Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:6681

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
DOR-12_01510
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3559, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

Zaaknummer: DOR 12/1510

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 september 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

en

het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (SVHW), gevestigd te Klaaswaal, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C.J. van den Brekel.

Procesverloop

Bij brief van 26 maart 2012 heeft eiser met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) aan verweerder verzocht om openbaarmaking van de vertrekregeling van een voormalig [functie] van het SVHW en om openbaarmaking van onderdelen van de begroting en de jaarrekeningen van het SVHW, waarin de uitvoering van die regeling is verantwoord.

Bij besluit van 21 mei 2012 zijn de begroting en de jaarrekeningen vanaf 2005 tot 21 mei 2012 overgelegd. Tevens is een afschrift van de vertrekregeling overgelegd, waarbij de passages die gegevens bevatten die de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene raken, onleesbaar zijn gemaakt.

Bij brief van 28 juni 2012 heeft eiser tegen dit besluit (het primaire besluit) bezwaar gemaakt. Voorts heeft eiser op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter.

Bij brief van 6 juli 2012 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en eiser verzocht om uiterlijk op 13 juli 2012 aan te geven of hij gebruik wenst te maken van het recht te worden gehoord. Eiser heeft hier niet op gereageerd.

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 6 december 2012 beroep ingesteld.

Bij brief van 9 januari 2013 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de betreffende vertrekregeling zonder doorgehaalde passages. Verweerder heeft de rechtbank verzocht met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen dat de beperkte kennisneming van dit stuk gerechtvaardigd is.

Bij brief van 15 januari 2013 heeft de rechtbank eiser over het verzoek om beperking van de kennisneming geïnformeerd en eiser verzocht te laten weten of hij de rechtbank toestemming verleent om mede op grond van het desbetreffende stuk uitspraak te doen.

Bij brief van 18 januari 2013 heeft eiser verklaard deze toestemming te verlenen. Het stuk wordt betrokken bij de beoordeling van het beroep.

Verweerder heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2013. Eiser is niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Huizinga, kantoorgenoot van verweerders gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het verzoek om openbaarmaking op grond van de Wob van 26 maart 2012 heeft betrekking op een afschrift van de minnelijke regeling (vertrekregeling) van 5 oktober 2005, door verweerder getroffen met een - door eiser bij naam genoemde - ambtenaar, voormalig [functie] van het SVHW, en op de begroting en jaarrekeningen, waarin die regeling is verantwoord.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de begroting en jaarrekeningen over de periode van 2005 (datum van ingang van de regeling) tot 21 mei 2012 (datum van het primaire besluit) aan eiser verstrekt. Ten aanzien van het gevraagde afschrift van de vertrekregeling heeft verweerder overwogen, dat dit stuk gegevens bevat die de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaar raken. Het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer verzet zich tegen de openbaarmaking van deze gegevens. Nu dit belang zwaarder weegt dan het belang dat met openbaarmaking is gediend, wordt met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob aan eiser een afschrift van de regeling verstrekt waarin de betreffende passages onleesbaar zijn gemaakt.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - onder afwijzing van eisers verzoek om in te stemmen met rechtstreeks beroep - overwogen dat de doorgehaalde gegevens in de regeling betrekking hebben op de meer algemene persoonsgegevens van de betrokken persoon, zoals naam, woonplaats en geboortedatum, en op diens financiële situatie (salaris/ inkomensgegevens). Verweerder handhaaft zijn standpunt dat in dit geval de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het algemeen belang van openbaarheid van informatie. Openbaarmaking van de persoonlijke gegevens zou leiden tot onevenredige benadeling van betrokkene. Het algemeen belang van openbaarheid is zoveel mogelijk gediend door de regeling, behoudens doorhalingen, te overleggen.

4.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder, door pas bij het bestreden besluit kenbaar te maken dat de bezwaarschriftprocedure niet zal worden overgeslagen, eiser de mogelijkheid heeft ontnomen om zijn bezwaar alsnog mondeling toe te lichten.

