Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:7253

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
CIV-400958_25092013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvaring Beneluxhaven, waardoor stookolie uit een tankschip uitstroomt in het havenwater, dat ook op de oevers terechtkomt. Toedracht. Schuldvraag. Uitleg van voorbehoud art. 18 CLNI voor vorderingen ter zake van waterverontreiniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: C / 10 / 400958 / HA ZA 12-399

Vonnis van 25 september 2013

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARGOS LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de rechtspersoon naar het recht van het land van haar vestiging

THE STANDARD STEAMSHIP OWNERS' PROTECTION AND INDEMNITY ASSOCIATION (LONDON) LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

3. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

4. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

5. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

6. de naamloze vennootschap

ALLIANZ GLOBAL RISKS NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

7. de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

8. de rechtspersoon naar Duits recht

EUROSHIP ASSEKURADEURGESELLSCHAFT MBH & CO. KG,

gevestigd te Bad Friedrichshall, Duitsland,

9. de naamloze vennootschap

GENER[A]LI SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Diemen,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARGOS GROEP B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen in renvooi,

advocaat mr R.C.A. van 't Zelfde,

- tegen -

[verweerder] ,

wonende te Krimpen aan den IJssel,

verweerder in renvooi,

advocaat mr B.S. Janssen.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk "Argos c.s." en "[verweerder]".

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken waarvan de rechtbank heeft kennis genomen:

- proces-verbaal van de verificatievergadering op 3 mei 2012 in de procedure tot beperking

van de aansprakelijkheid van [verweerder] (zaak- / rekestnummer 386292 / HARK 11-213);

- conclusie van eis tot verificatie tevens houdende (gedeeltelijke) betwisting van het recht op

beperking (middels een zakenfonds) alsmede van eis in renvooi;

- conclusie van antwoord in renvooi;

- vonnis van 3 oktober 2012 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- proces-verbaal van de op 20 november 2012 gehouden comparitie van partijen en de

daarin genoemde stukken;

- brief van 21 november 2012 van mr Van 't Zelfde, met bijlagen;

- nadere conclusie in renvooi van [verweerder];

- akte overlegging producties van Argos c.s.;

- antwoordakte in renvooi van [verweerder].

1.2

Er is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 1 februari 2008 omstreeks 17:56 uur heeft in de Beneluxhaven te Rotterdam een aanvaring plaatsgevonden tussen het aan [verweerder] toebehorende binnenschip Transito en het aan Argos Logistics B.V. (hierna: Argos) toebehorende binnenvaart motortankschip Ceeblender. Hierdoor is schade ontstaan aan de Ceeblender. Door een gat in de stuurboordzijde van dat schip bij ladingtank 3 is een hoeveelheid stookolie uit het schip gestroomd in het water van de Beneluxhaven. Er is stookolie terechtgekomen op de oostelijke glooiing van de Beneluxhaven. Er zijn schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd.

2.2

Het Havenbedrijf Rotterdam N.V. (hierna: het Havenbedrijf) heeft aan Argos facturen gestuurd voor opruimingswerkzaamheden ten bedrage van (excl. BTW)

€ 30.155,96 (d.d. 27 juli 2009) en € 1.046.515,70 (d.d. 21 december 2010).

Deze facturen zijn aan het Havenbedrijf betaald door Argos of eiseres sub 2, de P&I-verzekeraar van de Ceeblender.

2.3

Argos c.s. heeft [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van de aanvaring heeft geleden.

De eiseressen sub 3 tot en met 9 waren de cascoverzekeraars van de Ceeblender.

2.4

[verweerder] heeft bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot beperking van zijn aansprakelijkheid terzake van zaakschade (zaak-/rekestnummer 386292 / HA RK

11-213). Door [verweerder] is een zakenfonds gesteld van SDR 192.279,25. Argos c.s. heeft - als enige - vorderingen ingediend bij de vereffenaar.

2.5

Op de verificatievergadering in deze beperkingsprocedure van 3 mei 2012 zijn Argos c.s. en [verweerder] verwezen naar de onderhavige renvooiprocedure terzake van:

a. de in de lijst van erkende en betwiste schuldvorderingen vermelde vorderingen van Argos c.s. op [verweerder], en

b. het recht van [verweerder] om zijn aansprakelijkheid te beperken door het stellen van alleen een zakenfonds.

3 De vordering

3.1

De gewijzigde vordering van Argos c.s. luidt, verkort en zakelijk weergegeven:

- primair dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [verweerder] zijn aansprakelijkheid voor de vorderingen van Argos c.s. wegens expertisekosten ter zake van de verontreiniging en wegens schoonmaakkosten [samen € 1.087.786,66] alleen kan beperken middels een waterverontreinigingsfonds en niet middels het gestelde zakenfonds,

en voorts om de overige vorderingen van Argos c.s. [samen € 32.867,06] ter verificatie toe te laten in dat zakenfonds, vermeerderd met rente, met veroordeling van [verweerder] in de kosten,

- subsidiair, in het geval de rechtbank zal beslissen dat [verweerder] zijn aansprakelijkheid voor alle vorderingen kan beperken middels het zakenfonds, al die vorderingen ter verificatie toe te laten in dat fonds, vermeerderd met rente en met veroordeling van [verweerder] in de kosten.

