Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:7461

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
30-09-2013
Zaaknummer
AWB-12_1528
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenaren

Ontslag op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO. Er is een feitelijk grondslag voor het bestaan van verstoorde verhoudingen tussen partijen. Deze verstoring is dermate dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van verweerder kon worden verwacht. Derhalve was verweerder bevoegd om eiser te ontslaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: DOR 12/1528

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 september 2013 in de zaak tussen

[eiser] , te[woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. W.J. Bruchhans,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C.J. van den Brekel.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2012 heeft verweerder eiser geschorst in het belang van de dienst en hem de toegang tot de dienst ontzegd.

Bij besluit van 16 maart 2012 heeft verweerder de schorsing en de ontzegging van de toegang tot de dienst verlengd.

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft verweerder eiser met ingang van 1 juli 2012 ontslag verleend op andere gronden (het ontslagbesluit).

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft verweerder eiser medegedeeld niet terug te komen op zijn besluit van 21 juni 2012.

Bij besluit van 9 augustus 2012 heeft verweerder het besluit van 21 juni 2012 gewijzigd in die zin dat eiser, mits hij voldoet aan de daartoe gestelde voorwaarde in de Werkloosheidswet (WW) in aanmerking komt voor een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering.

Bij besluit van 30 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 3 februari 2012 en 16 maart 2012 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de besluiten van 21 juni 2012 en 12 juli 2012 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2013 te Dordrecht. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. E. Nijhof. Voorts zijn [betrokkene] en [betrokkene] ter zitting verschenen.

Overwegingen

1.1 Eiser, geboren op [geboortedatum], is bij besluit van 14 juni 2007 aangesteld in de functie van teamleider bij de afdeling Toezicht van Publieksdiensten van de gemeente Dordrecht (Toezicht). Naar aanleiding van een melding op 25 november 2011 van een teamleider over misstanden binnen Toezicht is de directie van Toezicht een oriënterend onderzoek gestart. Vervolgens heeft de directie Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (Hoffmann) opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar mogelijk niet integer handelen door een aantal teamleiders bij Toezicht. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport van Hoffmann van 20 februari 2012.

1.2. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat het plannen en registeren van gewerkte uren binnen Toezicht als volgt hoort te verlopen. Volgens een vier-wekelijks rooster (Uitvoeringsrooster) voert de planner van het bedrijfsbureau de werktijden en het soort werk in, in het geautomatiseerde systeem van de afdeling. Op basis van het Uitvoeringsrooster draait de planner dagelijks een dag- en avondrooster uit voor de volgende werkdag. Het WBU is het tijdschrijfsysteem voor de medewerkers van Toezicht. Elke medewerker voert hier dagelijks in hoeveel uur hij/zij heeft gewerkt en wat voor soort werkzaamheden zijn verricht, dan wel of men ziek of met verlof is geweest. Elke medewerker heeft hiervoor een unieke inlogcode.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover hier van belang, overeenkomstig en met verwijzing naar de inhoud van het advies van de Bezwarencommissie bezwaarschriften gemeentepersoneel, het bezwaar van eiser tegen de vier besluiten gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Na eiser te hebben geschorst, heeft verweerder aan eiser met het ontslagbesluit ontslag verleend op andere gronden omdat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie die volgens verweerder is te wijten aan eiser. Volgens verweerder heeft eiser zijn uren onjuist geregistreerd wat aan te merken is als ernstig plichtsverzuim en heeft eiser verklaringen tegen de onderzoekers van Hoffman afgelegd die getuigen van een niet integere houding. Tevens heeft eiser brieven verstuurd aan de gemeenteraad en verweerder, waarin hij Toezicht heeft beschuldigd. Verder heeft eiser op 15 augustus 2012 een e-mail verzonden die de verstoring heeft verergerd. Aan eiser is bij besluit van 9 augustus 2012 een bovenwettelijke uitkering toegekend.

3.

Op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO) kan een ambtenaar die vast is aangesteld eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

Op grond van artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO treft het college voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt een passende regeling.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt de ambtenaar over de inhoud van de regeling voorafgaand door het college gehoord.

