve verworpen. Resteert de vraag of de dood van het slachtoffer aan het handelen van de verdachte is toe te rekenen. Deze vraag zal hierna worden beantwoord.

FORENSISCH ONDERZOEK NFI

Op het lichaam van het slachtoffer is door drs. P.M.I. van Driessche, arts en patholoog bij het NFI, sectie verricht. Uit dit sectierapport d.d. 3 april 2013 komt - voor zover relevant - het volgende naar voren.

Op het lichaam van het slachtoffer werden tekenen van inwerking van uitwendig thermisch geweld, zijnde hitte-inwerking, zoals ten gevolge van een (moment van) brand waargenomen. De koolmonoxideconcentratie bij sectie betrof 2,4%, dit is onvoldoende om het overlijden te verklaren. Alhoewel er geen roet in de luchtwegen werd aangetroffen waren er wel tekenen van hitte-inwerking (verbranding) aan de slijmvliezen van de luchtwegen, zoals passend bij inademing van hete lucht en hete gassen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het slachtoffer nog in leven was ten tijde van een moment van brand.

Er waren aan het hoofd letsels, bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, zoals door geslagen worden (al dan niet met een voorwerp), getrapt worden, vallen, etc. De schedel en hersenen toonden onderliggend geen traumatisch letsel. Letsel aan het hoofd kan leiden tot mogelijk bewustzijnsverlies, dit kan aan de hand van sectiebevindingen niet worden aangetoond. Derhalve zouden deze letsels een rol gespeeld kunnen hebben bij het zich niet onttrekken aan een schadelijke situatie (zoals een brand).

De halsspieren toonden enkele bloeduitstortingen, bij leven opgelopen door OF inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld (zoals door geslagen worden, getrapt worden, ..) OF inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld aan de hals (door bijvoorbeeld wurghandelingen). Het tongbeen en het strottenhoofd toonden geen letsel. Bij toxicologisch/biochemisch onderzoek werden geen aanwijzingen aangetroffen voor schade aan de schildklier. (Bij samendrukkend geweld aan de hals kan bewustzijnsverlies optreden, hetgeen een rol gespeeld kan hebben bij het zich niet onttrekken aan een schadelijke situatie).

Bij toxicologisch onderzoek werden naast een lage concentratie koolmonoxide meerdere stoffen aangetroffen, zijnde ethanol, lorazepam, cocaïne (en omzettingsproducten hiervan), nortriptyline en amitriptyline. De aangetroffen concentraties stonden de toxicoloog toe te concluderen dat de aanwezige ethanol, lorazepam en tricyclische antidepressiva mogelijk het bewustzijn hebben beïnvloed (en zo mogelijk een rol gespeeld kunnen hebben bij het zich niet onttrekken aan een schadelijke situatie). Verder stonden de aangetroffen concentraties toe te concluderen dat deze stoffen in combinatie een bijdrage geleverd kunnen hebben aan het intreden van de dood of zelfs mogelijk het intreden van de dood kunnen verklaren.

Het overlijden kan derhalve zeer goed verklaard worden door inademing van hete rook en hete gassen in combinatie met intoxicatie met meerdere stoffen. Mogelijk dat geweld aan de hals aan het overlijden heeft bijgedragen, aldus arts en patholoog Van Driessche.

Door dr. B.E. Smink, apotheker-toxicoloog bij het NFI, is toxicologisch onderzoek verricht in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer. Uit dit toxicologisch rapport d.d. 28 maart 2013 komt - voor zover relevant - het volgende naar voren.

In het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] zijn ethanol, lorazepam, cocaïne en omzettingsprodukten (benzoylecgonine en methylecgonine), nortriptyline en amitriptyline aangetoond. In het bloed van [slachtoffer] is een carboxyhemoglobine gehalte van 2,4 % gemeten. Deze concentratie is aan te merken als "achtergrondconcentratie".

Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer] kan zijn beïnvloed door de aanwezige ethanol, lorazepam en tricyclische antidepressiva. Echter de mate van effecten zijn afhankelijk van de gewenning.

