Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:6999

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
10-09-2013
Zaaknummer
100991 - HA ZA 12-2295
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Betreft geldleningsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/11/100991 / HA ZA 12-2295

Vonnis van 4 september 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X]HOLDING B.V.,

gevestigd te Oud-Beijerland,

eiseres,

advocaat mr. T. Abbo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Oud-Beijerland,

gedaagde,

advocaat mr. A. Schep,

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de akte van depot van 28 januari 2013,

- het tussenvonnis van 6 februari 2013 met de daarin genoemde processtukken,

- het proces-verbaal van comparitie van 12 juni 2013.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eiseres heeft een akte van geldlening d.d. 15 februari 1995 (productie 1 bij dagvaarding) overgelegd met, voor zover hier van belang, de navolgende inhoud:

AKTE VAN GELDLENING

De ondergetekenden:

1. [X] Holding B.V. gevestigd te Oud-Beijerland, [adres], rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur [gedaagde], hierna te noemen partij 1;

2. [gedaagde] geboren op 24 april 1965, wonende te Oud-Beijerland, [adres 2] hierna te noemen partij 2;

In aanmerking nemende:

- dat partij 1 per heden een geldsom ad. f 118.541,-- heeft uitgeleend aan partij 2, voor de aankoop van de onroerende zaak: [adres 2] te Oud-Beijerland;

(…)

Terzake dezer geldlening zijn ondergetekenden het navolgende overeengekomen:

a. Partij 2. verklaart verschuldigd te zijn aan partij 1 een som van f 118.541 (…) en zich te verbinden om van deze som aan de schuldeiser te zullen betalen een rente van 5 percent per jaar, eerstmaal de 31ste december over het alsdan verstreken tijdvak te rekenen vanaf heden, hetwelk door partij 1 wordt aanvaard.

b. Partij 2 is verplicht binnen 30 jaar na heden de hoofdsom af te lossen. Overigens zal de hoofdsom slechts in de hierna sub c genoemde gevallen kunnen worden opgeëist.

c. De hoofdsom of het eventuele restant daarvan zal te allen tijde terstond en zonder enige waarschuwing kunnen worden opgeëist, met de rente tot de dag der betaling en drie maanden extra-rente, in de volgende gevallen:

- bij niet-prompte voldoening der rente of aflossing op de verschijndagen of niet aflossing binnen 15 jaar

(…)

f. Partij 2 zal in gebreke zijn 10 dagen na een schriftelijke aanmaning, waartoe partij 1 gerechtigd is door het enkel verloop van de bepaalde termijn of het enkele feit der niet of niet-behoorlijke nakoming of overtreding.

(…)

2.2.

Gedaagde heeft een nota van de notaris overgelegd (productie 7 bij conclusie van antwoord), met zover hier van belang de volgende inhoud:

29 maart 1995

AFREKENING VOOR [gedaagde]

NOTA [betrokkene 2]

[adres]

[woonplaats]

Akte: d.d. 31 maart 1995 om 10.00 uur

In verband met de verkoop van het pand

[adres] te Oud-Beijerland

aan de heer [betrokkene], (…)

Blijft door u te ontvangen f. 164.816,53

Welk bedrag de eerstvolgende werkdag na het ondertekenen van de akte zal worden overgemaakt naar rekeningnummer 35.11.227.011 t.n.v. [X]Holding B.V.

2.3.

Op 11 juli 2012 heeft de advocaat van eiseres een brief aan gedaagde verzonden (productie 6 bij dagvaarding) met voor zover hier van belang de volgende inhoud:

De heer [gedaagde]

[adres 2]

[woonplaats]

Tot mij wendde zich cliënte [X]Holding B.V. inzake het navolgende.

(…)

Cliënte informeerde mij dat zij zich noodgedwongen tot mij wendde omdat u al geruime tijd geen enkele betaling meer verricht. Zij overhandigde mij onder meer een opstelling van haar accountant van 20 april 2011 waaruit blijkt dat op dat moment u een bedrag verschuldigd was van € 70.003,--. Het gaat hier om een bedrag in hoofdsom van € 53.681,-- en aan rente een bedrag van € 16.322,--.

(…)

Een bij cliënte levende gedachte is dat u bijvoorbeeld een aanvang maakt met de verschuldigde rentebetalingen waarna een definitieve regeling getroffen kan worden voor de aflossing van de lening.

3 De vordering

3.1.

Eiseres vordert dat, voor zoveel mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde wordt veroordeeld:

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van € 53.681,-- in hoofdsom, vermeerderd met verschuldigde rente ad € 16.255,36 over de periode van 5 september 2006 tot en met 30 september 2012, vermeerderd met de verschuldigde rente over de hoofdsom vanaf 1 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- in de kosten van dit geding.

3.2.

Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen op 15 februari 1995 een overeenkomst hebben gesloten, inhoudende dat eiseres fl. 118.541,-- (€ 53.681,--) heeft uitgeleend aan gedaagde. Dit bedrag is opeisbaar omdat gedaagde vanaf 2004 geen rente meer heeft betaald. De verschuldigde rente bedraagt vanaf 5 september 2006 tot en met 30 september 2012 € 16.255,36.

