Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:5883

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2013
Datum publicatie
31-07-2013
Zaaknummer
ROT 12/960146
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hawala-bankieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Straf 2

Parketnummer: 10/960146-12

Datum uitspraak: 21 februari 2013

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het detentiecentrum Alphen aan den Rijn,

raadsvrouw mr. W.P.A. Vos, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2012.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Bos heeft gerekwireerd tot:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede oplegging van een geldboete ter hoogte van € 18.000,-.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het onder 1, tweede en derde gedachtestreepje heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat dit deel van de tenlastelegging partieel nietig is.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit deel van de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en niet gespecificeerd is in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat helder en duidelijk is waarvan verdachte wordt verdacht. Onder 1, tweede en derde gedachtestreep is een verzamelomschrijving ten laste gelegd die ziet op alle geldoverdrachten die in het dossier geïndividualiseerd zijn.

De tenlastelegging in samenhang met dossier gelezen rechtvaardigt de conclusie dat er 14 geïndividualiseerde geldoverdrachten dan wel inleggen zijn geweest en dat die vallen onder de verzamelomschrijving; daarnaast zijn er enkele overdrachten/inleggen individueel ten laste gelegd. De tenlastelegging kan derhalve de toets der kritiek van 261 Sv ruimschoots doorstaan.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wanneer de beperkt ten laste gelegde periode en de aard van de verdenking worden bezien in samenhang met de wel precies omschreven geldoverdrachten, en gegeven het herhaalde karakter van de gedragingen binnen dezelfde periode op grond van het dossier voldoende duidelijk is waarvan de verdachte wordt verdacht en waartegen hij zich dient te verweren. Derhalve voldoet de tenlastelegging op alle onderdelen aan de eisen die artikel 261 Sv stelt.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot

nietigverklaring van de dagvaarding, is de dagvaarding geldig.

Rechtmatigheid inzet IMSI catcher en 126m-tap

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de inzet van een IMSI-catcher en de hieruit voortvloeiende machtiging telefoontap ex artikel 126m Sv onrechtmatig heeft plaatsgevonden nu de inzet van deze bevoegdheden niet voldoet aan de eis van verdenking van een feit met een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Deze onrechtmatige inzet levert een ernstig en onherstelbaar vormverzuim op zodat bewijsuitsluiting dient plaats te vinden voor alle resultaten van het opsporingsonderzoek en verdachte vrijgesproken dient te worden.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen nu de IMSI-catcher is ingezet om nummergegevens te achterhalen ten behoeve van de inzet van de bevoegdheid van artikel 126m Sv, die door de rechter-commissaris is afgegeven. Deze bevoegdheden mogen dan worden ingezet mits er sprake is van de verdenking van een misdrijf zoals vermeld in artikel 67, eerste lid, Sv dat bovendien een ernstige inbreuk op de rechtsorde maakt. Aangezien het in deze zaak gaat om de verdenking van grootschalig witwassen ten behoeve van de georganiseerde criminaliteit is aan die eis voldaan.

Beoordeling door de rechtbank

De IMSI-catcher is een technisch hulpmiddel, met behulp waarvan het mogelijk is om het telefoonverkeer in een bepaald gebied via die catcher te laten lopen in plaats van via de in dat gebied staande communicatiezendmast. Op grond van artikel 126nb Sv, met inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, Telecommunicatiewet, kan de officier van justitie bevelen dat de IMSI-catcher wordt ingezet om het nummer waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, te achterhalen.

Uit de door de officier van justitie met een bevel bekrachtigde aanvraag, blijkt dat het doel van de inzet van de IMSI-catcher was gelegen in het achterhalen van voor het onderzoeksteam onbekende communicatiemiddelen die bij de betreffende verdachten in gebruik waren, zodat vervolgens eventueel kon worden overgegaan tot het opnemen van die communicatie dan wel tot het vorderen van (historische) verkeersgegevens die betrekking hebben op het gebruik van dat of die communicatiemiddelen.