3.2

Argos c.s. heeft aan de vordering - kort en zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

a. de Transito heeft voor 100% schuld aan de aanvaring;

b. ten gevolge van de aanvaring stroomde zware stookolie uit de Ceeblender; deze heeft het oppervlaktewater, de kade en de bodem van de kade ernstig verontreinigd; Argos was zowel contractueel als wettelijk gehouden om ervoor te zorgen dat er voor haar rekening gepaste milieu- en schoonmaakmaatregelen werden getroffen, evenals preventiemaatregelen; dat heeft Argos gedaan;

c. [verweerder] kan zijn aansprakelijkheid voor de schoonmaakkosten (en bijbehorende expertisekosten) niet beperken door het stellen van een zakenfonds, maar alleen door het stellen van een waterverontreinigingsfonds;

d. de overige vorderingen van Argos c.s. - die wel kunnen worden beperkt door het zakenfonds - dienen te worden geverifieerd (met rente).

4 Het verweer

4.1

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Argos c.s. in de kosten van het geding.

4.2

[verweerder] heeft daartoe de stellingen van Argos c.s. gemotiveerd betwist.

Op het verweer en de gronden daarvan wordt hierna meer in detail ingegaan.

5 De beoordeling

de toedracht van de aanvaring en de schuldvraag

5.1

Overgelegd zijn zes rapportages/brieven van de door Argos c.s. ingeschakelde expert Doldrums B.V. d.d. 6 februari 2009 (3x; prods. 3, 10-i en 11), 17 maart 2008

(prod. 10-ii), 8 januari 201[1] (bijlage brief 31.10.12) en 7 februari 2011 (prod. 5), met bijlagen, waaronder (a) een proces-verbaal van de zeehavenpolitie Rotterdam-Rijnmond met daarin verklaringen van [verweerder], zijn echtgenote [persoon 2] en de schipper van de Ceeblender [persoon 1], een beschrijving van de radarbeelden en een weergave van gesprekken op marifoonkanaal 65 van sector Rozenburg, (b) een schriftelijke verklaring van

[persoon 1] en (c) een DVD van de Incidentregistratie betreffende de aanvaring.

Van de zijde van [verweerder] is geen expertiserapport overgelegd.

5.2

Op grond van deze producties, een en ander in onderling verband bezien en in samenhang met hetgeen door partijen over en weer naar voren is gebracht kan ten aanzien van de toedracht van de aanvaring het navolgende worden overwogen.

5.2.1

Het mts. Ceeblender (lengte 94,71 m, breedte 9,00 m, 1940,808 ton) bevond zich aan het einde van de middag van 1 februari 2008 in de Elbehaven bij ADM, een zijhaven van de Beneluxhaven. Het schip was geladen met stookolie en had een zeeschip van bunkerolie voorzien. Schipper [persoon 1] meldde om 17:54 uur via kanaal 65 van verkeerspost Rozenburg dat de Ceeblender vanaf de binnenkant van ADM vandaan kwam en naar Northsea Ferries ging in de Beneluxhaven.

De Ceeblender zou de Elbehaven uitvaren, de Beneluxhaven invaren in zuidoostelijke richting en daarna - nabij de ferrysteiger - rondgaan.

De navigatieverlichting en de dekverlichting van de Ceeblender brandden. [persoon 1] voer kennelijk op zicht, de radar stond niet bij.

Het was donker, maar helder en onbewolkt.

5.2.2

Het ms. Transito (lengte 60,10, breedte 6,60 m, 609,568 ton) lag beladen met mais aan steiger G in de zijhaven van de Beneluxhaven nabij de ADM-kade en wilde in noordelijke richting via de Beneluxhaven naar het Calandkanaal varen. De Transito heeft haar vertrek niet via de marifoon gemeld. [persoon 2] zat achter het roer. De radar was niet ingeschakeld. Een marifoon stond op kanaal 65. [verweerder] was aan dek bezig. De navigatieverlichting was ontstoken.

5.2.3

De Ceeblender was om 17:55:02 los van de steiger en voer vanuit de Elbehaven naar de Beneluxhaven, in de richting van de ferrysteiger. De Transito verscheen omstreeks 17:55:53 op de radarbeelden van de incidentregistratie; dit schip is vanuit de zijhaven, langs de binnenzijde van zeesteiger 2, de Beneluxhaven ingevaren, in de richting van het Calandkanaal. De schepen lagen op ramkoers met elkaar.

5.2.4

[verweerder] zag volgens zijn verklaring de Ceeblender van bakboord aankomen en is naar het stuurhuis gegaan. Hij heeft het roer overgenomen en vol achteruit gegeven. Om 17:56:11 riep [verweerder] over de marifoon:"Die tanker effe rustig aan, ik draai vol achteruit, buurman".

5.2.5

Volgens [persoon 1] zag hij de Transito ineens van stuurboord-voor aankomen vanuit de binnenzijde van zeesteiger 2, varend op ramkoers met de Ceeblender. Hij heeft getracht de Transito te ontwijken door vol bakboordroer te geven, de boegschroef vol naar bakboord te zetten, de stuurboordmotor op vol vooruit te zetten en de bakboormotor op vol achteruit.

