Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:5606

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-06-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
C/10/424592 / KG ZA 13-451
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid voorzieningenrechter bij overeengekomen arbitrage; artikel 1051 lid 2 Rv; voorzieningenrechter kàn zich onbevoegd verklaren, maar is daartoe niet verplicht; relevant is of het scheidsgerecht in kort geding spoedig uitspraak zal kunnen doen en voorts of speciale expertise nodig is voor de beslechting van het geschil; verder moet de voorzieningenrechter in het onderhavige geschil de belangen van de andere gedaagden bij zijn oordeel betrekken.

Wanprestatie danwel onrechtmatige daad van gedaagden jegens eiser;

handelen van gedaagde 2 is onzorgvuldig jegens de mede-eigenaar van het pand, eiser, in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en derhalve onrechtmatig jegens eiser.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het handelen met iemand terwijl men weet dat deze door dat handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, althans jegens deze derde een onrechtmatige daad pleegt, op zichzelf jegens die derde echter niet onrechtmatig. Er moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Deze omstandigheden kunnen onder meer gelegen zijn in de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en de strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en de omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.

MKB en gedaagde 3 profiteren van de onrechtmatige daad van gedaagde 2. Dit is in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en derhalve onrechtmatig jegens eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/360
TvA 2014/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/424592 / KG ZA 13-451

Vonnis in kort geding van 21 juni 2013

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. [A],

wonende te Stellendam,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. W.Th. van Dijk,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te Burgh Haamstede,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. P. van den Berg,

2. [gedaagde 2],

wonende te Zierikzee,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. P. van den Berg,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

gevestigd te Stellendam,

advocaat mr. F.L. van der Eerden,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MKB BOEKHOUDSERVICE B.V.,

gevestigd te Stellendam,

gedaagden in conventie,

advocaat mr. F.L. van der Eerden.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en MKB genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen d.d. 15 mei 2013

  • -

    de akte houdende overlegging producties zijdens [eiser]

  • -

    de brief d.d. 5 juni 2013 met producties zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

  • -

    de brief d.d. 3 juni 2013 met producties zijdens [gedaagde 3] en MKB

  • -

    de brief d.d. 5 juni 2013 met producties zijdens [gedaagde 3] en MKB

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 7 juni 2013

  • -

    de pleitnota van mr. Van Dijk tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie

  • -

    de pleitnota van mr. Van den Berg tevens conclusie van antwoord/eis in reconventie

  • -

    de pleitnota van mr. Van der Eerden houdende conclusie van antwoord

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil in conventie

2.1.

[eiser] vordert  samengevat - na wijziging van eis:

  1. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te verbieden het pand aan [gedaagde 3] en MKB in gebruik te geven en ingebruikgeving te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

  2. [gedaagde 1] te veroordelen als voorschot op verbeurde boetes aan [eiser] te betalen een bedrag van € 500,00 per dag dat [gedaagde 3] of MKB gebruik maakt van het pand;

  3. [gedaagde 3] en MKB te veroordelen om het pand binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en alle reclame-uitingen die verwijzen naar de (handels)namen van hun ondernemingen te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag.

2.2.

Gedaagden voeren verweer, waarbij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vóór alle weren een beroep doen op de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter, wegens het in artikel 12 opgenomen arbitragebeding in de koop-/aanneemovereenkomst (waarover hierna meer).

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 Het geschil in voorwaardelijke reconventie

3.1.

Voor het geval de voorzieningenrechter zich bevoegd acht, vordert [gedaagde 1]  samengevat - om de werking van het boetebeding te schorsen en [eiser] te veroordelen om te gehengen en gedogen dat [gedaagde 1] de kantoorruimte op de begane grond van het pand verhuurt of verkoopt aan [gedaagde 3].

3.2.

[eiser] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

de bevoegdheid van de voorzieningenrechter

4.1.

In artikel 12 van de koop-/aanneemovereenkomst (waarover hierna meer) zijn [eiser] en [gedaagde 1] het volgende overeengekomen - voor zover relevant - :

“Artikel 12

  1. Voor de beslechting van de in dit artikel bedoelde geschillen doen partijen uitdrukkelijk afstand van hun recht de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen.

