Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:6786

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
AWB-12_01020 - AWB-12_01021
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plicht tot handhaving/strijd met Bouwbesluit?

Aan de bestreden besluiten heeft verweerder onder meer de onderzoeksrapporten van 8 april 2002, 3 juni 2003 en 30 juni 2004, opgesteld door Fugro Ingenieursbureau B.V. (in samenwerking met Ingenieursbureau Concretio) ten grondslag gelegd. Deze rapporten zijn gebaseerd op uitgevoerde funderingsonderzoeken in de gemeente Dordrecht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op basis van deze rapporten, voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat (ten tijde van de bestreden besluiten) wat betreft de panden 69 en 38-62 geen sprake was van overtreding van het Bouwbesluit. Gelet hierop was verweerder in beginsel niet bevoegd om handhavend op te treden ten aanzien van deze panden.

Op grond van de beleidsregels, die zijn gebaseerd op artikel 13 van de Woningwet, gaat verweerder in een situatie waarin gevaar dreigt, slechts tot handhaving over, indien de eigenaren van ten minste 50% van de panden in een bouwkundige eenheid een verbeterplan tot herstel van de fundering willen uitvoeren. De rechtbank acht deze beleidsregels niet in strijd met een redelijke beleidsbepaling.

Ten aanzien van de panden nummers 38-62 is geen sprake van een situatie waarbij de eigenaren van ten minste 50% van de panden een verbeterplan tot herstel van de fundering willen uitvoeren. Verweerder was dus ook op grond van de beleidsregels niet gehouden tot aanschrijving.

Voor zover eiser betoogt dat de beleidsregels in strijd zijn met de beginselplicht tot handhaving, moet worden geoordeeld dat die beleidsregels deze beginselplicht niet raken; bij overtreding van het Bouwbesluit bestaat die beginselplicht onverkort.

Voor zover nog van belang, is evenmin gebleken van een acute gevaarlijke situatie die maakt dat verweerder alsnog gehouden was handhavend op te treden.

Ten aanzien van de panden 64-86 is door verweerder al handhavend opgetreden, zodat, voor zover eisers beroep nog ziet op deze panden, dat beroep faalt. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel vormt voor de rechtbank geen grond voor een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: ROT 12/1020 en ROT 12/1021

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 september 2013 in de zaak tussen

[naam], te[woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. J.E. Ossewaarde, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 28 en 29 februari 2012 (de primaire besluiten) heeft verweerder eiser in zijn verzoek om handhavend op te treden niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluiten van 21 augustus 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiser deels gegrond verklaard, hetgeen inhoudt dat verweerder eiser alsnog als belanghebbend beschouwt in zijn verzoeken om handhaving, voor zover dat betreft de fundering. Vervolgens heeft verweerder de verzoeken in zoverre alsnog afgewezen. Verweerder heeft de bezwaren ongegrond verklaard, voor zover het betreft de verzoeken om handhaving ten aanzien van de mechanische ventilatie, hoogte van de verblijfsruimten en de hoogte van de toegangsdeuren.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van een enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 8 maart 2013. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en H. de Vries.

Daarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek is vervolgens hervat ter zitting van een meervoudige kamer op 31 mei 2013.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en H. de Vries.

Overwegingen

1.

Eiser heeft verweerder, bij brieven van 17 januari 2012, verzocht om handhavend op te treden wegens overtreding van het Bouwbesluit ten aanzien van de fundering, de mechanische ventilatie, de hoogte van de verblijfsruimten en de toegangsdeuren tot deze ruimten in de panden [adres] 57-69 en 38-98 te [plaats].

2.

Wettelijk kader

2.1

Op grond van artikel 1b, tweede lid, sub a, van de Woningwet is het verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van toepassing zijnde voorschriften op het gebied van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid over de staat van bestaande woningen uit het Bouwbesluit 2003.

Op grond van artikel 2.5, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 heeft een bestaand bouwwerk een bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten.

2.2

Op grond van artikel 13 van de Woningwet, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag degene die als eigenaar van een gebouw of een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, dan wel uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen, verplichten tot het binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn treffen van voorzieningen waardoor de staat van dat gebouw of dat bouwwerk komt te liggen op een niveau dat hoger is dan het niveau dat overeenkomt met de voorschriften, bedoeld in artikel 1b, tweede lid, zonder dat dit hoger komt te liggen dan het niveau dat overeenkomt met de voorschriften, bedoeld in artikel 1b, eerste lid, mits die voorzieningen:

a. onderdeel zijn van een onderhoudsplan voor een gebouw als bedoeld in artikel 12d, eerste lid, en niet binnen de daarvoor in het onderhoudsplan gestelde termijn zijn uitgevoerd, dan wel

b. naar het oordeel van het bevoegd gezag anderszins noodzakelijk zijn.

2.3

Verweerder heeft bij besluit van 12 januari 2010 beleidsregels vastgesteld voor de toepassing van artikel 13 van de Woningwet bij funderingsherstel en cascoherstel (hierna: de beleidsregels).

3.

Verweerder heeft het in de bestreden besluiten het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard en eiser alsnog als belanghebbend beschouwd bij handhaving van de voorschriften van het Bouwbesluit ten aanzien van de fundering van de genoemde panden.

Ter zitting is de besluitvorming nader toegelicht. Nu op basis van verschillende onderzoeksrapporten niet is gebleken dat de fundering van de panden aan de [adres] 57-67 en 88-98 niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit (deze panden hebben een stalen fundering), heeft verweerder het verzoek ten aanzien van deze panden afgewezen.

Ten aanzien van het pand [adres] 69 heeft verweerder overwogen dat in 2002 na onderzoek is geconstateerd dat de handhavingtermijn van de fundering 15 tot 25 jaar bedraagt. Omdat deze handhavingstermijn nog niet is verstreken, is het verzoek afgewezen.

Verweerder ziet ten aanzien van de panden 38-62 eveneens af van handhaving, omdat er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van overtreding van het Bouwbesluit. Voor zover daar in de nabije toekomst wel sprake van is, is niet aan de in de beleidsregels verwoorde voorwaarde voldaan dat minstens 50% van de eigenaren instemt met herstel.

Wat betreft de panden 64-86, waarbij ten tijde van het bestreden besluit ook overtreding in de nabije toekomst speelde, is wel een meerderheid van eigenaren die mee wil werken. Ten aanzien van die eigenaren van de panden 64-86 die niet willen meewerken aan het verbeterplan wordt al handhavend opgetreden, aldus verweerder.

4.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. De fundering van de panden in de [adres] is niet bestand tegen de daarop werkende krachten. Er bestaat gevaar voor de omgeving en de bewoners. Verweerder is verplicht om handhavend op te treden tegen de genoemde overtredingen. Eiser is eigenaar van het pand gelegen aan de [adres] nummer 25-27 en door verweerder aangeschreven om herstelwerkzaamheden te laten uitvoeren aan de fundering van dit pand. Eiser stelt zich, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, op het standpunt dat verweerder ook gehouden is om handhavend op te treden ten aanzien van de andere bewoners/eigenaars van panden in de [adres].

5.

Het oordeel van de rechtbank

5.1

Ter zitting van 31 mei 2013 heeft eiser zijn beroep tegen de bestreden besluiten ingetrokken voor zover daarbij is beslist ten aanzien van de panden 57-67 en 88-98 alsmede zijn beroepsgronden ten aanzien van de mechanische ventilatie, de hoogte van de verblijfsruimten en de toegangsdeuren tot deze ruimten.

Het beroep is derhalve thans uitsluitend nog gericht tegen de weigering van verweerder om handhavend op te treden ten aanzien van de fundering van de panden nummers 69, 38-62 en 64-86.