5.2.6

Nadat de Transito en ook post Rozenburg enige malen over de marifoon naar de Ceeblender hadden geroepen, zonder dat daarop werd geantwoord, vond om 17:56:36 de aanvaring plaats, waarbij de Transito met haar boeg de stuurboordzijde van de Ceeblender midscheeps raakte. De snelheid van de Ceeblender was volgens de incidentregistratie op dat moment 5,5 knopen, die van de Transito 3,5 knopen. Blijkens de radarbeelden hield de Ceeblender vóór de aanvaring koers en is de Ceeblender op het laatste moment nog naar bakboord gegaan. De snelheid van de Ceeblender nam in de minuut vóór de aanvaring toe van 3,5 knoop tot 5,0 knoop kort voor de aanvaring.

Nadat vanaf de Transito was gemeld dat dit schip achteruit sloeg, nam haar snelheid volgens de incidentregistratie nog wat toe van 2,5 naar 3,5 knoop.

Na de aanvaring meldde de Ceeblender via de marifoon: "Ik kon nergens meer heen" en "Ik had je helemaal niet gezien buurman, ik had je ook niet gehoord".

5.3

Ter plaatse van de aanvaring geldt het BPR (versie 2004). De volgende regels zijn hier van belang.

In de Beneluxhaven en haar zijhavens geldt voor grote schepen als de Ceeblender en de Transito de verplichting zich tijdig voor vertrek te melden op het voor nautische informatie aangewezen marifoonkanaal 65 en tevens de verplichting op dat kanaal uit te luisteren en de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke berichten te geven (zie art. 4.05 lid 4, art. 9.07 lid 1 en 2 en bijlage 9 BPR; art. 7 Regeling communicatie rijksbinnenwateren en bijlage 2)

Een schip mag slechts vertrekken nadat het zich ervan heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden (art. 6.14 lid 1 BPR). Een schip mag slechts een haven uitvaren en een hoofdvaarwater invaren dan wel een haven invaren, nadat het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden (art. 6.16 lid 1 BPR).

Daarnaast geldt voor elke schipper de algemene verplichting om alle voorzorgsmaatregelen te nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden zijn geboden, teneinde onder meer een aanvaring met een ander schip te voorkomen (art. 1.04 BPR). Daaronder valt het goed uitkijk houden en het gebruik maken van alle beschikbare middelen.

Ter voorkoming van aanvaring moet een groot schip zo nodig een geluidssein geven, zoals een attentiesein (art. 4.02 en bijlage 6 BPR).

5.4

Als belangrijke factor voor het ontstaan van het gevaar voor aanvaring beschouwt de rechtbank het feit dat de Transito zich ten onrechte niet voor vertrek heeft gemeld. Aan te nemen valt dat indien de Transito zich wel voor vertrek bij post Botlek had gemeld, door de post zou zijn meegedeeld dat de Ceeblender de Elbehaven uitkwam. Op de Ceeblender had men dan vernomen dat de Transito vanaf de steiger naar de Beneluxhaven zou komen.

Tevens diende op de Transito, ook in de minuten onmiddellijk voor het eigen vertrek, te worden uitgeluisterd op kanaal 65 voor het verkrijgen van relevante nautische informatie. Men had dus moeten horen dat de Ceeblender zich meldde en meedeelde hoe zij zou varen. De mededelingen daarover waren voldoende duidelijk. Het is overigens niet duidelijk of op de Transito de melding van de Ceeblender is gehoord waarbij werd aangegeven waar dit schip vandaan kwam en waar het heen zou varen (maar schipper [verweerder] noemde bij zijn oproepen wel de naam van de Ceeblender).

5.5

Uit de gang van zaken valt af te leiden dat men op de Transito, waar de radar niet was ingeschakeld, de Ceeblender niet meteen heeft gezien toen de Transito zich op weg begaf naar de Beneluxhaven en de Ceeblender al uit de Elbehaven kwam. Daaruit blijkt in elk geval dat men op de Transito niet tijdig passende maatregelen heeft genomen om een aanvaring met de Ceeblender te voorkomen, met name door eerder en in voldoende mate de snelheid aan te passen.

Dit betekent dat niet is gehandeld naar de eisen van goede zeemanschap.

5.6

Kort voor de aanvaring had de Ceeblender de Elbehaven al verlaten en voer dit schip al in de Beneluxhaven. De Transito, die net langs de zeesteiger uit de zijhaven was gekomen, had in deze situatie bij het invaren van de Beneluxhaven de Ceeblender moeten laten voorgaan.

5.7

Op de Ceeblender heeft schipper [persoon 1] de Transito kennelijk pas op een laat moment opgemerkt, waarbij, naar kan worden aangenomen, enerzijds een rol zal hebben gespeeld dat de Transito haar vertrek niet had gemeld en anderzijds dat de dekverlichting op de Ceeblender brandde en er geen gebruik werd gemaakt van de radar. Dat laatste wijst erop dat [persoon 1] er niet voor zorgde dat bij het varen bij duisternis in dit havengebied optimaal uitkijk werd gehouden. Aan te nemen valt dat, indien de Transito eerder was waargenomen, eerder doeltreffende maatregelen hadden kunnen worden genomen om een aanvaring te voorkomen.

Geen van beide schepen heeft een attentiesignaal gegeven, waarbij echter niet duidelijk is of indien wel een geluidssein zou zijn gegeven zodra het andere schip was opgemerkt, dit de aanvaring had voorkomen.