In zijn arresten van 11 oktober 2005 en 21 november 2006 (LJN AT4351 en AY9673) heeft de Hoge Raad, naar aanleiding van de vraag of ten onrechte een bevel tot telefoontap als bedoeld in artikel 126m Sv is gegeven, geoordeeld dat het in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie staat of aan de wettelijke voorwaarden tot het geven van een dergelijk bevel is voldaan. Dit betreft de vraag of er sprake is van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv en of het onderzoek dringend vordert dat het gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij de laatste toetsing spelen de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit een rol. De rechter-commissaris dient bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt te toetsen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. De zittingsrechter dient na te gaan of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging is kunnen komen.

De rechtbank is van oordeel dat de inzet van de IMSI-catcher en de daaruit voorvloeiende machtiging telefoontap ex 126m Sv in de onderhavige zaak rechtmatig is geweest en in overeenstemming met de artikelen 126nb en 126m Sv.

De rechtbank is van oordeel dat het witwassen van grote bedragen en illegaal bankieren, gezien de aard van deze misdrijven en de aannemelijke samenhang met de verwerking van grote illegale inkomsten, als ernstig ontwrichtend voor de rechtsorde is te beschouwen.

De rechter-commissaris kon gelet op de aard en ernst van de verdenking van deze misdrijven in redelijkheid tot afgifte van de machtiging komen.

Nu de inzet van de IMSI-catcher en de daaruit voorvloeiende machtiging telefoontap ex 126m Sv rechtmatig zijn ingezet, is er geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, zodat geen aanleiding is tot bewijsuitsluiting van de onderzoeksresultaten.

BEWIJSOVERWEGING

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat de verdachte in de ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging meerdere geldbedragen (krachtens gewoonte) heeft witgewassen. De verdachte heeft samen met medeverdachten in voornoemde periode (ten minste) 14 maal geldbedragen ingelegd dan wel overgedragen. Op basis van het dossier en mede op basis van de aan de hand van de typologieën vastgestelde omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat deze geldstromen van misdrijf afkomstig zijn.

Daarnaast kan volgens de officier van justitie bewezen worden dat de verdachte samen met anderen in de ten laste gelegde periode zonder vergunning op grond van de Wet financieel toezicht een bankiersbedrijf heeft uitgeoefend, nu hij onderdeel uitmaakte van een Hawala bankier-circuit, hetgeen een misdrijf oplevert in de zin van de Wet economische delicten.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 wordt primair betoogd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor witwassen.

Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad van 8 januari 2013 (LJN: BX6909 en BX6910) stelt de verdediging zich op het standpunt dat nu verdachte naast het witwassen ook van illegaal bankieren wordt verdacht en het illegaal bankieren het gronddelict is, de Hoge Raad dan bepaaldelijk eisen stelt aan de motivering van het oordeel dat er sprake is van witwassen. Ten aanzien van het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van € 73.000,- geldt het enkel voorhanden hebben niet voldoende is voor een bewezenverklaring van witwassen. Ten aanzien van het aangetroffen geld in de woning aan de Gulden Winckelstraat geldt dat verdachte geen beschikking hierover had en dus geen sprake kan zijn van het voorhanden hebben.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2, tweede, derde en vierde gedachtestreepje is betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 1 augustus 2012 is er een telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en een derde met een Britse telefoonaansluiting, waarin [medeverdachte 1] wordt gevraagd of er nog iets gaat gebeuren. Even later ontvangt [medeverdachte 1] van [verdachte] een sms met als inhoud “150 OK”

