Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:6223

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
C/10/337483 / HA ZA 09-2368
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van premie inzake bedrijfsziektewetpolis. Premie achteraf naberekend aan de hand van de geschatte loonsom en verzuimpercentage, conform de polisvoorwaarden. Bepaling terzake in polisvoorwaarden niet onredelijk bezwarend. Algemene voorwaarden niet vernietigbaar; blote betwisting dat voorwaarden niet ter hand zijn gesteld volstaat niet. Heeft verzekeringnemer tijdig voldoende inzichtelijke loonsomgegevens verstrekt ? Beoordeling van de juistheid van de door TVM gehanteerde bedragen en berekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Haven & Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/337483 / HA ZA 09-2368

Vonnis van 29 mei 2013

in de zaak van

de naamloze vennootschap

TVM ZORG EN INKOMEN N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

eiseres,

advocaat mr. H.E. ter Horst,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. H.W. ten Katen.

Partijen zullen hierna TVM en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken waarvan de rechtbank kennis heeft genomen:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het vonnis van 10 februari 2010 waarbij een comparitie van partijen is gelast;
    - de bij brief van 16 maart 2010 van de zijde van TVM toegezonden producties;

  • -

    de akte uitlating voortprocederen van de zijde van TVM, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met één productie;
    - de rolbeslissing van 31 oktober 2012 waarbij de gelegenheid tot pleidooi is gegeven;
    - de bij gelegenheid van het op 19 maart 2013 plaatsgevonden pleidooi door beide partijen overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

De bij vonnis van 10 februari 2010 bepaalde comparitie van partijen heeft op verzoek van partijen geen doorgang gevonden omdat partijen in schikkingsonderhandeling waren. Op verzoek van TVM is de zaak weer op de rol geplaatst voor het nemen van een conclusie van repliek. Met partijen is ter gelegenheid van de pleidooien afgesproken dat de per brief van 16 maart 2010 toegestuurde producties tot de processtukken horen.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de producties waarop beroep is gedaan, staat tussen partijen - voor zover voor deze beslissing van belang - het volgende vast.

2.1.

In de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2009 heeft [gedaagde] bij TVM een ziekteverzuimverzekering gehad, genaamd “Ziektewet Pakketpolis”. Het door [gedaagde] ondertekende acceptatieformulier van de Ziektewet Pakketpolis luidt onder meer als volgt:

“Totaal Jaarloon EUR 300.000,00
Verzuimpercentage 4,32 %”

2.2.

De door TVM gehanteerde algemene polisvoorwaarden bij de Ziektewet Pakketpolis luiden, voor zover hier relevant, als volgt:

ARTIKEL 11. Verplichtingen tot het verstrekken van informatie
11.1 Opgegeven jaarlijkse naverrekeningsgegevens
De verzekeringnemer is verplicht om voor zijn rekening zo spoedig mogelijk na afloop van ieder verzekeringsjaar, uiterlijk binnen een maand nadat de Maatschappij een daartoe strekkend verzoek heeft gezonden, aan de Maatschappij opgave te verstrekken van:
- de totale brutoloonsom over het afgelopen jaar, alsmede, wanneer de Maatschappij hierom verzoekt, een nadere specificatie daarvan, dan wel overlegging van een verzamelloonstaat;
(…)
Het niet of niet tijdig voldoen aan de in dit Artikel weergegeven verplichting heeft tot gevolg, dat de premie per 1 januari volgend op het naverrekeningsjaar wordt vastgesteld op basis van 5,5% verzuim en 10% stijging van de brutoloonsom, tenzij uit de bij de Maatschappij bekende informatie hogere percentages blijken, in welk geval die hogere percentages worden gevolgd, waarbij de Maatschappij het recht heeft een aanvullende premietoeslag van 10% in rekening te brengen.
(…)

ARTIKEL 12. Naverrekening

12.1 Premie

De op het Polisblad vermelde premie is een voorschotpremie. Aan het begin van ieder verzekeringsjaar zal de voorschotpremie voor dat jaar worden berekend aan de hand van de brutoloonsom over het afgelopen verzekeringsjaar.
Tevens zal aan de hand hiervan de premie over het voorgaande jaar definitief worden vastgesteld en verrekend met de voorschotpremie. Vervolgens zal er een premiepercentage (de premie uitgedrukt als percentage van de verzekerde loonsom) worden vastgesteld. Dit percentage blijft gedurende het jaar ongewijzigd.
(…)”

3 Het geschil

3.1.

TVM heeft, na vermeerdering van eis, gevorderd [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 18.758,27, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering van TVM, met veroordeling van TVM in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

TVM heeft haar eis vermeerderd. [gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Nu de rechtbank de eiswijziging niet in strijd met de goede procesorde acht, zal zij recht doen op de aldus gewijzigde - onder 3.1 weergegeven - eis.

4.2.

De vordering van TVM strekt tot betaling door [gedaagde] van een tweetal, in het kader van de Ziektewet Pakketpolis in rekening gebrachte, kwartaal(voorschot)nota’s van elk
€ 4.250,56, tot betaling van een naverrekeningsnota over 2007 ad € 5.568,77 en tot betaling van naverrekeningsnota over 2008 ad € 2.104,08. [gedaagde] heeft de juistheid van de door TVM gevorderde bedragen betwist, stellende dat TVM bij de berekening van de op grond van de bedoelde verzekering verschuldigde premies is uitgegaan van onjuiste jaarloonsommen. [gedaagde] heeft voorts een beroep gedaan op verrekening van hetgeen zij mogelijk verschuldigd mocht blijken te zijn aan TVM, met het bedrag van een drietal creditfacturen tezamen bedragende € 11.755,67 welke door TVM nog niet zijn voldaan.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] elk kwartaal (voorschot)premie betaalde voor de hier bedoelde verzekering en dat na afloop van het verzekeringsjaar, aan de hand van de opgave van [gedaagde] van de jaarloonsom, de definitieve premie werd vastgesteld en, onder verrekening van de reeds betaalde voorschotpremies, werd afgerekend.

Niet in geschil is voorts dat het aan [gedaagde] was om zorg te dragen voor het (tijdig) verstrekken van de jaarloonsom, zodat jaarlijks naverrekening kon plaatsvinden. De stelling van TVM is dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de verplichting om deze gegevens tijdig te verstrekken, zodat TVM op grond van artikel 11. 1 van de volgens haar op de verzekeringsovereenkomst van toepassing zijnde algemene polisvoorwaarden gerechtigd was om de jaarloonsom en het verzuimpercentage forfaitair vast te stellen. Dat leidt volgens TVM tot een premiebijbetaling voor 2007 van € 5.568,77, in rekening gebracht bij factuur van 4 november 2008, en voor 2008 van € 2.104,08, in rekening gebracht bij factuur van 27 oktober 2009. [gedaagde] heeft betwist dat zij de benodigde gegevens niet (tijdig) heeft verstrekt. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat artikel 11.1 niet door TVM kan worden ingeroepen. Volgens [gedaagde] is de betreffende bepaling uit de algemene polisvoorwaarden vernietigbaar omdat zij onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233a BW, althans [gedaagde] geen redelijke mogelijkheid in de zin van artikel 6:233b BW heeft gehad om van de polisvoorwaarden kennis te nemen. Tenslotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat een beroep op de hier bedoelde bepaling van de algemene polisvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.4.

De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of de hier bedoelde bepaling uit de algemene polisvoorwaarden vernietigbaar is. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit, nu [gedaagde] dat op zichzelf kennelijk niet betwist, dat de algemene polisvoorwaarden op de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst van toepassing zijn.

4.5.


4.5.1 Ter onderbouwing van de stelling dat artikel 11.1 van de algemene polisvoorwaarden onredelijk bezwarend is heeft [gedaagde] aangevoerd dat artikel 11.1 moet worden aangemerkt als boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW. [gedaagde] heeft erop gewezen dat artikel 11.1 TVM het recht geeft om in weerwil van de werkelijke gegevens, uit te gaan van een ziekteverzuimpercentage van 5,5% en een brutoloonsom gelijk aan de brutoloonsom van het voorafgaand jaar verhoogd met 10%. Dat kan de premie flink doen oplopen, aldus [gedaagde], zonder dat dit in overeenstemming hoeft te zijn met de werkelijke situatie. Tenslotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat de door TVM toegepaste fictieve verhogingen van het verzuimpercentage en de brutojaarloonsom jaren kunnen doorwerken in de premie en dat daaraan geen limiet verbonden is.

4.5.2

Naar het oordeel van de rechtbank onderbouwen de stellingen van [gedaagde] onvoldoende dat de hier bedoelde bepaling van artikel 11.1 van de algemene polisvoorwaarden onredelijk bezwarend is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De onderhavige verzekeringsovereenkomst heeft tot doel [gedaagde] schadeloos te stellen voor loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid van haar werknemers. De jaarpremie die [gedaagde] als tegenprestatie voor het verlenen van die dekking door TVM dient te betalen is afhankelijk van het totale (bruto) jaarloon dat [gedaagde] aan haar werknemers betaalt. Voor de berekening van de premie is TVM afhankelijk van de verstrekking van jaarloongegevens door [gedaagde]. Artikel 11.1 stelt TVM in staat om, wanneer (tijdige) verstrekking van de voor de premieberekening benodigde gegevens uitblijft, desalniettemin de premie over het afgelopen jaar vast te stellen en in rekening te brengen. Tegen die achtergrond valt niet in te zien dat artikel 11.1 onredelijk bezwarende gevolgen heeft voor [gedaagde]. Het ligt immers in de macht van [gedaagde] zelf om zorg te dragen voor tijdige verstrekking van de juiste gegevens. Bovendien, zo heeft TVM terecht aangevoerd, heeft toepassing van artikel 11.1 van de algemene polisvoorwaarden niet per definitie bezwarende gevolgen voor [gedaagde]. Denkbaar is immers ook dat de jaarloonsom in werkelijkheid hoger is dan het door TVM vastgestelde forfaitaire bedrag of dat het verzuimpercentage in werkelijkheid hoger is dan de in artikel 11.1 genoemde 5,5%.
heeft nog aangevoerd dat niet duidelijk is hoe de premie weer op het juiste niveau kan worden gebracht nadat TVM artikel 11.1 heeft toegepast. De rechtbank overweegt dat op zichzelf juist is dat het toepassen van de forfaitaire jaarloonsom en het forfaitaire verzuimpercentage nog een aantal jaren doorwerkt in de premie, aangezien de premie wordt berekend aan de hand van het gemiddelde van de verzuimpercentages van de voorgaande jaren. Dat betekent dat de premie pas na een aantal jaren weer op het werkelijke niveau is. Dat is evenwel het gevolg van het eigen nalatig handelen van [gedaagde] terzake de (tijdige) verstrekking van de voor de premieberekening vereiste gegevens en is om die reden dan ook niet als onredelijk bezwarend aan te merken. Al met al oordeelt de rechtbank dat voor vernietiging van het hier bedoelde beding op grond van artikel 6:233a BW geen plaats is.

4.5.3

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat artikel 11.1 van de algemene polisvoorwaarden vernietigbaar is omdat de polisvoorwaarden niet aan [gedaagde] ter hand zijn gesteld. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft TVM dat betwist. TVM heeft gesteld dat zij de polisvoorwaarden tezamen met de offerte en een schriftelijke uitleg van de te sluiten verzekering aan [gedaagde] heeft gestuurd, dat [gedaagde] het van de offerte deel uitmakende acceptatieformulier heeft ondertekend en dat met het vervolgens aan [gedaagde] verstrekte polisblad nogmaals de algemene polisvoorwaarden zijn meegestuurd. In reactie hierop heeft [gedaagde] haar stelling dat de algemene polisvoorwaarden niet ter hand zijn gesteld herhaald en aangevoerd dat geen offerte is ontvangen.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat op TVM als gebruiker van de polisvoorwaarden de stelplicht rust omtrent de betwiste terhandstelling van die voorwaarden.
TVM heeft het door [gedaagde] ondertekende acceptatieformulier overgelegd. In dit acceptatieformulier is onder het kopje “Ondertekening” onder meer bepaald:

“Ondergetekende accepteert de polis welke naar aanleiding van zijn aanvraag wordt opgemaakt, conform de in de offerte vastgelegde gegevens.”

In dat licht bezien is de blote betwisting dat de offerte is ontvangen weinig geloofwaardig. Niet aannemelijk is dat [gedaagde] een verzekering heeft afgesloten zonder dat zij wist welk bedrag zij daarvoor zou gaan betalen, terwijl zij bovendien tekent voor kennisname van die offerte. Er moet dan ook vanuit gegaan worden dat [gedaagde] de offerte heeft ontvangen. In het verlengde daarvan ligt niet zonder meer voor de hand dat [gedaagde] een verzekeringsovereenkomst is aangegaan zonder dat zij op de hoogte was van de toepasselijke polisvoorwaarden. [gedaagde] is een professionele organisatie die ten behoeve van haar onderneming een verzekering afsluit die dekking biedt bij verzuim van haar werknemers. Van een dergelijke professionele organisatie mag worden verwacht dat zij zich op de hoogte stelt van de voor een dergelijke verzekering geldende voorwaarden, waarin immers (ook) is bepaald in welke gevallen recht op uitkering bestaat, welke uitsluitingen gelden en dergelijke. Voor de hand ligt dan dat de verzekerde, zo de polisvoorwaarden inderdaad - anders dan TVM stelt - niet ter hand zijn gesteld, om een exemplaar vraagt. Onder deze omstandigheden kan [gedaagde] niet volstaan met een blote betwisting dat de voorwaarden niet ter hand zijn gesteld, maar mocht van haar worden verwacht dat zij nader had onderbouwd dat en waarom zij (aldus) een verzekeringsovereenkomst is aangegaan zonder van de relevante polisvoorwaarden te hebben kennisgenomen. Nu deze nadere onderbouwing is uitgebleven, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de stellingen van TVM op dit punt, waarmee vast staat dat de algemene polisvoorwaarden bij het uitbrengen van de offerte zijn verstrekt aan [gedaagde]. Daarmee is [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst een redelijke mogelijkheid geboden om van de inhoud van de algemene polisvoorwaarden kennis te nemen. Voor vernietiging van het hier bedoelde beding op grond van artikel 6:233b BW is daarom geen plaats.