5.2

Verweerder heeft eiser in bezwaar alsnog als belanghebbende aangemerkt bij handhaving van de voorschriften van het Bouwbesluit ten aanzien van de fundering van deze panden, omdat eiser eigenaar is van een pand in de directe omgeving en eiser in die hoedanigheid last kan hebben van de negatieve ruimtelijke uitstraling van de woningen waarop zijn verzoek is gericht. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.

5.3

De rechtbank ziet zich gelet op het voorgaande gesteld voor de vraag of verweerder gehouden is om handhavend op te treden ten aanzien van de panden zoals genoemd onder 5.1.

5.4

Een bestuursorgaan is bevoegd om handhavend op te treden indien er sprake is van een overtreding, zijnde een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

5.5

Aan de bestreden besluiten heeft verweerder onder meer de onderzoeksrapporten van 8 april 2002, 3 juni 2003 en 30 juni 2004, opgesteld door Fugro Ingenieursbureau B.V. (in samenwerking met Ingenieursbureau Concretio) ten grondslag gelegd. Deze rapporten zijn gebaseerd op uitgevoerde funderingsonderzoeken in de gemeente Dordrecht. Eiser heeft de inhoud van deze onderzoeksrapporten als zodanig niet weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid van deze rapporten uitgaat. Volgens het rapport van 30 juni 2004, dat ziet op de panden [adres] nummers 1-49, waaronder derhalve ook het pand van eiser, zijn maatregelen noodzakelijk ter verbetering van de fundering. Er is onder meer sprake van aantasting van het paalhout ten gevolge van bacteriën en schimmels en van ongelijkmatige zettingen en rotaties. Ten aanzien van de panden nummers 17-31 is onder meer vermeld dat deze 15 tot 20 cm voorover staan ten gevolge van zogenoemde negatieve kleef . Uit waarneming van de grondwaterstanden wordt geconcludeerd dat droogstand mogelijk is van de bovenzijde van de funderingspalen. Het rapport van 30 juni 2004 concludeert dat de fundering van de gecombineerde bouwkundige eenheid (nummers 1-49) onvoldoende draagvermogen heeft en adviseert om de paalfundering van de gecombineerde bouweenheid binnen 5 jaar te herstellen om verdere cascoschade te beperken. Daarbij is uitgegaan van de termijn waarop de slechtste fundering binnen de gecombineerde bouweenheid moet worden aangepakt. Op het moment dat eiser werd aangeschreven in 2011 was deze termijn reeds verstreken. Ter zitting van 31 mei 2013 heeft verweerder toegelicht dat de handhavingstermijn is gerelateerd aan het Bouwbesluit in die zin dat strijd met het Bouwbesluit ontstaat als de handhavingstermijn is verstreken.

Volgens het rapport van 8 april 2002 is het pand op nummer 69 als redelijk beoordeeld. De aantasting van de houten palen wordt op basis van het houtonderzoek beoordeeld als licht tot matig. Er is onder meer sprake van aantasting van het paalhout ten gevolge van bacteriën en schimmels. De dragende doorsnede van de palen is enigszins gereduceerd, waardoor de draagkracht van de paalschachten beoordeeld wordt als matig tot redelijk. Het rapport van 8 april 2002 concludeert, samengevat, dat de algehele staat van de fundering van pand 69 kan worden omschreven als redelijk tot goed en er wordt een handhavingstermijn (een termijn waarbinnen met de bestaande fundering geen sprake is van overtreding van het Bouwbesluit) van 15 tot meer dan 25 jaar vastgesteld. Deze termijn was ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten nog niet verstreken.

Volgens het rapport van 3 juni 2003 is blok 38-62 matig tot slecht beoordeeld. Vanwege de golvende verschilzakking van de voorgevel wordt verondersteld dat de draagkracht van de ondergrond lokaal geringer is. Er is onder meer sprake van aantasting van het paalhout ten gevolge van bacteriën en schimmels. De dragende doorsnede van de palen is door aantasting flink gereduceerd, maar voldoet gemiddeld genomen nog wel. Het rapport van 3 juni 2003 concludeert dat de fundering van blok 38-62 matig tot slecht is en er is een handhavingstermijn van 0-10 jaar vastgesteld. Deze termijn was ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten nog niet verstreken.