5.8

Niet blijkt dat het niet reageren van de Ceeblender op de oproepen van de Transito vlak voor de aanvaring van belang is geweest voor het plaatsvinden van de aanvaring. Het lijkt aannemelijk dat de Ceeblender - zoals [persoon 1] heeft verklaard - op dat moment druk was met pogingen om de Transito te ontwijken door naar bakboord te draaien.

5.9

Aldus zijn op beide schepen fouten gemaakt, respectievelijk door [verweerder] en zijn echtgenote en door [persoon 1], die tot de aanvaring hebben geleid. Bij afweging van de wederzijdse fouten is de rechtbank van oordeel dat de fouten aan boord van de Transito duidelijk zwaarder wegen dan die aan boord van de Ceeblender en komt de rechtbank tot een schuldverhouding van 2:1 ten nadele van de Transito. Overeenkomstig deze schuldverhouding is [verweerder] jegens Argos c.s. aansprakelijk voor de schade die als gevolg van de aanvaring aan de zijde van de Ceeblender is ontstaan en is omgekeerd Argos aansprakelijk jegens [verweerder] voor diens schade. Voor de beperking van aansprakelijkheid van [verweerder] geldt een saldoaansprakelijkheid (art. 5 CLNI).

de olieverontreiniging en de schoonmaakwerkzaamheden

5.10

Van het navolgende kan als vaststaand worden uitgegaan.

Door de aanvaring met de Transito ontstond in de stuurboordzijde van de Ceeblender bij ladingtank 3 een gat, waardoor een flinke hoeveelheid stookolie in het water van de Beneluxhaven is gestroomd. Deze hoeveelheid is geschat op 5 tot 7 m³.

Direct na dit incident werden de oil spill response vaartuigen OSR 36 en OSR 31 van het Havenbedrijf ingezet om de verspreiding van de olie te beperken door het uitbrengen van oil booms. Een deel van de olie is opgeruimd.

Enkele dagen later bleek dat een belangrijk deel van de stookolie - onder invloed van de wind - was terechtgekomen op de glooiing aan de oostelijke zijde van de Beneluxhaven.

De basalt- en granietstenen daarvan zaten over een lengte van ca. 800 m en een hoogte

van 3 tot 3,5 m boven NAP onder de stookolie evenals de filterlaag die zich onder de stenen bevond. Ook was het water bij de glooiing verontreinigd met olie, evenals een aantal pijpleidingen. Bij de glooiing zijn oil booms en olieschermen geplaatst. Er zijn initiële schoonmaakwerkzaamheden aan de glooiing uitgevoerd. Doordat de Beneluxhaven een getijdehaven is, kwam het water in de haven enige keren per dag in aanraking met de stookolie op de stenen en de filterlaag en verspreidde de olie zich opnieuw, ook in het water binnen de oil booms. Dit leidde ertoe dat omvangrijke en langdurige (tot eind april 2008) schoonmaakwerkzaamheden, in het bijzonder aan de filterlaag, noodzakelijk waren.

Er werd vooral gespoeld en gespoten met heet water waardoor de olie vanaf de glooiing naar beneden spoelde. De vrijkomende olie werd opgezogen en geabsorbeerd en daarna afgevoerd. De oil booms moesten regelmatig worden vervangen. Af en toe kwam er olie elders in de haven terecht.

De werkzaamheden aan de glooiing zijn in opdracht van het Havenbedrijf uitgevoerd door Hebo Maritiemservice B.V. (hierna: Hebo; zie hiervoor de rapportages van Doldrums,

met name het rapport d.d. 7 februari 2011, prod. 5 van Argos c.s.).

5.11

De factuur van het Havenbedrijf d.d. 27 juli 2009 ad € 30.155,96 (prod. 6 van Argos c.s.) betreft de inzet van materieel en de schoonmaakwerkzaamheden uitgevoerd tijdens de eerste dagen na het incident. De kosten hebben betrekking op het verwijderen van de olie van het oppervlaktewater op 1 februari 2008, het afvoeren van verontreinigd zeewier op 2 februari 2008, het reinigen van schepen (m.n. de Ceeblender en de OSR 36), het gebruik van absorbing oil booms en de initiële schoonmaakwerkzaamheden van de steenglooiing van 2 tot en met 6 februari 2008 (zie brief Doldrums d.d. 8 januari 2010 met bijlage, overgelegd bij brief van mr Van 't Zelfde 31 oktober 2012.).

De factuur van het Havenbedrijf d.d. 21 december 2010 ad € 1.046.515,70 (prod. 6 van Argos c.s.) betreft het plaatsen van oil booms bij de glooiing en de schoonmaakwerkzaam-heden van de glooiing door Hebo, alsmede diverse kosten in verband daarmee en kosten van het Havenbedrijf (zie rapport Doldrums 7 februari 2011, prod. 5 van Argos c.s.).

Doldrums heeft voor haar expertisewerkzaamheden in verband met de oilspill in de Beneluxhaven € 13.226,85 in rekening gebracht (bijlage bij prod. 1A van Argos c.s.).

CLNI [1988] en waterverontreinigingsfonds

5.12

De eigenaar van de Transito kan zijn aansprakelijkheid beperken overeenkomstig de regels van het Verdrag van Straatsburg inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (4 november 1988, Trb. 1989, 43, CLNI). Dit verdrag heeft rechtstreekse werking in Nederland.