4.7.

De conclusie van het voorgaande is dat TVM in beginsel met toepassing van artikel 11.1 mag overgaan tot naverrekening van de premie, indien [gedaagde] niet of niet tijdig de voor de premieberekening benodigde gegevens heeft verstrekt. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of [gedaagde] al dan niet heeft voldaan aan de uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende verplichting om (tijdig) opgave te doen van de jaarloonsom. TVM heeft aangevoerd dat dat niet het geval is; volgens [gedaagde] zijn de gegevens wel tijdig aangeleverd. Hierna zal de rechtbank beoordelen of [gedaagde] aan de verplichting tot het tijdig verstrekken van de loongegevens heeft voldaan en, voor zover dat niet het geval is, wat de gevolgen daarvan zijn.

4.8.

Bij het pleidooi heeft TVM gesteld dat zij in de periode van januari tot en met juni 2008 veelvuldig contact heeft gehad met [gedaagde] over de aanlevering van de loongegevens over 2007. Zo heeft TVM volgens haar stelling, nadat [gedaagde] op 30 januari 2008 onvolledige gegevens had verstrekt over 2007, op 30 januari 2008, 13 en 14 februari 2008, 6 maart 2008 en 17 april 2008, soms schriftelijk en soms telefonisch, tevergeefs om aanlevering van de (volledige) loongegevens verzocht. Volgens TVM heeft vervolgens op 16 mei 2008 ten kantore van [gedaagde] een overleg plaatsgevonden waarbij is afgesproken dat [gedaagde] de verzamelloonstaat over 2007 uiterlijk 1 juli 2008 zou aanleveren. TVM heeft gesteld dat zij op 4 november 2008 is overgegaan tot de naverrekening over 2007 aan de hand van artikel 11.1 van de algemene polisvoorwaarden, omdat gegevensverstrekking door [gedaagde] was uitgebleven. Ook nadien is [gedaagde] nog - tevergeefs - in de gelegenheid gesteld om de juiste gegevens te verstrekken, aldus TVM.
TVM heeft bij het pleidooi voorts aangevoerd dat zij sinds april 2009 heeft gepoogd de jaarloongegevens over 2008 van [gedaagde] te verkrijgen. Volgens TVM heeft daarover op 14 april 2009 en 6 juli 2011 een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van TVM, waarbij met [gedaagde] is afgesproken dat de betreffende gegevens zouden worden overgelegd. Ook op 28 april 2009 en op 16 augustus 2009 (schriftelijk) heeft TVM verzocht om verstrekking van de gegevens over (onder meer) 2008, omdat dat nog altijd niet was gebeurd.


4.9. [gedaagde] heeft betwist dat zij niet (tijdig) de juiste loongegevens heeft verstrekt. [gedaagde] heeft gesteld dat zij altijd haar gegevens heeft doorgegeven en dat zij dat deed aan de accountmanager van TVM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] hiermee de gemotiveerde en concrete stellingen van TVM, die ten dele ook met stukken zijn onderbouwd, onvoldoende betwist. [gedaagde] is niet ingegaan op de stelling van TVM dat herhaaldelijk afspraken zijn gemaakt over het verstrekken van de gegevens, die kennelijk niet zijn nagekomen. Gezien de gedetailleerde feitelijke uiteenzetting van TVM, had van [gedaagde] verwacht mogen worden dat zij concreet had aangegeven wanneer en op welke wijze de bedoelde gegevens over 2007 en over 2008 zijn verstrekt. [gedaagde] heeft als productie 8 bij de conclusie van dupliek een overzicht overgelegd waaruit een jaarloonsom over 2007 zou blijken van € 405.527,26, maar gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] dat overzicht al eerder aan TVM heeft verstrekt. Datzelfde geldt voor de als productie 3 bij de conclusie van antwoord overgelegde jaarloonopgave 2008. Voorts heeft [gedaagde] ook de stelling dat de betreffende gegevens in ieder geval in het kader van andere eveneens bij TVM lopende verzekeringen reeds had verstrekt onvoldoende concreet gemaakt. [gedaagde] heeft niet aangegeven wanneer en aan wie zij welke gegevens in het kader van deze andere verzekeringen heeft verstrekt. Bij gebreke van een deugdelijk onderbouwde betwisting, moet uitgegaan worden van de stellingen van TVM op dit punt, zodat in rechte vast staat dat [gedaagde] in november 2008, toen TVM tot naverrekening op grond van artikel 11.1 van de polisvoorwaarden overging over het jaar, nog niet de volledige loongegevens over 2007 had verstrekt. Voorts staat in rechte vast dat [gedaagde] voorafgaande aan de naverrekening over 2008, welke plaatsvond bij factuur van 27 oktober 2009, nog niet de (toereikende) loongegevens over 2008 had verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank mocht TVM in beginsel dan ook overgaan tot naverrekening over 2007 en 2008 aan de hand van artikel 11.1 van de algemene polisvoorwaarden, aangezien in beide gevallen inmiddels ruim tien maanden waren verstreken sinds het einde van het verzekeringsjaar en TVM herhaaldelijk doch tevergeefs om de gegevens had verzocht.