De combinatie van stoffen kan een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden van [slachtoffer]. Afhankelijk van de mate van gewenning aan de ingenomen/toegediende stoffen en bij uitsluiting van andere doodsoorzaken zouden de resultaten van het toxicologisch onderzoek het overlijden kunnen verklaren.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van voornoemde NFI-deskundigen over en maakt deze tot de hare.

IS DE DOOD VAN HET SLACHTOFFER TOE TE REKENEN AAN HET HANDELEN VAN DE VERDACHTE?

De rechtbank dient te beoordelen of de dood van het slachtoffer door het handelen van de verdachte is veroorzaakt.

De Hoge Raad heeft in de Groninger HIV-zaak (HR 27 maart 2012, LJN: BT6362) benadrukt dat voor het vaststellen van causaal verband niet noodzakelijk is dat alle mogelijke alternatieve scenario’s met zekerheid kunnen worden uitgesloten. De Hoge Raad noemde het een uitzonderlijk type geval waarin niet zonder meer kon worden vastgesteld dat een gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg, terwijl het conditio sine qua non-verband 'in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert'. De Hoge Raad oordeelde in voornoemd arrest, met verwijzing naar eerdere rechtspraak, dat een dergelijke onzekerheid niet per se tot de consequentie behoeft te leiden dat het gevolg reeds daarom niet meer redelijkerwijs aan (een gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend. Het 'komt erop neer dat in gevallen als de onderhavige voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste is vereist dat:

“wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg.”

Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedragingen van de verdachte gerelateerde, oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (zie De Hullu ‘Materieel Strafrecht, vijfde druk, pagina 180).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ontstane hoofdletsels alsmede het letsel aan de halsspieren, gelet op de in het sectierapport gegeven toelichting, toe te rekenen aan het handelen van de verdachte aangezien de rechtbank - gelet op dit letsel en de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd - wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het slachtoffer meermalen met kracht met zijn vuist en met een grillpan op het hoofd heeft geslagen en dat de verdachte het slachtoffer tegen de hals heeft geslagen. Weliswaar heeft het slaan met de pan en het slaan tegen de hals geen dodelijk letsel opgeleverd, maar het geweld aan de hals kan volgens de patholoog wel aan het overlijden hebben bijgedragen. Daarbij zouden de hoofdletsels volgens de patholoog een rol gespeeld kunnen hebben bij het zich niet onttrekken aan een schadelijke situatie zoals een brand.

Voorts acht de rechtbank, zoals zij hiervoor reeds heeft overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een brandend stuk papier in aanraking heeft gebracht met het lichaam van het slachtoffer en/of haar kleding. Volgens de patholoog kan het overlijden van het slachtoffer zeer goed worden verklaard door inademing van hete rook en hete gassen in combinatie met intoxicatie met meerdere stoffen. De intoxicatie wordt door de patholoog dus niet als zelfstandige doodsoorzaak genoemd. Evenmin stelt de toxicoloog dat de intoxicatie met onder andere ethanol, lorazepam, cocaïne en omzettingsprodukten daarvan, zelfstandig tot de dood van het slachtoffer kan hebben geleid. Immers, de toxicoloog stelt dat afhankelijk van de mate van gewenning en alleen wanneer andere doodsoorzaken kunnen worden uitgesloten de intoxicatie het overlijden kan verklaren. Derhalve stelt rechtbank vast dat het inademen van hete rook en hete gassen een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het overlijden van het slachtoffer. Gelet hierop is het feit dat de verdachte het slachtoffer in brand heeft gestoken een onmisbare schakel in de gebeurtenissen die tot de dood van het slachtoffer heeft geleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het slachtoffer met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door toedoen van de verdachte is komen te overlijden, temeer nu het slachtoffer zich (in ieder geval mede) door de eerdere gewelddadige gedragingen van de verdachte niet aan de brand kon onttrekken.