Hierna volgen verschillende tapgesprekken tussen [medeverdachte 1] en derden waaruit de inhoud blijkt dat gesproken wordt over de koers van de Engelse pond, over “samaan” en worden er nummers en getallen genoemd. In het gesprek van 15.09 uur tussen [medeverdachte 1] met de Engelse contact klaagt [medeverdachte 1] dat “Tarlok” zijn geld vast houdt en dat hij (Tarlok) van iemand anders die “samaan” koopt. Om 19.54 uur ontvangt [medeverdachte 1] van [verdachte] een sms met als inhoud “3 min”. Tijdens de observatie op 1 augustus 2012 wordt gezien dat [medeverdachte 2] het pand aan de Gulden Winckelstraat verlaat in het bezit van een witte draagtas. Uit de tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] met de telefoonaansluiting die normaliter bij [medeverdachte 1] in gebruik is, communiceert met [verdachte] om elkaar op de juiste plek te kunnen ontmoeten.

Gezien wordt dat[medeverdachte 2] en [verdachte] elkaar ontmoeten en dat [verdachte] nu de witte draagtas in zijn handen heeft. Gezien wordt dat [medeverdachte 2] terugkeert naar het pand aan de Gulden Winckelstraat en dat [verdachte] de bus pakt. Kort na het uitstappen uit de bus op het Marnixplein te Amsterdam wordt [verdachte] aangehouden en wordt in de witte draagtas die hij bij zich had een geldbedrag van € 73.000,- in beslag genomen. In zijn fouillering wordt een notitie aangetroffen met een berekening en achter de aanduiding 01 08 het getal 73.

Tijdens de doorzoeking in het pand aan de Marnixkade 78 te Amsterdam (zijnde de verblijfplaats van [verdachte]) is onder meer een groot aantal briefjes met notities en berekeningen aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat de bedragen op deze briefjes corresponderen met data en bedragen die uit de tapgesprekken naar voren zijn gekomen.

In het pand aan de Gulden Winckelstraat 41 te Amsterdam (zijnde de verblijfplaats van [medeverdachte 1] en[medeverdachte 2]) is onder meer een bedrag van € 28.385,- aangetroffen.

De verdachten zijn gehoord. [medeverdachte 1] en[medeverdachte 2] hebben zich grotendeels op hun zwijgrecht beroepen.

De [verdachte] heeft op 10 augustus 2012 verklaard dat hij één fout heeft gemaakt. Hij moest spullen aannemen en verderop weer afgeven. Hij wist dat er geld in de tas zat toen hij werd aangehouden. [medeverdachte 1] (zijnde de [medeverdachte 1]: hierna [medeverdachte 1]) wist het allemaal. Hij moest het alleen ophalen en afgeven. [medeverdachte 1] zou vertellen wat hij allemaal moest doen. [medeverdachte 1] heeft hem twee telefoons gegeven. Eén telefoon moest hij alleen met [medeverdachte 1] gebruiken en de andere telefoon met de man die de spullen kwam ophalen. Het was een Engels sprekende man, geen Indiër. [verdachte] kende hem sinds tien á twaalf dagen. Hij heeft hem vier of vijf keer gezien. Hij kwam altijd beneden bij zijn huis. De man gaf [verdachte] een missed call en dan ging [verdachte] naar beneden. [medeverdachte 1] vertelde hem dat een ton of anderhalve ton niet een zodanig groot bedrag is en dat het weinig risico is. Op het in zijn fouillering aangetroffen blauwe briefje staat een soort berekening. [verdachte] verklaarde nog niets te hebben gekregen. Hij was net begonnen om voor [medeverdachte 1] te werken. [verdachte] was op 26 juni 2012 uit India teruggekomen. Daarna heeft hij met [medeverdachte 1] gesproken. Met de zwarte telefoon, een LG had hij contact met [medeverdachte 1]. In de contactlijst van de telefoon staat het nummer van [medeverdachte 1] onder de aanduiding "Love". Als [verdachte] [medeverdachte 1] moest ontmoeten belde [medeverdachte 1] hem en zei dat hij kon komen. [verdachte] ging dan met bus 21 naar hem toe. Als [verdachte] uitstapte ontmoette [medeverdachte 1] hem en gaf hem wat hij ([medeverdachte 1]) wilde. Daarna stuurde [medeverdachte 1] hem weer weg. Meestal kwam [medeverdachte 1]. Eén keer was het een andere jongen. Hij had drie of vier keer geld ontvangen en meestal van [medeverdachte 1]. Op de dag van de aanhouding kwam de andere jongen. [medeverdachte 1] zei dat het zijn broer was. [verdachte] had hem wel vaker ontmoet. Als [medeverdachte 1] geld kwam afgegeven dan kwam die jongen ook mee. [verdachte] weet dat de jongen Deepa wordt genoemd. Na het tonen van een observatiefoto van 1 augustus 2012, verklaarde [verdachte] dat hij daarop stond met [medeverdachte 2] (hierna ook: [medeverdachte 2]). [medeverdachte 2] heeft de tas vast. [verdachte] wist niet hoeveel geld er in de tas zat. [verdachte] kan zich niets herinneren van de door hem gestuurde sms-berichten. [verdachte] verklaarde dat hij maximaal drie en een halve week voor [medeverdachte 1] werkt. [verdachte] verklaarde dat hij in de periode vijf of zes keer geld van [medeverdachte 1] had ontvangen.