4.10.

Het voorgaande betekent dat TVM voor de premienaverrekening op grond van artikel 11.1 van de polisvoorwaarden voor 2007 mocht uitgaan van een jaarloonsom van
€ 412.349,- (de door [gedaagde] niet betwiste jaarloonsom over 2006 ad € 374.863,-, vermeerderd met 10%) en voor 2008 van een jaarloonsom van € 453.583,90 (€ 412.349,- vermeerderd met 10%) over 2008.

4.10.1.

Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat TVM op grond van de redelijkheid en billijkheid alsnog dient uit te gaan van de jaarloongegevens die in deze procedure zijn verstrekt (jaarloonsom 2007 ad € 405.527,26 (productie 5 conclusie van dupliek) en jaarloonsom 2008 ad € 307.160,- (productie 3 conclusie van antwoord)), overweegt de rechtbank als volgt. Aan de orde is (kennelijk) of de regel van artikel 11.1 van de algemene polisvoorwaarden buiten beschouwing moet blijven omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Nog afgezien van het feit dat daarvan in casu niet snel sprake zal zijn, gelet op de hiervoor weergegeven voorgeschiedenis, overweegt de rechtbank als volgt. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft TVM aangevoerd dat uit het overzicht terzake 2007 overgelegd als productie 5 volgt dat [gedaagde] in de jaarloonsom van € 405.527,26 het vakantiegeld, de CAO-vergoeding en de overwerkuren niet heeft meegerekend terwijl dat wel had gemoeten. [gedaagde] heeft betwist dat de CAO-vergoeding en de overwerkuren dienen te worden meegerekend in de jaarloonsom. Wat daarvan zij, [gedaagde] heeft niet betwist dat het vakantiegeld dient te worden meegerekend. Gelet het door [gedaagde] als productie 5 overgelegde overzicht, betekent dat dat bij het bedrag van € 405.527,26 in ieder geval nog € 32.655,08 terzake van vakantie-uitkering dient te worden opgeteld. Daargelaten de vraag of de redelijkheid en billijkheid TVM in dit geval nopen tot het berekenen van de premie aan de hand van de alsnog door [gedaagde] verstrekte gegevens, leidt dat tot een hoger bedrag dan waarvan TVM bij de naverrekening over 2007 is uitgegaan dat immers € 412.349,- bedraagt. In zoverre wordt [gedaagde] dan ook niet gevolgd in dit verweer.

4.10.2

Voor wat betreft de jaarloonsom van 2008 geldt nog het volgende. Zoals hiervoor onder 4.9. reeds is overwogen heeft TVM gesteld en [gedaagde] onvoldoende betwist dat [gedaagde] herhaalde keren in de gelegenheid is geweest correcte gegevens te verstrekken over 2008. Uit hetgeen TVM bij pleidooi naar voren heeft gebracht en [gedaagde] niet heeft betwist, volgt dat [gedaagde] steeds wisselende jaarloonsommen heeft genoemd. Zo zou [gedaagde] eerst een jaarloonsom over 2008 van € 243.876,- hebben genoemd, terwijl [gedaagde] in correspondentie van november 2011 een jaarloonsom van € 364.705,67 exclusief onder andere vakantiegeld heeft genoemd. In deze procedure heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de juiste jaarloonsom van 2008 € 307.160,- bedraagt. Nu bij productie 3 waaruit dit laatste getal volgt geen onderliggende stukken zijn verstrekt en daarmee kennelijk slechts sprake is van een door [gedaagde] zelf opgesteld overzicht, kan niet worden gezegd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat dat TVM deze gegevens niet gebruikt voor de berekening van hetgeen haar op grond van de verzekeringsovereenkomst aan premie toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank is TVM bij gebreke van eenduidige en inzichtelijke jaarloongegevens derhalve ook voor 2008 gerechtigd de naverrekening met behulp van artikel 11.1 van de algemene polisvoorwaarden uit te voeren.

