Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2013:5584

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-07-2013
Datum publicatie
25-07-2013
Zaaknummer
ROT 13/4065
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of verweerder bevoegd was over te gaan tot handhavend optreden op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de woning voor een periode te sluiten. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat uit de wetsgeschiedenis bij artikel 13b van de Opiumwet ondubbelzinnig blijkt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om reeds bij het enkele aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in een pand, zonder dat er sprake is van enige indicatie dat er in of vanuit het desbetreffende pand drugs verkocht, afgeleverd of verstrekt worden, over te kunnen gaan tot sluiting van de woning op grond van dit artikel. Er dient sprake te zijn van verkoop vanuit het pand zelf. De voorzieningenrechter sluit zich op dit punt aan bij hetgeen de rechtbank Haarlem heeft overwogen in haar uitspraak van 4 december 2012, ECLI:NL:BHAA:2012:BY5942.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting zijn er in het geheel geen indicaties dat er vanuit de woning gehandeld wordt, maar is de bij de woning behorende kelderberging gebruikt als opslag voor een grote partij verdovende middelen. Het bewaren van een voorraad drugs met de intentie deze elders te verhandelen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet op één lijn worden gesteld met de verkoop van drugs vanuit een woning aan de gebruiker. Nu niet is gebleken dat in de woning (dan wel de kelderberging) sprake was van een ‘illegaal verkooppunt’, is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen andere conclusie mogelijk dan dat verweerder - ook gelet op de toelichting die hij zelf op zijn beleid geeft - in het onderhavige geval niet bevoegd was om op grond van art. 13b lid 1 Opiumwet handhavend op te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/4065

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. C.W.F. Jansen,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan[derde] ([...]) een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet in de vorm van sluiting van de woning [adres] te [woonplaats] voor de duur van zes maanden. Daarbij is[...] in de gelegenheid gesteld om binnen twee dagen na uitreiking van het besluit maatregelen te treffen om de toegang tot de woning [adres] te [woonplaats] te voorkomen.[...] is voorts meegedeeld dat, indien zij niet of niet tijdig zelf maatregelen treft, vanwege verweerder op haar kosten over wordt gegaan tot sluiting van de woning.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2013. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

[...] is eigenaar van het pand aan de [adres] te [woonplaats]. De woning wordt sinds 1 november 2006 verhuurd aan verzoekster, die op dit adres woont met haar minderjarige kinderen van [leeftijd] en [leeftijd] jaar. Op 22 februari 2013 heeft de politie bij een doorzoeking van de woning in de bij de woning behorende kelderberging 226,8 kilogram cocaïne en in de woning een half miljoen euro aan contant geld aangetroffen. In de woning zijn door de politie verzoekster en een vriend van verzoekster aangehouden. Verzoekster is na 14 dagen geschorst uit de voorlopige hechtenis.

In verband met verweerders voornemen om de woning voor een bepaalde periode te sluiten, heeft op 4 juni 2013 een zienswijzegesprek plaatsgevonden, waarbij verzoekster en een medewerker van[...] aanwezig waren.

2.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat voldoende aannemelijk is geworden dat vanuit de woning drugs worden verkocht of overgegeven, dan wel de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen die in de woning is aangetroffen als een handelshoeveelheid kan worden aangemerkt. Daarmee is volgens verweerder sprake van een situatie als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij een situatie als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet de openbare orde en het leefklimaat zonder meer in het geding is. Nu de openbare orde is aangetast, acht verweerder het noodzakelijk gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de openbare orde en een veilig woon- en leefklimaat te herstellen en de loop uit de drugswoning te halen.[...] heeft naar de mening van verweerder haar verantwoordelijkheid als pandeigenaar genomen, maar dat neemt niet weg dat een maatregel noodzakelijk wordt geacht om de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen. Verweerder meent dat het belang van verzoekster en haar kinderen niet opweegt tegen het belang van herstel van de openbare orde en leefbaarheid in en in de omgeving van de woning en dat niet kan worden afgezien van sluiting van de woning. Hierbij heeft verweerder meegewogen dat het om een zeer grote handelshoeveel-heid gaat, de woning in de aandachtswijk [naam] is gelegen en er een half miljoen euro contant geld door de politie is aangetroffen.

3.

Verzoekster bestrijdt dat de openbare orde is aangetast en dat in haar buurt het leefklimaat in het geding is. De omgeving is slechts opgeschrikt door de politie-inval en het feit dat die inval drugsgerelateerd was, maar met de inval is wel voorkomen dat sprake zou kunnen zijn van overlast. De woning [adres] is geen drugspand in die zin, dat er werd gehandeld. Er is volgens verzoekster slechts een grote hoeveelheid drugs en een tas met geld in de (kelderbox van de) woning gevonden en door het politieoptreden is verder onheil voorkomen. Verzoekster is door de bestuursdwang op buitengewoon indringende wijze in haar belangen getroffen, terwijl zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan strafbare handelingen en er ook geen weet van had waar haar ex-vriend mee bezig was. Omdat sprake was van een incident en de ex-vriend voor een aantal jaren gedetineerd zal worden, is de kans op herhaling volgens verzoekster uitgesloten en had kunnen worden volstaan met een bestuurlijke waarschuwing.