Gezien het vorenstaande wordt het tweede deel van het verweer van de raadsman, inhoudende dat de doodsoorzaak niet is komen vast te staan, eveneens verworpen.

Nu de verdachte een brandend stuk papier in aanraking heeft gebracht met het lichaam van het slachtoffer en/of haar kleding, terwijl zij bewusteloos op de grond lag en de verdachte er niet zeker van kon en mocht zijn dat zij reeds door de klappen met de grillpan op/tegen haar hoofd was overleden, is de conclusie gerechtvaardigd dat op het moment dat de verdachte de brand stichtte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar levensgevaar voor een ander, namelijk voor[slachtoffer], te duchten was. Het strafverhogende gevolg van die “gekwalificeerde” brandstichting heeft zich vervolgens gerealiseerd aangezien het slachtoffer door de inademing van hete rook en hete gassen is overleden, zodat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het handelen van de verdachte dient te worden gekwalificeerd als moord dan wel doodslag zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.

MOORD OF DOODSLAG?

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Ter adstructie van het standpunt dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan moord, heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de verklaring en uit het handelen van de verdachte blijkt dat zijn opzet erop was gericht om de op een gegeven moment bewusteloze [slachtoffer] dood te maken door de slagen met de pan. Letterlijk heeft hij gezegd: “Ik heb haar geslagen met een koekenpan en zij moest haar mond dicht houden. Ik zag die pan en dacht alleen maar haar het zwijgen op te leggen” en (op de vraag waarom verdachte haar die klappen met de pan had gegeven) “Omdat ik haar het zwijgen wilde opleggen,…dat ik haar in elkaar geslagen had.”. Na de slagen met de pan heeft de verdachte op de leuning van de bank zitten nadenken en vervolgens bedacht dat hij zijn sporen moest wissen. En daar heeft hij ook naar gehandeld. Door het vervolgens in brand steken van de jas/het lichaam van[slachtoffer] en het opendraaien van de gaspit heeft de verdachte, ook al dacht hij dat[slachtoffer] toen al dood was, naar objectieve maatstaven bewust het risico genomen dat zij - voor zover ze niet dood was - alsnog zou overlijden als gevolg van de door hem aangestoken brand en/of de door hem voorbereide gasexplosie. De verdachte heeft daaraan voorafgaand een moment van rustig en kalm beraad genomen om na te denken over hoe hij verder moest handelen, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 17 september 2013, onder r.o. 2.3., (ECLI:NL:HR:2013:706) als volgt heeft geoordeeld.

“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).”.

Blijkens de opgenomen camerabeelden is de verdachte om 02.21 uur bij de flatwoning van het slachtoffer gearriveerd en heeft hij om 02.50 uur het flatgebouw verlaten. Hieruit volgt dat alle gebeurtenissen in de woning van het slachtoffer zich binnen een tijdsbestek van minder dan een half uur hebben afgespeeld en – uitgaande van de verklaring van de bovenbuurvrouw van het slachtoffer dat zij tussen 02:30 uur en 02:45 uur gebonk uit de woning van het slachtoffer hoorde komen – de ruzie binnen het tijdsbestek van ongeveer 15 minuten heeft plaatsgevonden. Binnen dit tijdsbestek heeft de verdachte, tijdens een volledig uit de hand gelopen ruzie, het slachtoffer meerdere malen geslagen, waarna zij bewusteloos is geraakt. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer meerdere malen met een pan op het hoofd geslagen. De verdachte verklaart hierover dat hij geschrokken was en dat hij niet weet wat hem bezielde. Vervolgens was hij bang, zo verklaart hij, om gepakt te worden en wilde hij verdoezelen wat er was gebeurd en heeft hij het slachtoffer – nadat hij 1 of 2 minuten op de bank had gezeten – in brand gestoken. De verdachte verklaart voorts dat bij hem ‘zwaar de stoppen waren opengesprongen’. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij onder invloed was van alcohol en drugs.

