Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:7234

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
18-09-2013
Zaaknummer
432056 / HA RK 13-799
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Afwijzing verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen. Procesbeslissing waardoor onvermijdelijk van een standpunt van de rechters blijkt, maar niet zonder meer een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 10 september 2013

zaaknummer: 432056

rekestnummer HA RK 13-799

Parketnummer 10/681057-13

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek tot wraking ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de strafzaak met parketnummer 10/681057-13 tegen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats],

verzoeker,,

raadsman mr. D.H. van den Elzen, advocaat te Rotterdam.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. M.A.C. Prins, mr. M. van Kuilenburg en mr. P.M. van Russen Groen, rechters in de Afdeling Publiekrecht, team straf 3 van deze rechtbank, hierna de rechters.

1 Het procesverloop en de processtukken

1.1.

Ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 13 augustus 2013 heeft de raadsman van verdachte een mondeling verzoek gedaan tot wraking van de meervoudige strafkamer. Hierop is het onderzoek ter terechtzitting geschorst om het verzoek tot wraking door een wrakingskamer te laten behandelen.

1.2.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hierboven omschreven strafzaak tegen verzoeker als verdachte, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hier bedoelde zitting waarin het wrakingsverzoek wordt gedaan.

1.3.

Het verzoek tot wraking is in het openbaar behandeld ter zitting van 27 augustus 2013. Ter zitting zijn verschenen en gehoord:

- de raadsman mr. D.H. van den Elzen,

- de officier van justitie mr. T. Slieker,

- mr. M.A.C. Prins en mr. P.M. van Russen Groen, mede namens

mr. M. van Kuilenburg, die heeft bericht niet in de gelegenheid te zijn om ter zitting te verschijnen vanwege zittingsverplichtingen.

Verzoeker is eveneens niet verschenen. Hij heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht aanwezig te zijn.

1.4.

Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de wrakingskamer medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden op 10 september 2013 om 12.00 uur.

2 Het verzoek

2.1.

De raadsman van verzoeker heeft – samengevat – aan het verzoek tot wraking het volgende ten grondslag gelegd:

Ter zitting van de meervoudige strafkamer heeft hij verzocht twee getuigen te mogen horen. Het verzoek is tijdig gedaan en daarom geldt het verdedigingsbelang als criterium voor de beoordeling van het verzoek.

De meervoudige strafkamer heeft het verzoek tot het horen van de getuigen afgewezen en daarbij gesteld dat door deze afwijzing de verdediging niet in haar belangen is geschaad. Dat de verklaringen van beide getuigen niet van belang kunnen zijn, al was het maar voor de strafmaat, voor enige in de strafzaak te nemen beslissing vermag de verdediging niet in te zien. De beslissing van de meervoudige strafkamer is daarom onbegrijpelijk. De meervoudige strafkamer heeft tot uitdrukking gebracht dat, gelet op de verklaring van verzoeker bij de politie, de verklaringen van de getuigen er niet meer toe doen. Daarmee heeft de meervoudige strafkamer al een beslissing genomen, althans een oordeel gevormd over de te gebruiken bewijsmiddelen. Dat is naar objectieve maatstaven een omstandigheid die de schijn van partijdigheid meebrengt.

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wordt een getuige die tijdig door de verdediging is opgegeven, gehoord, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van de getuige verzoeker in zijn verdediging niet wordt geschaad. Dat zich die omstandigheid voordeed kan uit de beslissing van de meervoudige strafkamer niet worden afgeleid. In die zin is de beslissing, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk.

3 Het standpunt van de rechters wier wraking is verzocht

3.1.

De rechters hebben niet in de wraking berust. De rechters voeren aan dat de wrakingsprocedure er niet toe strekt om beslissingen die een partij niet welgevallig zijn, tussentijds door de wrakingskamer te laten toetsen. De rechters vermogen niet in te zien dat, door het nemen van de gewraakte beslissing, bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees heeft kunnen ontstaan dat de meervoudige strafkamer niet onpartijdig zou zijn

4 Het standpunt van de officier van justitie

4.1.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot wraking. Volgens de officier van justitie is er geen sprake van een situatie dat zich uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de meervoudige strafkamer jegens verzoeker een vooringenomenheid heeft gekoesterd, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5 De beoordeling

5.1.

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2.

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.

5.3.

Dat kan anders zijn indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat voor die beslissing redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat de beslissing voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter, in die zin dat de beslissing objectief gezien bij de verzoeker tot wraking de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen wekken dat de beslissing is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoeker.

5.4.

De afwijzing van het verzoek om getuigen te horen is een procesbeslissing. Rechters moeten een tussentijds aan hen gevraagde procesbeslissing kunnen nemen en motiveren opdat het proces voortgang kan vinden.

Met het nemen van een dergelijke beslissing blijkt onvermijdelijk van een standpunt van de rechter(s), maar dat levert niet zonder meer een zwaarwegende aanwijzing als vorenbedoeld op dat een vrees voor partijdigheid voor andere door de rechter(s) te nemen beslissingen objectief gerechtvaardigd is.

5.5.

De raadsman heeft betoogd dat de meervoudige kamer met de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen al een beslissing heeft genomen, althans een oordeel heeft gevormd over de te gebruiken bewijsmiddelen, alsmede dat de daarvoor gegeven motivering in strijd is met de geldende jurisprudentie en dat dit een naar objectieve maatstaven de schijn van partijdigheid meebrengt.

5.6.

De wrakingskamer deelt deze mening niet. Ook in het geval dat de beslissing van de meervoudige strafkamer onjuist zou, zijn er geen bijzondere omstandigheden gesteld noch gebleken, waardoor gesteld kan worden dat de meervoudige kamer jegens de verdachte vooringenomenheid heeft gekoesterd, in die zin dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.7.

Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek tot wraking ongegrond is. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot wraking van mr. M.A.C. Prins, mr. M. van Kuilenburg en mr. P.M. van Russen Groen.

Deze beslissing is genomen door mr. M.L.F.M. van der Grinten, voorzitter, mr. P.H. Veling en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2013, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier.