Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:7048

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
431442 KG ZA 13-887
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geschil tussen aandeelhouders van een B.V.

Gevorderde verbod om aandelen van de ene aandeelhouder krachtens volmacht aan de andere volmacht te leveren (toegestaan op grond van de aandeelovereenkomst) wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2013-0325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/431442 / KG ZA 13-887

Vonnis in kort geding van 12 september 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COLUMBUS MANAGEMENT EN ADVIES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. M.H. Janssen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SZ NEW ENTERPRISES INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SILO DORDRECHT (F.R.E.T) B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

3. [gedaagde 3]

wonend te Dordrecht,

gedaagden,

advocaten mr. M. Brink en mr. J.Th. Broeren-Berns.

Partijen zullen hierna Columbus, SZ, Silo en [gedaagde 3] genoemd worden..

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Columbus

  • -

    de pleitnota van SZ, Silo en [gedaagde 3].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SZ was voorheen enig aandeelhouder in het kapitaal van Silo. Op 16 maart 2005 heeft SZ 50 % van deze aandelen geleverd aan Columbus. Daaraan voorafgaand, op 24 januari 2005, is een aandeelhoudersovereenkomst (hierna te noemen: de Aandeelhoudersovereenkomst) gesloten.

2.2.

Enig bestuurder van Silo is [gedaagde 3].

2.3.

SZ en Silo hebben een kort gedingprocedure tegen Columbus geëntameerd. SZ en

Silo hebben zich in die procedure op het standpunt gesteld dat Columbus op grond van de

Aandeelhoudersovereenkomst verplicht was om haar aandelen in Silo aan te bieden aan medeaandeelhouder SZ omdat Columbus een nieuwe directeur had gekregen.

2.4.

De voorzieningenrechter van de toenmalige rechtbank Dordrecht heeft in zijn vonnis van 4 oktober 2012 in zijn beoordeling vastgesteld dat Columbus (inderdaad) een nieuwe bestuurder had gekregen per 13 maart 2012, namelijk Inter Business management B.V., zodat art. 7 sub f van de Aandeelhoudersovereenkomst was geschonden. De voorzieningenrechter heeft daarom aannemelijk geacht dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Columbus een aanbiedingsplicht van haar aandelen aan SZ heeft.

De voorzieningenrechter heeft de vordering toegewezen om een taxateur te benoemen die de waarde moest gaan bepalen van het aan Silo in eigendom toebehorende onroerend goed.

2.5.

Tegen het vonnis is geen rechtsmiddel aangewend.

3 Het geschil

3.1.

Columbus vordert, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

-gedaagden te verbieden om krachtens (dwang-) volmacht zoals geregeld in de Aandeelhoudersovereenkomst de aandelen van Columbus aan SZ te doen leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

-het aandeelhoudersregister van Silo aan (een vertegenwoordiger van) Columbus af te geven, of althans, subsidiair , daarin inzage te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- een adviseur te benoemen ex artikel 13 van de Aandeelhoudersovereenkomst (Columbus stelt voor: een aan Grant Thornton verbonden accountant) die wordt aangesteld en als geformuleerde afgebakende opdracht krijgt:

1) te onderzoeken of SZ inderdaad een aanbiedingsplicht heeft van haar aandelen

2) dan wel dat een andere concrete oplossing dient te worden gevolgd

3) de prijs van de aandelen van SZ te bepalen;

- gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.

Columbus stelt daartoe het volgende.

3.2.

De Aandeelhoudersovereenkomst bepaalt dat in een aantal situaties een aandeelhouder verplicht is om haar aandelen aan te bieden aan de andere aandeelhouder. In het eerdere kort gedingvonnis werd er van uit gegaan dat het aan Columbus was om haar aandelen in Silo aan te bieden aan SZ. Dit is onjuist. Het is juist aan SZ om háár aandelen in Silo aan te bieden aan Columbus. In het voorjaar van 2011 is [gedaagde 3] in een echtscheidingsprocedure geraakt. Dat leidt volgens de Aandeelhoudersovereenkomst tot een aanbiedingsplicht van deze aandelen. De -gestelde- aanbiedingsplicht van Columbus zelf is pas later gaan spelen, in maart 2012. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft SZ destijds verzwegen dat zij zelf al eerder een aanbiedingsplicht had gekregen. SZ heeft in haar brief van 3 juni 2013 erkend dat zij deze aanbiedingsplicht heeft.

3.3.

[gedaagde 3] is, als bestuurder van Silo, voornemens om gebruik te gaan maken van zijn bevoegdheid ex art. 8 Aandeelhoudersovereenkomst om, bij volmacht, zelf de aandelen van Columbus te doen leveren aan SZ. Dit is ten onrechte omdat Columbus geen leveringsplicht heeft.

3.4.

Columbus betwist de juistheid van het oordeel van de voorzieningenrechter in het eerdere kort geding dat Columbus degene is die een aanbiedingsplicht heeft. Een kort gedingvonnis heeft geen gezag van gewijsde en ook daarom is Columbus niet aan het vonnis gebonden.

3.5.

Columbus vermoedt dat SZ al in 2010 haar aandelen in Silo heeft vervreemd of bezwaard. Dit kan blijken uit het aandelenregister, maar Silo weigert ten onrechte afgifte daarvan, dan wel inzage daarin. Met de gevorderde afgifte van het aandelenregister wordt bovendien voorkomen dat [gedaagde 3] uitvoering kan geven aan zijn voornemen om krachtens volmacht de aandelen te leveren, want die levering kan dan niet ingeschreven worden in het aandelenregister.

3.6.

Artikel 13 lid 4 van de Aandeelhoudersovereenkomst voorziet in benoeming van een adviseur. Die kan mogelijk een oplossing zoeken om uit de patstelling te geraken.

3.7.

Er is een spoedeisend belang. [gedaagde 3] weigert de voorgenomen dwanglevering van aandelen op te schorten. Bovendien bedreigt het dispuut van partijen de continuïteit van Silo.

3.8.

SZ, Silo en [gedaagde 3] voeren verweer.

3.9.

Op de (verdere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het is aannemelijk dat Columbus steeds heeft geweten dat [gedaagde 3] in 2011 van echt is gaan scheiden, dus ook al voordat de voorzieningenrechter het voormelde kort geding vonnis heeft gewezen. Allereerst blijkt dit genoegzaam uit bladzijde 2 van de notulen van een aandeelhoudersvergadering van Silo de dato 29 juni 2012 (bijlage bij productie 5 bij dagvaarding). Deze notulen zijn opgesteld door J.G. Vis, zijnde de accountant van Silo. In de notulen wordt gewag gemaakt van de echtscheiding van [gedaagde 3]. Columbus was bij die aandeelhoudersvergadering vertegenwoordigd. Voorts is een schriftelijke verklaring overgelegd van [betrokkene 1], zijnde een werknemer van Silo (productie 14 van SZ, Silo en [gedaagde 3]). [betrokkene 1] verklaart:

-dat hij op 28 maart 2011 door [gedaagde 3] op de hoogte is gesteld van diens komende echtscheiding;

-dat hij,[betrokkene 1], er bij aanwezig was toen [gedaagde 3] aan[betrokkene 2], die toen bestuurder was van Columbus, mededeling deed van deze echtscheiding;

-dat hij,[betrokkene 1], na 29 maart 2011 regelmatig met[betrokkene 2] van Columbus over deze echtscheiding heeft gesproken.

De voorzieningenrechter ziet, anders dan Columbus, vooralsnog geen redenen om te twijfelen aan de deugdelijkheid van dit bewijsmateriaal. Dat de notulen laat zouden zijn opgemaakt en laat aan Columbus ter hand zijn gesteld, waarvoor gedaagden ter zitting geen verklaring konden geven, maakt het voorgaande nog niet anders. Daaruit volgt, naar voorlopig oordeel, dat Columbus (stilzwijgend) heeft geaccepteerd dat de echtscheiding van [gedaagde 3] geen reden was om van SZ haar aandelen in Silo op te eisen.

4.2.

Daarbij komt het volgende. De Aandeelhoudersovereenkomst is onmiskenbaar gegrond op de bedoeling dat [gedaagde 3] en [betrokkene 3] zelf zouden gaan samenwerken, getuige de bewoordingen van de considerans, derde bulletpoint: “Dat [gedaagde 3] en [betrokkene 3] als (indirect) aandeelhouder van SZ, respectievelijk Columbus, voormelde deelname beschouwen als een exclusieve en op hun persoon gerichte samenwerking en willen voorkomen dat op enigerlei wijze daarin aan derden enig aandeel, enige zeggenschap of enige invloed kunnen worden toegekend. (...)“

Ter zitting bleek dat [betrokkene 3] inmiddels in Suriname woont. Volgens gedaagden is [betrokkene 3] aldaar niet bereikbaar en neemt [betrokkene 3] op geen enkele wijze contact op met hen. Volgens Columbus is van [betrokkene 3] nog wel bekend wáár hij woont in Suriname en kan [betrokkene 3] zonodig nog steeds als getuige in een bodemprocedure worden gehoord. Deze stelling van Columbus volstaat niet. [betrokkene 3] is niet slechts potentieel getuige. [betrokkene 3] is destijds door [gedaagde 3] uitdrukkelijk gekozen als zakenpartner vanwege diens (toen) voor [gedaagde 3] kennelijk aantrekkelijke zakelijke kwaliteiten. Het valt niet goed in te zien hoe [betrokkene 3] nog goed kan samenwerken (in Dordrecht) met [gedaagde 3] nu [betrokkene 3] geëmigreerd is naar Suriname en [betrokkene 3] geen tot weinig moeite doet om in contact te treden met [gedaagde 3]. Met andere woorden: [betrokkene 3] is buiten beeld en [gedaagde 3] niet. Het is ook om deze reden niet onwaarschijnlijk dat de bodemrechter zal oordelen dat niet Columbus maar SZ recht heeft op de aandelen in Silo, al dan niet op grond van onvoorziene omstandigheden ex art. 6:258 BW. In dit oordeel wordt betrokken dat SZ voorheen ook al 100 % van de aandelen in Silo hield en SZ zich nu opeens geconfronteerd ziet met een andere zakenpartner dan degene voor wie zij destijds nu juist uitdrukkelijk had gekozen, met uitsluiting van anderen. Dit klemt temeer nu [gedaagde 3] -onweersproken- stelt dat zijn verstandhouding met [betrokkene 4], de opvolger van [betrokkene 3], slecht is en dat Columbus zakelijke banden heeft met een concurrent van Silo. Tot slot is van belang dat er met het oog op de continuïteit binnen Silo een (orde-)maatregel zal moeten worden getroffen, die de onduidelijke en verlammende verhouding van de aandeelhouders doorbreekt.

4.3.

Niet valt in te zien op welke rechtsgrond Silo gehouden zou kunnen worden om haar aandeelhoudersregister af te geven het Columbus. Bovendien is het doel, althans het gevolg van deze afgifte (mede) voorkoming van inschrijving in het aandeelhoudersregister van levering van de aandelen van Columbus aan SZ krachtens volmacht. In het onderhavige vonnis wordt echter het daartoe strekkende verbod afgewezen.

4.4.

Het recht op inzage in het aandeelhoudersregister volgt uit de wet (art. 2:194 lid 5 BW). Inzage in het aandeelhoudersregister heeft Columbus echter al gehad, nu daartoe de zitting enige tijd geschorst is geweest en Silo dit register toen heeft getoond aan Columbus. Afgezien hiervan heeft Silo zich bereid verklaard te allen tijde deze inzage op haar kantoor te willen verschaffen. Ter zitting erkende Columbus desgevraagd dat zij voorafgaand aan de dagvaarding nooit aan Silo om inzage heeft gevraagd in het aandeelhoudersregister. In zoverre is Silo dus niet onwillig geweest, reden te meer om de daarop gerichte vordering af te wijzen.

4.5.

Slotsom is dat de vorderingen zullen worden afgewezen. Columbus zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van gedaagden. Deze kosten worden begroot op € 1.405,-, zijnde € 816,- aan salaris advocaat (conform de Liquidatietarieven: standaard tarief kort geding) en € 589,- aan griffierecht. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen slechts voor zover deze zich thans laten begroten. Daartoe behoren niet de gevorderde “eventuele andere kosten verband houdend met de executie van dit vonnis.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af

5.2.

veroordeelt Columbus in de proceskosten van gedaagden, tot op heden begroot op € 1.405,-, te vermeerderen, indien de proceskosten niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis zijn voldaan, met de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening, en eveneens te vermeerderen met de nakosten ad € 131,-, dan wel € 199,-, indien betekening van het vonnis plaats vindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bouter en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2013.