De rechtbank is van oordeel dat - in het licht van voormelde feiten en omstandigheden - de enkele omstandigheid dat de verdachte 1 à 2 minuten op de bank heeft gezeten (en daarmee tijdens de uitvoering enig moment voor beraad heeft gehad) voordat hij het slachtoffer in brand stak, onvoldoende is om te concluderen dat sprake was van voorbedachte raad.

Hieruit volgt dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat de verdachte van het onder feit 2 impliciet primair ten laste gelegde, te weten moord, dient te worden vrijgesproken. Dit laat onverlet dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten doodslag.

Voor zover de verdachte heeft beoogd dat hij geen opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad omdat hij dacht dat zij al dood was en hij met het stichten van de brand enkel zijn sporen wilde wissen, overweegt de rechtbank dat in de aard van een dergelijke gedraging – het in brand steken van een (bewusteloos) slachtoffer – het opzet op de dood van het slachtoffer ligt besloten.

FEIT 3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 3, overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde pleitnotities, het verweer gevoerd dat de verdachte wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs van dit feit dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman verwezen naar hetgeen in het rapport van het NFI d.d. 30 juli 2013 omtrent het brand technisch onderzoek wordt gerelateerd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 3 - opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen - eveneens wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ter adstructie van dit standpunt heeft de officier van justitie aangevoerd dat de NFI-deskundige in het brand technisch rapport d.d. 30 juli 2013 geen oordeel heeft gegeven over het naar algemene ervaringsregels voorzienbare c.q. te duchten gevolg van de brandstichting en dat is wel de maatstaf die dient te worden aangelegd. In zijn algemeenheid mag worden verwacht dat het midden in de nacht, in de winter, stichten van brand in een bewoonde woning die onderdeel uitmaakt van een appartementencomplex, het risico met zich brengt dat de brand zich uitbreidt naar andere woningen waarin zich (slapende) bewoners bevinden. Zodoende is er gemeen gevaar voor goederen (de inboedels van die woningen) aanwezig geweest én was er levensgevaar te duchten voor de andere flatbewoners, welke gevaar naar objectieve maatstaven ook voor de verdachte voorzienbaar was. De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht en gelet op het tijdstip, de plaats en de wijze van brand stichten heeft dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gevaar voor goederen en gevaar voor personen op de dood (of op zwaar lichamelijk letsel) met zich gebracht, aldus de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 april 2013, onder r.o. 3.3., (ECLI:NL:HR:2013:BZ 7170) als volgt geoordeeld:

“In art. 157 Sr is straf bedreigd tegen onder anderen degene die opzettelijk brand sticht indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is. Om in rechte zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of dit gevaar voor zwaar lichamelijk letsel inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (vgl. HR 17 februari 2009, LJN BG1653, NJ 2009/120).”.

Uit de daarop volgende rechtsoverweging 3.4. blijkt dat die zaak min of meer vergelijkbaar is met de brandstichting in deze strafzaak.

“Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de brand is gesticht in een woning die deel uitmaakt van een complex van naast en boven elkaar gelegen woningen, de brand is gesticht op een tijdstip waarop, naar van algemene bekendheid is, de kans zeer groot is dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis is, de bewoners van twee ondergelegen woningen inderdaad thuis waren, en de verdachte, alvorens de brandbare stoffen tot ontsteking te brengen, door het openen van kranen van een gasfornuis had bewerkstelligd dat in de woning gas uitstroomde, kunnen de bewijsmiddelen het oordeel van het Hof dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor andere personen voorzienbaar was.”.

Uit deze overwegingen van de Hoge Raad blijkt dat de voorzienbare gevaarzetting voor het leven van een ander of anderen door middel van het stichten van een brand naar algemene ervaringsregels bepalend is en niet de vraag of het gevaar zich ook daadwerkelijk heeft gemanifesteerd of zich zou kunnen hebben gemanifesteerd. De rechtbank volgt dan ook de officier van justitie in haar redenering en acht feit 3 dus wettig en overtuigend bewezen.