Voorts stelt eiser, met een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 juni 2007, ECLI:NL:RvS:2007:BA7618, dat in dit geval, gelet op de functie van betrokkene en het maatschappelijk belang om van de gevraagde informatie kennis te kunnen nemen, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ondergeschikt is aan het belang van openbaarmaking. Naar zijn mening is het tevens mogelijk de essentialia van de vertrekregeling weer te geven, zonder exacte bedragen te noemen of de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene te schaden. Eiser ziet in het onleesbaar maken van gegevens in de regeling een bevestiging voor zijn vermoeden dat deze informatie van belang kan zijn voor een procedure tegen verweerder, waarin eiser optreedt als gemachtigde.

5.

Ter zitting heeft verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010, ECLI:NL:RvS:2010:BN5684, de vraag opgeworpen of de Wob wel van toepassing is op het verzoek van eiser, nu dit verzoek niet is ingediend met het doel de informatie in de regeling aan eenieder openbaar te maken, maar om daarmee de procespositie van eisers cliënt in een andere procedure te kunnen dienen.


6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaren heeft aangevoerd tegen de verstrekte begroting en jaarrekeningen over de periode van 2005 tot 21 mei 2012, zodat thans nog in geschil is het besluit van verweerder om een afschrift van de regeling te overleggen, waarin bepaalde passages zijn doorgehaald.

7.

Eiser heeft betoogd dat hij zijn bezwaar niet mondeling heeft kunnen toelichten, omdat hem pas bij het bestreden besluit kenbaar werd gemaakt dat de bezwaarschrift-procedure niet zou worden overgeslagen. Verweerder heeft in dat verband gesteld dat hij erop mocht vertrouwen dat eiser, juist vanwege zijn verzoek om rechtstreeks beroep, geen nadere toelichting op zijn bezwaarschrift wilde geven. Bovendien heeft eiser niet gereageerd op de brief van 6 juli 2012 met het verzoek aan eiser om uiterlijk op 13 juli 2012 aan te geven of hij gebruik wenste te maken van een hoorzitting. Hierbij verwijst verweerder naar het sinds 1 januari 2013 geldende artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb, waarin is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien deze heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.


8. Nu het bestreden besluit is genomen voor de aanpassing van artikel 7:3 van de Awb en niet is voldaan aan een van de in artikel 7:3 (oud) van de Awb limitatief vermelde gevallen waarin van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien, heeft verweerder eiser naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet gehoord. De omstandigheid dat eiser niet heeft gereageerd op de brief van 6 juli 2012, vormt onder het oude recht geen deugdelijke grondslag om van het horen af te zien, zodat sprake is van schending van de hoorplicht. Gelet hierop dient het bestreden besluit, wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb, te worden vernietigd en dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal hierna bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten dan wel om zelf in de zaak te voorzien.

9.

Met betrekking tot de door verweerder opgeworpen vraag of de Wob van toepassing is, gelet op het doel waarmee eiser zijn verzoek om informatie heeft gedaan, overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer ECLI:NL:RvS:2007:BA7618) de wet niet toestaat dat rekening wordt gehouden met het doel waarvoor de informatie is gevraagd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010, een andere situatie betrof. In het in deze uitspraak voorliggende geval had verzoeker zich bij zijn verzoek om stukken - welke betrekking hebben op een door hem gevoerde gerechtelijke procedure - niet beroepen op, noch verwezen naar de Wob. Het verzoek van eiser van 26 maart 2012 daarentegen is gedaan onder expliciete verwijzing naar het bepaalde in de Wob. Het beroep op deze uitspraak slaagt derhalve niet.

10.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Op grond van het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de belangen inzake de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

11.

De onleesbaar gemaakte passages in de regeling hebben betrekking op:
a. de naam en adresgegevens van de betrokken ambtenaar,
b. het op de onderhavige vertrekregeling van toepassing zijnde hoofdstuk van de SAW,
c. nadere bepalingen over de inhoud en hoogte van de uitkering,
d. de naam van het bedrijf dat als huisaccountant van SVHW werkt,
e. de naam van de onderneming (praktijk) waarmee de betrokken ambtenaar op termijn in
zijn levensonderhoud beoogt te voorzien,
f. de wijze waarop inkomsten, die de betrokken ambtenaar uit arbeid of bedrijf genereert,
met de uitkering worden verrekend,
g. de hoogte van de toegekende vergoeding in verband met kosten van juridische bijstand,
h. de naam van de raadsman van de betrokken ambtenaar.

12.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

a. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat namen persoonsgegevens zijn en dat het belang van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking daarvan kan verzetten (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2012, ECLI:NL:RvS:2012: BX2593). Nu echter in de aanhef van de brief van 5 oktober 2005, inhoudend de vertrekregeling, de naam van de betrokken ambtenaar - volgens verweerder per abuis - niet is weggelakt, valt niet in te zien waarom deze naam in de adressering is doorgehaald.
Voor wat betreft de adresgegevens overweegt de rechtbank dat privéadressen eveneens als persoonlijke te beschermen gegevens worden gezien. In dit geval verzet het belang van de persoonlijke levenssfeer zich tegen het openbaar maken van deze gegevens.

b. De onder punt 3, derde en vierde regel, vermelde grondslag voor de regeling (het betreffende hoofdstuk van de SAW), heeft verweerder in redelijkheid niet onleesbaar kunnen maken, nu ditzelfde gegeven onder punt 3, sub a, ongeclausuleerd wordt vermeld.

c. De inhoud, hoogte en gevolgen van de overeengekomen regeling (punt 3, onder c, d en e, punt 4 en punt 8) betreft informatie, op basis waarvan de duur en hoogte van de uitkering en eventuele toekomstige financiële voorzieningen kan worden berekend. Deze gegevens zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als salarisgegevens. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat openbaarmaking daarvan een onnodige inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken voormalig ambtenaar.

d. In de hierboven onder a. aangehaalde uitspraak van 25 juli 2012 heeft de Afdeling overwogen dat uit de jurisprudentie niet kan worden afgeleid dat namen nooit openbaar hoeven te worden gemaakt. De door verweerder gegeven verklaring dat de naam van de huisaccountant van SVHW niet openbaar hoeft te worden gemaakt vanwege het enkele feit dat “het een naam is”, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Dit geldt te meer nu het gaat om een derde, die niet specifiek voor de betrokken voormalig ambtenaar optreedt. Verweerder heeft de naam van de huisaccountant onder punt 5a niet in redelijkheid kunnen doorhalen.

e. De naam van de praktijk onder punt 5b betreft een persoonsgegeven, waarvan de openbaarmaking een onnodige inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken voormalig ambtenaar.

f. Onder punt 6, sub a en b, van de regeling wordt aangegeven op welke wijze inkomsten uit arbeid of bedrijf op de uitkering in mindering worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat openbaarmaking van deze (financiële) gegevens een onnodige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaar maakt.

g. De toegekende vergoeding in verband met kosten van juridische bijstand betreft in dit geval een aan de betrokken voormalig ambtenaar gerelateerd financieel gegeven, waarbij het belang van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking.

h. Met betrekking tot de naam van de raadsman herhaalt de rechtbank hetgeen hiervoor onder d. is overwogen. In dit geval geldt dat het om een professionele rechtshulpverlener gaat. Voor zover verweerder in dit verband heeft aangevoerd dat in de vertrekregeling geheimhouding is afgesproken, ziet dat naar het oordeel van de rechtbank niet op de naam van de raadsman.


13. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen, voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd in de vertrekregeling de naam van de betrokken voormalig ambtenaar in de adressering, het op de regeling van toepassing zijnde hoofdstuk van de SAW (punt 3, regel 3 en 4), de naam van de huisaccountant (punt 5 onder a, 2de regel) en de naam van de raadsman (na punt 12) openbaar te maken. Voor het overige zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. Verweerder zal de hiervoor vermelde passages uit de vertrekregeling alsnog openbaar dienen te maken.

14.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

15.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding, nu er geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- herroept het primaire besluit, voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd in de vertrekregeling de naam van de betrokken voormalig ambtenaar in de adressering, het op de regeling van toepassing zijnde hoofdstuk van de SAW (punt 3, regel 3 en 4), de naam van de huisaccountant (punt 5 onder a, 2de regel) en de naam van de raadsman (na punt 12) openbaar te maken en bepaalt dat verweerder deze passages uit de vertrekregeling alsnog openbaar dient te maken,

- laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor het overige in stand,

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en
mr. J.D.M. Nouwen, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Joseph, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.