Op grond van het derde lid van dit artikel betrekt het college bij de vaststelling van de regeling de inhoud van dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.

4.

De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte de bezwaren tegen de schorsingsbesluiten van 3 februari en 16 maart 2012 niet ontvankelijk heeft verklaard, faalt. Volgens vaste rechtspraak is slechts sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaarschrift met het maken van bezwaar nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. De bezwaren van eiser tegen de schorsingsbesluiten waren destijds gericht op de intrekking hiervan, om weer te worden toegelaten op de werkplek en het werk te kunnen hervatten. Nu eiser met ingang van 1 juli 2012 ontslag is verleend, kan hij dit doel niet meer bereiken. Verweerder heeft de bezwaren dan ook terecht niet-ontvankelijkheid verklaard.

5.

Volgens vaste rechtspraak kan aan de ontslaggrond 8:8 eerste lid, van de CAR/UWO toepassing worden gegeven in het geval van een verstoorde verhouding en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verwacht.

6.

Eiser betoogt dat het bestreden besluit geen feitelijke grondslag vermeldt voor het bestaan van een verstoorde verhouding tussen partijen.

6.1

Dit betoog faalt.

Naar het oordeel van de rechtbank verwijst verweerder voor het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding terecht naar het volgende.

In het dossier bevindt zich een verslag van een correctiegesprek met eiser van 6 juli 2011. Dit naar aanleiding van een voorval met een collega. Het verslag vermeldt onder meer:

“[eiser] schiet vervolgens uit zijn slof tegen haar en zegt dat hij wel wat anders te doen heeft, benadrukt dat zij daarbij hoort (de staf) en dat teamleiders het helemaal zat zijn en problemen niet worden opgelost. Hij was (volgens welingelichte kring) opnieuw uit de bocht gevlogen door in aanwezigheid van zijn medewerkers uit te varen/kwaad te spreken over Toezicht en het management Team. Een patroon dat we al een tijdje kennen van [eiser] en waar hij al meermalen op is aangesproken. Vandaag terecht gewezen op zijn wangedrag (..). Ik heb hem te kennen gegeven dat hij deze reprimande als een laatste waarschuwing moet zien. [eiser] moet gaan werken vanuit een positieve houding en niet vanuit chagrijn en geen anderen betrekken die er niet mee te maken hebben (..)”.

Het rapport meldkamer van augustus/september 2011 vermeldt over (eiser als) de teamleider:

“(...) De teamleider TCM heeft niet veel draagkracht onder het personeel; hij is te weinig aanwezig en is soms horkerig in zijn optreden en communiceren.(...)

In de brief van eiser van 7 maart 2012 naar aanleiding van onder meer het rapport van Hoffmann stelt eiser onder andere dat hij zich hardop afvraagt of de resultaten van het onderzoek niet al vaststonden voordat het onderzoek werd gestart.

Verder heeft eiser bij brief van 29 augustus 2012 het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad aangeschreven. Hierin schrijft eiser onder meer:

“Deze actie onderstreept het gebrek aan vertrouwen tussen directie Toezicht en haar eigen medewerkers en onderstreept tegelijkertijd dat de interne controle binnen Toezicht ontoereikend lijkt te zijn” (..) Nog afgezien van het feit dat de medewerkers van Toezicht nog met vele (juridische) vragen en op- en aanmerkingen zitten, heb ik als slachtoffer in dit geheel, gemeend het college over deze negatieve ontwikkeling en handelswijze bij Toezicht te moeten informeren (..) Ik ben dan ook voornemens de beschamende handelswijze alsmede het diffamerend arbeidsrechtelijk karakter, zijnde Toezicht, aan de Landelijke Ombudsman voor te leggen c.q. aan de kaak te stellen”.

Voorts heeft eiser tijdens de hoorzitting op 8 oktober 2012 verklaard dat alles aan de heer [betrokkene] (directeur van Toezicht) te wijten is.

Daarnaast verwijst verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht naar het onderzoek van Hoffmann waarbij is komen vast te staan dat eiser zijn gewerkte uren op 17 maart 2011, 11 april 2011 en 16 juni 2011 onjuist heeft geregistreerd. Eiser heeft geen deugdelijke verklaringen gegeven op grond waarvan verweerder deze gedragingen niet aan zijn standpunt dat sprake is van een vertrouwensbreuk ten grondslag zou mogen leggen.