4.11.

[gedaagde] heeft betwist dat het door TVM bij de naverrekening gehanteerde (gemiddelde) verzuimpercentage en het premiepercentage juist is. Met name heeft [gedaagde] betwist dat de verzuimpercentages genoemd in de door TVM als productie 8 overgelegde tabel en de daarin opgenomen gemiddelde verzuimpercentages juist zijn.

4.11.1

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] op zichzelf niet heeft betwist dat de premie gebaseerd is op het gemiddelde verzuimpercentage van de drie voorafgaande jaren, zodat dat niet ter discussie staat. Dat dat zo is volgt overigens ook uit artikel 13 van de algemene polisvoorwaarden. Volgens [gedaagde] zijn evenwel de verzuimpercentages die TVM heeft gehanteerd bij de berekening van het gemiddelde verzuimpercentage onjuist. Zo heeft TVM voor het jaar 2007 een verzuimpercentage gehanteerd van 5,5%, welk percentage volgens [gedaagde] uit de lucht gegrepen is. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft TVM in reactie hierop uitgelegd op welke wijze de verzuimpercentages en daarop gebaseerde gemiddelde verzuimpercentages tot stand zijn gekomen. Bij de berekening van het gemiddelde verzuimpercentage heeft TVM het verzuimpercentage van het voorgaande jaar drie keer, die van het jaar daarvoor twee keer en die van het jaar daarvoor één keer meegeteld, hetgeen leidt tot een gewogen gemiddeld verzuimpercentage. Uit de door TVM als productie 8 overgelegde tabel moet worden opgemaakt dat deze berekeningsmethode ook is uitgevoerd voor het tussen partijen bij het sluiten van de overeenkomst overeengekomen gemiddelde verzuimpercentage van 4,32%. Dat gemiddelde verzuimpercentage, dat ook door [gedaagde] wordt genoemd als het percentage op grond waarvan de verzekeringovereenkomst tot stand is gekomen, heeft [gedaagde] kennelijk aanvaard. Het ligt dan ook in de rede dat [gedaagde] bekend en akkoord was met de berekening van een gewogen gemiddeld verzuimpercentage, en met de verzuimpercentages die TVM (voor 2004 tot en met 2006) heeft gehanteerd voor de berekening van het overeengekomen (gemiddelde) verzuimpercentage van 4,32%. Nu [gedaagde] de juistheid van het in deze tabel genoemde verzuimpercentage voor 2006 (3,23%) niet heeft betwist, en voorts vast staat dat TVM voor 2007 en 2008 mocht uitgaan van een verzuimpercentage van 5,5%, gaat de rechtbank er in rechte vanuit dat de voor 2007 en 2008 gehanteerde gemiddelde verzuimpercentages (als genoemd in de laatste kolom van de tabel, te weten 3,58% respectievelijk 4,35%), op dezelfde wijze als hiervoor is weergegeven zijn berekend en daarmee juist zijn. Aan het hier bedoelde verweer van [gedaagde] zal dan ook voorbij worden gegaan.

4.12.

[gedaagde] heeft voorts betwist dat de omzetting van het verzuimpercentage naar het premiepercentage aan de hand van de door TVM als productie 9 in het geding gebrachte tabel juist is. Volgens [gedaagde] is deze omzetting onbegrijpelijk en behelst de genoemde tabel niet datgene dat partijen terzake van de premie met elkaar zijn overeengekomen. De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel aan [gedaagde] moet worden toegegeven dat (de grondslag voor het hanteren van) de door TVM gepresenteerde tabellen en berekeningen weinig helder en inzichtelijk zijn, heeft [gedaagde] van de andere kant niet aangegeven op welke wijze de premiepercentages dan wel berekend zouden moeten worden en wat in dat kader dan wel overeengekomen is tussen partijen. Voorts geldt ook hier dat deze tabel kennelijk leidend is geweest bij het vaststellen van de bij het aangaan van de verzekering verschuldigde premie. Bovendien, in de berekening van hetgeen [gedaagde] volgens haar eigen stelling aan TVM over 2008 verschuldigd is (onder punt 8 van de conclusie van dupliek) gaat [gedaagde] ook zelf uit van de percentages genoemd in de tabel van productie 9. Onder deze omstandigheden heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist dat het premiepercentage berekend diende te worden aan de hand van de genoemde tabel. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat bij de berekening van de naverrekeningspremies over 2007 en 2008 de juiste premiepercentages zijn gehanteerd. Dat betekent dat in ieder geval de in productie 11 genoemde bedragen terzake premiebijbetaling over 2007 ad € 1.219,73 voor het eerste verzekerde ziektejaar en ad € 310,44 voor het tweede verzekerde ziektejaar toewijsbaar zijn. Dat geldt ook voor het eveneens op die premiepercentages gebaseerde premiebedrag (punt 26 en 27 van de conclusie van repliek) dat nog over 2008 verschuldigd is ad € 2.104,08. In zoverre ligt de vordering van TVM dan ook, behoudens het al dan niet gegronde beroep op verrekening, voor toewijzing gereed.