Nederland heeft gebruik gemaakt van de in art. 18 CLNI gegeven mogelijkheid om de toepassing van de regels van het verdrag geheel uit te sluiten ten aanzien van "vorderingen voor schade, veroorzaakt door de wijziging van de fysische, chemische of biologische kwaliteit van het water". In de Nederlandse wetgeving is voor deze vorderingen de mogelijkheid van een apart waterverontreinigingsfonds opgenomen (art. 8:1065 BW

j° KB 29 november 1996, Stb. 587). Voor deze vorderingen kan de scheepseigenaar zijn aansprakelijkheid niet beperken door het stellen van een zakenfonds, doch alleen door het stellen van een waterverontreinigingsfonds.

5.13

Partijen zijn het oneens over de uitleg van dit voorbehoud van art. 18 CNLI en over de vraag voor welke vorderingen een waterverontreinigingsfonds dient te worden gesteld. In het bijzonder gaat het om de vraag of daaronder vallen de (regres)vorderingen wegens schoonmaakkosten van de stookolie zoals door het Havenbedrijf bij Argos c.s. in rekening gebracht.

5.14

[verweerder] stelt zich op het standpunt dat alle ontplooide en in rekening gebrachte activiteiten uitsluitend zien op het schoonmaken van het talud van de Beneluxhaven; het schoonmaken van de haveninstallatie en het havenbekken zelf valt onder de omschrijving van zaakschade in art. 2 lid 1 sub a CLNI; indien de olie uit de Ceeblender de kwaliteit van het water zou hebben gewijzigd - wat wordt betwist - dan nog is hier geen sprake van vorderingen voor schade die daardoor is veroorzaakt; de in rekening gebrachte kosten zien niet op het water in de haven dan wel op wijziging van de kwaliteit daarvan of het voorkomen van kwaliteitswijziging.

5.15

Uitgangspunt is dat de nationale regeling van een waterverontreinigingsfonds niet verder kan strekken dan de omschrijving van de betreffende vorderingen in art. 18 CLNI toestaat. De omschrijving in art. 1 lid 1 aanhef en onder b van het KB van 29 november 1996 van vorderingen "terzake van kosten en schadevergoedingen verschuldigd voor waterverontreiniging" is daarom niet bepalend voor het antwoord op de vraag wat de reikwijdte is van het voorbehoud van art. 18 CLNI.

5.16

Ingevolge het verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (23 mei 1969;

Trb. 1985, 79 en Trb. 1996, 89; artt. 31 ev.) moet een verdrag te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en doel van het verdrag. Tevens dient rekening te worden gehouden met iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen of later gebruik met betrekking tot de uitleg of toepassing van verdragsbepalingen. Dat betekent dat wordt gelet op de (heersende) opvattingen over uitleg en toepassing in andere staten die partij zijn bij het verdrag.

Ook kan een beroep worden gedaan op de voorbereidende werkzaamheden.

5.17

De CLNI kent drie authentieke talen, die ieder rechtskracht hebben. Naast het Nederlands, met de hiervoor onder 5.12 weergegeven tekst, zijn dat het Duits en het Frans, in welke talen het voorbehoud respectievelijk ziet op "Ansprüche wegen Schäden, die durch eine Änderung der physikalischen, chemischen oder biologischen Beschaffenheit des Wassers verursacht werden" en "créances pour dommages dus au changement de la qualité physique, chimique ou biologique de l'eau".

In de op 27 september 2012 ondertekende nieuwe versie van de CLNI is het bewuste voorbehoud in art. 18 met een ongewijzigde tekst opgenomen.

5.18

Blijkens de tekst van het voorbehoud in art. 18 CLNI in ieder van de authentieke talen is het criterium voor de uitsluiting van het verdrag voor vorderingen door waterverontreiniging gelegen in een verandering in de kwaliteit van het water zelf en gaat het om schade die door deze kwaliteitsverandering is veroorzaakt. Er wordt in deze omschrijving niet verwezen naar andere, verderliggende schadelijke gevolgen, zoals het verontreinigd (besmeurd) raken van andere zaken dan het water zelf, bijvoorbeeld verontreinigingsschade aan de oevers, kunstwerken van havens en waterwegen, of schepen.

In art. 2 CLNI worden vorderingen met betrekking tot beschadiging van kunstwerken van havens, aan dokken, waterwegen, sluizen, bruggen en hulpmiddelen bij de navigatie genoemd als voorbeelden van vorderingen wegens zaakschade waarvoor kan worden beperkt, zonder dat daarbij wordt verwezen naar een mogelijk voorbehoud ingevolge art. 18.

5.19

Er zijn geen travaux préparatoires van de CLNI voorhanden.

Over het precieze doel van het voorbehoud zijn de rechtbank geen gegevens bekend.

In de Nederlandse wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten voor een uitleg van het voorbehoud van art. 18 CLNI te vinden (vgl. Kamerstukken Goedkeuringswet CLNI, wetsvoorstel 24 062, Invoeging titel 12 in boek 8 BW, wetsvoorstel 24 061 en de Parlementaire Geschiedenis Boek 8 BW, p. 988 ev. over wetsvoorstel 19 770).