BEWIJSMIDDELEN EN BEWEZENVERKLARING

Naast de hierboven reeds aangehaalde bewijsmiddelen, is bij dit vonnis als bijlage II een overzicht gevoegd van alle bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs hebben bijgedragen. Uit deze bewijsmiddelen volgt - in onderling verband en samenhang bezien - dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk brand heeft

gesticht in een woning ([adres]), immers heeft

verdachte

toen aldaar opzettelijk een brandend (stuk) papier, althans een brandend

voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (het

lichaam van) [slachtoffer] en/of haar kleding en/of (het naast haar liggende)

vloerkleed en/of de vloerbedekking, althans met (een) brandbare/ontvlambare

stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of (het lichaam van) die

[slachtoffer] (deels) geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand,

terwijl daarvan levensgevaar voor (een) ander(en), te weten [slachtoffer], te duchten was en het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon

genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte

opzettelijk

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met zijn vuist(en)) tegen het lichaam en/of het hoofd en/of in het gezicht geslagen en/of

- die [slachtoffer] tegen/op de hals geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) die (buiten bewustzijn verkerende) [slachtoffer] met een (grill)pan, althans een zwaar voorwerp op/tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam geslagen en/of

(vervolgens)

- terwijl die [slachtoffer] buiten bewustzijn op de grond lag (de jas en/of het lichaam van) die

[slachtoffer] en/of het (naast haar liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking

in brand gestoken,

waarna tengevolge van genoemde combinatie van factoren die [slachtoffer] is

overleden;

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk brand heeft

gesticht in een woning ([adres]), immers heeft

verdachte

toen aldaar opzettelijk een brandend stuk papier, althans een brandend

voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

- (het lichaam van) [slachtoffer] en/of haar kleding en/of het (naast haar

liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking, althans met (een)

brandbare/ontvlambare stof(fen) ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of

(het lichaam van die)

[slachtoffer] geheel en/of haar kleding en/of haar woning geheel of gedeeltelijk is /

zijn verbrand en/of waardoor/terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel

van) die woning en/of een of meer naastgelegen woningen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar, in elk geval levensgevaar voor een

ander of anderen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft;

ten aanzien van feit 2:

doodslag;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander of anderen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Noodweer/noodweerexces

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging van het hem onder feit 2 ten laste gelegde, nu de verdachte een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toekomt. Ter adstructie dat sprake is geweest van een noodweersituatie heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte nimmer de opzet heeft gehad om het slachtoffer te doden. De verdachte is door het slachtoffer bedreigd met zijn eigen zeer scherpe mes. Hij heeft het mes afgepakt en op de tafel gegooid waar het mes is blijven liggen, maar het slachtoffer bleef hem schoppen en slaan. De verdachte kreeg een waas voor ogen, er ontstond “kortsluiting”, zoals hij zelf zegt en hij heeft het slachtoffer twee of drie harde vuistslagen gegeven. Zij viel op de grond en lag daar ogenschijnlijk bewusteloos, waarna de verdachte de woning van het slachtoffer heeft verlaten.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als onmiddellijk gevolg van zijn hevige gemoedsbeweging.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 maart 2013(ECLI:NL:HR:2013:BZ2950) onder r.o. 2.5. als volgt geoordeeld.

“Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden naar luid van art. 41, eerste lid, Sr in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.

Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (vgl. HR 8 september 2009, LJN BI3895, NJ 2010/391).”.

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor op 5 april 2013 onder andere als volgt verklaard:

Vraag

Wanneer was het punt gekomen voor jou[verdachte] dat het geen zelfverdediging meer was?

Antwoord

Toen ze op de grond lag, ze had geen steekwapen meer, maar toen was het zo dat ik haar voorgoed het zwijgen op moest leggen. Ik had haar zoveel klappen gegeven.

Vraag

Op welk moment was het volgens jou dan geen zelfverdediging meer dan[verdachte]?

Antwoord

Toen ik naar de keuken liep en de pan ging pakken.