  2. Alle geschillen, welke ook, (…) worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland (…)”

4.2.

Niettegenstaande een dergelijk beding, kan een partij zich wenden tot de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding op de voet van artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), zoals [eiser] heeft gedaan. Daarbij is niet van belang of de arbitrageovereenkomst slechts strekt tot arbitraal bodemgeding of (mede) strekt tot arbitraal kort geding. De voorzieningenrechter zal dan met inachtneming van artikel 1051 lid 2 Rv moeten beslissen.

4.3.

Krachtens artikel 1051 lid 2 Rv kàn de voorzieningenrechter, alle omstandigheden in aanmerking nemende, zich onbevoegd verklaren. De voorzieningenrechter is daartoe echter niet verplicht. Relevant in dit verband is of het scheidsgerecht in kort geding spoedig uitspraak zal kunnen doen en voorts of speciale expertise nodig is voor de beslechting van het geschil. Verder moet de voorzieningenrechter in het onderhavige geschil de belangen van de andere gedaagden bij zijn oordeel betrekken.

4.4.

Nu onvoldoende kan worden ingeschat op welke termijn [eiser] bij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland een uitspraak in kort geding kan verkrijgen en voor de beoordeling van de door [eiser] gevraagde voorziening geen specifieke deskundigheid op bouwrechtelijk gebied is vereist, ziet de voorzieningenrechter geen reden om zich onbevoegd te achten.

Daar komt bij dat het voor de overige gedaagden, waarvoor het arbitragebeding niet geldt, praktischer is wanneer de vorderingen gezamenlijk worden behandeld, gelet op de onderlinge samenhang.

spoedeisend belang

4.5.

Het spoedeisend belang is gelegen in de stelling van [eiser] dat in het pand een concurrent is gevestigd en [eiser] daardoor de concurrentie wordt aangedaan die zij expliciet in de afspraak met [gedaagde 2] (waarover hierna meer) heeft willen uitsluiten.

geschikt voor kort geding

4.6.

Anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze zaak zich leent voor behandeling in kort geding, nu de feiten voldoende helder zijn en de gevolgen van de beslissing te overzien.

kern van het geschil

4.7.

[eiser] en [gedaagde 2], handelend als zelfstandig bevoegd directeur van [gedaagde 1], hebben op 29 augustus 2011 een koop-/aanneemovereenkomst appartementsrecht ondertekend, waarbij [eiser] van [gedaagde 1] zou verkrijgen het appartementsrecht omvattende het uitsluitend gebruik van kantoor 3, aan de Korteweg 2c.

4.8.

Artikel 15 van de koop-/aanneemovereenkomst luidt - voor zover relevant - :

“Partijen komen voorts overeen dat de ondernemer (vzr: [gedaagde 1]) geen huur- en/of koopovereenkomst zal sluiten met [gedaagde 3] Accountants op straffe van een boete van € 500,00 per dag.”

4.9.

Op 19 maart 2013 is MKB opgericht door een grootaandeelhouder van [gedaagde 3]. Enig aandeelhouder en bestuurder van MKB is MvdB Holding B.V. MvdB Holding B.V. is tevens bestuurder van [gedaagde 3]. Enig aandeelhouder en bestuurder van MvdB Holding B.V. is [B] (hierna: [B]). [B] is tevens directeur van [gedaagde 3].

4.10.

Op 28 maart 2013 hebben [gedaagde 2] in privé en [B], als vertegenwoordiger van MKB, een huurovereenkomst kantoorruimte ondertekend, waarbij MKB van [gedaagde 2] in privé per 1 april 2013 de onverdeelde 200 m2 van de totaal 327 m2 bedrijfsruimte gelegen in hetzelfde gebouw als waar [eiser] is gevestigd, aan [adres], huurt.

4.11.

Kern van het geschil is de vraag of hierdoor sprake is van wanprestatie danwel onrechtmatige daad van gedaagden jegens [eiser].