5.20

Wat betreft de uitleg en toepassing van de CLNI in andere verdragsstaten (behalve Nederland zijn alleen Duitsland, Luxemburg en Zwitserland partij), is alleen door Argos c.s. informatie overgelegd, afkomstig van de Duitse advocaat [persoon 3].

Hierin vindt de rechtbank echter geen duidelijke en concrete aanwijzingen over de opvattingen in de Duitse rechtspraak en literatuur ten aanzien van de uitleg en reikwijdte van het voorbehoud van art. 18 CLNI, in het bijzonder in een geval als het onderhavige.

Uit de overgelegde stukken lijkt naar voren te komen dat het bij de beperking van aansprakelijkheid ter zake van waterverontreiniging gaat om schade door aantasting van de kwaliteit van het water zelf en niet om schadelijke gevolgen zoals verontreiniging van de oevers met vervuilende stoffen.

Door Argos c.s. wordt ook niet aangegeven wat uit de overgelegde informatie blijkt.

5.21

Opgemerkt kan nog worden dat in het CLC-verdrag (Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie 1992 (Londen 27.11.1992; Trb. 1994, 229; oorspronkelijke versie van 29.11.1969) de omschrijving van schade door verontreiniging als gevolg van het uitvloeien van als lading vervoerde olie uit een zeeschip, niet ziet op de aantasting van de waterkwaliteit, maar op alle schade die buiten het schip door bevuiling ten gevolge van het uitvloeien van olie is veroorzaakt (vgl. art. I onder 6). In de binnenvaart is geen overeenkomstige regeling van kracht.

Het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Londen, 19 november 1976; Trb. 1980, 23 en Trb. 1984, 31; LLMC) - dat in zekere zin model heeft gestaan voor de CLNI - kent geen aparte regeling in verband met waterverontreiniging door zeeschepen (waterverontreinigingsfonds), noch de mogelijkheid om voor dergelijke vorderingen de toepassing van dat verdrag uit te sluiten.

5.22

De rechtbank komt tot de slotsom dat het voorbehoud van art. 18 CLNI alleen betrekking heeft op schade als gevolg van de kwaliteitswijziging van het water zelf en dat dit niet ziet op hoeveelheden stookolie die - door of bovenop het havenwater - terechtkomen op en tegen andere zaken en daar schade veroorzaken.

5.23

Tot vorderingen voor schade als gevolg van wijziging van de kwaliteit van het water, die van toepasselijkheid van de CLNI zijn uitgezonderd en waarvoor een regeling naar Nederlands recht geldt, dienen eveneens te worden gerekend de vorderingen wegens redelijke kosten van in redelijkheid genomen preventieve maatregelen om dreigende schade door kwaliteitswijziging van het water te voorkomen (art. 6:96 lid 2 aanhef en onder a BW).

vorderingen voor schade veroorzaakt door wijziging van de kwaliteit van het water

5.24

Ten aanzien van de wijziging van de kwaliteit van het havenwater door stookolie heeft Argos c.s. ter gelegenheid van de comparitie van partijen twee stukken geproduceerd (prods. 19 en 20 van Argos c.s.):

a.[persoon 4], bodem- en oppervlaktewaterspecialist bij Arnicon, deelt - samengevat - mee dat een stookolie-spill op het oppervlaktewater een negatieve invloed heeft op de biologische, chemische en fysische kwaliteit van dat water, dit vanwege een afsluitende drijflaag van de stookolie op het water, vanwege het oplossen in het water van relatief vluchtige koolwaterstoffen en zwavel die zich in de stookolie bevinden en vanwege de viscositeit van stookolie;

b. [persoon 5] van Inspectorate B.V. deelt - samengevat - mee dat het havenwater zowel chemisch als biologisch van kwaliteit verandert wanneer dit in contact komt met residuale olie van scheepsbrandstoffen RMG 380; een aantal bestanddelen is lichtjes oplosbaar in water (zoals benzeen en phenol); water bindt met residuale olie als emulsie; het zuurstofgehalte verandert.

5.25

[verweerder] wijst erop dat specificaties van de met de Ceeblender vervoerde olie ontbreken. De door Alcontrol uitgevoerde analyses (bijlagen 4 en 5 bij prod. 5 van

Argos c.s.) verschaffen de rechtbank op dit punt geen duidelijkheid.

Niettemin acht de rechtbank het op basis van de onder 5.24 weergegeven producties voorshands aannemelijk dat de uitgestroomde stookolie uit de Ceeblender de kwaliteit van het havenwater in fysisch, chemisch en biologisch opzicht nadelig heeft veranderd.

Ter comparitie heeft de raadsman van Argos c.s. toegezegd de specificaties van de stookolie in de Ceeblender toe te sturen aan de raadsman van [verweerder]. [verweerder] zou zich uitlaten over de onder 5.24 weergegeven producties. Het is de rechtbank niet bekend of de specificaties inmiddels zijn verstrekt (vgl. nadere conclusie in renvooi van [verweerder] onder 1.6).

Partijen hebben nagelaten zich over één en ander bij hun verdere aktewisseling uit te laten. Eventueel zou op dit punt nader onderzoek moeten plaatsvinden, mogelijk ook door het bevelen van een deskundigenbericht.