Uit de verklaringen van de verdachte volgt dat in de woning ruzie ontstond, het slachtoffer op enig moment een mes van de tafel heeft gepakt, dat de verdachte dat mes uit haar handen heeft geslagen, dat hij haar met zijn vuist hard in het gezicht heeft geslagen waarna een worsteling ontstond en het slachtoffer op de grond terecht kwam. Vervolgens heeft de verdachte een grillpan gepakt en het slachtoffer daarmee een paar keer op het hoofd geslagen waarna het slachtoffer stil op de grond bleef liggen.

Gelet op deze verklaringen is geenszins aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk was. Immers, het slachtoffer lag volgens de verdachte reeds op de grond toen hij naar de keuken is gelopen en een pan heeft gepakt waarmee hij haar vervolgens meerdere malen op/tegen het hoofd heeft geslagen. Dat het slachtoffer al op de grond lag toen zij door de verdachte met de grillpan werd geslagen vindt overigens bevestiging in het rapport van de Forensische Opsporing die op grond van het sporenonderzoek in de woning tot de conclusie komt dat “zeer waarschijnlijk (…) op enig moment botsend mechanisch geweld op het bovenlichaam van het slachtoffer (is) uitgeoefend, terwijl zij al op de vloer lag, dan wel zich nabij de vloer heeft bevonden”.

Dit betekent dat het beroep op noodweer faalt.

Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie kan evenmin sprake zijn geweest van noodweerexces, zodat de verdachte zich ook daarop niet kan beroepen. Hieruit volgt dat het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Toerekenbaarheid

De raadsman heeft tevens bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, gelet op de inhoud van de door de psychiater en de psycholoog omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapportages.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte acht geslagen op:

  • -

    een Pro Justitia rapport d.d. 3 maart 2013, opgemaakt en ondertekend door dr. B.A. Blansjaar, psychiater;

  • -

    een Pro Justitia rapport d.d. 27 maart 2013, opgemaakt en ondertekend door drs. A.K. Wieringa, GZ-psycholoog.

Uit het door de psychiater over de verdachte opgemaakte rapport komt - kort samengevat en voor zover van belang - naar voren dat bij de verdachte, ook ten tijde van het ten laste gelegde, sprake is van een duurzame gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstructuur met gemengde cluster B trekken in de zin van impulsiviteit, prikkelbaarheid, een egocentrische beleving met ontbreken van adequaat spijtgevoel, aanwijzingen voor een patroon van instabiliteit in relatievorming en snel wisselende en oppervlakkige emotionele uitingen. De diagnose van (een gemengde cluster B) persoonlijkheidsstoornis kan niet worden gesteld, noch worden uitgesloten bij gebrek aan betrouwbare heteroanamnestische gegevens. Ook heeft hij een lichte verstandelijke beperking op randzwakbegaafd niveau.

Het ten laste gelegde is voor zover na te gaan in overwegende mate voortgekomen uit ontremming door misbruik van alcohol en cocaïne en in mindere mate uit bovenomschreven cluster B persoonlijkheidstrekken.

Aangezien de verdachte door zijn persoonlijkheidsstructuur en verstandelijke beperking kwetsbaar is (geweest) voor misbruik en mogelijk ook afhankelijkheid van alcohol en cocaïne en zich daartegen in beperkte mate kon verzetten, wordt geadviseerd hem te beschouwen als licht verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde, voor zover bewezen.

Uit het door de GZ psycholoog over de verdachte opgemaakte rapport komt - kort samengevat en voor zover van belang - naar voren dat bij de verdachte, ook ten tijde van het ten laste gelegde, sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van zwakbegaafdheid, een leerstoornis: dyslexie (woordblindheid), alcoholmisbruik en misbruik van cocaïne. Tevens is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheid met narcistische, borderline en antisociale trekken. Geadviseerd wordt om de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde, indien bewezen.

Nu de conclusies van de psychiater en de psycholoog worden gedragen door hun bevindingen, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt deze tot de hare. De verdachte wordt dus in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Enigszins verminderde toerekenbaarheid sluit de strafbaarheid van de verdachte niet uit en nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte derhalve strafbaar.