[gedaagde 2]

4.12.

Uit het betreffende uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat “MKB Boekhoudservice” een handelsnaam was van [gedaagde 3]. [gedaagde 2] had reeds daarom kunnen begrijpen, dat het beding ook zou kunnen gelden jegens MKB.

4.13.

Dat [gedaagde 2] begreep, althans had moeten begrijpen dat het beding zich ook uitstrekte tot aan [gedaagde 3] gelieerde ondernemingen, blijkt uit de volgende e-mailwisseling omtrent het beding (zie met name de e-mail van 22 augustus 2011 van [eiser] aan de notaris, die [gedaagde 2] in kopie heeft verkregen):

- een e-mail van 19 augustus 2011 van [eiser] aan [gedaagde 2]:

“Zoals wij hebben besproken wil ik niet dat [gedaagde 3] (alsnog) in het pand komt. Hoe kunnen wij dit vastleggen / afspreken?”

- het antwoord daarop in een e-mail van 19 augustus 2011 van [gedaagde 2] aan [eiser]:

“Neem maar contact vandaag met de notaris op en geef maar door dat in de overeenkomst mag komen dat de project BV géén huur- en/of koopovereenkomst mag sluiten met [gedaagde 3] op straffe van een boete van € 500 per dag.”

- de e-mail van 22 augustus 2011 van [eiser] aan de notaris en in kopie aan [gedaagde 2]:

“Wilt u ook onderstaande regel opnemen in de akte, zie mail van [gedaagde 2] van afgelopen vrijdag.

Neem maar contact vandaag met de notaris op en geef maar door dat in de overeenkomst mag komen dat de project BV géén huur- en/of koopovereenkomst mag sluiten met [gedaagde 3] op straffe van een boete van € 500 per dag. Het betreft [gedaagde 3] Accountants (of elk gelieerd bedrijf, aftakking of voortvloeisel) thans gevestigd aan [adres 2].”

4.14.

Verder moet er mede gezien deze e-mailwisseling vanuit worden gegaan dat [gedaagde 2] ervan op de hoogte was dat [B] door [eiser] wordt beschouwd als een concurrent en dat zij daarover hebben gesproken. Dit blijkt bovendien uit de volgende e-mail van 14 januari 2013 van [gedaagde 2] aan het bedrijf Netw:

“Even om misverstanden te voorkomen het volgende. De komst naar het pand van [gedaagde 3] Accountants en MKB boekhoudservice is nog absoluut niet zeker. Graag nog even voor je houden gezien de gevoeligheid van het onderwerp.”

4.15.

Hoewel de koop-/aanneemovereenkomst is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde 1], moet worden aangenomen dat [gedaagde 2] in privé kennis had van het beding, nu hij de overeenkomst heeft ondertekend.

4.16.