4.13.

Nu [gedaagde] tegen de vordering strekkende tot betaling van de twee voorschotnota’s over 2008 ad beide € 4.250,56 dezelfde verweren heeft gevoerd als tegen de vorderingen tot betaling van de naverrekeningsnota’s, en deze verweren hiervoor zijn gepasseerd, ligt ook deze vordering voor toewijzing gereed. Ook hier geldt bovendien dat indien deze bedragen niet als voorschotpremie waren gevorderd, zij tot uitdrukking zouden zijn gekomen in het bedrag verschuldigd in het kader van de naverrekening over 2008.

4.14.

[gedaagde] heeft op zichzelf niet betwist dat TVM gerechtigd was om aan de hand van de naverrekening over 2007 ook de voorschotpremie over 2008 aan te passen. Dat ligt ook voor de hand gelet op artikel 13 van de algemene polisvoorwaarden. Nu de in dit kader bij de naverrekeningsnota van 2007 in rekening gebrachte bedragen ad € 3.223,88 en € 814,72 kennelijk zijn gebaseerd op het hiervoor onder 4.10 en 4.11 als juist geoordeelde forfaitair vastgestelde totale jaarloon en verzuimpercentage, liggen ook deze bedragen voor toewijzing gereed. Overwogen in dit kader wordt nog dat indien deze bedragen niet als aanvullende voorschotpremie over 2008 in rekening waren gebracht bij de naverrekeningsnota over het jaar 2007, zij alsnog bij de berekening van de naverrekeningspremie over het jaar 2008 verschuldigd zouden zijn geworden. In dat geval waren deze bedragen immers niet meegenomen in de naverrekeningsnota 2008 als reeds bij wijze van voorschot in rekening gebrachte premie over 2008.

4.15.

De conclusie van het voorgaande is dat de volgende bedragen voor toewijzing gereed liggen: twee maal € 4.250,56 terzake kwartaalvoorschotnota’s over 2008, € 5.568,77 terzake de naverrekeningsnota 2007 en € 2.104,08 terzake de naverrekeningsnota 2008, tezamen neerkomend op € 16.173,97.

4.16.

TVM heeft een bedrag van € 952,- terzake van incassokosten gevorderd. [gedaagde] heeft betwist dat sprake is geweest van buitengerechtelijke werkzaamheden die voor vergoeding in aanmerking komen. TVM heeft in reactie hierop gesteld dat het door haar ingeschakelde incassobureau [gedaagde] op 8 oktober 2008 voor het eerst heeft aangeschreven en nadien diverse pogingen heeft ondernomen om betaling buiten rechte te verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft TVM hiermee onvoldoende onderbouwd dat werkzaamheden zijn verricht die meer omvatten dan de werkzaamheden waarvoor de in artikel 237 Rv bedoelde kostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. Uit het procesdossier blijkt slechts van een enkele sommatiebrief zonder bijzondere inhoud. Voor toewijzing van het in dit kader gevorderde bedrag is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen plaats.

4.17.

[gedaagde] heeft een beroep gedaan op verrekening van hetgeen zij aan TVM schuldig mocht worden geoordeeld, met een drietal creditfacturen die nog aan [gedaagde] dienen te worden betaald. Het betreft volgens [gedaagde] een drietal facturen van 31 oktober 2008 ad € 1.949,85, van 8 januari 2009 ad € 1.265,82 en van 19 maart 2009 ad € 8.540,- (tezamen € 11.755,67). [gedaagde] heeft aangevoerd dat tussen partijen al jaren gebruikelijk is dat zij over en weer bedragen verrekenen, zodat [gedaagde] daartoe ook in dit geval bevoegd is. Dat volgt volgens [gedaagde] uit het overzicht dat TVM heeft verstrekt van hetgeen [gedaagde] haar nog schuldig is (productie 1 bij de dagvaarding). In dat overzicht telt TVM alle bedragen die [gedaagde] verschuldigd is in het kader van de verschillende met TVM of met de aan haar gelieerde rechtspersonen gesloten verzekeringsovereenkomsten bij elkaar op, onder aftrek van de schade-uitkeringen die TVM uit hoofde van die verschillende verzekeringsovereenkomsten nog aan [gedaagde] dient te voldoen.
TVM heeft betwist dat er plaats is voor verrekening. Volgens TVM betreft het hier vorderingen die [gedaagde] op een andere rechtspersoon heeft, te weten TVM U.A. zodat verrekening reeds daarom niet aan de orde is. Bovendien is het zeer waarschijnlijk dat deze vorderingen inmiddels zijn voldaan door TVM U.A., aldus TVM.