3.3.

Gedaagde heeft de vordering betwist en subsidiair de volgende verweren aangevoerd:

1) eiseres heeft niet voldaan aan haar substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv;

2) de vordering van de rentesommen tot 15 november 2007 zijn verjaard;

3) de echtgenote heeft de vereiste toestemming op grond van artikel 1:88 BW niet verleend en heeft bij brief van 4 januari 2013 de rechtshandeling vernietigd;

4) hij beroept zich op verrekening met vier vorderingen, te weten;

a) € 73.674,18, vermeerderd met wettelijke handelsrente, terzake onverschuldigde betaling van de opbrengst van zijn huis aan eiseres;

b) € 57.010,--, vermeerderd met wettelijke handelsrente, terzake zijn inbreng in autobedrijf[belanghebbende 1] V.O.F., waarvan Autobedrijf [belanghebbende 1]. resterend vennoot is, met als DGA eiseres;

c) € 57.000,-- terzake onbetaald loon door Beheermaatschappij [gedaagde]., met als DGA eiseres;

d) € 50.710,-- terzake onverschuldigd betaalde rente aan eiseres;

5) het beroep op nakoming van de geldleningovereenkomst is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar;

6) de uitvoerbaarverklaring bij voorraad dient te worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

Gedaagde voert aan dat niet alle verweren zijn vermeld en niet alle stukken waarop eiseres zich kan beroepen zijn overgelegd (antwoord 113). Uit de stellingen van gedaagde blijkt dat zijn advocaat in de correspondentie voorafgaand aan de dagvaarding verweren heeft genoemd (zoals het beroep op nietigheid ex art. 1:88 BW en de betwisting van de geldigheid van de overeenkomst) die niet zijn vermeld in de dagvaarding. Dat is op zichzelf in strijd met het bepaalde in artikel 111 lid 3 Rv. Dit is echter geen reden de vordering af te wijzen. Wel zal geen advocaatsalaris worden toegekend voor de dagvaarding, omdat deze niet aan de eisen van de wet voldoet.

4.2.

Gedaagde betwist aanvankelijk dat hij de geldleningovereenkomst heeft ondertekend. Ter comparitie herkent hij echter de handtekening als de zijne. Hij verklaart dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij deze heeft gezet, maar dat hij wel vaker stukken tekende als zijn vader dat vroeg. Daarmee heeft hij de echtheid van zijn handtekening onvoldoende betwist. De overeenkomst geldt tussen partijen als een onderhandse akte die dwingend bewijs levert van de waarheid van de inhoud van de verklaringen (art. 157 Rv). Gedaagde is dus gebonden aan de inhoud van de overeenkomst.

4.3.

Gedaagde betwist dat zijn echtgenote de geldleningovereenkomst voor akkoord heeft ondertekend. Hij weerspreekt de stelling van eiseres dat de overeenkomst op kantoor bij eiseres is ondertekend door partijen en gedaagdes echtgenote echter niet, hetgeen ook logisch is, want hij kan zich niet herinneren hoe de ondertekening gegaan is. Gedaagde heeft hiermee onvoldoende betwist dat zijn echtgenote de overeenkomst voor akkoord heeft getekend. Zij heeft dus niet het recht de overeenkomst op grond van art 1:88 BW te vernietigen, zodat reeds hierom het verweer onder 3.3 sub 3) faalt. Opmerkelijk is overigens dat de handtekening onder de vernietigingsverklaring (prod. 16 bij antwoord) grote gelijkenis vertoont met de handtekening onder de overeenkomst (prod. 1 bij dagvaarding).

4.4.

Gedaagde betwist dat het in de overeenkomst genoemde bedrag aan hem is verstrekt. De directeur van eiseres, die de vader is van gedaagde, heeft uitgelegd dat eiseres ten behoeve van gedaagde betalingen aan derden heeft gedaan, o.a. voor de financiering van de woning van gedaagde. Dergelijke betalingen zijn ook aan te merken als ter beschikking van de lener gestelde geldsommen in de zin van art. 7A:1791 BW (HR 13 juni 2008, NJ 2008, 336). Gedaagde heeft ter zitting verklaard dat hij niet weet of zijn vader heeft geregeld dat eiseres betalingen voor hem heeft gedaan en dat hij evenmin weet hoe zijn woning is gefinancierd. Hiermee heeft gedaagde onvoldoende betwist dat ten behoeve van hem de betalingen zij gedaan die optellen tot de in de geldleningovereenkomst genoemde hoofdsom. Vast staat dat de hoofdsom aan hem ter beschikking is gesteld en dat hij deze moet terugbetalen.

4.5.