[eiser] heeft met het beding willen voorkomen dat concurrent [B] zich in hetzelfde bedrijfspand zou vestigen. [gedaagde 2] was ervan op de hoogte dat [eiser] alleen in verhuizing van zijn onderneming € 500.000,00 (volgens [gedaagde 2]) of € 600.000,00 (volgens [eiser]) zou investeren, wanneer geen huur- of koopovereenkomst zou worden gesloten met [gedaagde 3] of een aan [gedaagde 3] gelieerde onderneming. Dat [gedaagde 2] expliciet bezwaar had tegen opneming in de koop-/aanneemovereenkomst van de toevoeging in de e-mail van 22 augustus 2011 van [eiser] aan de notaris (“Het betreft [gedaagde 3] Accountants (of elk gelieerd bedrijf, aftakking of voortvloeisel) thans gevestigd aan [adres 2].”), is niet gebleken. De zin tussen haakjes onder randnummer 6 in de pleitnota zijdens [gedaagde 2] dat [gedaagde 2] daar niet mee akkoord was, is onvoldoende om dit voorshands aan te nemen. Zoals ook ter zitting is betoogd door [gedaagde 2], was opnemen van het beding voor [gedaagde 2] geen issue, “omdat [gedaagde 3] al had laten weten dat ze te klein waren en de middelen niet hadden om in het pand te gaan zitten”. Door desondanks op 28 maart 2013 een huurovereenkomst kantoorruimte met MKB te ondertekenen, heeft [gedaagde 2] bewerkstelligd dat toch een in de ogen van [eiser] geduchte direct aan [gedaagde 3] verbonden concurrent zich in het pand heeft gevestigd, terwijl hij wist dat [eiser] op basis van de gesloten overeenkomst er vanuit ging dat dat niet zou gebeurden. Van een noodzaak voor [gedaagde 2] om de huurovereenkomst met MKB te sluiten is niet gebleken. De voorgenomen samenwerking tussen [gedaagde 2] en [B] en de leegstand in het gebouw is onvoldoende om de belangen van [eiser] te verwaarlozen en alsnog in zee te gaan met [B]. [eiser] mocht met het opnemen van het beding in de koop-/aanneemovereenkomst verwachten dat [gedaagde 3], noch een door [gedaagde 3] op te richten vennootschap die soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen als [eiser], zich in het pand zou vestigen. [eiser] mocht erop vertrouwen dat [gedaagde 2] in privé niet alsnog met [B] zou contracteren. Het handelen van [gedaagde 2] is dan ook onzorgvuldig jegens de mede-eigenaar van het pand, [eiser], in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en derhalve onrechtmatig jegens [eiser].

[B]

4.17.

Ook MKB moet bij het sluiten van een overeenkomst haar handelen mede door de belangen van [eiser] laten bepalen. Dat gaat niet zo ver dat MKB, als zij zou moeten worden aangemerkt als een concurrent van [eiser] (waarover hierna meer), zich niet in hetzelfde pand als een concurrent zou mogen vestigen. In het onderhavige geval is echter sprake van bijkomende omstandigheden. Immers moet worden aangenomen dat ook [B] op de hoogte was van de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 2], namens [gedaagde 1], en het daarin vervatte beding. Dit blijkt uit de in het geding gebrachte e-mailwisseling naar aanleiding van het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 14 januari 2013 tussen [eiser], [gedaagde 2] en [B]. Deze wetenschap moet [gedaagde 3] en MKB worden aangerekend, gelet op het middellijk bestuurderschap van [B] van deze ondernemingen (zie 4.9.). Voornoemde e-mailwisseling laat zien dat er is gesproken over een mogelijke vorm van samenwerking tussen [eiser], [gedaagde 2] en [B] en dat [gedaagde 2] in dat kader bij e-mail van 16 januari 2013 aan [eiser], met een kopie aan [B], een voorstel heeft gedaan, maar dat [eiser] in een e-mail van 11 februari 2013 dit voorstel nadrukkelijk niet heeft aanvaard, doch heeft willen vasthouden aan het beding in de koop-/aanneemovereenkomst van 29 augustus 2011.

4.18.

Dat [B] van het beding op de hoogte was blijkt bovendien uit zijn e-mail van 22 februari 2013 aan [eiser], waarin hij het volgende heeft geschreven - voor zover relevant - :

“Al enige malen heb ik (en [gedaagde 2]) met jou gecommuniceerd over de mogelijkheid van enige samenwerking en vestiging van mijn bedrijf in het bedrijfspand “[X]”. [gedaagde 2] heeft ruimte over in zijn pand, wat eigendom is van de eenmanszaak en wij willen graag verder groeien en zoeken partners om daarbij te ondersteunen. 1+1+1 is in dit geval 4.

Het valt mij op dat enerzijds wij wel met elkaar in gesprek zijn over een mogelijke vorm van samenwerking, maar dat anderzijds jij aangeeft aan [gedaagde 2] dat ik geen kantoorruimte in het gebouw “[X]” zou mogen kopen of huren op grond van een tussen jou en [gedaagde 1] gemaakt beding. Ik kan dat nog steeds niet goed plaatsen. Immers, het beding is aangegaan tussen [gedaagde 1] en jou. Ik ben daarbij geen partij geweest en bovendien ben ik ook niet voornemens om te kopen of te huren van [gedaagde 1] Dat beding staat ons dan ook niet in de weg. [gedaagde 2] financieel Advies is niet gebonden aan het door [gedaagde 1] gemaakte beding. Volgens mijn advocaat is hier geen sprake van enig kettingbeding dan wel een verplichting, welke overvloeit naar een koper van een Project B.V. [gedaagde 2] Financieel advies staat het derhalve ook vrij om aan mij te verhuren. De project B.V. thans niet en daaraan zou [gedaagde 2] graag een einde zien.