5.6

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op basis van deze rapporten, voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat (ten tijde van de bestreden besluiten) wat betreft de panden 69 en 38-62 geen sprake was van overtreding van het Bouwbesluit. De rechtbank heeft daarbij tevens het verweerschrift in aanmerking genomen en het verhandelde ter zitting; de genoemde rapporten zijn ter zitting ten aanzien van de betreffende panden uitgebreid besproken. Mede op basis van de aldaar gegeven toelichting acht de rechtbank verweerders standpunt dat er ten tijde van de bestreden besluitvorming nog geen sprake was van een overtreding, op basis waarvan zou kunnen en moeten worden opgetreden, voldoende onderbouwd en aannemelijk. Gelet hierop was verweerder in beginsel niet bevoegd om handhavend op te treden ten aanzien van de panden 69 en 38-62.
Nu de handhavingstermijn voor de panden 38-62 in 2013 verstrijkt, stelt verweerder zich, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt dat voor die panden wel gevaar voor overtreding van het Bouwbesluit dreigt. Verweerder heeft ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6683, toegelicht dat hij in een dergelijk geval, mits geen sprake is van een gevaarlijke situatie die tot onmiddellijke handhaving noopt, de beleidsregels toepast. Op grond van deze beleidsregels, die zijn gebaseerd op artikel 13 van de Woningwet, gaat verweerder slechts tot handhaving over, indien de eigenaren van ten minste 50% van de panden in een bouwkundige eenheid een verbeterplan tot herstel van de fundering willen uitvoeren. In dat geval schrijft verweerder de eigenaren die niet aan het verbeterplan willen meewerken, aan. De rechtbank acht deze beleidsregels niet in strijd met een redelijke beleidsbepaling.
Ten aanzien van de panden nummers 38-62 is geen sprake van een situatie waarbij de eigenaren van ten minste 50% van de panden een verbeterplan tot herstel van de fundering willen uitvoeren. Verweerder was dus ook op grond van de beleidsregels niet gehouden tot aanschrijving.

Voor zover eiser betoogt dat de beleidsregels in strijd zijn met de beginselplicht tot handhaving, moet worden geoordeeld dat die beleidsregels deze beginselplicht niet raken; bij overtreding van het Bouwbesluit bestaat die beginselplicht onverkort.

Voor zover nog van belang, is evenmin gebleken van een acute gevaarlijke situatie die maakt dat verweerder alsnog gehouden was handhavend op te treden.

Ten aanzien van de panden 64-86 is door verweerder al handhavend opgetreden, zodat, voor zover eisers beroep nog ziet op deze panden, dat beroep faalt.

5.7

Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel vormt voor de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Het enkele feit dat verweerder ten aanzien van eiser handhavend heeft opgetreden, maakt nog niet dat wat betreft de eigenaren van de panden in geschil ook, enkel om die reden, handhavend zou moeten worden opgetreden. Dat zou een ongerechtvaardigde inbreuk zijn op het eigendomsrecht van deze eigenaren. Nog daargelaten de vraag of sprake is van gelijke gevallen. Er is immers ten aanzien van de betreffende panden niet gebleken van strijd met het Bouwbesluit, noch van een acute gevaarlijke situatie. Gebleken is dat ten aanzien van eisers pand(en) wel sprake was van strijd met het Bouwbesluit. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarover is toegelicht ter zitting.

6.

Gezien het voorgaande heeft verweerder terecht geweigerd handhavend op te treden.

7.

Het beroep is dus ongegrond en er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mrs. P. Vrolijk en J.M.M. Bancken, leden, in aanwezigheid van mr. N. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2013.

De griffier is verhinderd te tekenen

voorzitter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.