4.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb dient te worden aangemerkt, omdat zij de huurster is van de woning en zij er belang bij heeft dat zij en haar kinderen in de woning kunnen verblijven.

6.1

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

6.2

Ter uitvoering van deze bevoegdheid heeft verweerder de Beleidslijn woonoverlast 2009, met als bijlage 2 de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet inzake een woning of lokaal 2011 (beleid) vastgesteld. In bijlage 2 wordt verweerders beleid als volgt nader toegelicht:

“Van oudsher biedt artikel 174a Gemeentewet (Wet Victoria) mogelijkheden om op te treden tegen de illegale verkoop van drugs in Rotterdam. Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om een woning of lokaal te sluiten wegens verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor. Er zijn echter panden van waaruit in drugs wordt gehandeld zonder dat dit voor verstoring van de openbare orde zorgt.

Met de wijziging van artikel 13b van de Opiumwet per november 2007 kunnen alle drugspanden aangepakt worden, dus ook woningen. De burgemeester kan bestuursdwang toepassen als drugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt danwel daartoe aanwezig zijn, in of vanuit woningen of lokalen en daarbij behorende erven (…).

Het opleggen van een last onder bestuursdwang op basis van artikel 13b Opiumwet is nader uitgewerkt in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het opleggen van een last onder bestuursdwang betreft het herstellen in een normale toestand door het ongedaan maken, beëindigen of voorkomen van de overtreding (…).

In de gemeente Rotterdam wordt gekozen voor het sluiten van de gehele woning, omdat het direct een einde maakt aan de illegale situatie. Tevens wordt door sluiting de loop uit het pand gehaald en de bekendheid als illegaal verkooppunt ongedaan gemaakt.”

7.

Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of verweerder bevoegd was over te gaan tot handhavend optreden op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de woning voor een periode te sluiten. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat uit de wetsgeschiedenis bij artikel 13b van de Opiumwet ondubbelzinnig blijkt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om reeds bij het enkele aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in een pand, zonder dat er sprake is van enige indicatie dat er in of vanuit het desbetreffende pand drugs verkocht, afgeleverd of verstrekt worden, over te kunnen gaan tot sluiting van de woning op grond van dit artikel. Er dient sprake te zijn van verkoop vanuit het pand zelf. De voorzieningenrechter sluit zich op dit punt aan bij hetgeen de rechtbank Haarlem heeft overwogen in haar uitspraak van 4 december 2012, ECLI:NL:BHAA:2012:BY5942.

8.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting zijn er in het geheel geen indicaties dat er vanuit de woning gehandeld wordt, maar is de bij de woning behorende kelderberging gebruikt als opslag voor een grote partij verdovende middelen. Het bewaren van een voorraad drugs met de intentie deze elders te verhandelen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet op één lijn worden gesteld met de verkoop van drugs vanuit een woning aan de gebruiker. Nu niet is gebleken dat in de woning (dan wel de kelderberging) sprake was van een ‘illegaal verkooppunt’, is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen andere conclusie mogelijk dan dat verweerder - ook gelet op de toelichting die hij zelf, zoals hiervoor is aangehaald, op zijn beleid geeft - in het onderhavige geval niet bevoegd was om op grond van art. 13b lid 1 Opiumwet handhavend op te treden.

9.

Ter zitting heeft verweerder met een beroep op de uitspraak van de Afdeling van

5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2043, gesteld dat het enkel aanwezig hebben van drugs, ook voor verhandeling elders, voldoende is voor sluiting van het pand. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit evenwel niet uit voornoemde uitspraak worden geconcludeerd. In het daar aan de orde zijnde geval werden bij de doorzoeking van het betreffende pand naast 428 gram heroïne ook versnijdingsmiddel, persmallen, weegschalen, mixers, rollen tape en verpakkingsmateriaal aangetroffen, welke materialen wijzen op handel in drugs ter plaatse. Zoals ook door verweerder is erkend was van dergelijke omstandigheden in de woning (dan wel de kelderberging) van verzoekster geen sprake. Voorts zijn er geen klachten van overlast met betrekking tot de woning van verzoekster. Gelet hierop leidt vorenbedoelde uitspraak de voorzieningenrechter niet tot een andere conclusie.

10.

Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet in stand zal blijven, zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

11.

Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 872,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1). Omdat een toevoeging is verleend, dienen de kosten te worden voldaan aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van verweerder van 21 juni 2013 wordt geschorst tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster,

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 160,00 vergoedt,

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 872,00 en bepaalt dat, nu aan verzoekster een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de rechtsbijstandverlener worden betaald.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.