5.26

De regresvorderingen wegens schoonmaakkosten waarvoor de aansprakelijkheid volgens Argos c.s. alleen kan worden beperkt door een waterverontreinigingsfonds hebben - uitgaande van hetgeen hiervoor voorshands aannemelijk is geacht - naar het oordeel van de rechtbank grotendeels betrekking op het bestrijden of ongedaan maken van de verontreiniging en de kwaliteitsvermindering van het havenwater zelf, dan wel op het voorkomen daarvan.

Dat geldt in de eerste plaats voor de primaire verontreiniging van het havenwater doordat na de aanvaring stookolie uit de Ceeblender stroomde, welke verontreiniging is bestreden door het verwijderen van stookolie uit het water en door het aanbrengen van oilbooms en olieschermen.

Vervolgens raakte het havenwater vlak bij de glooiing van de Beneluxhaven telkens opnieuw verontreinigd door uit de Ceeblender gestroomde stookolie. Door de getijdewerking kwam het havenwater enige keren per dag in contact met de op de stenen en op de filterlaag afgezette stookolie, waardoor - naar voorshands aannemelijk wordt geacht - ook de kwaliteit van het havenwater telkens weer nadelig werd beïnvloed. Kennelijk teneinde deze zich steeds herhalende verontreiniging van het havenwater voor de toekomst te voorkomen is besloten tot de omvangrijke schoonmaakwerkzaamheden waarbij stookolie met heet water naar de onderzijde van de glooiing werd gespoeld, waar deze werd opgeruimd.

De rechtbank beschouwt deze schoonmaakwerkzaamheden als redelijke maatregelen om die zich steeds herhalende verontreiniging voor de verdere toekomst te voorkomen, waarvan de kosten in een waterverontreinigingsfonds thuis horen.

In hoeverre de vorderingen van Argos c.s. betrekking hebben op andere schade door verontreiniging met olie dan de kwaliteitsvermindering van het havenwater zelf (dan wel door maatregelen ter voorkoming van dergelijke andere verontreiniging), zou nader moeten worden onderzocht.

aansprakelijkheid van Argos jegens het Havenbedrijf en de regresvordering op [verweerder]

5.27

Aangenomen kan worden dat Argos jegens "het bevoegd gezag" verplicht was maatregelen te nemen om de stookolie uit het water van de Beneluxhaven, van de havenbodem en van de oevers te verwijderen, dit gelet op de door haar bij conclusie van eis (onder 30 - 38) weergegeven bepalingen van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,

Wet Milieubeheer, Havenverordening Rotterdam 2004 en de EG-Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004. De betwisting daarvan door [verweerder] acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Tevens kan worden aangenomen dat het voor Argos duidelijk was of duidelijk behoorde te zijn dat het Havenbedrijf zich het belang van de opruiming van de uitgestroomde stookolie zou aantrekken en derhalve schoonmaakkosten zou maken.

Het Havenbedrijf heeft Argos meteen op 1 februari 2008 per faxbrief aansprakelijk gesteld voor de verontreiniging van de Beneluxhaven door de Ceeblender (prod. 17 van Argos c.s.).

5.28

De vordering van het Havenbedrijf jegens Argos was primair gebaseerd op overeenkomst (vgl. prods. 14 en 15 van Argos c.s.). Op verzoek van het Havenbedrijf heeft schipper [persoon 1] van de Ceeblender een "Opdrachtformulier Bestrijding Morsingen" ondertekend (prod. 4 van Argos c.s.). Volgens Argos c.s. gebeurde dat op 1 februari 2008 en uit enkele overgelegde stukken (prod. 14 en 15 van Argos c.s.) kan blijken dat dit juist is.

In dat formulier stond dat (ondergetekende) [persoon 1], (naam) Argos Logistics B.V., (functie en naam schip) kapitein van de Ceeblender aan het Havenbedrijf opdracht gaf tot het reinigen van het wateroppervlak, de OSR 36 en de Ceeblender, de glooiingen en kademuren, met afvoer van het absorberend materiaal en dat ondergetekende zich verplichtte de kosten van die werkzaamheden na uitvoering te voldoen.

Argos c.s. heeft meegedeeld (samenvatting standpunten onder 11) dat Argos zich aan dit formulier gebonden heeft geacht en zich daarnaar ook heeft gedragen. Daarin ligt besloten dat Argos de handeling van [persoon 1] voor zover nodig heeft bekrachtigd.

5.29

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus een overeenkomst van opdracht tot het uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden tot stand gekomen, te weten de werkzaamheden die het Havenbedrijf vervolgens heeft uitgevoerd en aan Argos in rekening heeft gebracht.

5.30

Voor een op overeenkomst gebaseerde vordering tot betaling van de schoonmaakkosten van het Havenbedrijf jegens Argos gold een verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:307 BW). Hier is geen sprake van samenloop van de verjaringsregels voor aanvaring en die voor (andere) onrechtmatige daad. De verjaringstermijn van twee jaar geldt niet indien een overeenkomst is gesloten die voor een vordering tot nakoming een andere verjaringstermijn kent (vgl. art. 8:1793 BW en art. 8 lid 1 Geneefs Aanvaringsverdrag 1960, Trb. 1966, 192). De vordering van het Havenbedrijf als blijkend uit de factuur van 21 december 2010 was, anders dan [verweerder] aanvoert, niet verjaard.