Niet (meer) in geschil is dat eiser op 17 maart 2011 een half uur teveel werktijd heeft geschreven. Eiser stelt zich evenwel op het standpunt dat hij geen lunchtijd heeft kunnen gebruiken en daarom lunchtijd als werktijd mocht schrijven. Eiser heeft dit echter niet in het WBU genoteerd. Dat eiser thans met een verklaring hiervoor komt, wat daar ook van zij, weerlegt niet dat hij het half uur niet juist heeft verantwoord in het WBU. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een (mondelinge) afspraak bestond dat een vroege dienst om 7.00 uur begon en niet om 7.15 uur. Bovendien blijkt uit het rapport van Hoffman op pagina 42, derde alinea, dat eiser zelf heeft verklaard dat een vroege dienst om 7.15 uur begint. Tevens heeft eiser op 11 april 2011 niet in het WBU verantwoord dat hij geen lunchtijd heeft kunnen genieten. Derhalve heeft eiser die dag 45 minuten teveel geschreven. Ook op
16 juni 2011 heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kon lunchen, waardoor eiser ook voor die dag zijn werktijd niet juist heeft verantwoord. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat – naar verweerder onweersproken stelt – eiser heeft verklaard dat hij zonder zijn werkgever daarvan in kennis te stellen ‘uurtjes gaf en nam’.

6.2.

Gelet op hetgeen onder 6.1 is overwogen, is voldoende komen vast te staan dat sprake was van een gebrek aan integriteitbesef aan de kant van eiser en van dermate verstoorde verhoudingen tussen eiser en verweerder dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van verweerder kon worden verwacht. Derhalve was verweerder bevoegd om eiser te ontslaan. Van deze bevoegdheid heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen onredelijk gebruik gemaakt door eiser wegens het blijvend ontbreken van vertrouwen te ontslaan. De arbeidsrelatie is door dit gebrek aan vertrouwen ernstig verstoord waarbij, blijkens de negatieve uitlatingen van eiser in en buiten het onderzoek, dit gebrek aan vertrouwen wederzijds is.

7.

Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen aanleiding is voor een hogere voorziening omdat verweerder een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen.

7.1

Dit betoog faalt.

Volgens vaste rechtspraak, zoals die gold ten tijde van belang, is een regeling als bedoeld in artikel 10d:4 van de CAR/UWO passend met toekenning van een aanspraak (garantie) op een ontslaguitkering die ten minste gelijk is aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen op grond van de WW en de regeling inzake bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid. Daaraan heeft verweerder voldaan. Verweerder heeft aan eiser ter uitvoering van artikel 10d:4 van de CAR/UWO een regeling geboden die gelijk is aan de uitkering volgens de WW en een bovenwettelijke uitkering. Naar de rechtbank begrijpt, zal eiser dan een aanvullende uitkering ontvangen (paragraaf 5 van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO), die loopt naast een WW uitkering, en een na wettelijke uitkering (paragraaf 6 van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO). De uitkeringsregeling is pas onvoldoende, indien komt vast te staan dat verweerder een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Dat is niet het geval.

Gelet op de feiten zoals onder 6.1 vermeld, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is.

8.

Eiser heeft er voorts op gewezen dat hij in afwijking van artikel 10d:4, tweede lid van de CAR/UWO, niet is gehoord over de regeling. Hiermee is eiser naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet in zijn belangen geschaad, nu de vastgestelde regeling passend is, zodat dit niet-horen met toepassing van artikel 6:22, van de Algemene wet bestuursrecht, niet tot een gegrond beroep leidt. De enkele stelling van eiser dat hij (wellicht) geen WW-uitkering krijgt, maakt het vorenstaande niet anders, aangezien dit niet in deze procedure ter toetsing voorligt.

9.

Het beroep is ongegrond en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. LA.C. van Nifterick, voorzitter, en mr. J.J. Klomp en

mr. J.D.M. Nouwen, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.