4.18.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet betwist is dat de creditfacturen (schade-uitkeringen) waarmee [gedaagde] wenst te verrekenen verschuldigd zijn door een andere rechtspersoon dan TVM. Er is dan ook geen sprake van een schuld aan en een vordering op dezelfde wederpartij in de zin van artikel 6:127 BW. Dat betekent dat verrekening in beginsel niet aan de orde is. De stelling van [gedaagde] dat TVM (U.A.) (al dan niet ten onrechte) met een beroep op opschorting wegens het uitblijven van betaling van de onderhavige vordering van TVM weigert om de hiervoor bedoelde schade-uitkeringen te doen, staat buiten het kader van dit geding. Het is immers niet TVM die - al dan niet - nog zekere schade-uitkeringen verschuldigd is aan [gedaagde]. De rechtspositie van TVM U.A. is geen onderwerp van dit geschil.
heeft nog gesteld dat tussen partijen gebruikelijk was dat bedragen die verschuldigd of te vorderen waren uit hoofde van de andere verzekeringen werden verrekend. TVM heeft dat betwist. [gedaagde] heeft in het licht van die betwisting onvoldoende onderbouwd dat verrekening gebruikelijk was tussen partijen. Het als productie 1 bij de dagvaarding overgelegde overzicht waarnaar [gedaagde] verwijst is onvoldoende onderbouwing voor die stelling. In dat overzicht, dat kennelijk verstrekt is door de verschillende verzekeraars bij wie [gedaagde] verzekeringen heeft lopen, wordt per verzekeraar aangegeven welke bedragen [gedaagde] nog verschuldigd is c.q. te vorderen heeft. Het betreffende overzicht noemt aan het einde een bedrag dat [gedaagde] per saldo nog verschuldigd is. Daaruit valt niet af te leiden dat de verschillende verzekeraars hun vorderingen en/of schulden onderling verrekenen. Het is uitsluitend TVM die [gedaagde] in rechte heeft betrokken en haar eigen vordering heeft ingesteld.

4.19.

Het beroep op verrekening van [gedaagde] zal dan ook worden gepasseerd. Dat betekent dat een bedrag van € 16.173,97 zal worden toegewezen. [gedaagde] heeft de juistheid van het door TVM gevorderde, tot 10 juli 2009 berekende rentebedrag ad € 1.632,27 betwist. TVM heeft op dit verweer niet gereageerd. De juistheid van het door TVM gevorderde, tot 10 juli 2009 berekende rentebedrag kan niet worden vastgesteld. TVM heeft voorts niet gesteld op welke data de respectievelijke factuurbedragen opeisbaar waren en wanneer [gedaagde] met betaling in verzuim is geraakt. De wettelijke rente zal dan ook, bij gebreke van deze informatie, worden toegewezen met ingang van 8 oktober 2008, behoudens voor zover het de naverrekeningspremie over 2008 betreft. Op 8 oktober 2008 heeft de door TVM ingeschakelde deurwaarder de incasso ter hand genomen. Aangenomen wordt dat [gedaagde] op dat moment in ieder geval in verzuim verkeerde met betaling. De rente over de naverrekeningsfactuur d.d. 27 oktober 2009 zal worden toegewezen met ingang van 14 dagen na de conclusie van repliek, waarbij TVM betaling van dit bedrag in rechte heeft gevorderd. Dat komt neer op 11 juli 2012.

4.20.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Dat komt neer op een bedrag van € 365,- terzake griffiegeld, € 85,98 aan explootkosten en op € 1.356,- aan salaris voor de advocaat van TVM, gebaseerd op drie punten van liquidatietarief II.

5 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan TVM van € 16.173,97 (zegge: zestienduizend honderddrieënzeventig euro en zevenennegentig cent) vermeerderd met de wettelijke rente over € 14.069,89 vanaf 8 oktober 2008 en over € 2.104,08 vanaf 11 juli 2012, steeds tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van TVM vastgesteld op € 450,98 aan verschotten en op € 1.356,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2013.

1861/2148