5.31

Partijen zijn het erover eens dat een op overeenkomst gebaseerde vordering van het Havenbedrijf tot betaling van de schoonmaakkosten niet kon worden beperkt ingevolge de CLNI en de nationale regeling voor schade door waterverontreiniging (vgl. art. 8:1062 lid 2 BW, overeenkomend met art. 2 lid 2 CLNI).

Wel wordt door [verweerder] de vraag opgeworpen of Argos niet, tegenover haar schuldenaren op wie zij regres zou willen nemen ter zake van door haar aan het Havenbedrijf betaalde schoonmaakkosten, zoals de eigenaar van de Transito, gehouden was om haar schade te beperken, in het bijzonder door ervoor te zorgen dat zij jegens het Havenbedrijf niet verder aansprakelijk was dan tot haar beperkte aansprakelijkheid ingevolge de CLNI en de nationale regeling voor schade door waterverontreiniging, hetgeen ook inhield dat zij met het Havenbedrijf (of een andere opdrachtnemer) geen overeenkomst moest sluiten tot het uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden en dat zij zich jegens het Havenbedrijf had moeten beroepen op haar beperkte aansprakelijkheid.

5.32

De rechtbank verwerpt dit door [verweerder] ingenomen standpunt. Zoals hiervoor onder 5.27 is aangenomen, rustte op Argos jegens "het bevoegd gezag" een eigen verplichting om de stookolie uit het water van de Beneluxhaven, van de havenbodem en van de oevers te verwijderen. Indien Argos ingevolge deze verplichting zelf had schoongemaakt of door Hebo had laten schoonmaken, had zij de volledige kosten daarvan zelf moeten dragen, zonder een beroep te hebben op beperking van haar aansprakelijkheid. In dat geval had zij voor deze kosten regres kunnen nemen op [verweerder] - overeenkomstig het schuldpercentage bij de aanvaring - waarbij [verweerder] zich dan tegenover Argos op beperking van aansprakelijkheid kon beroepen.

In dit geval heeft het Havenbedrijf in opdracht van Argos schoongemaakt en laten schoonmaken en heeft Argos c.s. de volledige kosten daarvan aan het Havenbedrijf voldaan. Mede gelet op de eigen verplichting van Argos tot schoonmaken kan [verweerder] in deze situatie niet met vrucht aan Argos tegenwerpen dat zij niet met het Havenbedrijf had moeten contracteren en dat zij zich jegens het Havenbedrijf had moeten beroepen op beperking van aansprakelijkheid. Bij de onderhavige regresvordering van Argos c.s. kan [verweerder] zijn aansprakelijkheid op dezelfde wijze beperken als in het geval waarin Argos c.s. zelf had schoongemaakt of had laten schoonmaken.

5.33

Anders dan [verweerder] meent, verandert een vordering ter zake van schoonmaakkosten ter beperking waarvan een waterverontreinigingsfonds moet worden gesteld niet van karakter wanneer deze vordering - na betaling door een schuldenaar - jegens een ander wordt geldend gemaakt als regresvordering en is die regresvordering niet een vordering geworden ter beperking waarvan kan worden volstaan met het stellen van een zakenfonds (als een vordering tot vergoeding van zuivere vermogensschade). Niet valt in te zien waarom de vordering ter zake van schade veroorzaakt door waterverontreiniging zoals bedoeld in het voorbehoud van art. 18 CLNI alleen zou kunnen gelden als een waterverontreinigingsvordering indien de vordering wordt ingesteld door degene die primair de schade heeft geleden - in dit geval de beheerder van het havengebied of degene die de schoonmaakkosten heeft gemaakt - en niet door degene die de schoonmaker de kosten heeft vergoed en de betaalde kosten als schade wil verhalen op een derde. Beslissend is dat het gaat om een vordering tot vergoeding van schade als in het voorbehoud bedoeld. Ook voor een regresvordering geldt dan dat ter beperking een waterverontreinigingsfonds moet worden gesteld.

de verdere procedure

5.34

Het komt de rechtbank gewenst voor om met de partijen te overleggen over de verdere procedure. Naast de hiervoor onder 5.25 en 5.26 bedoelde kwesties en de hoogte van de diverse door Argos c.s. bij de vereffenaar ingediende schadeposten, kan worden besproken in hoeverre er, gelet op de schuldverdeling en de omvang van de schadeposten, nog reden is voor het stellen van een waterverontreinigingsfonds.

De rechtbank geeft partijen in overweging daarover ook en vooreerst met elkaar in overleg te treden.

6 De beslissing

De rechtbank,

6.1

beveelt een verschijning van partijen, deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst alleen door hun raadslieden, met deze voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling voor de rechter mr P.C. Santema in het gebouw van de rechtbank te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125 op een nader vast te stellen tijdstip;

6.2

verzoekt de advocaten van partijen om binnen vier weken na de uitspraak van dit vonnis aan de rechtbank - planningsadministratie van de afdeling privaatrecht, kamer 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010-2972518 - en de advocaat van de wederpartij de verhinderdata op te geven in de periode van november 2013 tot en met januari 2014;

6.3

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr A.N. van Zelm van Eldik, mr P.C. Santema en

mr W.P. Sprenger en uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013.

10/32/1928