Artikel 2c van de overeenkomst bepaalt dat de hoofdsom te allen tijde terstond en zonder enige waarschuwing kan worden opgeëist bij niet-prompte voldoening van de rente. Vast staat dat gedaagde vanaf 2004 geen rente meer heeft betaald. Gelet hierop is de hoofdsom opeisbaar en is gedaagde gehouden tot nakoming, zodat de gevorderde hoofdsom van € 53.681,-- zal worden toegewezen. Gedaagde voert nog aan dat op grond van art. 2f van de overeenkomst een ingebrekestelling is vereist voor de opeisbaarheid van de hoofdsom. De grondslag van dit onderdeel van de vordering is nakoming van art. 2c van de overeenkomst en dat artikel bepaalt dat de hoofdsom zonder waarschuwing opgeëist kan worden als geen rente wordt betaald. Een ingebrekestelling is dus niet vereist. Artikel 2c van de overeenkomst bepaalt voorts dat de hoofdsom kan worden opgeëist met de rente tot de dag der betaling en drie maanden extra rente. De gevorderde rente over de hoofdsom vanaf 1 oktober 2012 zal dan ook worden toegewezen.

4.6.

Over de hoofdsom is 5% rente per jaar verschuldigd vanaf 31 december 1995. Een vordering tot betaling van bedongen rente verjaart vijf jaren na het opeisbaar worden van de vordering (artikel 3:313 jo 3:307 BW). Gedaagde stelt dat de rentevordering tot 15 november 2007 is verjaard. Eiseres voert aan dat de rentevordering tot 5 september 2006 is verjaard, omdat de verjaring op dat moment is gestuit. De opeisbaarheid van de over 5 september 2006 tot 15 november 2007 gevorderde rente in die periode is niet in geschil. Wel of voor 15 november 2012 de verjaring is gestuit. Eiseres voert aan dat de verjaring van de vordering van de overeengekomen rente is gestuit door de brief van 20 april 2011 (prod.3 bij dagvaarding), dan wel 5 september 2011 (prod.2 bij dagvaarding). De brief van 20 april 2011 is gericht aan J.H. van der Schoor Holding B.V., niet zijnde gedaagde. De brief van 5 september 2011 is afkomstig van de heer Van der Schoor sr., in zijn hoedanigheid als medevennoot van Autobedrijf F. van der Schoor v.o.f., niet zijnde eiseres. Gelet hierop kunnen deze brieven niet worden aangemerkt als stuitinghandeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW. Ter zitting van 12 juni 2013 heeft eiseres verklaard dat de brief van 11 juli 2012 (zie r.o.2.3) eveneens kan worden aangemerkt als een stuitinghandeling. Vast staat dat gedaagde deze brief heeft ontvangen. Deze brief kan wel worden aangemerkt als een stuitinghandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW, nu eiseres zich daarin ondubbelzinnig haar recht op nakoming van de geldleningovereenkomst voorbehoudt. De verjaring is gestuit op 11 juli 2012, zodat de rentevordering is verjaard tot 11 juli 2007 en vanaf die datum zal worden toegewezen. De gevorderde rente over de periode 5 september 2006 tot 11 juli 2007 zal worden afgewezen.

4.7.

Gedaagde beroept zich op verrekening met vier tegenvorderingen.

De onder 3.3. onder 4. b) en c) genoemde vorderingen komen niet voor verrekening in aanmerking, omdat het geen vorderingen op eiseres zijn maar op een andere vennootschap.

Gedaagde stelt dat een aan gedaagde toekomend bedrag van € 73.674,18 zonder grond aan eiseres is betaald door de notaris. Mogelijk bedoelt gedaagde te stellen dat dit bedrag onverschuldigd aan eiseres is betaald. De stelling van eiseres dat dit bedrag is aangewend ter financiering van het woonhuis van gedaagde, heeft hij ter zitting onvoldoende betwist, nu hij niet weet hoe zijn nieuwe huis is gefinancierd. Vast staat dat dit bedrag, samen met het door eiseres aan gedaagde uitgeleende bedrag, is aangewend ter financiering van gedaagdes woonhuis.

Tenslotte voert gedaagde aan dat hij € 50.710,-- onverschuldigd aan eiseres heeft betaald. Dit betreft echter betaalde rente op grond van de hiervoor besproken lening, dus van onverschuldigde betaling is geen sprake.

Gedaagde komt geen beroep op verrekening toe.

4.8.

Gedaagde voert voorts als verweer dat een beroep van eiseres op de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat hij meerdere vorderingen op zijn vader heeft. De enkele omstandigheid dat gedaagde mogelijk andere vorderingen op zijn vader heeft leidt niet tot het oordeel dat een vordering tot nakoming van de geldleningovereenkomst door eiseres naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Gedaagde heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld die tot dat oordeel nopen, zodat aan dit verweer voorbij zal worden gegaan.

4.9.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

- dagvaarding 76,17

- griffierecht 3.621,00

- salaris advocaat   894,00 (1 punt × tarief € 894,00)

Totaal €  4.591,17

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van € 53.681,-- in hoofdsom, vermeerderd met de overeengekomen rente van 5% per jaar, vanaf 11 juli 2007 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten van het geding, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 4.591,17,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.