Ik zie dan ook geen belemmering om als [gedaagde 3] accountants dan wel mijn nieuw op te richten activiteit (bv) van [gedaagde 2] Financieel Advies het bedrijfspand in “[X]” te kopen of te huren. Als jij dat anders ziet, dan hoor ik dat graag en wel binnen één week na dagtekening dezes. Ik kan mij het niet voorstellen, maar verneem graag de juridische belemmeringen van jouw zijde. Hoor ik niets dan ga ik er vanuit dat dit geen onderdeel van discussie meer zal zijn en dat we ons geheel kunnen richten op de verdere samenwerking. Laat dan onze energie gericht zijn op een prettige samenwerking, want dat is hetgeen ik en [gedaagde 2] beogen ipv dwarszitten en tegenwerken.”

4.19.

Hieruit blijkt dat [B] de mogelijkheden heeft willen onderzoeken om samen te werken met [eiser], maar dat hij, ook als [eiser] dat niet wil, geen beletsel ziet om zich als [gedaagde 3], dan wel als een andere op te richten vennootschap, te vestigen in het pand [X]. In zijn e-mail van 18 maart 2013 aan [gedaagde 2] met kopie aan [eiser] schrijft [B] in dat kader onder meer: “MKB Boekhoudservice B.V. zal een gedeelte van het (gehuurde) pand van jouw onderneming [gedaagde 2] financieel advies onderverhuren aan [gedaagde 3] Accountants ZHE B.V. Voor de presentatie voor het kantoor zouden wij graag [gedaagde 3] Accountants als uitstraling op het grote bord opnemen en MKB Boekhoudservice hanteren met [gedaagde 3] Accountants op de kleine bewegwijzeringen en buiten het kleine bord”).

MKB heeft zich vervolgens in het pand gevestigd en het appartement is onderverhuurd aan [gedaagde 3]. Op de reclameborden voor het pand en op de muren en de deuren van het appartement zijn de namen “[gedaagde 3]” en “MKB” aangebracht. Een en ander is geschied in de wetenschap dat [eiser] wil vasthouden aan het beding in de koop-/aanneemovereenkomst met [gedaagde 1] en, naar de voorzieningenrechter concludeert, in de wetenschap dat [gedaagde 2] in strijd handelt met de kennelijke bedoeling van de overeenkomst als hij verhuurt aan MKB.

4.20.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het handelen met iemand terwijl men weet dat deze door dat handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, althans jegens deze derde een onrechtmatige daad pleegt, op zichzelf jegens die derde echter niet onrechtmatig. Er moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Deze omstandigheden kunnen onder meer gelegen zijn in de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en de strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en de omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.

4.21.

Relevante bijkomende omstandigheden in het onderhavige geval zijn onder meer de volgende.

Mede gelet op het uittreksel van de Kamer van Koophandel waarin staat dat MKB zich bezighoudt met “Dienstverlening op het gebied van de verzorging van administratie en boekhouding van instellingen en ondernemingen” - het betoog zijdens [gedaagde 3] en/of MKB ter zitting, dat MKB de boekhouding zal gaan doen op locatie, ten spijt - kan niet op voorhand worden uitgesloten dat MKB en [eiser] voor een deel dezelfde werkzaamheden uitvoeren en derhalve concurrenten zijn. Ter zitting is in ieder geval één voorbeeld ter sprake gekomen, waarbij in het verleden een klant van de ene partij is overgelopen naar de andere partij. Wanneer dit in de toekomst een tendens wordt, kan dit nadelige gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van [eiser], hetgeen [B] had kunnen voorzien op het moment dat hij de huurovereenkomst met [gedaagde 2] ondertekende.