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hetgeen hij bij de politie heeft verklaard de waarheid is; dat hij een aantal keren van [medeverdachte 1] een tas met geld heeft gekregen die hij moest doorgeven en dat het klopt dat hij [medeverdachte 1] soms een sms stuurde met een aanduiding van minuten om aan te geven dat hij [medeverdachte 1] wilde ontmoeten.

De rechtbank gaat ervan uit dat de [verdachte], die wisselend heeft verklaard over het aantal malen dat hij in de tenlastegelegde periode geld van [medeverdachte 1] had ontvangen, niet geheel betrouwbaar heeft verklaard over die aantallen. Het is op grond van de hierna te noemen telefonische contacten eerder aannemelijk dat die geldoverdrachten tussen beiden in grotere frequentie hebben plaatsgevonden. Omdat aannemelijk is dat [verdachte] zijn eigen rol heeft willen relativeren, beschouwt de rechtbank zijn verklaring niettemin in verband met de andere bewijsmiddelen als belangrijke steun voor de hierna te noemen bewezenverklaring.

In het dossier bevinden zich voorts ten aanzien van de ten laste gelegde periode vele afgeluisterde telefoongesprekken en sms-verkeer (hierna: tapgesprekken) tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] onderling en tapgesprekken tussen verdachten met derden. Sommigen van deze derden communiceren met Britse telefoonaansluitingen. De gesprekken en berichten hebben een versluierd, voor buitenstaanders dikwijls cryptisch karakter waarin herhaalde patronen optreden en getallen een prominente rol spelen. In deze tapgesprekken wordt (onder meer) gesproken over het geven van “samaan”; het hebben van “kaarten” en het doorgeven van nummers. Ook wordt er kennelijk gesproken en bericht over zogenoemde ‘tokens’ die kennelijk fungeren als legitimatie voor de afleveraars van de geldbedragen en behoren tot de typologie van illegaal (Hawala)bankieren. Het gaat hier om combinaties van getallen en letters die in kenmerken overeenkomen met biljetnummers van Engelse ponden (contacten op 11, 13, 16 (2x), 17, 18, 21, 24, 25, 30 juli en 1 augustus 2012).

In de tapgesprekken en het berichtenverkeer worden ook veelvuldig allerlei getallen genoemd, in de berichten al dan niet gevolgd door de medeling “ok”. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat, nadat er een sms-bericht van [verdachte] naar [medeverdachte 1] is uitgegaan met als inhoud een getal zonder spatie gevolgd door de letter “m” of een getal gevolgd door “min”, zij elkaar – in de gevallen waarin dit door observatie dan wel conclusies uit de taps of berichtenverkeer over voltooide overdrachten kan worden herleid (21, 23, 24, 26 juli) - hebben ontmoet. Aannemelijk is dan ook dat de sms-berichten met deze karakteristieken het doel hadden om aan te geven dat die ontmoeting aanstaande was en binnen welke tijdspanne. Aannemelijk is voorts dat die ontmoetingen zo kort na een dergelijk bericht ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden (berichten op 11, 13, 15, 16, 18, 21, 23, 24, 25, 26, 30, 31 juli).