Het verweer van de raadsman dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, wordt om die reden verworpen.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, onder invloed van alcohol en drugs, in de nacht van 4 op 5 januari 2013 opzettelijk op een uiterst brute en volstrekt zinloze wijze zijn vriendin tijdens een ruzie gedood en aldus aan een 44-jarige vrouw haar kostbaarste bezit - het leven - ontnomen. De verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning eerst meerdere malen met zijn vuist tegen diverse lichaamsdelen geslagen, waarna hij naar de keuken is gegaan om een grillpan te pakken waarmee hij het slachtoffer vervolgens meerdere malen op/tegen het hoofd heeft geslagen. Ten slotte heeft de verdachte - terwijl het slachtoffer buiten bewustzijn op de grond lag en de verdachte in de veronderstelling verkeerde haar reeds te hebben dood geslagen - de kleding en het lichaam van het slachtoffer in brand gestoken teneinde zijn sporen te wissen, waarna het slachtoffer uiteindelijk tengevolge van voormelde combinatie van factoren is overleden.

Deze gruwelijke handelwijze van de verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven. De verdachte heeft aan de nabestaande(n), vrienden en bekenden van het slachtoffer onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht waarmee zij de rest van hun leven geconfronteerd zullen blijven. Voorts draagt een dergelijke zeer gewelddadige doodslag er aan bij dat de bij burgers in het algemeen reeds bestaande gevoelens van onveiligheid blijven bestaan en worden versterkt. De verdachte is, blijkens de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen belangen. Voor hem telde kennelijk alleen dat hij niet “gepakt” wilde worden en dat hij zijn nieuwe baan niet wilde verliezen.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van zeer lange duur. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte zich in meerdaadse samenloop schuldig heeft gemaakt aan drie misdrijven. Het zwaartepunt bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf wordt gevormd door het eerste bewezen verklaarde strafbare feit (opzettelijke brandstichting die iemands dood ten gevolge heeft) dat wordt bedreigd met een levenslange gevangenisstraf.

Naast voornoemde gedragsdeskundigen, heeft het Leger des Heils - afdeling Jeugdzorg & Reclassering - eveneens een rapport over de persoon van de verdachte uitgebracht d.d. 4 april 2013. Dit rapport houdt - kort samengevat en voor zover van belang - het volgende in.

De verdachte is naar alle waarschijnlijkheid laagintelligent en kan niet verklaren waarom hij zijn vriendin heeft neergeslagen en haar huis in brand heeft gestoken. Het zelfinzicht van de verdachte is beperkt. Ten tijde van de delicten was hij onder invloed van alcohol en drugs. Zijn middelengebruik bagatelliseert hij, evenals zijn verantwoordelijkheid voor de delicten en zijn agressie. Hij presenteert zich meer als slachtoffer dan als dader en acht het slachtoffer mede verantwoordelijk voor wat hij heeft gedaan. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf is enerzijds in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij - blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2013 - niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke zeer ernstige misdrijven. Tevens houdt de rechtbank ten voordele van de verdachte rekening met de hiervoor vastgestelde enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Anderzijds wordt in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij ter terechtzitting al hetgeen hem ten laste is gelegd heeft ontkend. De rechtbank heeft de overtuiging dat deze ontkennende proceshouding van de verdachte niet is ingegeven door de omstandigheid dat hij de werkelijkheid niet onder ogen durft te zien, maar dat hij, door zich zo op te stellen, tot het laatste moment heeft geprobeerd nog enigszins “weg te komen” met de gevolgen van zijn daden. Bij deze overtuiging passen de bevindingen zoals verwoord in de hiervoor aangehaalde rapporten afkomstig van voornoemde gedragsdeskundigen en de reclassering. Zo rapporteert psychiater dr. B.A. Blansjaar (op pagina 9) dat de verdachte zich over het ten laste gelegde en de consequenties daarvan externaliserend en ontwijkend uitlaat, maar bovenal is kenmerkend voor de persoon van de verdachte hetgeen drs. A.K. Wieringa in zijn rapport over de verdachte heeft gerapporteerd, namelijk (zie pagina 12 en 13):