Daar komt bij dat [B] het onrechtmatig handelen heeft bevorderd. Dit blijkt uit de in het geding gebrachte e-mailwisseling. [B] wilde coûte que coûte het pand betrekken en dat heeft hij ook gedaan. Van een noodzaak voor MKB om zich in hetzelfde pand te vestigen als [eiser], is niet gebleken. Zowel MKB als [gedaagde 3] hebben hun intrek genomen in het pand, daarbij geen rekening houdend met de voor hem kenbare belangen van [eiser]. [B] heeft [eiser] ook geen schadeloosstelling aangeboden.

4.22.

Door op deze manier te handelen, profiteren MKB en [gedaagde 3] van de onrechtmatige daad van [gedaagde 2]. Dit is in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en derhalve onrechtmatig jegens [eiser].

slotsom

4.23.

Het voorgaande brengt mee dat de onder 4.11. gestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord.

4.24.

De vordering om [gedaagde 1] te veroordelen tot een voorschot op verbeurde boetes, zal worden afgewezen. Immers is de boete een onderdeel van de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1], doch [gedaagde 1] heeft de overeenkomst niet geschonden. Het is [gedaagde 2] in privé die jegens [eiser] een onrechtmatige daad heeft begaan.

4.25.

Wel ligt de vordering om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te verbieden het pand aan [gedaagde 3] of MKB verder in gebruik te geven voor toewijzing gereed. Hetzelfde geldt voor het verwijderen van reclame-uitingen anders dan een naambordje van [gedaagde 3] en MKB.

4.26.

Nu de aard en omvang van de eventuele schade van [eiser] op dit moment nog onduidelijk is, is - bij afweging van alle betrokken belangen - een vergaande maatregel als ontruiming van het pand in kort geding niet op zijn plaats. In een bodemprocedure zal de schade nader moeten worden onderzocht. De omstandigheid dat [gedaagde 3] en MKB (voorlopig) in het pand verblijven, kan zich dan eventueel vertalen in een vorm van schadevergoeding.

dwangsom

4.27.

De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd als volgt.

proceskosten

4.28.

Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding €  196,69

  • -

    griffierecht 274,00

  • -

    salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.286,69

5 De beoordeling in reconventie

5.1.

Partijen zijn aan een onderlinge overeenkomst gebonden, tenzij de overeenkomst of een daarin opgenomen beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechter moet bij de vraag of dat het geval is de nodige terughoudendheid betrachten.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het beding naar voornoemde maatstaven niet onaanvaardbaar. [eiser] had concrete belangen om niet in hetzelfde pand te verblijven als haar concurrent. [gedaagde 2] is daar aanvankelijk mee akkoord gegaan, maar heeft vervolgens toch in privé deze belangen van [eiser] in de wind geslagen. Mede gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval die in conventie zijn meegewogen en tot het oordeel hebben geleid dat gedaagden onrechtmatig jegens [eiser] handelen, zal de vordering in reconventie worden afgewezen.

5.2.

[gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op
€ 408,00 (factor 0,5 x tarief € 816,00) aan salaris advocaat.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

verbiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om na betekening van dit vonnis een ander dan het thans verhuurde gedeelte van het pand (Korteweg 2b) aan [gedaagde 3] en MKB of (middellijk of onmiddellijk) aan hen gelieerde partijen, in gebruik te geven op grond van welke titel dan ook,

6.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 6.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 150.000,00 is bereikt,

6.3.

veroordeelt [gedaagde 3] en MKB om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis alle reclame-uitingen op het pand, anders dan een enkel naambordje van ieder van hen, die verwijzen naar de naam [gedaagde 3] of MKB te verwijderen en verwijderd te houden,

6.4.

veroordeelt [gedaagde 3] en MKB om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 6.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 7.500,00 is bereikt,

6.5.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin dat bij betaling door de een, de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.286,69,

6.6.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.8.

wijst de vordering af,

6.9.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 408,00,

6.10.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. V. Bouchla, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

615/676