Daarnaast zijn er bij de doorzoekingen in de woningen Gulden Winckelstraat en Marnixkade briefjes met handgeschreven getallen gevonden, die in een aantal gevallen samenvallen met de in het telefoonverkeer genoemde getallen en waarop voorts getallen zijn te lezen die kennelijk als de met getallen uit het telefoonverkeer samenhangende bedragen van tegenwaarde in Engelse ponden (koers 1,18) zijn te beschouwen en waarop ook datum-aanduidingen lijken te staan die dit verband verder bevestigen (overeenkomend met de gestelde overdrachten op 16, 17, 18 (2x), 19, 21, 25 juli en 1 augustus).

In samenhang met de tapgesprekken worden verdachten op 23, 26 en 31 juli 2012 onder observatie genomen, waarbij op 26 en 31 juli 2012 een ontmoeting en overdracht van tassen op straat wordt gezien vergelijkbaar met de observatie van 1 augustus 2012 waarbij geld is aangetroffen in een tas.

Uit de telefoongesprekken is voorts op te maken dat er een nagenoeg dagelijks contact was tussen de [medeverdachte 1] en [verdachte]. De frequentie waarmee dit intensieve verkeer plaatsvond binnen de relatief korte onderzoeksperiode van enkele weken versterkt deze samenhang voorts. In onderling verband bezien met de hiervoor uitvoeriger beschreven transactie op 1 augustus 2012 alsmede de verklaring van [verdachte] komt de rechtbank tot de conclusie dat het bij telefonische contacten op de hiervoor genoemde data ging om het voorbereiden dan wel uitvoeren van geldoverdrachten.

Bij haar conclusie dat het ging om daadwerkelijk voltooide geldoverdrachten heeft de rechtbank een aantal indicaties in onderling verband in aanmerking genomen:

  • -

    de als “terugkoppeling” te beschouwen telefoongesprekken of berichten waaruit kan worden afgeleid dat de transacties in een of meer landen zijn voltooid;

  • -

    berekeningen op de gevonden briefjes van deels overgedragen, deels resterende bedragen die corresponderen met de telefonische berichten;

  • -

    ontmoetingen tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkend uit de observaties dan wel de x- “m” of “min”-berichten.

Het betoog van de verdediging ten aanzien van de door de officier van justitie gestelde geldoverdrachten van 11, 14, 23, 26 en 31 juli, inhoudende dat onvoldoende bewijs is van daadwerkelijke geldoverdrachten tussen [medeverdachte 1] en verdachte gaat voorbij aan genoemde onderling samenhangende kenmerken en het vaste patroon van de contacten van de verdachte met [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode.

Beoordeling ten aanzien van feit 1

Gezien de hierboven geschetste feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op 11, 13, 16, 17, 18 (2x),19, 21, 23 tot en met 26, 30, 31 juli en 1 augustus 2012 contante geldbedragen zijn overgedragen dan wel ontvangen door [medeverdachte 1] en [verdachte]. Van [medeverdachte 2] is vast komen te staan dat hij op 1 augustus 2012 € 73.000,- heeft overgedragen aan [verdachte].

Voorts overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het onderzoek is gebleken dat de geldtransacties plaatsvonden onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken, onder meer:
- het ongeteld aanbieden van grote geldbedragen in ongebruikelijke coupures zoals aangetroffen in de woning Gulden Winckelstraat en de aangetroffen tas;
- de wijze van vervoer van de geldbedragen – in een tas over straat – en het bewaren van geldbedragen in een woonhuis als hoogst ongebruikelijk en gepaard gaand met aanzienlijke veiligheidsrisico’s;
- het ophalen van de geldbedragen en ook niet afleveren bij een officiële bancaire instelling, maar bij een persoon, zodoende onttrokken aan het voor dit soort geldtransacties gebruikelijke (overheids)toezicht (melding van ongebruikelijke transacties, identificatieverplichting), waardoor de werkelijke aard en de herkomst van de geldbedragen kon worden verhuld;
- het in het geheel niet bekend geworden omtrent een mogelijke legale herkomst van de geldbedragen.

Bij gebreke van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaring omtrent de herkomst van het geld kan het niet anders zijn, dan dat de geldtransacties, middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig waren en dat de verdachten hiervan wetenschap hebben gehad. Daarmee hebben de verdachten zich ten aanzien van die geldbedragen schuldig gemaakt aan witwassen.

Het betoog van de verdediging dat het hooguit is gegaan om illegaal bankieren wordt dan ook verworpen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat gezien de periode waarover de bewezenverklaarde witwashandelingen hebben plaatsgevonden en de frequentie waarmee dit gebeurde het witwassen bovendien te kwalificeren is als gewoontewitwassen.

Recente jurisprudentie van de Hoge Raad (LJN: BX6909 en BX6910)

In deze arresten (waar het ging om frauduleus handelen, waardoor de verdachten geld onder zich hadden) herhaalt de Hoge Raad zijn eerdere jurisprudentie (LJN: BM4440) met betrekking tot het witwassen van een door verdachte zelf begaan misdrijf en voegt daar ter verduidelijking aan toe dat met deze rechtspraak mede wordt beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd". Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen. In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

De rechtbank merkt op dat genoemde arresten betrekking hebben op het enkel ‘voorhanden hebben’, terwijl in de tenlastelegging van de onderhavige zaak er meerdere meer specifieke bij geldoverdracht verwante handelingen worden beschreven.

Voorts is van belang dat het in het geval van de verdachten in de ten laste gelegde periode kennelijk is gegaan om uit de aard van het (illegaal) bankieren voortvloeiende handelen met geld van anderen, dat door de handen van verdachten is gegaan. Het gronddelict is dan ook niet het op illegale wijze verwerven van het geld als eigen opbrengst door verdachten, maar door anderen. Verdachten handelen met dat geld illegaal ten dienste van die anderen.

In die zin hebben verdachten zich ook niet zozeer bezig gehouden met het beheer van hun eigen opbrengsten (van een eigen misdrijf), maar grotendeels (afgezien van provisie/commissie/koerswinst ) juist die van anderen. Door de grensoverschrijdende handelingen, met wisseling van valuta werkten verdachten mee aan het veiligstellen van de opbrengsten van de onbekende anderen -naar alle waarschijnlijkheid drugshandelaren-.

Dit betekent dat het bezwaar van de Hoge Raad bij een te ruimhartig toepassen in deze gevallen niet opgaat.

Beoordeling ten aanzien van feit 2

Artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) verbiedt het een ieder met een zetel in Nederland zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van betaaldienstverlener.

Een betaaldienstverlener is degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten (artikel 1:1 Wft). Wat betaaldiensten zijn, wordt nader gespecificeerd in de bijlage van de Europese richtlijn voor het harmoniseren van betaaldiensten in de EU (2007/64/EC). Tot de betaaldiensten die deze bijlage noemt, behoren de zogenoemde 'geldtransfers'. Geldtransfers zijn in artikel 4 lid 13 van dezelfde richtlijn gedefinieerd als:

'een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld.'

Uit het hiervoor overwogene ten aanzien van feit 1 is gebleken dat door [medeverdachte 1] en [verdachte] geldbedragen op afroep werden ontvangen om beschikbaar te stellen aan (een) onbekend gebleven begunstigde(n). Daarmee hebben verdachten geldtransfers als bedoeld in de richtlijn tot stand gebracht. Uit de stukken van het dossier is niet gebleken dat de [medeverdachte 1] en [verdachte] beschikten over een vergunning van de Nederlandsche Bank als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 Wft.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachten samen en in vereniging het onder 1 en 2 ten laste gelegde hebben begaan.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 1 augustus 2012 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen, althans eenmaal, (een) (grote) geldbedrag(en), ingebracht en/of omgezet en/of opdracht gegeven tot uitbetaling en/of uitbetaald

- (door) meermalen (telkens) (grote) (contante) geldbedragen in verschillende landen betaalbaar te stellen en/of te ontvangen en/of betaalbaar te stellen en/of te wisselen naar grote(re) coupures en/of in contanten over te dragen en/of

overgedragen en/of ontvangen

  • -

    door) op of omstreeks 11 juli 2012 een of meer (thans) onbekend gebleven perso(o)n(en) een geldbedrag van EUR 56.000,-, althans een groot geldbedrag aan [medeverdachte 1] over te laten dragen en/of

  • -

    (door) op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 01 augustus 2012 van een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een of meer gro(o)t(e) (contante) geldbedrag(en) te ontvangen en/of

  • -

    (door) op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 01 augustus 2012 aan [medeverdachte 1] een of meer gro(o)t(e) (contante) geldbedrag(en) over te dragen en/of

  • -

    (door) op of omstreeks 01 augustus 2012 van[medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) een geldbedrag van EUR 73.000,-, althans een groot geldbedrag te ontvangen en/of

  • -

    (door) in een woning, gelegen op/aan de Gulden Winckelstraat (41), te Amsterdam, op of omstreeks 1 augustus 2012 een geldbedrag van (in totaal ongeveer) EUR 30.000,-, althans een groot geldbedrag, voorhanden te hebben,

althans heeft hij, verdachte en/of zijn (mede)dader(s), voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden gehad, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) ten aanzien van die/dat (grote) geldbedrag(en) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

althans heeft hij, verdachte en/of zijn (mede)daders (telkens) van voornoemd(e) geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij, verdachte en/of haar mededader(s), verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van die/dat geldbedrag(en), terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 11 juli 2012 tot en met 01 augustus 2012, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht,

immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van (een onbekend gebleven) begunstigde(n) en/of (een onbekend gebleven) betaler(s) en/of één of meer (onbekend gebleven) ander(en) één of meer (contante) geldtransactie(s) en/of (één of meer (contante) geldtransfer(s) uitgevoerd en/of voor rekening van een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of aan een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld en/of voor een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden, te weten

  • -

    op of omstreeks 1 augustus 2012 een geldbedrag van (ongeveer) EUR 73.000,-, althans een groot geldbedrag en/of

  • -

    drie maal, in elk geval meermalen, in of omstreeks de periode van 23 juli 2012 tot en met 31 juli 2012 een (onbekend) groot geldbedrag en/of

  • -

    op of omstreeks 11 juli 2012 een geldbedrag van (ongeveer) EUR 52.045,- en/of EUR 120.000,-, althans (telkens) een groot geldbedrag en/of

  • -

    op of omstreeks 14 juli 2012 een geldbedrag van (ongeveer ) EUR 50.000,-,althans een groot geldbedrag.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden zoals hiervoor genoemd. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen

Medeplegen aan overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het Financieel Toezicht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededaders een gewoonte gemaakt van het witwassen van aanzienlijke geldbedragen. Hij heeft dat gedaan door deze geldbedragen, waarvan hij wist dat deze afkomstig waren uit misdrijf, in ontvangst te nemen, over te dragen dan wel voor handen te hebben. Voorts heeft de verdachte zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het bankieren zonder vergunning, door aanzienlijke geldbedragen te ontvangen dan wel beschikbaar te stellen.

Dit zijn ernstige feiten. Door het witwassen van crimineel vermogen en het bankieren zonder vergunning wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Dit vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.



Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 oktober 2012 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Hierin en in het feit dat de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan door de officier van justitie is gevorderd, wordt aanleiding gezien de gevangenisstraf te matigen.

De rechtbank zal evenmin overgaan tot het opleggen van een geldboete.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen die op de beslaglijst staan onder 1 tot en met 3, 5 tot en met 9, 11 tot en met 16 verbeurd te verklaren. Die verbeurdverklaring zal worden opgelegd als bijkomende straf voor de feiten 1 en 2, nu deze feiten met betrekking tot deze voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, zijn begaan.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1 en 2: de voorwerpen onder 1 tot en met 3, 5 tot en met 9 en 11 tot en met 16;

- gelast de teruggave aan verdachte van de overige op de lijst geplaatste voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Bade, voorzitter,

en mrs. Van der Ven en Poppe-Gielesen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Kandemir-Akkal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2013.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 21 februari 2013:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 1 augustus 2012 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen, althans eenmaal, (een) (grote) geldbedrag(en), ingebracht en/of omgezet en/of opdracht gegeven tot uitbetaling en/of uitbetaald

- ( door) meermalen (telkens) (grote) (contante) geldbedragen in verschillende landen betaalbaar te stellen en/of te ontvangen en/of betaalbaar te stellen en/of te wisselen naar grote(re) coupures en/of in contanten over te dragen en/of

overgedragen en/of ontvangen

  • -

    door) op of omstreeks 11 juli 2012 van een of meer (thans) onbekend gebleven perso(o)n(en) een geldbedrag van EUR 56.000,-, althans een groot geldbedrag aan [medeverdachte 1] over te laten dragen en/of

  • -

    door) op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 01 augustus 2012 van een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een of meer gro(o)t(e) (contante) geldbedrag(en) te ontvangen en/of

  • -

    door) op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 01 augustus 2012 aan [medeverdachte 1] een of meer gro(o)t(e) (contante) geldbedrag(en) over te dragen en/of

  • -

    door) op of omstreeks 01 augustus 2012 van[medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) een geldbedrag van EUR 73.000,-, althans een groot geldbedrag te ontvangen en/of

  • -

    door) in een woning, gelegen op/aan de Gulden Winckelstraat (41), te Amsterdam, op of omstreeks 1 augustus 2012 een geldbedrag van (in totaal ongeveer) EUR 30.000,-, althans een groot geldbedrag, voorhanden te hebben,

althans heeft hij, verdachte en/of zijn (mede)dader(s), voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden gehad, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) ten aanzien van die/dat (grote) geldbedrag(en) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

althans heeft hij, verdachte en/of zijn (mede)daders (telkens) van voornoemd(e) geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij, verdachte en/of haar mededader(s), verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van die/dat geldbedrag(en), terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Artikel 420bis/ter en 47 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 11 juli 2012 tot en met 01 augustus 2012, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van (een onbekend gebleven) begunstigde(n) en/of (een onbekend gebleven) betaler(s) en/of één of meer (onbekend gebleven) ander(en) één of meer (contante) geldtransactie(s) en/of (één of meer (contante) geldtransfer(s) uitgevoerd en/of voor rekening van een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of aan een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld en/of voor een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden, te weten

  • -

    op of omstreeks 1 augustus 2012 een geldbedrag van (ongeveer) EUR 73.000,-, althans een groot geldbedrag en/of

  • -

    drie maal, in elk geval meermalen, in of omstreeks de periode van 23 juli 2012 tot en met 31 juli 2012 een (onbekend) groot geldbedrag en/of

  • -

    op of omstreeks 11 juli 2012 een geldbedrag van (ongeveer) EUR 52.045,- en/of EUR 120.000,-, althans (telkens) een groot geldbedrag en/of

  • -

    op of omstreeks 14 juli 2012 een geldbedrag van (ongeveer ) EUR 50.000,-,althans een groot geldbedrag;

Artikel 2:3a lid 1 Wet op het financieel toezicht

Artikelen 1, 2 en 6 Wet op de Economische Delicten