“Over het slachtoffer sprekend is de toon verwijtend en beschuldigend. Betr. lijkt zich zo meer als slachtoffer, dan als dader te beleven en neemt zo geen verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen van die avond. Hij dwaalt steeds weer af naar het gedrag van het slachtoffer, als rapporteur vraagt naar zijn gevoelens en gedachten op die avond. Hij heeft amper enig inzicht in de motieven van zijn handelen die avond en maakt een rigide, egocentrische indruk in het contact. Hierbij is hij externaliserend en legt de nadruk op het gedrag van het slachtoffer en het gebruik van middelen om zijn handelen te verklaren. Het tenlastegelegde lijkt betr. zo te zijn overkomen, zonder dat hij hierin een sturende rol speelde in zijn beleving. (…) Ook de empathische vermogens en het vermogen tot schuld- en spijtgevoelens is beperkt te noemen.”.

De rechtbank is - gelet op de proceshouding van de verdachte ter terechtzitting - met de reclassering van oordeel dat het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat. Daartoe is redengevend dat de conclusie van psychiater dr. B.A. Blansjaar, die de kans op recidive - vooral door het habituele alcoholmisbruik van de verdachte - in beperkte mate verhoogd acht, mede is ingegeven door de omstandigheid dat de verdachte openheid van zaken heeft gegeven over hetgeen hij in de nacht van 4 op 5 januari 2013 heeft gedaan.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat - gelet op de uitzonderlijke ernst van de door de verdachte gepleegde misdrijven, het leed dat hij daarmee aan in het bijzonder de moeder van het slachtoffer heeft aangedaan, de schok die zijn handelen in de samenleving heeft teweeggebracht, het hoge recidiverisico en (niet in de laatste plaats) zijn proceshouding waaruit volgt dat de verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden - niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te melden duur.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen: 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 (impliciet subsidiair: doodslag) en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaar.

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.



Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. E.A. Poppe-Gielesen en S.M. den Hollander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2013.

Bijlage I bij vonnis van 3 oktober 2013:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk brand heeft

gesticht in een woning ([adres]), immers heeft

verdachte

toen aldaar opzettelijk een brandend (stuk) papier, althans een brandend

voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (het

lichaam van) [slachtoffer] en/of haar kleding en/of (het naast haar liggende)

vloerkleed en/of de vloerbedekking, althans met (een) brandbare/ontvlambare

stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of (het lichaam van) die

[slachtoffer] (deels) geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand,

terwijl daarvan levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was en het feit

de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad

art 157SR ahf/sub 3

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon

genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte

opzettelijk

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met zijn vuist(en)) tegen het lichaam en/of het hoofd en/of in het gezicht geslagen en/of

- die [slachtoffer] tegen/op de hals geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) die (buiten bewustzijn verkerende) [slachtoffer] met een (grill)pan, althans een zwaar voorwerp op/tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam geslagen en/of

(vervolgens)

- terwijl die [slachtoffer] buiten bewustzijn op de grond lag (de jas en/of het lichaam van) die

[slachtoffer] en/of het (naast haar liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking

in brand gestoken,

waarna tengevolge van genoemde combinatie van factoren die[slachtoffer] is

overleden;

art 289/287 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk brand heeft

gesticht in een woning ([adres]), immers heeft

verdachte

toen aldaar opzettelijk een brandend stuk papier, althans een brandend

voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

-(het lichaam van) [slachtoffer] en/of diens kleding en/of het (naast haar

liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking, althans met (een)

brandbare/ontvlambare stof(fen) ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of

(het lichaam van die)

[slachtoffer] en/of haar kleding en/of haar woning geheel of gedeeltelijk is /

zijn verbrand en/of waardoor/terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel

van) die woning en/of een of meer naastgelegen woningen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en / of levensgevaar, in elk geval levensgevaar voor een

ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht.